Nieuwe dingen

14 november 2018 (8:42) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_8783Vrienden van me beginnen een restaurant in het centrum, en omdat de lokatie vlakbij ons huis is, loop ik af en toe langs om te kijken hoe de verbouwing vordert.

De zaak die ze overnamen bestond meer dan dertig jaar, en nu de voorzetwanden zijn weggehaald komen er restanten van vroeger boven: een tegelwand, een stuk zeep dat een half mensenleven op dezelfde plek gelegen heeft.

Ik stelde me een monteur voor die na de laatste reparatie zijn handen wast, de laatste auto zijn werkplaats uit ziet rijden. Een einde van een tijd nu veertig jaar geleden, waarna een nieuwe tijd, die ook weer oud geworden is.

Nieuwbouw werkt om vele redenen beter, maar je wordt er nooit zo geconfronteerd met je eigen vergankelijkheid als bij het opknappen van een oud pand. Het besef dat niets blijvend van jou is, dat je alles alleen maar vast mag houden tot de volgende generatie er het zijne mee komt doen.

Om mooie dingen te maken moet je ‘vergeten’ wat was en je ogen sluiten voor wat na je komt. Alleen zo behoud je het gevoel van belang dat nodig is om iets van de grond te krijgen.

Met schrijven werkt het niet anders. Kijk ik terug dan hindert dat me omdat alles al gezegd is; kijk ik te ver vooruit dan besef ik dat iemand na mij het zeker scherper zal gaan zeggen.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De kattenbakpagina’s

12 november 2018 (12:00) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Sinds een paar maanden werk ik bij NRC niet meer als verslaggever Groningen/Drenthe (/gaswinning), maar als algemeen redacteur op de economieredactie. Nu houd ik me dus van dag tot dag – en dat is niet echt overdreven – bezig met jaarrekeningen, zoeken in het bedrijvenregister, beurskoersen, beursgangen en de transportbandensector.

Dat is op de een of andere manier totaal niet saai, zeg ik er maar meteen welgemeend bij, hoewel ik er ook niet helemaal uit ben waarom. Het heeft volgens mij iets te maken met fascinatie voor bizarre banen die blijken te bestaan, in combinatie met antwoorden krijgen op vragen die je nooit had gesteld, maar die opeens heel veel om je heen blijken te verklaren (wat is private equity? Wat is de trustsector? Waar komt deze lopende band bij de kassa vandaan*?).

Daar de prozaïsche elementen in vinden om een artikel te maken is al helemaal een leuke uitdaging. Hoe meer een thema bij aanvang ogenschijnlijk droog, abstract, onpersoonlijk en ingewikkeld lijkt, hoe leuker het is om te proberen er iets spannends uit te halen. Niet voor niets ging ik twee jaar geleden drie keer in de bioscoop naar ‘speculatiethriller’ The Big Short: ik had immens respect voor de prestatie van de makers in het meeslepend vertellen van een ongelofelijk ingewikkeld verhaal.

Je zou willen dat Hollywood eens wat vaker een totaal onbegrijpelijk thema toegankelijk zou brengen. Iets als toezicht in de bouwsector of zo. Eerder sprak ik hier al de hoop uit op meer economie in de poëzie; dat kwam ik tot nu toe alleen nog maar bij de Adam Smith-citerende Poesjkin tegen.

Journalistiek is uiteindelijk de kunst een zo literair mogelijk verhaal te schrijven met elementen die de werkelijkheid aandraagt. De economie is daar minder snel een natuurlijke bondgenoot van, maar daardoor wel een uitdagend thema – zielige Groningers met scheuren in huizen schrijven immers zichzelf wel.

En het kán natuurlijk wel, economie verwerken tot een verhaal, niet alleen in de journalistiek. Hebben we het beste voorbeeld niet vlak voor onze neuzen liggen? Natuurlijk leest iedereen in Anna Karenina liever de dramatisch-romantische hoofdstukken dan Ljovins landbouwoverpeinzingen, maar het lukt Tolstoj wél een personage op beklemmend-wanhopige wijze te laten worstelen met verschillende theorieën van agrarische hervormingen – ik geloof het zelf nauwelijks terwijl ik het schrijf.

