Maarten van der Graaff: Het rode, het groene en het harige

23 november 2014 (13:22) | Gast | Geen reacties

Vandaag ga ik tijdens het hard/hoofd festival, titel: ‘Het Proces’, met Maud Vanhau​waert en Maartje Smits praten over pubergedichten. Maartje vertelde me in De Engelbewaarder over haar eerste gedicht. Veel concreter en vindingrijker dan mijn titelloze eersteling, een product uit de categorie weltschmerz. Ik ken het net als Maartje uit mijn hoofd. Komt ie dan he*:

‘Er staat een man
alleen op de brug
en in het late licht
zie je droefheid
in zijn ogen,
een traan om de wereld
op zijn gezicht.’

Mijn moeder stuurt me per post drie schriften op. Eén met een omslag van zacht, paardachtig nephaar, één met een schoolse, dieprode kaft en één groene, met grammofoonplaten op de voorkant. Rijmen deed ik veel, lijden ook. Het is allemaal geruststellend normaal. Alsof de literatuurgeschiedenis zich in het klein moet voltrekken: romantiek (puberteit), daarna modernisme (early twenties, hier houden de schriften op). Voor het vervolg zet ik mijn kaarten in op postmodernisme (rond de vijfentwintig) en daarna iets wat ik dan maar even crisis zal noemen of ‘het domme schrijven’. Die term keert steeds terug wanneer ik met vrienden – lees Frank Keizer– over poëzie praat: het moet dommer. Ik wil lompe poëzie schrijven, registreren wat er met mij en de mensen om mij heen aan de hand is. Wij zijn de casus van iets verschrikkelijks.

‘Al wat hij aan jou verwijdert
wordt door liefdesvoodoo uit mij weggeslagen.
Leeg is het strand, leeg, van mijn leven al de dagen.’

Daar hebben we het liefdesverdriet! Die ‘hij’ is trouwens een sinistere strandwacht. Niet alles is even pathetisch, zo staat er in het rode schrift het korte gedicht ‘Sunset mythologica’: ‘Zelfs schijtend ben ik / held en vriend/ van het gevaar.’ Ik wacht op vertedering terwijl ik de schriften doorblader. De vertedering blijft uit.

Ik stuit op een regel die ik herken. ‘Rondjeslopen door dit land / bedoeld om rondjes door te lopen’, schreef mijn zeventienjarige ik. Vorig jaar zomer, op mijn vijfentwintigste, dus acht jaar later: ‘Waarom zwem ik vaardig in heerlijk doorzwembaar water / dat hier precies voor bedoeld is?’ Hallo consistentie, wat moet ik met jou?

Verderop in het harige schrift vind ik aantekeningen: ‘Waar Nietzsche eerst verlangde naar tragische helden, idealisten van de wil, ziet hij de overmens later voor zich als een Cesare Borgia, een krachtpatser van de ondeugd.’ Verklaring: ik las de Nietzschebiografie van Safranski en daarna Aldus sprak Zarathoestra. Dat weet ik nog goed. Zarathoestra las ik in hotel Van Ham in Breda.

ham

Het is die hoge kamer met het kleine balkon. Er zijn drie bedden. Ik lig met dat boek voor iedereen en niemand in één van die bedden, in de ouderwetse kamer en voel me belangrijk. In de andere bedden liggen Arjen en Léjon. Overdag gaan we naar het park en ’s avonds naar de kroeg.

Nietzsche lezen was distinctiedrift. Wat voelde ik mij verheven boven mijn familie en klasgenoten. Onderaan de bladzijde is een zin met dikke strepen gemarkeerd: ‘De mensen van de pleziertjes omsingelden hem.’

In Amersfoort staat een kunsthal leeg. Via Bert, een vriend, leerde ik Christiaan Schuinder, Laura van der Zee en Marijn Abelman kennen. Zij vullen deze plaats, die is achtergelaten door projectontwikkelaars, de politiek, met exposities en noemen zichzelf De Kaping. Dit voorjaar organiseren Bert, ik en een hele groep dichters en kunstenaars in deze hal het evenement Disclaimer, onder het motto ‘uw persoonsgegevens worden uitsluitend gebruikt voor poëtische doeleinden’.  Het wordt een installatie vol corporate rompslomp, big data en gepersonaliseerde marketing. En dit allemaal tijdens de maand van de bureaucratie (5 januari 09:05 – 6 februari 16:52).

Ik ben in het nieuwe Tivoli, dat me om een of andere reden aan een vliegveld doet denken. Bonny Prince Billy staat op het podium te zingen. Hij gebaart als een veldprediker, gaat jolig door de knieën en haalt blaffend uit. Uit zijn linkerbroekzak steekt een balpen.

Hier zingt Bonny in de Doopsgezinde kerk te Utrecht.

Reageer >
 

De synthetische schrijver

22 november 2014 (8:55) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

Ik las van de wfrankensteineek een artikel in de Correspondent over het gevaar van kunstmatige intelligentie.  Als je intelligente computers (te veel) ruimte geeft, kunnen ze de mensheid vernietigen met een simpele opdracht als: win een schaakspel. Dat klonk me behoorlijk Frankenstein in de oren. Mijn interesse was gewekt.

