“Zie je, ik hou van je”

22 April 2014 (6:50) | Marko van der Wal | Geen reacties

Waar te beginnen op de jacht naar je favoriete liefdesgedicht? Even sneupen in een dikke bloemlezing bracht mij op een versje van J.P. Guépin, dat ik alweer half was vergeten. Het heet ‘Intimiteiten’:

Wat blijft er over van het liefdesgebeuren
buiten de vier muren?

Onritmisch gebonk
van de bovenburen.

Ik citeerde dit vroeger wel eens, wat me niet altijd in dank werd afgenomen. Inmiddels ken ik wel wat meer gedichten uit mijn hoofd, maar dat zijn niet per se mijn favorieten. Met Shakespeares twintigste sonnet kan ik hier met goed fatsoen wel aankomen, maar uiteindelijk is dat gewoon goedkoop sentiment. Hooft, Gorter, een lapje schoollatijn, een flard Prévert – het doet allemaal uitstekend werk bij de borrel.

Jan Siebelink schijnt iedereen het bed in te kunnen kletsen met Mallarmé. Ik vind dat een prestatie van formaat. Wat zijn dat in vredesnaam voor oesters die daar intrappen? Sinds die keer dat ik mezelf met het oog op het bed ‘Amor’ van Oswald de Andrade hoorde voordragen brand ik daar mijn vingers niet meer aan. Bovendien, voor Gorter komt tegenwoordig niemand het bed nog uit, laat staan erin.

Het liefst zou ik hier mijn toevlucht nemen tot de teksten van Joni Mitchell. Alleen heb ik het al eens op deze plaats gehad over haar muziek en gedichten. Op het gevaar af dat ik dit stokpaardje dusdanig berijd dat er een doorgezakte pony van overblijft: Joni schreef de onsterfelijke regels You’re in my blood like holy wine / You taste so bitter and so sweet / I could drink a case of you / And I would still be on my feet. (Zou Siebelink dat al geprobeerd hebben?)

Mijn favoriete liefdesgedicht is geschreven door een ander stokpaardje, namelijk Jan Hanlo. Het stond in het tijdschrift Podium in de jaren vijftig. Als je het in bed zou declameren word je er meteen weer uit getrapt. Het begint zo:

kf cfou

apbmt ef mbvxf obdiu
apbmt ef xpmmfo wbdiu
wbo tdibqfo
aptmt wbo qjnqfst pohfebdiu
ffo hspfu nz xfm ffot ufhfombdiu

Ik geef toe dat er een zeer groot romanticus in mij schuilgaat, daar kan ik ook niets aan doen.

De sleutel tot het gefröbel hierboven gaf Hanlo in een PS onder een briefje: ‘je moet tegen Pappa zeggen dat in ’t laatste Podium die gekke woorden in mijn stukje geen gekke woorden zijn, maar geheimschrift.’ Neem steeds de volgende letter van het alfabet (behalve de a) en je krijgt een leesbaar gedicht. Volgens Hanlo zelf ‘een heel schoon gedicht’, en dat ben ik roerend met hem eens. Samen met zijn ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ vind ik dit het mooiste gedicht.

je bent

zoals de lauwe nacht
zoals de wollen vacht
van schapen
zoals van wimpers ongedacht
een groet mij wel eens tegenlacht

zo blank als is er geen
als rijst als elpenbeen
als maanlicht
als zilver dat men krijgt ter leen
en af moet geven schier meteen

een veulen in de wei
dat lui ligt op zijn zij
te slapen
een oud paard is niet dikwijls blij
maar voor de veulens is het mei

je oog de winterwind
ofschoon wel meer bemind
en zachter
maar wijs en grijs en trots toch kind
die plaatsten waar je ziel begint

Reageer >
 

Mooi geweest

21 April 2014 (9:18) | Martijn Knol | Geen reacties

I) Er wordt helemaal niemand doodgeschoten

Karel_Appel mannetje met de zonGoede Vrijdag. Mijn dochter en ik bezoeken het Stedelijk Museum Schiedam. Ik heb haar meegenomen omdat ik haar graag het schilderij wil laten zien dat mijn vrouw en ik ooit uitkozen voor op haar geboortekaartje. Mannetje met de zon, van Karel Appel. We bekijken de vaste collectie en een tentoonstelling. Daarna mag zij kiezen waar we gaan lunchen. Ze wil graag naar Hotel New York, in Rotterdam, zodat ze kan twitteren dat ze in New York zit. Grappig. Tienerhumor.

We lunchen uitgebreid. Gegrilde visjes, risotto en witte wijn. Ik drink in m’n eentje anderhalve fles. De ervaring leert dat dat mijn weggedrag een beetje tempert. Als de borden zijn afgehaald, wordt er een muntthee en een dubbele espresso neergezet. We praten over school, over buitenlandse musea en ik vertel wat over het komende nummer van Tirade. Als we zijn uitgekletst, begint mijn dochter een beetje te swipen op haar iPad en lees ik wat in Valeria Luiselli’s De gewichtlozen (het boek weegt 252 gram, trouwens).

‘Pap?’

‘Mmm?’

‘Is het waar dat jij van plan bent om mama en mij te vermoorden en met Pam een nieuw leven te beginnen?’

‘Wie zegt dat?’

‘Iemand op school.’

‘Wie?’

‘Gewoon, iemand.’

      Ik trek m’n gun uit mijn schouderholster en richt het op mijn dochter:

‘Ik vraag het je nog één keer, eigenwijze tyfusbitch: Wie. Zegt. Dat.’

‘Stoer hoor, alsof je je eigen dochter overhoop gaat schieten.’

‘Weet je nog dat je een paar jaar geleden zo’n schattig klein broertje had? Met van die krullen? Wat is daar ook alweer mee gebeurd?’

‘Ja, maar dat was een jongen.’

      Ik haal de trekker over, blaf de halve linkerarm van mijn dochter eraf.

‘Ik vraag het je godverdomme nog één keer. Van wie heb je die bullshit?’

‘Van Madelief.’ Mijn dochter verbijt haar tranen – zo zie ik het graag.

‘Nou, zeg maar tegen Madelief dat jouw vader geen vlieg kwaad doet.’

‘Zal ik doen,’ zegt mijn dochter terwijl ze met servetten haar stompje afbindt.