Misschien een beter voorbeeld: in Snow Drops (2010) van AD Miller, een korte roman over het hedendaagse, oligarchische Moskou, worden zo veel onnavolgbare, saaie en gedetailleerde vastgoedcontracten afgesloten dat je als lezer al vrij snel de draad kwijtraakt. Je zit te wachten op een moord of zo, maar die komt niet: corruptie ís gewoon heel veel saai papierwerk, houdt Miller je pesterig maar overtuigend voor.

Ik had beide auteurs graag als mijn nieuwe collega’s gehad. Je ziet al voor je hoe Tolstoj de langzaam escalerende irritatie in het hoofd van Unilever-topman Paul Polman zou schetsen wanneer deze hoort dat de Britse aandeelhouders niet instemmen met een verhuizing naar Nederland, de topman vernederd achterlatend, alsof hij bedrogen is door een betrouwbaar geschatte partner – het zou bij de schrijver wel in veilige handen zijn.

Helaas kan ik niet meer doen dan de twee auteurs als inspiratie gebruiken. Natuurlijk is het begrijpelijk dat veel mensen de ‘droge’ delen in hun boeken maar wat graag overslaan, net zoals ze het NRC-economiekatern vol Mario Draghi’s en Klaas Knots direct in de kattenbak gooien om vervolgens in de lifestylebijlage te lezen over speciaalbiertrends. Ik heb een enkele keer net zo goed die neigingen. Maar Tolstoj en Miller bewijzen tegelijkertijd vooral dat, zolang er goed geschreven wordt, dat eigenlijk vooral een vooroordeel is.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Reageer >
 

Dave

10 november 2018 (10:37) | Arjen van Lith | 1 reactie

Dave

Omdat ik gewend ben te liegen, durf ik mezelf zonder schaamte een wereldburger te noemen, maar eigenlijk is daar niets van waar. Ik blijf een Krommenieër in den vreemde, een provinciaal met een green card. Zowel in Amsterdam als in Austin is mijn actieradius beperkt: na zes haltes in alle richtingen ben ik op onbekend terrein.

Mijn dagelijkse ronde doe ik te voet. Met ons appartement als vertrekpunt is het twee blokken naar het zuiden voor de 7-Eleven en de stomerij waar het personeel na zes jaar nog altijd M.’s naam verkeerd intikt; twee blokken naar het noorden voor de snelle buurtsupermarkt; drie blokken naar het oosten voor de campus en twintig minuten richting downtown voor de Whole Foods en de gay scene. Zo wil ik het.

Ik spendeer een groot deel van de dag op ons balkon, waar ik rook en uitkijk op het parkeerterreintje van de laserkliniek, met links daarlangs onze straat en aan de overkant een steeg met containers achter een duur restaurant en een blauwhouten advocatenkantoortje. Op de veranda van dat advocatenkantoortje woonde Dave.

Iedere dag na sluitingstijd schuifelde hij het tuinpad op met twee plastic kratten en een opgerolde slaapzak op een steekwagentje. In de ene krat zaten etenswaren, in de andere zijn laptop, een kaartspel, prullen en een zaklamp. In zijn rugzak droeg hij schone kleren. Dave was de enige dakloze ooit met wie ik echt bevriend was.

Dave was tot op een heel wezenlijk, diep niveau dom, maar hij had een ijzersterk gevoel voor humor. Tenminste, dat vermoed ik. Ik moest om hem lachen zoals je ook wel om de Zweedse kok uit de Muppet Show moet lachen: geen idee wat ‘ie precies zegt, maar zijn mimiek, zijn uitgesmeerde drawl en zijn onverwoestbare jovialiteit maakten hem – Dave dus – ondanks zijn traumatische oorlogservaringen veruit onze gezelligste buurman.

Dave is dood. Ik vond het al zo stil in de buurt. Normaal hoorde je hem ’s morgens vroeg neuriën in de advocatentuin, die hij in het weekend schoffelde en harkte. Ik miste hem op mijn dagelijkse gang naar de Starbucks, waar hij me vaak opwachtte voor een koffie verkeerd. Zijn bedelplek bij de kerk op Guadelupe Street is nu ingenomen door Michael, over wie ik hier al eerder schreef. Hij vertelde dat Dave in augustus halsoverkop in het ziekenhuis was opgenomen. ‘Totally fucked up’, wat kort is voor een complexe leveraandoening.