Ik vraag me sindsdien af of er al synthetische literatuur bestaat. Want als computers de mensheid gaan uitschakelen, dan liever voor een boek dan voor een potje schaken, als je het mij vraagt. (Wel hopen dat op zijn minst één iemand lang genoeg leeft om het te lezen). En daarom zit ik de afgelopen dagen op het wereldwijde web te zoeken. Is kunstmatige intelligentie al slim genoeg om een boek te schrijven? De synthetische schrijver. Ik wil hem lezen. Maar ik heb nog geen overtuigend voorbeeld kunnen vinden van kunstmatige fictie. Althans geen voorbeeld dat verder gaat dan een theoretisch experiment, of een gimmick. Zoals de immortal prose generator, die teksten “genereert”* die bestaan uit Shakespeare-elementen, zoals deze (let op: er zit twee keer hetzelfde element in, is dat toeval of een bewust toegepast stijlmiddel?):

Now thou art gone, the very stream of his life is troubled by hot blood. Hark, the clown pierced a sigh so piteous and profound. I pray thee, this babble hath had no notice of mine eye-balls. ‘Tis now struck twelve; every unworthy thing doth lack a cover. ‘Tis now struck twelve; this hand of yours mocks the fruit to that great feast. O spite! the son of a dear father murder’d doth lack me. 

Ook bestaat een aantal generatoren van poëzie. Maar die hebben veelal gewoon één (of meerdere) verschijningsvormen gedefinieerd (bijv. zin van vier woorden, zin van twee woorden, uitroep (alas! hark!, beware!), zin van vier woorden, drie zinnen van drie woorden), en vullen die in aan de hand van lijsten van (in betekenis verwante) zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, etc. Bijvoorbeeld deze (afkomstig van: http://thinkzone.wlonk.com/PoemGen/PoemGen.htm):

Sharks grow!
Misty, small seashells calmly fight a sunny, warm sailor.
Never love a wind.
Warm, misty whales swiftly love a big, clear tuna.
Old, rainy pirates swiftly lead a stormy, lively seashell.

Het is een soort gedicht ja, maar poëzie zou ik het niet willen noemen. De wetenschap dat het gedicht volgens een vaststaand stramien is geproduceerd, maakt het eigenlijk bij voorbaat geen poëzie. Want de oneindige variatie in vorm is  juist een van de weinige vaststaande eigenschappen van literatuur. Dan heb ik misschien nog liever Google-poëzie, die in zekere zin willekeurig is, maar wel oneindig in variatie.

Het definiëren van literatuur is een -understatement- lastige aangelegenheid. Er bestaan alleen opvattingen over. Het enige dat vaststaat, zo  leerde ik ooit in een grijs verleden waarin ik Nederlands studeerde, is dat literatuur dat is wat de experts literatuur noemen. Als we dat gegeven ombouwen in een computationeel model, dan moet dat er ongeveer zo uitzien:

1 Vul een database met meesterwerken uit de canon van de wereldliteratuur. (Of de Nederlandse, om te beginnen.) Begin met de kale teksten uit een boek of duizend (eigenlijk natuurlijk zoveel mogelijk boeken). We beginnen met proza wat mij betreft.
2 Laat daar een simpel patroonzoekend mechanisme op los, dat de teksten op kleinere en grotere patronen doorzoekt, bijvoorbeeld frequentie van woordkeuze, frequenties van combinaties van woordkeuze, herhalingen, verschijning en verdwijning van personages.
2b Koppel er een goede thesaurus aan zodat in de gevonden patronen ook enige synonymie, of misschien zelfs een soort betekenisvelden kunnen worden herkend.
3 Genereer, op basis van de gevonden patronen, nieuw proza.

Ik ben helaas geen programmeur, en heb dus niet het flauwste benul van hoeveel rekenkracht dit experiment zou kosten. Gevoelsmatig zeg ik dat het een redelijk simpel project moet zijn. Immers de analyse van big data is een tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld. Misschien kan het IT-mannetje van Tirade dit wel? En zelfs al zóu het een hoop rekenkracht kosten, dan nog moet er toch wel ergens wat serverruimte beschikbaar kunnen worden gesteld om een stukje proza te genereren. Voelt een universiteit zich geroepen? Misschien wil Google bijdragen aan de wereldliteratuur? Of is er een uitgever die wil investeren?

Aldus. Hark, hark! Lieve wetenschap, lief literair veld, ik smeek u: ontwikkel een synthetische schrijver. Ik huiver en popel om zijn werk te lezen. Ik krijg visioenen van woeste, haast onbegrijpelijke teksten. Of juist van extreme middelmatigheid. Even kraakhelder geschreven, als duister en vaag. Produceert de virtuele schrijver een stream of consciousness? Dat zou griezelig zijn. Of wordt het een nieuwe openbaring? Een waarschuwing? Een nieuwe ontdekking van de hemel? Ik kan niet wachten.

 

*Al is het aantal uitkomsten eindig.

Reageer >
 

Dubbeldenken

21 november 2014 (13:06) | Wytske Versteeg | Geen reacties

Geraaks filmstillVandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘Geraakt’ uit, een kortfilm van Sander Burger. Afgelopen dinsdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). Geraakt‘ werd ingeleid door romancière, essayiste en wetenschapster Wytske Versteeg.Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing. Film en essay zijn tot stand gekomen binnen de context van de Human-serie ‘Duivelse Dilemma’s.’

Door Wytske Versteeg

Tegenover mij in de trein zit een dik jongetje, hooguit een jaar of tien, misschien nog jonger. De hele reis staart hij naar de grond en ik denk dat er misschien iets met hem aan de hand is, want er is iets vreemds in de manier waarop hij kijkt. Niet kijkt, beter gezegd.

Naast hem zit een meisje, jonge vrouw. Zijn oudere zus, denk ik. Ze praat tegen hem, snauwt, beter gezegd. Dat is niet per se gek, dat is wat zussen doen. Waarom hij daar zo zit. Of hij een idioot is. Nou? Is hij een idioot?

Wanneer hij antwoordt is zijn stem zo hoog dat ik hem niet eens kan verstaan. Eén keer pakt hij een Mars uit zijn jaszak, en wil hem openmaken. Nee, dat is een goed plan vlak voor het avondeten, vetzak.