‘Fijn.’ Ik steek m’n gun terug in m’n schouderholster, sla m’n espresso achterover en leun dan over de tafel tot vlak voor het gezicht van mijn dochter. Terwijl ik mijn oogbollen achtjes laat draaien in hun kassen, zeg ik: ‘Best een aparte vader heb jij.’

‘Pap. Effe normaal doen.’

‘Hahaha, schitterend!’

‘Pap?’

‘Ja, WAT?!’

‘Heb jij een relatie met Pam?’

‘Nee, absoluut niet. Nooit gehad ook. Pam is een collega. We zijn allebei gek op goochelen, dat is alles… Omdat Pam op het podium altijd zo ijverig fakkels door hoepels staat te smijten, denk jij misschien dat ze backstage ook met vuur speelt, maar niets is minder waar. Pam is gewoon een loyale, lieve, stabiele moeder en echtgenote. Of hoe zeg je dat een beetje geëmancipeerd? Maak je maar geen zorgen.’

‘Ze jat wel alle trucs uit je poten.’

‘Dan jat ik gewoon een paar trucs terug. It’s all in the game, lieverd. Maar geloof je me nou? Ben je nou een beetje gerustgesteld?’

‘Ja.’

‘…’

‘En pap? Elvira zegt dat ze jou laatst zag met de moeder van Penélope, van ballet en dat jullie – ’

‘Hé! Zullen we afspreken dat jij je verder niet met het liefdesleven van je vader bemoeit? Wat zullen we nou krijgen.’

De afgelopen weken, maanden, heb ik talloze lezers hopeloos zien verdwalen in het grijze gebied tussen Begrijpend lezen en Rorschachtest. Betrekkingswanen, projecties, speculaties. Het was vaak amusant, soms griezelig, en ik beken dat ik – met de beste pedagogische bedoelingen – af en toe een dwaalspoor heb uitgezet en dat het literaire spel me, behalve een hoop plezier en schuldgevoel, ook een schat aan psychologische en relationele inzichten heeft opgeleverd. Maar nu vind ik het, eerlijk gezegd, wel mooi geweest. Ik maak me geen illusies (woordspeling), maar laat ik voor mijn eigen gemoedsrust nog maar een keer herhalen dat ik hier, op de blog, fictie bedrijf.

 

II) Haar favoriete liefdesgedicht

Mijn dochter was tijdens het swipen over de liefde begonnen, doordat ik haar tijdens het eten over het naderende nummer van Tirade had verteld. Tirade 454, het nummer vol Nieuwe Liefdespoëzie. Ik zei dat Lieke, Marko, Gilles en ik hadden afgesproken dat we in de aanloop naar de presentatie van het nummer – op 9 mei in De Nieuwe Liefde – aandacht aan onze favoriete liefdesgedichten zouden besteden in onze blogstukjes. Onlangs deelde Lieke haar favoriete liefdesgedicht al. Ik had nog niet kunnen kiezen.

‘Weet jij iets?’

‘Een gedicht?’

‘Ja, of een songtekst. Lezen jullie geen poëzie op school?’

‘Ja, maar dat is allemaal saaie shit.’

‘…’

‘Kan film ook poëzie zijn?’

‘Dat vraag je aan mij? Natuurlijk! Cinema ís poëzie.’

‘Dan kies ik een stukje uit You the Living.’

‘Goed idee. Welke scène?’

‘Deze,’ ze reikt me haar iPad aan.

‘Mooi. Moet ik je keuze nog toelichten?’

‘Nee, want dan ga je me toch alleen maar belachelijk maken.’

‘Oké, dan zet ik het maandag op de blog en dan vertel ik er alleen nog bij dat You the Living (2007) is opgenomen in Stockholm en dat het de tweede speelfilm van Roy Andersson is.’

‘Oké.’

Nou, geloof het of niet: voor mijn tienerdochter is een huwelijk het toppunt van romantiek. Hoe dan ook… ga rustig zitten voor deze acht minuten grootse, Europese, humanistische cinema. Eigenlijk ben ik het met mijn dochter eens… betere liefdespoëzie bestaat niet:

 

Tirade – sprookjes.

Soundtrack: zie het filmpje hierboven.

Volgende week: Tyn’s tuin. En meer.

Reageer >
 

AM over Beyoncé

20 April 2014 (6:21) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

Mooie boeken komen soms uit onverwachte hoek. Bijvoorbeeld van Beyoncé. Van de week stuurde ik haar een mailtje:

Dear Beyoncé, thank you so much for your new album. I loved loved loved it and will continue to do so forever. I also want to thank you for introducing me to Chimamanda Ngozi Adichie. I read Americanah so fast my eyes almost started spinning. By the way, I am a little bit of a writer myself and if you ever want to quote from my work, please feel free to do so. Yours forever, Anne-Marieke

NRC gaf het nieuwe album van Beyoncé vijf sterren. Dat verraste me en ik schafte het aan. Ik vond het inderdaad een indrukwekkend album. Episch bij vlagen. Ik vond Beyoncé altijd al stoer. Wat je noemt een tof wijf. Maar haar muziek had op mij tot nu toe nog geen onsterfelijke indruk gemaakt (toegegeven: behalve single ladies ook vanwege het bijbehorende dansje). Misschien heeft ze wat meer diepgang gekregen sinds ze moeder is, dacht ik. Of sinds ze het met Obama doet, dacht ik ook. Want begin dit jaar las ik het fascinerende bericht dat volgens betrouwbare bron uit het roddelperscircuit (kan dat?) binnenkort zou uitkomen dat Obama en Beyoncé het met elkaar deden. Obama en Beyoncé. Het is van het kaliber Kennedy en Marilyn Monroe. Caesar en Cleopatra. Obama ontkende, wat op zich al verdacht is. Bush ontkende immers eerder ook dat er gemarteld werd op Guantanamo Bay. Ook is het natuurlijk opvallend dat Beyoncé en Obama tegelijk in Amsterdam waren. Toen de Airforce One landde op het museumplein werd Beyoncé gesignaleerd op de fiets in de stad. Even later fietsten Jay-Z en baby Ivy-Blue zonder haar over de Ceintuurbaan.

 

Maar dat terzijde.