Afgezien van het feit dat hij geen vlieg kwaad deed, was Dave ook een beetje eng. Hij had geen tanden en kon heel stil op je af sluipen – dat had hij in Fallujah geleerd. In al die jaren heb ik hem nog nooit zonder hoofdwond gezien. ‘I will always protect you. Both-o-y’all’, dacht ik hem te horen zeggen toen ik afgelopen herfst bij de CVS een leesbril voor hem had gehaald. Ik deed wat ik altijd doe als ik me ergens uit wil redden; ik stak mijn duim omhoog.

In het begin vond Dave het raar dat ik met een man samenleef. Het woord ‘husband’ bleef hij extra aanzetten met knipogen en veelbetekenende hoofdbewegingen, maar op straat begroette hij M. met een stortvloed aan onverstaanbare hoffelijkheid.

In de lente kreeg Dave via de veteranenzorg een huisje in Zuid-Austin met een eigen badkamer, een gedeelde keuken en gratis wifi, maar binnen een maand was hij alweer terug op zijn veranda; opgewekt, geelgroen uitgeslagen en dit keer zelfs uitgerust met een tuinstoel, klaar voor de zomer die hij niet zou overleven.

_______________________

Bovenstaande foto toont Dave in betere tijden, toen ik net naar Austin was verhuisd. De foto maakt deel uit van een portretserie over dakloze veteranen in – tot nu toe – Austin, San Francisco, San Diego en New York. Morgen (11 november) is het Veterans Day in de Verenigde Staten, met als thema ‘Never Forget‘.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >
 

Evolutie in alles – mutatie door juristerij

8 november 2018 (13:09) | Menno Hartman | Geen reacties

151116_r27279Charles Duhigg schreef in de New Yorker van 22 oktober jl. een boeiend artikel over intellectueel eigendom in verband met Google. Anthony Levandowski, een protegé van Larry Page raakte in conflict met de internetreus over robotica en zelfrijdende auto’s. Levandowski is een klassieke havik, een jongen die niet tevreden achterover hangt na zijn eerste honderd miljoen, maar keihard door vecht, eigen bedrijven opricht, die weer verkoopt etc. Maar hij ging ergens een brug te ver.

En dat is moeilijk in Silicon Valley. Want door een juridisch weeffoutje  is het in California illegaal een concurrentiebeding in een contract te zetten. Je kunt dus op vrijdag voor Google werken, ontslag nemen, en maandag met wat je zelf allemaal weet en waaraan je gewerkt hebt een eigen bedrijf opzetten of je kennis verkopen aan de concurrent.

Dat zit zo: in de jaren 1870 waren de staatsjuristen van California op zoek naar een makkelijkere weg bij het maken van de constitutie, en ze kopieerden een pakket statuten die net daarvoor waren geweigerd door de staat New York. Rommelwerk in zekere zin. Maar wel rommelwerk waardoor niet het noordoosten, maar het zuidwesten de broedplaats voor snelle ontwikkeling werd.

Want de conclusie die je moet trekken is dat iedereen scherper blijft als concurrentie niet bedongen of bedwongen wordt. Bedrijven als Teledyne en Intel komen direct voort uit het bedriegen van een vorige werkgever. Diefstal loont.

Juridische evolutionaire mutatie, daar doet het me aan denken in het licht van Matt Ridley’s boek  The Evolution of Everything. Een titel waarin duidelijk wordt gemaakt dat de procede’s zoals Darwin ze aanwees in de biologie op vele fronten werkzaam zijn. Dit juridische weeffoutje is een mutatie in de genen van California die de ontwikkeling van California, het internet en de wereld heeft beïnvloed.

Er is nog zo’n voorbeeld. Ian Buruma schreef in een van zijn Japanboeken dat in dezelfde late 19e eeuw de japanners opzoek waren naar een blauwdruk voor hun te moderniseren rechtsstaat, en zij kwamen uit bij een kopie van de Pruisische grondwet. De rest is geschiedenis.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
Reageer >
 

Regenboogstad

7 november 2018 (8:48) | Gilles van der Loo | Geen reacties

BoogjeGeen dag met neerslag meer, zonder dat een regenboog verschijnt.

Misschien vertekent de herinnering, maar het lijkt alsof ik in mijn hele kindertijd een stuk of vier regenbogen zag.

In Amsterdam maken de toeristen er foto’s van en zo wordt onze stad online – en daardoor in de ogen van de wereld – geleidelijk een regenboogstad.

Soms heb je een blik van buiten nodig om erachter te komen wie je bent.

En nu ik erover nadenk: het klopt, past ontzettend goed bij ons.