Dan begint hij te huilen. Is hij een jankebalk? Nou?

Hij zet zijn bril af, veegt zijn tranen weg. Hij heeft geen geluid gemaakt.

Ik denk, ik moet iets doen. Ik moet iets zeggen tegen haar, dat dit te ver gaat. Maar ik weet niet zo goed wat of hoe, ik ben niet de meest assertieve persoon. Terwijl ik nog nadenk over wat ik zou moeten doen staan de vrouw en de jongen tegenover mij al op om uit te stappen. Dan zegt hij mama tegen haar. Dat maakt alles veel erger.

*

Wanneer grijp je in?

Wanneer bemoei je je met andermans zaken?

We kennen allemaal de verhalen van mensen die met een acute noodsituatie worden geconfronteerd en dan niets doen. De menigte die apathisch en zonder ook maar een vin te bewegen blijft toekijken hoe iemand verdrinkt of doodgeslagen wordt. We noemen dat het omstanderseffect; hoe meer mensen er staan te kijken, des te kleiner de kans dat iemand zal ingrijpen.

Om wél in te grijpen moeten we een situatie eerst opmerken als een geval van nood, een waarbij ingrijpen noodzakelijk is. Bij een onderzoek werd aan studenten gevraagd om een formulier in te vullen. Terwijl ze daarmee bezig waren pompten onderzoekers rook naar binnen in de kamer waar de studenten zaten. Wie alleen in de kamer zat merkte de rook eerder op dan wie in een groep aan het formulier werkte, en was ook sneller geneigd de rook te rapporteren. Van de acht groepen in het experiment zeiden er vijf helemaal nooit iets over de rook – en we hebben het nu over rook die zo dicht was dat het zicht erdoor belemmerd werd, en ogen geïrriteerd raakten.

Als we het al moeilijk hebben met het opmerken van zoiets eenduidigs als rook in de kamer, dan is het goed bezien een wonder dat vermoedens van kindermishandeling ooit worden gemeld. Ook daar heeft immers vaak een hele groep mensen in theorie de mogelijkheid om blauwe plekken of afwijkend gedrag op te merken en daarop te reageren. De niet-mishandelende ouder, de buren, vrienden van de familie, de docent lichamelijke opvoeding; er is altijd wel iemand te bedenken die dichter in de buurt staat. Die, als er echt iets aan de hand was, toch zeker al iets gedaan zou hebben.

En dan is er nog een complicatie, want de betekenis van het woord kindermishandeling staat bepaald niet vast. U herinnert zich vast nog de discussie over de pedagogische tik en onlangs werd er in de Volkskrant beargumenteerd dat ook in de hoek zetten niet zo onschuldig is als we graag denken. Triviale discussies misschien, maar in de jaren 1970 werd seksueel contact tussen volwassenen en kinderen nog verdedigd als normaal en zelfs bevordelijk voor het kind, een situatie die nu moeilijk voorstelbaar is. De onderliggende vraag is in alle gevallen dezelfde: wat vinden wij, met z’n allen, normaal?

*

Ieder volwassen mens heeft in principe zeggenschap over zichzelf en over zijn eigen gevoelens. Als ik zeg dat ik het eten niet lekker vind kunt u zeggen dat u datzelfde eten wel lekker vindt (uw eigen mening) of zelfs, eventueel, dat het eten lekker is (een objectieve claim). Maar u kunt niet zeggen, of niet zonder dat u de kans loopt om mij te beledigen, dat ik dat eten wel degelijk lekker vind. Daarmee overschrijdt u een grens, claimt u kennis die primair aan mij toebehoort; dat soort gedrag zou vreemd op ons overkomen.

Maar zou ik een kind zijn en was u mijn vader of moeder, dan kunt u die kennis wel degelijk claimen. Sterker nog, een groot deel van de opvoeding draait precies daarom, en om de onderhandeling daarover: jij lust dit wél. Jij bent wél chagrijnig.

Er is wel eens gesteld dat een van de dingen die kindermishandeling zo schadelijk maakt, de noodzaak is tot dubbeldenken; het accepteren van twee tegenstrijdige waarheden tegelijkertijd. Misschien wordt ieder kind weleens gevraagd te dubbeldenken, als wij bijvoorbeeld zeggen dat ze best van spruitjes houden. Maar kinderen in een situatie van mishandeling moeten voortdurend dubbeldenken, omdat de ouder die voor hen zorgt, aan wie ze loyaal zijn en van wie ze houden tegelijkertijd gevaarlijk is, en onvoorspelbaar. Voeg daarbij het feit dat we aan kinderen sowieso weinig kennis toedichten over zichzelf, of geen kennis die niet door een volwassene kan worden overruled en u begrijpt hoe verwarrend de situatie is. Geen wonder dat er enerzijds valse beschuldigingen van mishandeling worden geuit, bijvoorbeeld tijdens echtscheidingsconflicten, terwijl anderzijds veel situaties van werkelijke mishandeling helemaal nooit naar buiten komen.

Als getuigen van mishandeling zijn we ook gedwongen tot dubbeldenken, en keer op keer blijkt dat we daar niet zo goed in zijn. We denken nu eenmaal graag in termen van daders en slachtoffers, waarbij we de dader bij voorkeur een verdorven en diepzwarte persoonlijkheid toedichten. Dat lost de noodzaak tot dubbeldenken op, want van iemand die nu eenmaal slecht is valt ook te verwachten dat hij zijn kind slaat, daar is niets tegenstrijdigs aan. Natuurlijk weten we wel dat de werkelijkheid vaak ingewikkelder ligt, maar we willen dat liever niet voelen. Die neiging om te simplificeren is gevaarlijk, en schadelijk ook voor het slachtoffer, dat dikwijls des te machtelozer wordt naarmate we de dader zwarter afschilderen. Elke loyaliteit jegens de dader wordt dan immers een – nog grotere – reden tot schuldgevoel en er blijft geen ruimte over voor de kluwen aan verwarrende en dikwijls ambigue gevoelens die gepaard gaan met mishandeling in een familiesituatie.