Op de nieuwe plaat van Beyoncé hoorde ik tot mijn vreugde Nigeriaans Engels. Een van de mooiste Engelse accenten, als je het mij vraagt. Plechtig en zangerig, uitzonderlijk vriendelijk, met een hintje stoer. Ik heb nog niet echt iets gezegd over mijn werk. Maar wat ik doe is afluisteren en accenten herleiden (iets wat nog lastig is om niet altijd te doen). Dus ik nam Yoncé’s nieuwe cd mee naar kantoor en draaide hem op ons geluidssysteem.

Mijn baas riep wat dat moest met die herrie.

Ik zei dat we aan het werk waren.

Luister, een Nigeriaanse stem. Denk je niet? vroeg ik collega Gerard (die vorig jaar Beyoncé nog mailde of ze wilde komen optreden op de sweet sixteen van zijn dochter)

De vrouwenstem zei dingen als: we tell our daughters: you can have ambition but not too much, you should aim to be succesful but not too succesful. Otherwise you will threaten the man.

Too much, beaamde Gerard. Onmiskenbaar Nigeriaans.

Waren we toch benieuwd wie die vrouw dan was. Dus we googleden: beyonce nigeria feminist. En de citaten bleken afkomstig van Chimamanda Ngozi Adichie, een Nigeriaanse feministe met een bijzonder mooi en ingewikkeld kapsel. En schrijfster.

adichie

Ook bleek dat New York Times haar roman Americanah een van de vijf beste boeken (fictie) van 2013 vond. Die bestelde ik dus. En ik las Americanah op vakantie. In drie dagen waarvan ik me weinig anders herinner dan het omslaan van pagina’s en de lome warmte aan dek van een schip van Bangkok naar een Thais Ko.

Beyoncé reageerde tot op heden niet op mijn mail. Maar ja, op die van Gerard van vorig jaar had ze ook nog niet gereageerd. Ik hou er dus rekening mee dat haar antwoord nog wat op zich zal laten wachten.

Reageer >
 

Amsterdam, 19 april 2014

19 April 2014 (9:06) | Gilles van der Loo | Geen reacties

Optie 8Lieve Arjen,

Ik schrijf je met verf op mijn knuisten. Deze week heb ik onze keuken verbouwd, zodat ik jou en je Boy Wonder weer met goed fatsoen kan ontvangen. De punten waarop je me voor jullie vertrek naar Austin wees zijn allemaal aangepakt. 

Het messingen rek voor mijn pannenlappenverzameling is er gekomen, en in combinatie met de kanariegele muren (dank nog voor de stalenkaart!) is het geheel echt adembenemend geworden. Ach, wat zal jou geweldige kleurgevoel aansluiting missen in Texas, waar ik vermoed dat alles hardrood, hardwit en hardblauw is. 

Birre wees me erop dat mijn pogingen een personage van je te maken waarschijnlijk meer over mijzelf zeggen dan over jou.

‘Die Arjen Vanlith,’ zei ze, ‘die cowboy. Dat zou je zelf willen zijn.’ 

‘Denk je?’ 

‘Is het geen homo-erotische fantasie van je, zo’n cowboy? Die douchescène met die zeep… Toch het onderzoeken waard, lijkt me.’

Hartverscheurend, als de vrouw met wie je al bijna 10 jaar lief en leed deelt, je zo slecht blijkt te kennen. 

De vraag in hoeverre een schrijfsel niet-autobiografisch kan zijn blijft natuurlijk relevant, maar terwijl ik deze woorden tik heb ik verdomme wél zaagsel in mijn haar. ZAAGSEL, zeg ik je.

In je laatste brief schreef je nota bene zelf dat ik een alfamannetje ben. “Jij hebt leiderschapskwaliteiten,” schreef je. “Jij hebt een zwarte band in aikido. […] je hebt je mannelijkheid definitief bewezen met je zoon, die […] het product is van […] hoogwaardig zaad.”

Die paar weekjes mannenvakantie per jaar, die heerlijke dagen samen met jou en Boy Wonder in ons huisje in Thailand, moeten die gezien worden in het licht van een verdrongen verlangen mijnerzijds? Is er iets specifiek homoseksueels aan de prachtige foto waarop we in onze string zitten te schrijven op de veranda, terwijl Boy Wonder ons met de hand hele trossen kleine bananen voert?

Alsof Hemingway niet in zijn onderbroek schreef. Als er in zijn dagen strings waren geweest, dan wéét ik dat hij ze zou hebben gedragen. The Sun Also Rises, indeed.

Birre zegt dat ik opvallend veel tijd besteed aan een verweer tegen iets wat helemaal geen aanval hoeft te zijn. Ze vraagt of jij misschien ook denkt dat ik iets te verbergen heb.

‘Vraag het hem maar,’ zegt ze. ‘Arjen zal je eerlijk antwoord geven.’

Nou, mooi niet. Ik vraag niks.

Iets heel anders: deze week heb ik een paar chaps gekocht. De meneer in de winkel was heel aardig. Ik legde uit dat ze een cadeau zijn voor een vriend van me, die cowboy is. De man bleek mijn briefwisseling met Arjen Vanlith te kennen, en klopte me bemoedigend op mijn bips terwijl ik mijn pincode invoerde.

Morgen gaan de chaps op de bus naar cowboy Arjen Vanlith, p/a Arjen van Lith, Austin Texas. Kun jij zorgen dat hij ze krijgt? Voor het gemak heb ik jouw maten aangehouden, met een centimetertje erbij zo hier en daar. 

Een wat ruwe stereotiep mannelijke omhelzing van je vriend in Amsterdam,

 

Gilles

______________________________________________________

Elke zaterdag op Tirade.nu: de briefwisseling tussen Arjen van Lith, emigré te Austin en Gilles van der Loo, thuisblijver te Amsterdam.

 

Reageer >
 

Waarom wij lak hebben aan klimaatverandering

18 April 2014 (11:21) | Daniël Rovers | Geen reacties

ZadieSmithWaarom hebben we zo laat en inadequaat ingegrepen toen bleek dat de mensheid een rampzalige klimaatverandering in gang had gezet? Waarschijnlijk omdat dat woord –rampzalig – te groot voor ons is en vraagt om aanhalingstekens en ironie. Zadie Smith treurt in haar prachtige korte essay Elegy for a Country’s Seasons over alles wat door de weermetamorfose van de laatste jaren verloren is gegaan: de stormen die beperkt bleven tot het voor- en najaar, de eerste warme dagen die pas in mei kwamen, en in december de hoop op een witte Kerst in plaats van de angst voor een overstroming. Zadie Smith stelt de vraag naar de traagheid van onze verontwaardiging en actie. Ze oppert dat we er simpelweg van uit zijn gegaan dat het klimaat niet kón veranderen, hoewel we natuurlijk wisten dat we in staat waren flink wat schade toe te brengen. We konden ons niet inbeelden dat we het ritme en de gang van de natuur zelf zouden ontwrichten, schrijft Smith, ‘just as a child who has screamed all day at her father still does not expect to see him lie down on the kitchen floor and weep’.