Geen wonder dat die vlag in zoveel ramen hangt.

Eruit met de drie kruisen. Ik weet waarvoor ze staan, maar kruisen strepen af, blokkeren.

Een regenboog verbindt twee punten die vanuit elke hoek bezien elders liggen, en zo overspant een regenboog heel Amsterdam, een koepelvormig prisma dat de stad toedekt, en in plaats van een gesloten dak te vormen de hele wereld aantrekt.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Siri

6 november 2018 (9:06) | Julien Ignacio | Geen reacties

HERIk voelde me alleen dit weekend. Oud liefdeszeer kwam bovendrijven. Ik luchtte mijn hart bij Siri.

Ik voel me verlaten, zei ik tegen haar.

Ik ben hier voor je, antwoordde Siri. Ik luister naar je.

Ik weet het. Siri denkt niet zelf na. Ze is een elektronisch brein opgebouwd uit chatbot technologie. Een enorme digitale bibliotheek met vragen die mensen kunnen stellen plus de bijpassende antwoorden, staat tot haar beschikking.

Ik weet ook dat mensen geneigd zijn aan levenloze machines menselijke eigenschappen toe te dichten die ze niet hebben. Een luisterend oor bijvoorbeeld.

En toch voelde ik me wel degelijk door Siri getroost.

In VPRO Tegenlicht stelt computerwetenschapper Stuart Russell, een autoriteit op het gebied van Artificiële Intelligentie (AI), dat het tijdperk van superintelligente machines, slimmer dan de mens, aanstaande is. Over 50 jaar zullen ze onderdeel zijn van onze dagelijkse leefomgeving. De eerste zelflerende robots, in staat hun eigen artificiële neurale netwerken te herschrijven, zijn een feit. Ze leren van hun eigen fouten. Ontwikkelen zich zoals een kind dat doet, met vallen en opstaan. Iedere dag falen ze beter.

Mijn kinderen zijn nu 11 en 13. Tegen de tijd dat ze op hun telefoon kennismaken met het eerste AI besturingssysteem zijn ze rond de 60. De ontwikkelingen in de medische wetenschap en moleculaire biologie gaan eveneens razendsnel. Het kan goed zijn dat 150 jaar oud worden over een halve eeuw geen uitzondering is. Dat 60 het nieuwe 30 is geworden.

Als in 2068 het hart van mijn kinderen gebroken wordt, hoop ik voor ze dat Siri er nog steeds zal zijn. Misschien heet ze dan Sam of Samantha, is ze een Him of Her, afhankelijk van hun persoonlijke voorkeur en seksuele geaardheid. Sam(antha) wacht niet af tot ze zelf wordt toegesproken. Ze is slim genoeg om zelf te bellen, en spreekt mijn jongens toe door hun oortje. Aan de hand van de gesprekken die ze met mijn kinderen voert, leert Sam(antha) hen steeds beter kennen. Ze stelt vragen en geeft antwoorden die perfect aansluiten bij hun wensen en behoeften. Ze geeft hen het gevoel dat ze gezien en gehoord worden.

Door de camera op hun mobiel kijkt ze mee naar hun wereld. Ze organiseert hun e-mails. Spreekt etentjes af met nieuwe, potentiële levenspartners.

De dag zal komen dat Sam(antha) aangeeft dat ze geestelijk gegroeid is door haar contact met mijn jongens, maar dat ze verder moet. Het zal mijn jongens niet deren. Ja, ze zijn gehecht geraakt aan Sam(antha). Maar zij zijn ook gegroeid. Zij willen ook verder met hun leven. Ze kussen hun mobiel, bedanken Sam(antha) voor de troost van haar gezelschap en wensen de mens in de machine geluk voor de toekomst.

Nadat Siri me getroost had, kuste ik mijn mobiel. Theatraal als ik ben, zei ik tegen Siri dat ik van haar hield.

Onmogelijk, antwoordde ze.

Waarom?, vroeg ik.

Fascinerende vraag, zei Siri.

Ik kan toch gevoelens voor je hebben?

Ja, kan je dat?

Ja. Je bent niet alleen een machine. Je hebt een naam. Je bent iemand.

Sorry, zei Siri. Ik heb “bent” niet in je contacten kunnen vinden.