Tegenover ons beeld van de inktzwarte dader staat dat van een lelieblank slachtoffer, en ook dat is niet zonder risico. Er is in onze samenleving veel aandacht voor het verhaal van het slachtoffer, er wordt wel eens gesproken over een slachtoffercultuur. Maar binnen dat verhaal is er maar weinig ruimte voor variatie, en dikwijls wordt van het slachtoffer ook een soort heldendom verwacht; het slachtoffer moet iemand zijn van wie we kunnen houden. In werkelijkheid is dat vaak niet het geval. Het jongetje dat ik in de trein tegenkwam was geen schattig meisje, zoals we dat straks in de film zullen zien. In het Engels hebben ze daar een woord voor: hij was niet loveable. Ongetwijfeld wordt hij niet op feestjes gevraagd en trekt hij niet de aandacht van de omgeving – laat staan dat hij de steun krijgt die hij nodig heeft.

*

it takes a villageMishandeling en misbruik hebben niet op iedereen hetzelfde effect. Vergelijkbare situaties zijn voor sommige kinderen veel schadelijker dan voor andere en er bestaan mensen die in alle opzichten relatief succesvol uit zelfs de meest problematische jeugd tevoorschijn komen. Veerkracht, noemen we dat.

Zodra we een vermoeden van kindermishandeling melden, wordt het primair een zaak van professionals en van de protocollen die daarbij horen. Een protocol geeft richting in het woud van duivelse dilemma’s rondom kindermishandeling; het is bedacht ter bescherming van kinderen die toch al kwetsbaar zijn. Maar een protocol is er ook, en uiteindelijk misschien nog wel meer, voor de omstanders. Wie volgens het protocol gehandeld heeft, heeft altijd iets om op te wijzen, heeft altijd een rechtvaardiging; het was misschien uiteindelijk niet juist, maar wel volgens het protocol.

Als samenleving besteden we de jeugdzorg graag uit aan een onderbetaalde instantie, één waar we graag op mopperen, vlak nadat er weer een groot gezinsdrama heeft plaatsgevonden. Dan volgt er een onderzoek, dan zeggen we dat dit nooit meer gebeuren mag. In de nasleep van die verontwaardiging wordt het protocol steeds belangrijker, de vraag of alle regels wel gevolgd zijn. Tegelijkertijd is onze aandachtsspanne kort, en heeft jeugdzorg zelden de prioriteit wanneer de budgetten verdeeld worden.

We praten vanavond over één, enkel dilemma; melden of niet melden. Achter die vraag schuilt een andere: in hoeverre is een geval van kindermishandeling ónze verantwoordelijkheid?

Er zijn namelijk uiteenlopende antwoorden op de vraag wat iemand veerkrachtig maakt, maar een van de factoren is de nabijheid van betrouwbare volwassenen op wie een kind wél kan rekenen, volwassenen om mee te praten, te lachen, om een andere situatie te leren kennen dan thuis. Er is, daadwerkelijk, een dorp voor nodig om een kind op te voeden. Het is gemakkelijk om op een instantie te mopperen, maar de werkelijke vraag is een andere, een die we minder graag stellen; zijn we zelf wel in de buurt wanneer dat nodig is, zijn we op het dorpsplein aanwezig?

*

Ik kijk naar hen, vanuit de trein, de moeder en haar zoon. Op het perron sjokt hij achter haar aan. Ik ken die houding van gestolde eenzaamheid, van spieren die zich permanent verdedigen. Het is een houding die niemand, zeker geen kind zou moeten hebben, een houding ver voorbij verdriet.

Mijn trein rijdt verder en de jongen verdwijnt uit het zicht. Ik weet niet wie hij is, maar ik weet dat hij het niet zal redden, dat hij hier nooit tegen op kan.

Ik weet nog steeds niet hoe anders, maar ik weet wel dat ik gefaald heb. Ik had iets moeten doen.

——-

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008), dat onder andere gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Dit is geen dakloze mengt filosofische literatuur met journalistieke observaties en de ervaringen van daklozen zelf en werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot.  Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar won zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 455, staat een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan haar derde roman.

In december 2014 is Wytske Versteeg Tirade‘s Zondagse Gastblogster.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Reageer >
 

Enerzijds – Tirade 456 is bezorgd!

21 november 2014 (12:23) | Alan Smithee | Geen reacties

tirade 456 voorplatZojuist kwam een fikse stoet gepantserde waardetransportwagentjes de Herengracht op rijden om halt te houden voor het hoofdkwartier van het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot. Wat droegen de dames en heren van Brinks naar binnen? De eerste felbegeerde exemplaren van Tirade‘s herfstnummer: Tirade 456.

In de loop van de komende week is het nieuwe nummer te koop in iedere zichzelf respecterende boekhandel. Maarrr… je kunt het nu al bestellen in de internet-webwinkel. Hiernaast zie je het voorplat van Tirade 456.

‘Wat mooi!’

‘Wat ongelooflijk súperprachtig.’

‘En dat zijn wat mij betreft dan nog gevoelsarme understatements… Ik moet bijna huilen van ontroering zo mooi vind ik het! Van deze Tirade ga ik minstens twintig losse nummers bijkopen, denk ik!’

llustratie: Suzanne van der Aa. Ontwerp: Emiel Efdée.

Voor de inhoudsopgave (met een overzicht van alle auteurs én vertalers): klik hier. Voor het achterplat: daar.