Waarom? Als dat een schuldvraag is, moeten we niet meteen wijzen naar de mijnbouw- en olielobby die er de afgelopen decennia alles aan gedaan heeft om het overvloedige wetenschappelijke bewijs in twijfel te trekken. Wat die bedrijven en hun advocaten doen is niet meer dan mist verspreiden. Met wat leeswerk verkrijg je snel een overzicht over wat er te verwachten valt. Te weten: een opwarming van de aarde die het dubbele bedraagt van een ooit als penibel beschouwde twee graden Celsius; een stijgende zeespiegel, verdwijnende eilandengroepen, verplaatste steden, ondergelopen kustgebieden; de toename van verwoestende orkanen; in Noord-Europa en Rusland wat bevroren gronden die beschikbaar komen voor landbouw; grote perioden van droogte afgewisseld met massale overstromingen; het gevaar van ontsnappend methaangas uit bevroren toendra’s, waardoor de opwarming in een onoverzienbare versnelling kan komen.

Allemaal allang bekend, wie het leest krijgt onbewust de neiging zo’n opsomming verveeld weg te swipen. De wetenschappelijke discussie gaat tegenwoordig over de economische kosten van de komende ramp, wiskundig wapengekletter. En zeker ook, nadat is gebleken dat de reductie van CO2-uitstoot (de transformatie naar duurzame energie) te langzaam gaat, over de vraag met welke technieken de huidige opwarming kan worden afgeremd. Door opslag bijvoorbeeld, maar ook met behulp van technieken die het zonlicht zouden moeten weerkaatsen opdat het op aarde wat koeler wordt. Denk aan grote spiegels in de ruimte en het massaal spuiten van sulfaat in de stratosfeer. Geen sciencefiction, helaas.

Dat ik pas onlangs de moeite nam om me überhaupt van deze feiten op de hoogte te stellen, is te danken aan de Nederlandse klimaateconoom Richard Tol. Hij nam afstand van de beleidsaanbevelingen van het klimaatpanel van de Verenigde Naties (IPCC), het instituut waarvoor hij werkzaam is. Hij vond die aanbevelingen ‘alarmistisch’. Al te pessimistische waarschuwingen zouden contraproductief werken; we konden beter geloof hechten aan het aanpassingsvermogen van de mens. Een monter uitgangspunt, in The Financial Times legde Tol uit wat hij bedoelde. Een land als Bangladesh moest maar een voorbeeld nemen aan het arme kleine Nederland, dat al in de jaren vijftig van de vorige eeuw met succes een watersnood had overwonnen!

Als zulke argumenten – beste Syriërs, wordt als Nederland en sluit vrede, dat hebben wij in 1830 ook met de Belgen gedaan – gelden als teken van gezond verstand, moet je je pas echt zorgen gaan maken. Zeker toen Simon Kalf in een reactie (NRC, 8 april) stelde dat de klimaateconoom zelf blijk geeft van een pessimistisch wereldbeeld. Tol had namelijk geschreven dat het vijftig tot honderd jaar zou duren om te komen tot een koolstofvrije economie – een bij uitstek defaitistische stelling. Want de winning van overgebleven fossiele brandstoffen wordt met het jaar duurder; het is dus van levensbelang, legde Kalf uit, de miljarden die in het bovenhalen van vervuilende brandstoffen gepompt wordt, het komende decennium te investeren in onderzoek naar alternatieve energiebronnen. Moeilijkheid: het gaat om gigantisch veel geld en dus macht – van zowel multinationals als wereldleiders.

De ‘alarmistische toon’ vond ik overigens niet meteen terug in het droge proza van het IPCC-beleidsstuk. Het oordeel ‘alarmistisch’ is wat dat betreft het meest alarmerend – alsmede de gretigheid waarmee dat woord vervolgens opgepikt werd in de pers. Nota bene Tol zelf oordeelde een jaar geleden nog in een opiniebijdrage in het Financieel Dagblad dat alle onzekerheden die het veranderende klimaat met zich meebrengt juist tot verregaande maatregelen nopen.

Waarom wilde ik niets van die klimaatsverandering weten?  Zadie Smith wijst op een gebrek aan verbeeldingskracht, maar het zal ook mijn afkomst wezen. Net als Richard Tol kom ik uit Nederland en ben opgegroeid met verhalen over de Watersnoodramp en de heroïsche Deltawerken; er is altijd wel een oplossing voor elk milieukundig vraagstuk te vinden. Hoe vormend was niet Jan Terlouws Oosterschelde; Windkracht 10, waarin uiteindelijk  het compromis tussen veiligheid en behoud van de natuur gevonden wordt?

In Nederland zelf heerst een lutherse mentaliteit – we moeten elk op onze eigen manier bijdragen aan een goede wereld. Verbeter de wereld, begin bij jezelf. En doen we met ons groenestroomabonnement, onze elektrische auto en wat windmolenparken voor de kust niet al genoeg? Maar de opwarming betreft de aarde, niet alleen Nederland. Het gaat in de allereerste plaats om wat landen als China, Japan, de Verenigde Staten voor maatregelen nemen; en hoewel China fors investeert in alternatieve energiebronnen, blijven door de groeiende economie (alle telefoons en tablets die hier niet zijn aan te slepen) de kolencentrales draaien. Je kunt lak hebben aan de klimaatverandering, maar die houd je daardoor nog niet tegen.

————-

Rovers-De-zon-is-het-probleem-nietDaniël Rovers is schrijver van de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt en de romans Elf en Walter. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning. Op zondag 4 mei aanstaande verschijnt zijn bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 453, publiceerde Rovers het reisverhaal The Killing Fields. In Tirade 450 publiceerde hij een tirade tegen zichzelf.