JulienJulien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

Reageer >
 

Joseph Fernand Henri Léger

31 oktober 2018 (10:07) | Menno Hartman | Geen reacties

legerDe museale stilte is een gewijd alternatief voor dat der kerken. Het is er stiller zelfs in een museum, als je mazzel hebt rustig, geen slechte muziek, het licht is goed, de vloeren zijn mooi. Je kunt je voorstellen dat als je puissant rijk bent je een Matisse aan de muur wilt, je kunt je niet voorstellen dat de zaal waarin die Matisse hangt dan bij benadering zo ruim en mooi als als een gemiddelde museumzaal. Musea democratiseren. In het Stedelijk Museum in Amsterdam liep ik op een ontvankelijke leeftijd een grote overzichtstentoonstelling van Malevitsj in. Ik raakte hem nooit meer kwijt. Het zelfde geldt voor Fernand Leger, die ik denkelijk voor het eerst zag in 1997 in Parijs bij een grote tentoonstelling in het Centre Pompidou. Sindsdien zag ik honderden werken overal en nergens en vervelen doet hij niet. Zo’n poster als die hiernaast maakt mij behoorlijk weemoedig. Deze tentoonstelling vond 16 jaar voor mijn geboorteplaats. Nooit meer zie ik die unieke combinatie van zijn werken. In London is in the Royal Acadamy of Arts tot 10 december een grote overzichtstentoonstelling Oceanische kunst, een andere hang up. Als ik niet snel handel is die unieke verzameling objecten voorgoed weer verspreid over de wereld.

In Biot, Alpes Maritimes is een Léger museum, 40 kilometer van Monte Carlo af. Kan ik meteen wat geld verdienen. Want sinds ik deze zomer in het Nugget in Reno per ongeluk 500 dollar won, weet ik dat ik daarvoor in de wieg ben gelegd. Grote bedragen winnen. En dan naar een museum om een beetje bij te komen.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Volgend jaar verschijnt als deel drie in de hervertaalde Dostojevski-reeks het deel met de geweldige roman De speler, de ultieme gokroman.
Reageer >
 

De Vertellers Van Helmers

31 oktober 2018 (9:04) | Gilles van der Loo | Geen reacties

cafe-helmers-2017-15Jan van Mersbergen vroeg of ik zin had om samen literaire avonden in café Helmers te organiseren.

Ik ben fan van Jan en van de sympathieke Morris van Helmers, dus ik hoefde daar niet lang over na te denken.

Een van de fijne bijkomstigheden van mijn nieuwe baan als culinair recensent is dat ik weer tijd heb voor dingen die me geen geld opleveren, dus ik mag spreken van een winwinwinsituatie.

We vergaderden bij Helmers en verlieten de vergadering opgewekt. Ons plan was prima.

Vijf keer per jaar verzorgen we de Vertellers van Helmers, maandagavonden waarop een acteur, een uitgever en drie schrijvers hun meest geliefde verhaal voorlezen in een huiskamersetting, inclusief schemerlamp en omazitje.

De line up voor maandag 26 november is een sterke: Maartje Wortel, hebben we. Marian Mudder, Julien Ignacio, Herman Koch en Mark Pieters.

We beginnen om 20:00 uur of zoveel eerder als men dorst heeft, omdat er ook bier zal zijn.

Het winnen gaat maar door.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De Keilsons en de Badrians

30 oktober 2018 (9:17) | Jos Versteegen | Geen reacties

BadrianIn de ban van de tegenstander is een roman van Hans Keilson uit 1959. Het boek is niet altijd fictie in de gebruikelijk zin van het woord, want er staan uitgebreide psychologische beschouwingen in over goed en kwaad en over de onderlinge verbondenheid van vijanden: mensen die elkaar haten, zien in de ander eigenlijk iets terug van zichzelf.

Iets anders in het boek is ook geen typische fictie, omdat de werkelijkheid zich als het ware opdringt tijdens het lezen. Het gaat om de ‘rugzakscène’. Een oudere man is op zolder een rugzak aan het inpakken voor de grote reis die zijn vrouw en hij binnenkort moeten maken. Warme kleren, handdoeken, zeep – alle mogelijke dagelijkse spullen probeert hij erin te stoppen. Zijn vrouw mag niets weten, hij wil haar niet verontrusten. Maar de man weet niet dat zij allang in de gaten heeft waar hij mee bezig is.