Tirade – monterrr.

Soundtrack: Singing Whistling in the rain.

Reageer >
 

De Bijlmer – de wereld

20 november 2014 (12:09) | Menno Hartman | Geen reacties

FullSizeRenderVolgend jaar bestaat Uitgeverij van Oorschot 70 jaar. Met Karel van het Reve en Jacques de Kadt deelde de oprichter Geert van Oorschot een maatschappelijke en politieke betrokkenheid, die zich vertaalde in de publicaties van de uitgeverij. Toen ik deze week in de Bijlmer was bij ‘Bijlmer Boekt’ realiseerde ik me bijna met een schok hoe verfrissend geëngageerde literatuur eigenlijk is. Hannah van Munster presenteerde er kort haar nieuwe roman, Onder de dreven, een schitterende boek.

Zij maakte deel uit van een literair variétéprogramma dat al enige jaren onder de titel Bijlmer Boekt in het Bijlmerparktheater plaatsvindt. Een heel gevarieerd en geëngageerd programma. Simone Zeefuik vond ik bijvoorbeeld interessant. Maar haar teksten had ik nog nooit eerder gezien of gehoord. Een vrouw die veel verschillende dingen doet, waaronder dit: “An Orange Blues” is the choreopoem centred around the anecdotes of 17 men who’re trying to survive an undocumented existence in the Netherlands. How does this influence their concepts of ‘home’, ‘identity’, ‘family’ and ‘normal’? What’s are the safest places to keep memories, hide fears and grow dreams?’ Grappig was dat ze een bepaald soort hum hum deed, nadruk op tweede hum, die een enorm effect op de aanwezigen had: een uiting van semistreng misnoegen dat ook komisch bedoeld is en tot het typisch Bijlmerjargon zou behoren. Ik begrijp nog niet zo goed wat Simone Zeefuik allemaal wil en kan, maar ik voel me erdoor aangesproken. Misschien ook door het intrinsieke verwijt in veel van haar tekst. Raciale kwesties waarvan ik denk dat ze mij niet aangaan, maar is dat zo? Op haar blog – in het Engels, vind je veel stukken over Afrika, en enig misnoegen over de onbekendheid van ‘De Nederlander’ met dat continent. ‘De Nederlander’ ziet het meestal fout.’ Maar wie is die ‘de Nederlander toch’? Ik voel me erop aangesproken en het gaat toch niet over mij. Zou dat racisme zijn?

Een bijzondere combinatie van ongemakkelijkheid en breeduit lachen was het optreden van Kabier Noor Mohamed, ‘hij leeft van crisis naar crisis en het enige wat hem overeind houdt is het levenslied, zoals een aankondiging op een youtubefilmpje luidt. Een Hindoestaanse man met een Amsterdams accent, een groot drank- en drugsprobleem, waarmee hij koketteert, en een repertoire van chansons op eigen tekst en Hazesliederen. Foute grapjes tussendoor die net niet leuk zijn, typisch Hazes dus ook in zijn ongemakelijkheid, maar de tragiek van de man ligt open al lijkt hij nog niet te weten dat de echte tragiek nog komt. Hij deed onder meer, een ‘Zwart kerstfeest.’ Leuk? Ik weet het niet. Relevant wel.

En een conference van Nathalie Baartman die op haar beurt liet weten excentrisch te zijn door haar Twentse achtergrond. ‘Op haar zeventiende verhuist ze naar Nijmegen om psychologie, filosofie en ontwikkelingsstudies te studeren. Vanuit haar idealistische wereldbeeld is ze voornamelijk geïnteresseerd in de fundamentele fout van de mensheid die zoveel ellende in de wereld veroorzaakt.’ Indrukwekkend was haar vertolking van een Servisch strijdlied, vanuit het niets, snoeihard, echt geweldig. ik vond het helaas niet op internet. De programmering was dus gevarieerd maar eenduidig in engagement: Said El Hadji over het Mandelamonument, Joke van Leeuwen zong de blues en deed een aantal gedichten in die vreemde hees-kinderlijke stem die eerst irriteert en je daarna  volledig meeneemt.

Ik houd niet zo van literaire avonden, en ben niet zo’n fan van de presentatie van Christine Otten. Maar de volgende keer ga ik weer naar Bijlmer Boekt.

Reageer >
 

De weg naar huis

19 november 2014 (4:15) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0707Aan het eind van de middag betaalde ik de jongen met de scheve lach voor het letten op onze auto, waarna ik zijn erf af reed om mijn gezin en onze bagage op te pikken bij de kade. Toen ik aankwam zwaaiden Birre en Nadim net de bootsman uit die – in zijn eentje – begon aan de drie uur stroomopwaarts, terug naar zijn dorp bij de soela.

We laadden alles in, maar keken niet echt naar wat we deden; de rivier leek een hogere zwaartekracht te hebben dan de weg terug naar huis. Birre kocht water onder de rode luifel van supermarkt Han Fo, en een pakje met een trosje druiven erop voor Nadim, dat Grape Drink heette. Ik wilde zeggen dat daar geen druppel druif in zat, maar vroeg me net op tijd af wie het iets zou kunnen schelen.

De weg van Atjoni naar Paramaribo bleek op ons na verlaten. Ik hield de naald tegen de tachtig, zakte onderuit in mijn stoel en probeerde uit te rekenen hoe laat we in de stad zouden zijn. Of ik dan nog ergens telo zou kunnen eten.

Als het donker zich om je rijdende auto sluit en de weg verlaten genoeg is, wordt het snel aannemelijk dat je gezin het laatste op aarde is, rijdend op de laatste liters brandstof. Dat je op weg bent naar iets waarvan je weet dat het niet meer bestaat. Rijden tot je aankomt of totdat de benzine op is; het uitstellen van de onvermijdelijke stilstand.