Reageer >
 

Het Licht, de Waarheid en de Weg

17 April 2014 (11:11) | Gilles van der Loo | Geen reacties

fotoDe gewaarwording dat het universum een plan met je heeft is het gevolg van onze drang om uit een chaotische brij van aangeboden stimuli regels te kristalliseren; om lijn te vinden in wat ons overkomt. 

Een instinct om opgedane ervaring te generaliseren naar andere situaties is aanwezig bij alle diersoorten die het hebben gered. 

Wie enig belang aan Darwin hecht, kan bedenken dat oerguppen die niet leerden om de grote gele snoek te mijden nooit de kans hebben gekregen om iets te worden wat op het land zou gaan lopen. Het nageslacht van die ene oergup die inzag dat het misschien beter was om alle grote vissen te mijden, slalomt nu Whatsappend op de fiets door de ochtendspits.

Dit zoeken naar generaliseerbare kennis, naar onderliggende regels, leidt ertoe dat we wat ons overkomt proberen te plaatsen; trachten onder te brengen in een te volgen lijn. 

Wat ik zeg is: dingen overkomen je zonder dat daar een bedoeling achter zit, en het gevoel dat ‘het allemaal zo heeft moeten zijn’ en er een master plan is, maak je zelf. Het bewijs hiervoor falsificeer je eigenhandig, door die gebeurtenissen te markeren die in je verwachting of hoop passen, en andere te negeren. Zo plegen we aan de lopende band fraude bij onze eigen werkelijkheidsvorsing. 

Dat was de lelijke manier om het te bekijken. Je zou ook kunnen zeggen dat we onze individuele werkelijkheid scheppen, lijn aanbrengen in ons eigen verhaal. Ieders levenswerk is dan het schrijven van dat verhaal, en het geloof waarin je je laatste adem uitblaast zal uiteindelijk waar blijken, al was het maar omdat er geen weerlegging volgen kan.

Gisteren werkte ik aan een hoofdstuk voor mijn nieuwe roman, die zich aan de westkust van de Verenigde Staten afspeelt. De hoofdpersoon is kok. Mijn laatste zinnen van de dag waren: 

Samen lopen we naar de keuken. Freddy heeft de deur opengezet. Onzeker zonlicht valt over de noppenmat, de tegels en het deksel van de vetafscheider. Ik haal de pen uit het slot van de koeling en schuif een groentekrat aan de kant. 

Ik sloot het document met het gevoel dat ik te vaak over licht schrijf. Ik opende het bestand weer, en ontdekte dat het woord ‘licht’ in dertig bladzijden tien keer voorkomt. Zeven keer in de betekenis van zichtbaar licht. Nu heb ik geleerd om in de schrijffase nooit aan mijn werk te twijfelen, maar toch knaagde het. Tot ik afleiding zocht op Tirade.nu en daar de dagcolumn Wat het licht doet van Menno Hartman las, waarin hij schrijft:

“Vanmorgen [...] bedacht ik dat het misschien mogelijk is goede literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.” 

Aanzienlijk opgebeurd besloot ik een rondslingerende Volkskrant te lezen, en meteen stuitte ik op een verhaal over een Scandinavische kunstenaar die een van zonlicht verstoken dorp in een gletsjerdal met behulp van spiegels uit het donker haalde.  

Misschien ken je Menno Hartman niet. Dat is jammer. Hij heeft een plan met je. Met ons allemaal, eigenlijk. 

Reageer >
 

Wat het licht doet

16 April 2014 (10:34) | Menno Hartman | 3 reacties

fotoIk sluit niet uit dat ik een zak chips at, toen ik het dagboek van Anne Frank las. En chips hadden ze in Bergen Belsen niet.  Nu kun je mensen niet verwijten dat ze een leuke avond willen, maar je kunt je wel afvragen of een leuke avond hebben past bij iets als het dagboek van Anne Frank. Vroeg of laat krijgen de meeste mensen met lijden te maken, liever laat natuurlijk. Lijden is een elementair deel van leven. Zelf verkies ik het dagboek te lezen boven een avond op pluche en met gekonfijte parelhoen. Zoals ik verkies mijn Mattheuspassion, persing 1945 in de uitvoering van het Concertgebouworkest onder directie van Willem Mengelberg te beluisteren, op een houten stoel, zeven keer opstaan om een plaat te draaien,  boven een arrangementje met Leusink.  Om eerlijk te zijn haat ik alles waar je een arrangementje van kunt maken, het is een van de meest misselijkmakende woorden in de Nederlandse taal. Met op een mooie tweede plaats: ‘lekker genieten’.

Bach schreef schitterende muziek, maar ik denk inderdaad dat je die niet moet genieten, maar kaal ondergaan en trachten mee te voelen, mee te maken, en niet aan te zien of aan te horen.  Kortom, er iets van begrijpen. Het gaat om de afstand. De industrie rond de Mattheus staat mij net zo tegen als een musical over Anne. Waarom?  Waarom denk ik dat op een houten kerkbank zitten in een kleine kerk beter is dan in een riante zetel in het concertgebouw? Omdat je mee moet lijden? Waarom moet je een dagboek van Anne Frank lezen en niet in een theater ondergaan met spektakel? Omdat die zaken tegengesteld zijn aan de essentie van de inhoud. Het dagboek van Anne Frank gaat over geheimen van een meisje in bange oorlogstijd, over haar hoop en verwachtingen en onze wetenschap dat die gefnuikt zijn op brute wijze. De passie van Bach gaat over religie en overgave. Je kunt beter dat dagboek lezen, of Het verhaal van mijn leven van Levie de lange bijvoorbeeld, om er iets van te begrijpen. Misschien kun je ook beter rustig naar muziek luisteren in je eentje dan het Leusink theatraal uit zijn tenen te zien trekken. Bij het Erbarme Dich denkt Leusink aan zijn bankrekening en ik voel dat. (Snapt zo’n man niet dat je niet kunt twitteren dat de stille week begonnen is? ‘De stille week is begonnen in de uitverkochte @Martinikerk. Morgen om 18.15 interview Pieter Jan Leusink @eenvandaag pic.twitter.com/W7PDa1clHE)

Dat brengt mij op de zon. Vanmorgen toen ik deze foto maakte bedacht ik me dat het misschien mogelijk is goed literatuur te definiëren als literatuur waarin de schrijver zich bewust is van wat het licht doet. Kijken is de belangrijkste bezigheid van de schrijver. Schrijvers die niet regelmatig of althans soms melden wat het licht doet, zijn minder goede schrijvers. Ik ga daar voorbeelden van verzamelen. Uiteindelijk hebben we weinig meer dan het licht in onze ogen, totdat we ook dat niet meer hebben.