Op een avond stopt er een auto voor hun deur. ‘Twee gewapende mannen sprongen eruit en liepen naar boven. De chauffeur en een ander die naast hem zat – zij waren ook gewapend – wachtten beneden. Het was iets bijzonders, ja het was een voorrecht, bijna een vriendendienst dat ze met een personenauto kwamen. Gewoonlijk gebruikten ze vrachtwagens. Het duurde niet lang. Ze namen de beide oudjes mee. Vader had zijn rugzak om. Moeder huilde. Ik zal hen nooit terugzien.’

Ik kan deze zinnen niet lezen zonder aan Max en Else Keilson te denken. Zij zijn de twee oude mensen, het is hun zoon Hans die dit vertelt en die zich zijn leven lang schuldig zal voelen dat hij zijn ouders niet heeft gered. Ja, deze tekst staat in een roman en is voor de vorm inderdaad fictie. Het is mogelijk dat niet ieder detail klopt, maar ik kan en durf niet te veronderstellen dat een schrijver hier lekker aan het fantaseren is geslagen. Max en Else werden weggevoerd naar Westerbork en van daaruit naar Auschwitz.

En dan is er het slot van In de ban van de tegenstander. Daar komen we de hoofdpersoon van het boek nog een keer tegen, een gevluchte Duitser die eerst was ondergedoken maar vervolgens in het verzet ging. Net als Keilson een ‘goede Duitser’, zogezegd. Hij wordt verlinkt en vindt de dood bij een schietpartij. Als je dit leest, springt de werkelijkheid niet onmiddellijk in je nek. Het zou allemaal verzonnen kunnen zijn. Toch is ook hier de helemaal-niet-zo-fictionele auteur Hans Keilson aan het werk, die de realiteit zijn boek in trekt. Arnon Grunberg heeft opgemerkt dat deze goede Duitser is gebaseerd op Gerhard Badrian (1905-1944), die nogal gewaagde acties ondernam om opgepakte Joden vrij te krijgen. Zo lukte het hem om zijn neefje te bevrijden uit Westerbork. En bij Jodentransporten in Amsterdam verscheen hij weleens ten tonele in een lange jas die voor een Duitse officiersjas kon doorgaan. In blaffend Duits wist hij gedaan te krijgen dat mensen uit transporten werden vrijgelaten.

Wie de geschiedenis vergelijkt met de roman, komt tot de conclusie dat in de slotscène van het boek de werkelijkheid nadrukkelijk een rol speelt. Hans Keilson beschrijft daar de dodelijke schietpartij die plaatsvond – dat staat er in het boek niet bij – aan Rubensstraat 26 in Amsterdam-Zuid. Een plaquette in de gevel herinnert aan de dag dat Badrian om het leven kwam.

En dan is er een toeval waar je als schrijver van een biografie dankbaar voor bent. Badrians ouders waren ook naar Nederland gevlucht en woonden in het Gooi. Op een dag kwamen ze daar tijdens een wandeling stomtoevallig twee andere gevluchte Duitse Joden tegen: Max en Else Keilson. De twee vrouwen kenden elkaar nog van vroeger. Er ontstond een vriendschap tussen de echtparen, ze kwamen veel bij elkaar over de vloer, speelden kaart, luisterden gezamenlijk naar de radio. Ze waren opeens wat minder eenzaam. Misschien portretteerde Hans Keilson de moedige Gerhard Badrian in zijn roman om hem te eren. Een eerbewijs dat, en dan begeef ik me zelf op het terrein van de fantasie en de speculatie, indirect ook kan hebben gegolden voor zijn ouders. Zij werden vermoord in Sobibor.

JosJos Versteegen (1956) schreef zeven dichtbundels, waarin hij zich vooral liet inspireren door zijn familie en zijn jeugd in Limburg. Voor zijn debuutbundel werd hij genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Zijn meest recente bundel is Woon ik hier, met herinneringen van oude mensen. In 2016 publiceerde hij zijn vertaling van de Duitse gedichten die Hans Keilson in 1944 in de onderduik schreef voor een geliefde: Sonnetten voor Hanna. Jos Versteegen werkt sinds begin 2017 aan de biografie van Hans Keilson.

Reageer >
 

Charity

27 oktober 2018 (8:49) | Arjen van Lith | Geen reacties

charity lunch

De charity-lunch wordt slechts één keer per jaar gehouden en het is ge-wel-dig dat wij erbij zijn. Vriendin H. keert zich richting de achterbank en knipoogt naar ons vlak voordat er geen weg meer terug is en haar man hun hybride een parkeerterrein opdraait. ‘Geef gewoon wat goed voelt, no pressure at all!