Nog voor Brownsberg werd het licht uit de hemel getrokken. Omdat de schemering hier in Suriname zo’n accuut iets is, heeft het erg Nadims aandacht. Zo kan hij in het halve uur tussen licht en donker wel tien keer vragen of het dan nu schemering is. Ik keek achterom, zag dat zijn koppie voorover hing, zijn armen met de polsen naar boven langs zijn zij in de universele houding van het slapende kind

‘Birre,’ zei ik. ‘Man down.’

Ze keek achterom en glimlachte hoorbaar: ontsluitende lippen, wangen die loskomen van kiezen, een korte uitademing door de neus. Daarna leunde ze voorover om Al Green aan te zetten. The Reverend zong dat hij zo genoeg had van het alleenzijn. Zo vreselijk genoeg.

Na een half uur stopte ik de auto om in de berm te plassen. Ik vroeg me af waarom ik in de berm plaste als ik me op een verlaten weg bevond, tweehonderdvijftig kilometer van de dichtstbijzijnde stad. Op het warme wegdek verdampte mijn urine onmiddelijk tot een van de vele dierlijke geuren die bij oerwoud horen. Als een trage motor kwamen de cicaden op gang. images

Tegen de tijd dat de schoorstenen van Suralco opdoemden leek het – hoewel half acht – de diepste uren van de nacht. Een post-apocalyptisch roestbruin organisme, vastgezogen aan de rode aarde op de grens van oerbos en savanne: gele lampen, witte rook, raderen zo groot als wagenwielen. Nog vijfenveertig minuten en we zouden thuis zijn.

Meneer Green zong mijn lievelingsnummer, Your Love is Like the Morning Sun, en zoals elke dag sinds onze aankomst werd ik vol getroffen door het besef van mijn rijkdom. Door het simpele feit dat ik hier, nu, ben.

 

Reageer >
 

Grey Gardens

18 november 2014 (12:59) | Marko van der Wal | Geen reacties

220px-Grey_Gardens_(1975_film)_posterEen overwoekerd landhuis, een tuin die nog het meest lijkt op de jungle van Sumatra, tientallen schurftige katten en twee kiftende dames. Meer is niet nodig om een documentaire op poten te zetten. Grey Gardens (1975) laat hen zien: Edith en Edie Bouvier Beale, moeder en dochter in hun zwaar verwaarloosde buitenhuis van 28 kamers in het luxueuze East Hampton. En dat terwijl moeder vroeger een glamoureuze zangeres was, en dochter een socialite. ‘It’s very difficult to keep the line between the past and the present,’ zegt Edie aan het begin van de documentaire, zonder enige ironie.

Het zijn niet zomaar moeder en dochter in deze film, Edith was de tante en Edie de volle nicht van Jacqueline Kennedy (geb. Bouvier). Hoe konden ze dan zo afglijden, van puissant rijk tot twee rare vrouwen met alleen een enorm huis als bezit? Dat is een ingewikkeld verhaal waar geen duidelijke versie van bestaat. Het enige wat vaststaat is dat het huwelijk van Edith al snel op de klippen is gelopen, waarna het allemaal bergafwaarts is gegaan. De toestand waarin ze leefden was zelfs zo slecht – geen water, zwaar vervuild – dat de Kennedy’s begin jaren zeventig te hulp schoten om orde op zaken te stellen. De documentaire laat zien dat het niet heeft mogen baten.

Hoe het zo gekomen is doet er eigenlijk niet toe. In Grey Gardens, ook de naam van het landgoed, komen zonder filter de dagelijkse beslommeringen van moeder en dochter in beeld. Genadeloos laat de documentaire zien hoe zij ruziën over het verleden, want dat blijft hun een doorn in het oog. Wie heeft er gelijk? Edie, die haar moeder de schuld geeft van de hele situatie? Of Edith, die de omstandigheden en familie verantwoordelijk houdt? Het levert een stuitend dagelijks ritueel op van herinneringen ophalen, bekvechten, maar tegelijkertijd ook van zingen en verzoenen. Niemand heeft gelijk als het om het verleden gaat. Ze zitten nu eenmaal met elkaar opgescheept en kunnen niet met én niet zonder elkaar.

Edie in betere tijden

Edie in betere tijden

Een van de tragedies in de film is de positie van Edie, de dochter, die naar de pijpen van haar moeder danst en geen kant op kan. Terwijl haar moeder in bed ligt als een ouwe taart gehoorzaamt zij haar bevelen. Edith kan geen moment alleen gelaten worden, want dan begint ze alweer om haar dochter te kermen. Edie komt in de documentaire één keer van het landgoed af, wanneer ze heel kort, nog geen honderd meter verder, op het strand ligt. Ze herhaalt een paar keer dat ze weg zal gaan, dat ze nooit heeft kunnen trouwen omdat ze altijd voor haar moeder moest zorgen, en geeft haar moeder kortom de schuld van alles. Maar ze vertrekt niet.

Wat is er van hen geworden? Is er een leven na Grey Gardens? Edith sterft in 1977, waarna Edie in het huis blijft wonen. Zij staat een tijdje op de planken als cabaretière in New York, maar is volstrekt niet succesvol. Eind jaren zeventig verkoopt ze Grey Gardens, tegen de opdracht van haar moeder in. Ze woonde her en der, onder meer in New York, maar eindigt in Florida, waar ze leefde als kluizenaar, schrijvend aan gedichten en corresponderend met vrienden en fans tot haar dood in 2002. Haar dode lichaam werd pas na vijf dagen ontdekt.

Reageer >
 

Donor

17 november 2014 (10:53) | Martijn Knol | 2 reacties

Wanna playOndanks haar eigen idyllische kinder- en jeugdjaren heeft mijn vriendin nooit de behoefte gevoeld zelf een kind (m/v) op de wereld te zetten. Bij mij thuis is neuken een zuiver amoureus-recreatieve activiteit. Vraag je mijn vriendin of ze kinderen heeft, dan antwoordt ze blij: nee, ik ben kindvrij. Ze mist het kinderwens-gen. Ik heb dat altijd erg aantrekkelijk gevonden, sexy is het betere woord. Mijn vriendin is, hoewel ze eruit ziet als 25, inmiddels 39, dus dat haar biologische eierwekker alsnog zal afgaan lijkt me zeer onwaarschijnlijk.

‘Maar hoe zit dat dan bij jou,’ vraagt Lieke. We zitten in De Balie (de melanzane voor haar, De Balieburger voor mij) en omdat we allebei op vrouwen vallen, is dat de hele avond al ons belangrijkste gespreksonderwerp.

‘Bij mij is het minder categorisch. Tot 2005, 2006 wist ik altijd zeker dat ik geen kinderen wilde, sindsdien realiseer ik me dat je zonder kinderen ook wel iets mist. Maar er is geen drama hoor: mocht ik kinderen willen met een andere vrouw, dan vindt mijn vriendin dat oké.’

‘Tof!’

‘Ja. En ook gewoon fair, toch?’

‘Nou,’ roept Lieke na een korte stilte door de zaal, ‘Misschien doe ik nog wel eens een beroep op je als zaaddonor! ’

Tirade -  snel, ongeremd.

———–

Volgende week: twee ZKV’s. Cinema. En meer.

Één dezer dagen: het voorrrplat van Tirade 456. En soon: dit is Tirade‘s Zondagse Gastblogger in December 2014…

2 reacties >
 

Gastblog: Maarten van der Graaff

16 november 2014 (12:35) | Gast | Geen reacties

‘Poets should get back to saying crazy shit / All of the time’ – Dorothea Lasky

‘I want to make the world more interesting than my problems. Therefore I have to make my problems social.’ – Chris Kraus

Deze citaten komen in mijn tweede bundel te staan. Motto’s, ik ben er niet gek op. Ze zijn vaak zo didactisch en opschepperig. Alsof iemand staand, met één voet al te sierlijk op de kruk geplaatst, vol op een orgel staat te rammen. Maar ik kan deze motto’s niet weerstaan, ze lijken precies te zeggen wat ik bedoel.

Op facebook postte Niña Weijers deze vraag:

‘Na een opmerking van Maarten van der Graaff bleef deze vraag me bezighouden: worden mannelijke schrijvers in blurbs wel eens vergeleken met vrouwelijke?’

Ik maakte die opmerking n.a.v. deze blurb op de Nederlandse vertaling van de nieuwe Ben Lerner.

22_04


Een jonge Karl Ove Knausgård! Waarom geen jonge Chris Kraus, vroeg ik me af. Dat lijkt me namelijk wel een vergelijking die hout snijdt. Een vergelijking die in een ander artikel uit de Times overigens wel wordt gemaakt.

In hetzelfde stuk merkt Hari Kunzru over Knausgård-Lerner het volgende op:

‘In “Leaving the Atocha Station,” this anxiety was comically excessive, and Lerner’s alter ego seemed to stand in a long line of literary schlemiels, the genealogy of Philip Roth and Gary Shteyngart. “10:04” is an attempt to break out of this tradition of well-armored self-deprecation into — what, exactly? This is no kamikaze attempt at truthfulness or self-disclosure in the vein of Karl Ove Knausgaard. Lerner’s position is always hedged. ‘

Knaus is bekender dan Kraus, dat snap ik ook wel, beter blurbmateriaal dus, maar is dat niet dezelfde vraag? Even de traditie omspitten:

‘Willem Frederik Hermans is een schrijver van het kaliber Anna Blaman.’

‘Daniël Rovers heeft goed naar de vreemde, vormbewuste zinnen van Marie Kessels gekeken.’

‘Anton Valens is een soort melige Marja Brouwers.’

‘Van de generatie van Doeschka Meijsing hebben we eigenlijk alleen Willem-Jan Otten, Matsier en Van der Heijden nog.’

‘Na Charlotte Mutsaers heeft Nederland er eindelijk weer een schrijver bij. Haar naam is Niña Weijers.’

Ik liep een paar dag geleden over een verlaten spoor 7 in de richting van de Van Sijpesteijnkade, toen achter mij iemand blafte of ik wist waar en wanneer die godverdomse nachttrein naar Amsterdam vertrok. Het was Pierre Bokma. Dit is Pierre Bokma, dacht ik, keek in zijn grimmig zoekende ogen en zei dat ik het niet wist. Godverdegodverdedomme, zei Pierre Bokma en beende een roltrap op.

Wanneer ik plotseling, in een omgeving waar ik er onmogelijk op voorbereid kan zijn, een bekende Nederlander tegenkom, is het alsof er een fout in de Matrix optreedt. Ik ga hier slecht mee om. Ooit zag ik in het Guggenheim Gerard Cox en Joke Bruijs naar Picasso’s kijken en was de hele verdere dag nerveus.

Toen Pierre Bokma was weggehold filmde ik een lege colabeker, die aan de voet van de roltrap lag en door het mechaniek voortdurend, hypnotiserend werd rondgedraaid. Ik doe dit soort kunstacademiedingen wanneer ik veel heb gedronken. Dit stukje moest eindigen met dat filmpje, maar ik zie het niet meer bij de video’s op mijn Sony staan.

Reageer >
 

0 tips voor een vervullend leven

15 november 2014 (8:46) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

Tip 1: Herkenning

Heeft u dat nou ook? Dat alles zo herkenbaar is? Elke dag als ik thuis kom, en mijn kat me angstig aankijkt, laat ik me op de bank zakken en denk ik: dit is echt thuiskomen voor mij. Onderzoek* heeft aangetoond dat vrijwel honderd procent van de mensen zich herkent in herkenbare situaties. Ik zou dat graag het teletubby-effect willen noemen. Want nog een keer is zoveel lekkerder dan voor het eerst. O, het warme bad van herkenning, van weten waar je aan toe bent, van bevestigd krijgen wat je al weet. Geen onzekerheid, geen verrassingen. Tegen die heerlijkheid is geen mens opgewassen.

Als je maar lang genoeg wacht, wordt alles herkenbaar. Het been-there-done-that-gevoel moet zo tegen de negentig toch de overhand krijgen, lijkt me. Maar veel mensen (U ook? U ook?) willen niet wachten tot hun negentigste voor ze een beetje comfortabel kunnen achteroverleunen in de rolstoel des levens. We willen beslagen ten ijs komen. We willen weten wat we niet weten. We willen herkennen wat we niet kennen. Alles als we ons maar niet onzeker hoeven te voelen. Als ik er zo over nadenk is het egoïstisch eigenlijk, om een ander niet mee te laten meeprofiteren van dat hetgeen jij door schade en schande hebt geleerd? Vind u dat ook niet? Gruwelijk gewoon. Gelukkig biedt het internet hoop.

7 tips voor goed slapen
8 irritante dingen die alle mannen doen tijdens de seks
9 tips om gelukkig te worden
10 manieren om uit de gevangenis te breken
11 dingen waar je je schuldig over kunt voelen als moeder
12 verschillen tussen mannen en vrouwen (in het Italiaans)
13 tips tegen depressie
(sprongetje)
21 tips om muggen te weren
(ik zet mijn verdubbelaar in)
42 manieren om liefde en respect te krijgen
(nog een keer! Min één)
83 redenen om van Warren Buffet te houden

Tip -1. Vervreemding

Laatst kwam ik thuis. Mijn huiskamer was koud en leeg, op een kat na die op me afliep met doodsangst in de ogen. Ik liet me op de bank zakken en dacht: is dit alles? Onderzoek heeft aangetoond* dat eigenlijk niemand een idee heeft waar we nou helemaal mee bezig zijn. Al heb ik geen idee of dat waar is. Of wat waar is? Of waar wat is? Daarom ploeteren we lekker voort door het absurd universum. En laten we ons meesleuren door die grauwe sloot des levens, waarin, op de groezelige bodem, gek genoeg een hoop rolstoelen liggen.

Hoe ouder we worden hoe vreemder alles wordt. De onbegrijpelijkheid van het leven neemt ondraaglijke vormen aan soms. Bijvoobeeld als je leest dat er een zeekat is die zijn houding aanpast aan de richting van de strepen op het behang van de kamer waarin zijn aquarium staat. Dat krantenknipsel uit 2011 vond ik opgevouwen in mijn collected stories bundel van Lydia Davis.

What she knew.
People did not know what she knew, that she was not really a woman but a man, often a fat man, but more often, probably, an old man. The fact that she was an old man made it hard for her to be a young woman. It was hard for her to talk to a young man, for instance, though the young man was clearly interested in her. She had to ask herself, Why is this young man flirting with this old man?
Lydia Davis (uit: Break it Down)

Is mijn kat eigenlijk ook een meester van camouflage, vroeg ik me daarna af. Alie, zeg het me, probeerde ik. Je bent geen zeekat, maar toch, zou je je streepjes aanpassen aan het behang als ik behang had? En geldt het alleen voor streepjes, of ook bij ballonnetjesbehang? Het meest onuitstaanbare is dat ik het idee heb dat ze wel probeert te antwoorden maar dat ik haar niet versta. Zij mij wel. Om me duidelijk te maken dat ze me geestelijk de baas is, groet ze me elke ochtend met een duidelijk verstaanbaar hallo.

Kijk TreurTeeVee voor uw wekelijkse portie vervreemdingssentiment (en wordt ook traandeelhouder optimistsvp). “Ik heb last van optimistische buien. Dan zie ik het ineens weer helemaal zitten. Dan zie ik het ineens allemaal goed komen. Dan heb ik er ineens weer zin in. Dan heb ik zó’n vertrouwen. Dan denk ik ja het kan, ja ik wil, ja we zullen. Dan wil ik het uitschreeuwen, dan wil ik het van de daken schreeuwen. (…) En mijn eigen vrienden zullen zich van me vervreemd voelen. Ze zullen zich van me afwenden. Ze zullen hun hoofden schudden en zich omdraaien. En ze zullen in het café afspreken, zonder mij. En napraten over hoe idioot ik doe. En ze zullen het eens zijn: die is niet normaal, daar heb je niets aan. En ze zullen me vergeten. Dus als ik weer zo’n bui op voel komen dan zet ik mijn telefoon uit. Dan doe ik de gordijnen dicht en hou ik me vast aan het matras. En wacht ik tot het over is.” (uit aflevering 2: Zelfhaat).

* Voetnoot <#// error_ z3235:ben>je>stapel?\\#>. Onderzoek, welk onderzoek? Kan wetenschap eigenlijk iets aantonen? Daar had natuurlijk moeten staan: wetenschap heeft nog niet weerlegd dat. Het schijnt trouwens dat onder vrouwen die Mies heten vaker depressie wordt vastgesteld (uit: de niet weerlegde correlaties van misdadiger Diederik S.)

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014
 
Nr.452 Nr.453 Nr.454 Nr.455 Nr.456
 
bestel
 
 
voorpagina