 

‘Wer hat dein Augenlicht,

Dem sonst kein Licht nicht gleichet,

So schändlich zugericht’?

 

 

ps Wat het licht doet is een prachtige dichtbundel van de ondergewaardeerde dichter Hans Tentije.

3 reacties >
 

De hele flikkerse händel

15 April 2014 (6:36) | Marko van der Wal | 2 reacties

1.

‘Montgomery Clift? Dat heb ik niet.’

‘Echt niet…?’

‘Je had hier tien jaar geleden moeten komen, toen stelde de posterhandel nog wat voor. Toen had ik het vast wel gehad.’

‘Nu niet meer?’

‘Als je het niet gelooft kan je zelf kijken.’

Ik keek nog eens rond en zag in de zaak alleen maar mappen met filmposters in plastic hoezen. Als er ergens een echte Clift te vinden is, dan toch hier, maar zelf zoeken in die ongesorteerde meuk had geen enkele zin. De winkelier leek een beetje op een handelaar in oude brommeronderdelen en het liep tegen zessen. Ik wenste hem succes met zijn handel, terwijl ik hoopte dat hij eeuwig zou blijven zitten met z’n winkeldochters.

 

2.

Vanuit de volgende filmposterwinkel schalde mij keiharde klassieke muziek tegemoet. De baas van het morsige zaakje stond net een broodje weg te kauwen.

‘Eet smakelijk! Welke opera is dit ook alweer?!’

Hij drukte een knop op de stereo in en trok er een cassettebandje uit.

‘Iets van Händel, geen idee welke, want dat heb ik er natuurlijk weer niet op geschreven. Ik neem die dingen altijd op van de radio en dan vergeet ik wat het was. Mooi hè? Hou je van opera? Ja? Weet je wat ik ook zo mooi vind? Ken je die film van Lars von Trier, Antichrist, daar zit ook een stuk van Händel in. Helemaal aan het begin, die scène met dat stel dat ligt te vrijen en dat kindje… Geweldig, die harde klappen. Wacht, wacht, ik zoek het op.’

Op een laptop tikte hij met één vinger iets in.

‘You… tube… H – snap jij dat nou? Dat er op het toetsenbord zo’n hoge komma zit, of twee? Nou ja, h-a-n-d-el, antichrist. Mmh, en welke is het dan?’

‘U bedoelt Lascia ch’io pianga?’

‘Wat? Ah, je bent een kenner. Hier heb ik het. Moet je eens zien.’

Terwijl we naar de openingsscène van de film keken draaide hij het volume zo hoog dat de andere klanten spoorslags vertrokken. We zagen het jonge vrijende stel, alles gefilmd in slowmotion, en het jongetje dat met zijn teddybeer in een ander kamer van het appartement aan het spelen is. Dat het raam nog openstaat is geen probleem, totdat hij op een tafel klimt en heel langzaam de sneeuwnacht in verwdijnt. Eerst valt de beer, dan hij. Lascia ch’io pianga.

‘En? Prachtige uitvoering hè? Ik wil dit graag op de begrafenis van mijn vrouw draaien, met het beeld erbij. We kunnen vast wel ergens een beamer vandaan halen.’

‘Wil uw vrouw dat ook?’

‘Ja, ik heb het haar gevraagd. Maar ik weet niet meer wat het antwoord was. Zeg, wat betekent dat eigenlijk, lascia…?’

‘Laat me huilen.’

‘Wat? Oh, in Farinelli zit ie ook.’ Klik. ‘Meesterwerkje, hoor.’

‘Is dat Jeroen Krabbé?’

‘Nee, die speelt niet in zo’n film. Maar je bent een liefhebber? Wat moet ik nog meer luisteren? Ik ken alleen maar Händel.’

‘Nou eh… Mozart, misschien wel Haydn, maar dat is meer van hetzelfde.’

‘Wat? Dat klinkt nou al saai.’

Ik verzweeg dat ik Händel ontzettend saai vind, vooral zijn koren zijn om dood bij neer te vallen. Hij haalt steeds weer hetzelfde trucje uit en daardoor zijn al die opera’s volstrekt inwisselbaar. De meesten kennen het Hallelujah uit The Messiah alleen maar omdat de melodie dezelfde is als die van ‘Hou je smoel ja, hi ha hondelul’. En dat is voldoende.

 

3.

‘Maar goed, even iets anders. Heeft u ook iets van Montgomery Clift? Een poster of zo?’

‘Niet een boek? Dat heb ik wel. Even zien hoor, ja hier. Waar speelt ie ook alweer in… The Heiress, A Place in the Sun, I Confess – heb ik wel een poster van maar die verkoop ik je niet…. Nee, dat wordt ’m niet. Misschien heb ik wel een fotootje.’

Hoog uit een kast kwam een stoffige envelop met een grote C erop. Hij haalde er een stapel foto’s uit, spreidde ze uit op het tafeltje en liet mij m’n gang gaan. Oude stills uit verschillende films, vooral uit Freud, maar daarin droeg Clift een baard dus die waren niet geschikt. Er was één originele ansichtkaart uit de jaren vijftig met een officiële Paramount-portretfoto bij.

‘Kunnen we zaken doen?’ vroeg ik terwijl ik de kaart ophield.

‘Ah, je bent een liefhebber?’

2 reacties >
 

De Chinese Muur – foetsie

14 April 2014 (8:42) | Martijn Knol | Geen reacties

I)       Met de heli

O, uitroep! O, exclamatio!… Kijk ’m nou toch es gaan die blije Art!… in z’n kekke, knalgele vliegmachientje!… hoppakee… wat gaat dat allemaal snel: ’t lijkt potverdorie wel alsof ie boven Madurodam vliegt!… De Randstad? Randdorp zul je bedoelen… Hopla… daar hebben we Amsterdam al… muren, wegen, daken, pleinen… Lekker geluidje die rotorbladen…

Bij de Amsterdamse stadsgrens heeft ie de gesp van z’n stoelriem al losgekoppeld en nu ie door de bolle voorruit van z’n vliegmachine De Rode Hoed kan zien liggen, stapt Art zo, hop, door dat grappige zijdeurtje z’n helikopter uit… ff een meter of zes van suizenstein – en met een judorol landt ie op ’t platte dak van het pand naast De Rode Hoed… een paar honderd meter verderop stort z’n heli met een vaartje van driehonderd kilometer per uur de Keizersgracht in… Ploetsj!… Net ’t losgeschoten bakje van een zweefmolen… Met hetzelfde gemak gooi je ’t in de afvalbak – da’s waar… alleen de meeste  afvalbakken en containers zijn een paar maatjes te klein voor de spulletjes die Art doorgaans afdankt…

Hij trekt een touw uit de zak van z’n jasje en abseilt langs de voorgevel van De Rode Hoed naar de Keizersgracht.

‘Ik heb een afspraak met de heer Kousbroek,’ zegt Art, binnen, tegen een dame achter een balie.

‘Nou, jij staat nog lekker in de werkstand,’ zegt zijn vrouw. Ze heeft de hele middag met haar zus gewinkeld in Utrecht en heeft zich juist bij hem gevoegd.

‘Ook goed, duifje.’ zegt Art. En tegen het meisje: ‘Geen zorgen! We vinden het wel!’ Hij trekt zijn vrouw mee naar de zaal.

De Quote schat Arts privévermogen op zevenhonderdvijftig miljoen euro. Toch heeft hij er nog altijd reuze veel schik in om zonder te betalen ergens binnen te komen. ’t Gaat om de sport hè? Niet om de knikkers.

Ze gaan in het midden van de zaal zitten. Vrij zicht op het spreekgestoelte en op de orgelpijpen daarachter. Art schikt z’n das, swipet nog wat over de display van z’n Smartphone. Zijn vrouw kijkt een tijdje om zich heen, vertelt Art dan welke celebritys ze allemaal heeft gespot in het publiek: ‘Wim Brands, Tilly Hermans, Martijn Knol, Simone van Saarloos, Judith Uyterlinde, Martijn Knol, Dirk van Weelden, Ivo Victoria, Roel Bentz van den Berg, Martijn Knol, Carel Peeters, Niña Weijer, Edzard Mik, Tijs Goldschmidt, Martijn Knol.’

‘Zegt me allemaal niks,’ zegt Art terwijl hij zijn telefoon in zijn binnenzak steekt, ‘het blijft een obscure business, de Nederlandse muziek.’

‘We zitten bij een lezing, Art.’

 

II) ‘Er zit een mens in’ – De Kousbroeklezing

Komt er in een publieksfilm een filosoof, een wiskundige of een musicus voor, reken er dan maar op dat hij of zij al dan niet gevaarlijk gestoord is. Zie ook Roberto Andò’s Viva la libertà (2014) dat donderdag in première ging. Waar woont, in die film, de bipolair gestoorde filosoof Giovanni Oliveri? In een gesticht. Precies waar het grote publiek kunstenaars, denkers en activisten graag ziet. Opsluiten die lui. Wees jij maar blij met je middelmatige hersenpannetje, vadsig bioscoopbezoekertje, want kijk es waar je terecht komt als je es echt ergens over nadenkt… IN HET GESTICHT! HAHAHAHAHAHAHA!

In het technologische/digitale tijdperk – like!, like! – is afwijken, kritisch denken lastiger, gevaarlijker, ongewenster - en dus gewenster – dan ooit. Apparaten en software worden door mensen gemaakt en gebruikt en zijn dus nooit waardenvrij. In zijn Kousbroeklezing sloopt Maxim Februari daarom De Chinese Muur die Rudy Kousbroek zag tussen dier en ding – tussen mens en techniek.

‘Mens, uitvinding en maatschappij zijn in het digitale tijdperk gaandeweg zo verknoopt geraakt dat technologiekritiek niet anders is dan maatschappijkritiek,’ stelt hij. Daarom is, in Facebookjargon, disliken net zo belangrijk als liken.

Maxim Februari’s Kousbroeklezing verschijnt in het komende nummer van De Gids.

 

III) Vertrek

Art is blij dat hij zich door zijn vrouw heeft laten overhalen de avond bij te wonen. Nanotechnologie, robots, drones, dataverzamelingen die achter de rug van het publiek met elkaar communiceren… hoe hij munt uit de jongste ontwikkelingen moet slaan weet hij nog niet, maar dat hij dankzij de Kousbroeklezing een paar business opportunities op het spoor is gekomen, staat vast… De consument is meer dan ooit bereid zich helemaal over te geven aan het bedrijfsleven… daar moet je van profiteren… Straks een paar jongens en meisjes van R&D op zetten… Art & echtgenote drinken snel een glas wijn en begeven zich dan naar de garderobe – over vier uur moet Art alweer op Schiphol zijn… Hij is even kwijt waar hij ook alweer naartoe vliegt…

Als ze vanuit de garderobe in hun donkere, wollen jassen de foyer in lopen, worden ze opgewacht door een jongen en een meisje. De jongen legt zijn vlakke hand op Arts schouder – absorbeert hem. Een druppel inkt die in een stuk keukenpapier verdwijnt. Het meisje legt haar hand op de schouder van de vrouw – absorbeert haar. Lachend lopen de twee richting uitgang.

‘Doet u mij deze maar,’ zegt het meisje tegen niemand terwijl ze in de loop een gebloemde paraplu uit een paraplubak trekt. Met haar vrije hand pakt ze de rechterhand van de jongen. Samen lopen ze naar buiten, de Keizersgracht op. Overal branden lampen. De maan staat aan de hemel.

‘Wat een mooie avond,’ zucht het meisje.

‘Om door een ringetje te halen,’ antwoordt de jongen.

‘Bijna volle maan.’

‘Oehoe!’

De jongen trapt het slot van een SpartaMet open en maakt vervolgens een rare draai met z’n bovenlijf om zonder z’n gun uit z’n schouderholster te hoeven trekken het discusslot open te blaffen.

‘Zo,’ zegt de jongen als het meisje achterop zit en ze slingerend de gracht afrijden, ‘zullen we es kijken of we in één van die poppenhuizen nog wat kunnen eten?’

 ——-

Tirade – overal. En nergens.

‘Huh?!’

Soundtrack: The Young Persons Guide to the Orchestra – Benjamin Britten/Henry Purcell.

‘Hé, wat leuk! Die muziek zit ook in Moonrise Kingdom!’

‘Dat is punten verdienen op de maandagochtend. De broodrooster komt jouw kant op, vriend.’

‘Wanneer?’

‘Nu. Vangen maar met die spastische handjes van je!’

‘Au!’

 Volgende week: Via Stockholm naar New York.

Foto-verantwoording

‘Er zit een mens in slimme apparaten, in robots, en in die laptop van u, die alvast door het bedrijfsleven is gehackt voordat u hem aanschaft,’ stelt Maxim Februari in zijn vierde Kousbroeklezing.  Foto Maarten Baas’ Grandfather Clock: Frank Tielemans.

Reageer >
 

Het kantoor van AM

13 April 2014 (6:54) | Anne-Marieke Samson | 2 reacties

Er begint soms een licht gespannen sfeer te ontstaan op mijn werk.

Zullen we het er wel over hebben.

Zullen we het er niet over hebben.

AM heeft een boek geschreven en het speelt zich af op een vage onderzoeksafdeling van Justitie. Niet ónze vage onderzoeksafdeling van Justitie, maar toch. Bij de koffieautomaat ligt een printje van de zomeraanbieding van de Arbeiderspers waarin mijn roman wordt aangekondigd. Er zit een geeltje op: dit is dus jouw medewerker, staat daarop. Geen idee wie dat daar neer heeft gelegd. Maar iedereen moet het zo langzamerhand gezien hebben.

Sommige collega’s vinden het leuk. Die feliciteren me. Maar niet iedereen zegt er iets over en sommige collega’s die eerder wel eens in mijn deurpost kwamen kletsen, mijden me, lijkt het.

Als secretaresse Joke taart van de Multivlaai uitdeelt voor haar verjaardag en iedereen aan het kletsen is, vallen alle gesprekken opeens stil als Harmen mij vraagt of er nou ook een publiciteitscampagne komt rondom mijn boek.

- Ehm, nee. Ik geloof van niet, zeg ik. Niet dat ik weet.

En ik zie argwaan in de ogen van mijn collega’s. Ze weet meer. Ze zegt het niet. Ze gaat ons voor schut zetten, afkraken, belachelijk maken. Op Facebook, op posters in de stad, bij Pauw en Witteman.

In het rookhok vraagt Indigo niet aan mij, maar aan mijn langharige collega Jos, of zij eigenlijk ook in het boek voorkomt.

- We komen allemaal voor in het boek van Anne-Marieke, zegt Monique voor iemand iets kan zeggen.

Dan zeg ik wel niets, denk ik. Beter ook. Want ik heb er niet echt een antwoord op. Iedereen komt er op een bepaalde manier in voor. En tegelijk ook niemand. Want je voegt mensen samen, of je bedenkt er dingen bij. De werkelijkheid is simpelweg niet geschikt om over te schrijven. En ik heb al gemerkt dat mensen zich ook herkennen in personages die ze niet zijn.

- Die Sander heeft wel opvallend veel weg van mij, zei toen-geliefde Jason.

- O ja? vroeg ik. Hoezo dan?

- Beste vriend van Jakob, flierefluiter, fotograaf.

- Maar jij bent toch geen fotograaf, zei ik. En geen flierefluiter, voegde ik uit beleefdheid nog toe.

Maar Jason had wel een creatief beroep. En hij was een verdienstelijk fotograaf, zei hij en begon te graaien in kasten en lades om die stelling te onderbouwen.

Ik wilde hem niet teleurstellen en het was ook best een goed idee. Ik heb Sander dus later nog wat trekjes van Jason gegeven.

Ik vind het lastig om in te schatten hoe mijn omgeving op mijn boek zal reageren. Mijn eerste gepubliceerde verhaal valt tot nu toe goed. Ik word gemaild en gebeld. Ge-appt, ge-sms’t. Ik mag het komen voorlezen op de sederavond van mijn joodse familie. Daarbij is ook oudtante Ellen aanwezig die nog Auschwitz overleefde. Vage oude vrienden mailen opeens, ik heb onverwachte bezoekers op mijn LinkedIn profiel. Mijn moeder belt haast huilend op dat er over me getwitterd wordt. En mijn manager sms’t net dat hij kippenvel kreeg en een brok in zijn keel.

Yess.

Want leer mij mijn manager kennen. Hij is een macho van het eerste uur. Een pestkop. Het soort man dat affectie toont door je af te zeiken. Hij schept er genoegen in om mij er keer op keer op te wijzen dat hij me natuurlijk alleen heeft aangenomen omdat ik een lekker wijf ben. Zet zo iemand aan het hoofd van een stel (nerderige) vakidioten/specialisten (kraak ik nu mijn collega’s af? mezelf? of is dit iets feitelijks?) en de meeste zijn als de dood voor hem.

Daar hebben we wel eens een vergadering over gehad toen uit een enquête was gebleken dat we onze leidinggevende een pestkop vonden. Sommige collega’s moesten in het midden van een kring zeggen waarom ze bang van hem waren.

- Ik weet het niet, Bart, zei collega Nico trillend, je bent gewoon zo… zo gemeen soms.

Ik mag mijn baas eigenlijk wel. Hij is een buiige pestkop, maar als je onbeschoft terugdoet rijs je in zijn achting.

- Oh, ho, hoo!, zegt hij dan, zakt door zijn knieën en wijst. Jij durft.

En ik mag, sinds hij erachter kwam dat ik kan schrijven, wel eens een toespraak voor hem schrijven. Dan bedenk ik grapjes die hij kan maken voor verre publieken.

- Ze moesten niet echt lachen, zei hij een keer toen ik een grapje had bedacht waarbij hij een krantje omhoog moest houden. Wel op een ander moment.

Toch voelde ik me machtig. Ik had mijn chef, die patserige kerel met zijn praatjes, zijn gadgets en zijn snelle auto (hij rijdt een Ferrari, als hij aan komt rijden trilt het hele gebouw) een krantje omhoog laten houden aan de andere kant van de wereld.

Vandaag voelde ik me weer machtig. Ik had mijn baas bijna aan het huilen gemaakt met een verhaal over het balboekje van mijn oma.

1-1, Chef. Sms’te ik terug.

Hij heeft mij ook wel eens aan het huilen gemaakt namelijk.

2 reacties >