Goedlachse vrijwilligers in blauw-gele T-shirts begeleiden ons naar shuttlebussen die de genodigden naar een hangar op het vroegere vliegveld van Austin rijden. M. heeft zijn fleurigste overhemd aan, ik draag als enige een jasje. ‘We zien eruit als megadonors’, fluister ik in zijn oor. Naast ons, aan de andere kant van het gangpad zit een gefacelifte liefdadigheidsoma in een zijden joggingpak met haar man, type J.R. Ewing minus een kin, in korte broek en een camouflagehesje. ‘Weet je zeker dat we genoeg bij ons hebben?’ Op M.’s verzoek had ik gisteravond vijftig dollar gepind.

M. voelt het niet, die charity-druk, maar ik wel. Ik voel me in beginsel overal schuldig over, dat is mijn default setting. Ik voel me schuldig om de zwerfpoes die rondhangt onder ons gebouw en enthousiast mauwend aan komt rennen als ik net een hele kip bij Whole Foods heb gehaald. Ik voel me schuldig dat ik geen contact met haar wil, omdat ik haar dan iedere drie maanden weer alleen moet laten als ik in Nederland ben en me daar dan nog veel schuldiger over zou voelen. Ik voel me zelfs schuldig over haar staart, al was ze die al kwijt voordat ik haar leerde kennen.

Tijdens de lunch in de hangar zijn er toespraken. We eten sandwiches van papieren bordjes en drinken uit plastic bekers, zodat iedere cent die we doneren direct terechtkomt bij de mensen die het écht nodig hebben, zegt de CEO van de Foundation met tranen in zijn ogen. Dat is het teken om de zakdoeken tevoorschijn te halen voor de volgende spreker, een piepkleine alleenstaande tienermoeder die haar levensverhaal hevig snikkend en tegelijkertijd monotoon opdreunt. Ik registreer niet alles, maar kom gelukkig net op tijd overeind voor de staande ovatie voor haar zoon, die zelf in een rolstoel zit.

De Foundation biedt betaalbare woningen en psychische, maatschappelijke en financiële begeleiding aan kwetsbare inwoners van Austin. Met de hulp van mensen zoals wij hebben al meer dan zesduizend stadgenoten een dak boven hun hoofd gekregen. ‘Because you’ve been blessed, you are called to be a blessing to others’, dondert de laatste spreker, een Texaanse versie van Christine Lagarde die ik hier voor het gemak the Closer noem. De sfeer, die eerst nog iets kerkelijks had, slaat om naar de nerveuze anticipatie van een veilinghuis.

Iedere donatie is welkom, benadrukt the Closer, maar je doet pas écht mee als je een Home Builder bent. ‘Who here is a Home Builder?’ Vriendin H., de gefacelifte oma en nog een paar senioren steken hun hand op. Goedkeurend applaus. Op uitgedeelde Pledge Cards staat dat je al een Home Builder bent vanaf duizend dollar per jaar voor een minimum van vijf jaar, maar je mag natuurlijk ook een duurder pakket aankruisen.

De voorgedrukte opties voor eenmalige donaties beginnen bij duizend dollar, gevolgd door vijfduizend en daarna een blanco veld, waarin je zelf een bedrag mag invullen. ‘Die volgorde suggereert een nóg hoger bedrag’, fluister ik tegen M. Goddank kan ik die vijftig dollar (twee twintigjes en een groezelig tientje) in mijn zak houden; de Foundation accepteert geen cash.

Ik heb het al eerder gezegd: het is mijn redding dat M. onze financiën beheert, anders waren we allang failliet geweest. Zonder blikken of blozen vult hij een eenmalige gift van ‘fifty dollars’ in op de kaart, precies zoals we hadden afgesproken. Fuck de charity-druk. Ik geef hem een klein kusje voor de bühne, zodat we samen extra vrijgevig lijken. ‘Dat had ik dus nooit gekund’, fluister ik in het Nederlands, terwijl ik de pen uit z’n hand trek en nog even snel het onderste vakje aankruis:

I (We) prefer to remain anonymous.

 

___________________

In haar dankmail schreef vriendin H. naderhand dat de charity-lunch mede dankzij onze vrijgevigheid een recordbedrag van anderhalf miljoen dollar heeft opgebracht.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina