Living off the fat of the land

18 januari 2018 (9:51) | Menno Hartman | Geen reacties

X-ray of a 900 pound manWelvaart mest vet. Goedverkopende schrijvers worden vadsig. Dat is althans wat Henri Béraud beweert in het nawoord dat Willem Frederik Hermans schreef bij het boek dat hij van hem vertaalde De martelgang van de dikzak (Bezige Bij, 1981). Na een heftige discussie in Frankrijk over in het buitenland bekende en in het binnenland onbekende schrijvers stuurt André Gide zijn opponent Henri Béraud een doos chocolaatjes.

Hermans moet niet zonder schaamte bekennen ‘dat dikzakken ook mijn sadistische neigingen plachten wakker te roepen. En juist dit wordt door Béraud zo duidelijk over het voetlicht gebracht: hoe wreed de wereld zich gedraagt jegens de per gemeenplaats altijd voor zo ‘goedig’ versleten dikzak.’

Toch is nog heel wat van Hermans sadistisch plezier terug te vinden in de vertaling, die waarschijnlijk, zoals meer van Hermans werk door sadisme aan kracht wint. ‘Er gaat een deur open: daar komt het schijthuis. Arme zwaarlijvige komediant, opgezwollen in gaarkeukens en stationsrestauraties, arme bol van onzin, die voortrolt onder bulderend gelach, niemand heeft je ooit de bittere aalmoes toegestopt van de sentimentele praat die over clowns de ronde doet. Paljas krijgt, onder zijn witte schmink op muziek gezette weeklachten te horen. Maar niet de verlegen onhandige, in de liefde bedrogen dikzak. De dikzak die zich drukt, de nouveau riche, de slokop, het leeghoofd, de egoïst, de lafbek, de knoeier, de goedgelovige sukkel, het vijfde wiel aan de wagen.’

In de dikke mens woont een dunne mens. De droefenis is die van de dunne mens, die zijn surplus schuldig weet aan hoezeer de buitenwereld hem anders is gaan benaderen. Zoals in een oude mens een jong mens woont, en ook die oude schil belet een normale omgang, wat de eenzaamheid van ouderen verklaart. Ze zijn onzichtbaar geworden.

De andere benadering is die van Raymond Carver. Zijn meesterlijke ‘Fat’ uit de bundel Will you please be quiet, please? is maar 4 en half bladzijde lang. Dat is alles wat Carver nodig heeft om een tot wonderlijke spanning oplopende scène neer te zetten van een uitzonderlijke dikke man die uitzonderlijk bestelt en eet in een ‘diner’.

‘Believe it or not, he says, we have not always eaten like this.’

Carver laat de man consequent in pluralis bestellen hoewel hij in zijn eentje zit te eten, en schets heel treffend de wereld van de verbijstering en het afgrijzen door een intens beleefde omgang tussen de bediening en de man die bestelt. De man die bedient is de hoofdpersoon, hij vertelt het verhaal over de dikke man aan zijn vriendin, die het niet begrijpt.

It is august.
My life is going to change.’

eindigt het verhaal. Waarom is dit zo goed gedaan? Carver’s teksten waren op dieet: zijn redacteur Gordon Lish heeft ze erg ingesnoerd, ten faveure van de verhalen, wat mij betreft. Carver is de meester van de eenzaamheid, de Edward Hopper in taal, zijn dikke man eet verdriet weg zonder dat Carver het nodig vindt dat te melden. We zien de dikke man door wie naar hem kijken, we zien dus onbegrip, en het mooiste is: ergens een glorend licht van begrip in de ogen van de vertellende hoofdpersoon. De dikke man zal het leven van de hoofdpersoon veranderen, helaas niet zijn eigen leven.

 

—-

IMG_6285Menno Hartman (77 kg) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

 

Reageer >
 

Dood punt

17 januari 2018 (8:40) | Gilles van der Loo | Geen reacties

boat-at-meolsIk begin fasen te herkennen in het schrijven van een boek, momenten die bij elk project terugkomen. Zo gebeurt het me altijd dat ik op driekwart van een tekst tegen een dood punt aanloop.

Hemingway indachtig probeer ik elke dag mijn bladzijde te schrijven en zo min mogelijk na te denken over mijn werk als ik niet achter de computer zit. Ik sluit altijd af met een kleine cliffhanger, een aangevertje voor de volgende ochtend. Je moet iets hebben om naar terug te keren.

“THDM,” tik ik dan, met een suggestie voor vervolg. THDM staat voor Tot Hier Dan Maar, en waarom ik het zo ben gaan noemen weet ik niet meer.

De eerste maanden van een nieuw project ga ik fluitend naar mijn werk. Bladzijden volgen vrij natuurlijk uit wat voorging, en ik denk nog niet echt na over waar het allemaal heen zal gaan, maar als de personages helder zijn, de lijnen uitgezet, als er achtergrond is, opbouw, spanning, en alles erop wijst dat er iets belangrijks te gebeuren staat is het opeens alsof de wind uit mijn zeilen valt.

Ik weet dat ik me hier niet teveel zorgen over moet maken. Tot dusver is het altijd goed gekomen. Toch maak ik me hier steeds weer zorgen over.

Misschien omdat het dode punt het moment is waarop ik – althans in gedachte – de stap naar ‘publicabel werk’ moet maken. Het verschil tussen een lange, bijna associatief ontstane aanzet en een in potentie goed boek lijkt vooral hier te worden gemaakt.

Erop of eronder, dus eigenlijk, voor het project.

Elizabeth Strout is een schrijver die van het dode punt geen last lijkt te hebben. In haar verhalen kiest ze er vaker niet dan wél voor een ‘belangrijke gebeurtenis’ te laten plaatsvinden. Haar opbouw wordt dan niet ingelost, of heeft als geheel in het hoofd van de lezer plaatsgevonden. Een vorm van lef / intelligentie waar ik niet over beschik.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Van kat naar vlinder

11 januari 2018 (9:28) | Menno Hartman | Geen reacties

27379Een man kijkt naar een vlinder. Ik las van Echhart Tolle deze krachtige maxime: ‘Ik heb met verschillende zenmeesters geleefd, het waren alle katten.’ De kat is de meester van het wachten. De kat wacht, maar niemand weet waarop. Sinds mijn telefoongebruik drastisch verminderd is – ik gebruik de telefoon alleen nog voor bellen en appen – is mijn wachten katachtiger geworden.  Ik verdwijn in mezelf en kijk. Meestal observeer ik wachtend dus mensen die niet observeren maar naar hun telefoon kijken. Ik heb ontdekt dat ik meer naar gezichten kijk sinds ik minder naar mijn telefoon kijk. Leuke bezigheid, hoor! We kijken al miljoenen jaren naar gezichten en hebben daar alle reden (en gelegenheid) toe gehad, het is mogelijk dat we langzaam aan iets minder goed worden in het lezen van gezichten, nu we het minder doen. We kijken dus überhaupt minder op. De toekomst zal geen rechte mensen meer kennen, maar kromme, en bijziend.

De kat wacht, maar waarop? Hij wacht zijn leven uit. Misschien is het meer zo dat de kat inderdaad op zenachtige wijze in staat is te zijn zonder daar veel meer van te verwachten. Stil voor je uit zitten staren is een onbeweeglijkheid, een wachten – kijkend naar de lucht, een bergwand,op the dock naar the bay  dat evenzogoed vaak de stilte voor een sprong is.

In 1972 schrijft Joseph Brodsky een lang gedicht over een vlinder. Een geweldig gedicht in 14 strofen (vertaling Peter Zeeman). Het is kort voor zijn vlucht naar Amerika vanuit Rusland, en dus is het verleidelijk de inhoud van die contemplatie op iets kleins te zien als een voorbode van iets groots. Brodsky wacht op zijn moment.

je bent fragment
van een gezicht; zeg mij
van wie, vliegend portret?

Je ziet de dichter gebogen over een vlinder, niets doend, kijkend, denkend, de spieren aanspannend voor de sprong?.

En wat zijn dagen? Niets. Ze zijn
niet vast te pinnen,
geen voedsel voor pupillen,
ongrijpbaar. Enkel schijn.

En duiden wat hij ziet, zijn beeld gebruiken, inzettend voor zijn gedachten.

Ja, jij bent beter dan
het Niets, nabijer,
meer zichtbaar. Toch ben jij er
in wezen aan
verwant. En op jouw vluchten
krijgt het materie.
Daarom, wanneer je
rondfladdert in de drukte
van alledag, vorm jij
een soort begrenzing,
een luchtige versperring
tussen het Niets en mij.

Een luchtige versperring tussen het Niets en mij. En dan springt hij. Ik staar nog even door naar de kat, de donzige versperring tussen het Niets en mij.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Tanden

10 januari 2018 (9:18) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_6074Ergens in 2005 onderging ik mijn eerste wortelkanaalbehandeling. De tandarts liet me het gat zien dat hij geboord had om bij de zenuw te kunnen en het voelde als kijken naar het lijk van een vage bekende.

Op een of andere manier werd ik op dat moment mijn sterfelijkheid meer gewaar dan toen ik open TBC bleek te hebben in Paramaribo of bij die jammerlijke uitglijder op de motor waarbij ik mijn neus brak en KO ging in het midden van de Jan van Galenstraat.

Hier was een klein deel van mijn lichaam dat het opgegeven had, dat ondanks borstel, floss en stokers weggerot was en nooit meer terug zou komen.

In mijn familie zoemen de bekken van het amalgaam. Radio 3 luisteren is voor ons een kwestie van een spijker tussen de kiezen klemmen. Mijn vaders tandvlees heeft zich zo ver teruggetrokken dat je het eerder een capitulatie zou noemen, en hoewel we er nooit over praten vermoed ik dat hij en mijn moeder samen een volledig gebit aan kronen meedragen.

Met Nadim leek het een tijdje goed te gaan, tot ik dit jaar met hem bij De Hoektand kwam en door de immer vriendelijke tandarts Jan gewezen werd op twee bruine speldenknoppen achterin het frisse roze bekkie van mijn zoon.

‘Heb je wel met hem geflosst?’ vroeg Jan.

‘Nee,’ zei ik, en schudde mijn hoofd. ‘Het spijt me.’

De tandarts glimlachte, waardoor zijn mondkapje op spanning kwam te staan. ‘Dat hoef je toch helemaal niet te zeggen.’

Maar ik zei het ook niet tegen Jan. Ik zei het tegen mijn jongen, die met grote ogen in het helle lamplicht staarde. Lichtjes kneep ik in het trosje klamme tengeltjes dat hij me had toevertrouwd.

Nadim wilde weten of het pijn zou doen, of er geboord moest worden. Ik vroeg me hardop af of het wel zinnig was een melktand te vullen.

Het boren en vullen bleek pijnloos en Nadim leek het al snel vergeten. Sindsdien heeft hij een elektrische tandenborstel en floss ik ‘s avonds tussen al zijn kiezen (zoveel zijn het er niet).

Afgelopen week verloor hij zijn eerste melktand en bij het zien van dat perfect ronde gaatje wist ik ineens weer hoe het voelt om te wisselen. De herinnering was helder, scherp en lijflijk als het moment voordat er bloed opwelt na het snijden in je vinger. Wat ik me óók herinnerde: de gewaarwording verraden te worden door mijn eigen lichaam. Voor welke verrassingen zou het me nog meer gaan stellen?

James Brown zei al dat tanden het een-na-belangrijkste zijn voor een man. Hair is the first thing. And teeth the second. Hair and teeth. A man got those two things he’s got it all.

Haar genoeg, in mijn familie. Ik hoop maar dat slechte tanden en goed haar op hetzelfde chromosoom te vinden zijn.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Nieuwjaar

6 januari 2018 (8:31) | Arjen van Lith | Geen reacties

Fire and Fury-FINAL mech.indd

2018 is nog geen tien dagen bezig, maar op deze manier hoeft het van mij nu al niet meer. Net nu ik me had voorgenomen om vanaf het allereerste begin het maximale uit het nieuwe jaar te halen, gooien nieuwe, onvoorziene ontwikkelingen mijn hele werkschema al bij voorbaat overhoop.

Voordat ik überhaupt met mijn eigen roman verder kan, zal ik eerst Q1 moeten opofferen aan alles rond Fire and Fury: Inside the Trump White House, het losjes om de waarheid heen gesponnen politieke sensatieverslag van Michael Wolff, die bijna een jaar lang heeft rondgehangen in the West Wing. Niet dat ik zo langzaam lees, maar bij sommige passages droom ik nu eenmaal graag even weg:

At Mar-a-Lago, just before the new year, a heavily made-up Trump failed to recognize a succession of old friends.*

De afgelopen dagen heb ik, net als de tweede helft van 2016 en vrijwel heel 2017, licht achter m’n adem het internet afgezocht naar het nieuwste nieuws over Trump, liefst over zijn driftbuien. Ik zoek op termen als ‘seething’, ‘fuming’ en ‘enraged’. Vroeger had ik een productieve dag als ik een paar goede pagina’s had geschreven; nu vul ik loze werkweken met scoops van The Washington Post, met nog meer Maggie Haberman in The New York Times en deze week dus met Wolffs voorpublicaties in The Hollywood Reporter, British GQ, New York Magazine en The Guardian. Uiteindelijk laat het een leeg gevoel in me achter, maar gelukkig krijgt Trump zelf ook niks gedaan.

Alleen wanneer Robert Mueller geen onverwachte dingen doet, kan ik in Q2 mogelijk nog iets aan mijn sleutelroman gedaan krijgen, maar Q3 en 4 beschouw ik nu al zo goed als verloren, dan zijn de midterms. Volgens mijn nieuwe planning hou ik in 2018 hooguit zes weken netto schrijftijd over, en dan tel ik reistijden en mijn sociale leven niet eens mee.

Als het nog wat wil worden met mijn carrière als auteur is het te hopen dat Trump geen tweede termijn haalt.

__________________________

Uit: The Hollywood Reporter: “You Can’t Make This Shit Up: My Year Inside Trump’s Insane White House, Michael Wolff (04-01-2018).

Arjen van Lith (1971) probeert zo veel mogelijk te schrijven. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een brievenbundel en een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Drie jaar ‘Charlie Hebdo’

5 januari 2018 (12:00) | Marko van der Wal | Geen reacties

Een vriend van mij was tijdens de aanslagen van Anders Breivik (juli 2011 alweer) voor vakantie in Oslo. Sterker nog, toen de bom voor het kantoor van de Noorse premier plofte, stond hij twee, drie straten verderop met een deel van het gezin, terwijl de rest in een ander deel van het centrum op pad was. Hoe groot de paniek was, weet ik niet precies, maar ze vonden elkaar erin terug. De manier waarop hij later vertelde dat hen niets was overkomen, die laconieke toon, je hoort die wel vaker bij mensen die nét het geluk hadden een ander straatje in te slaan, die op het moment zelf iets anders deden dan normaal gesproken. Alsof tegelijk met het toeval het onmogelijk is geworden dat de angst bij je postvat, dat je lichaam ingrijpt en nee zegt op het moment dat het erom spant.

In de afgelopen jaren zijn er vele aanslagen geweest, waarmee we, op welke manier dan ook, soms indirect of direct te maken kregen. Die gebeurtenissen, zou je kunnen zeggen, hebben ons veranderd, maar niet gebroken. Hun alomtegenwoordigheid des ondanks hebben we onze mond niet gehouden, niet na Breivik, Berlijn, Nice of Parijs. Bang zijn we misschien geweest, maar daar hoor je tegenwoordig nauwelijks nog iemand over mompelen in een talkshow of zo. We hebben tegen wil en dank om leren gaan met de angst, wennen doet terrorisme nu eenmaal niet, net zomin als verdwijnen.

*

Dat Parijs kan veranderen in een vesting had ik al eens meegemaakt bij een viering van Quatorze Juillet. Na de militaire parade, de overvliegende Mirages, de parachutisten en het vuurwerk op het Champ de Mars ging de stad op slot. Met een vriend probeerde ik door de mensenmassa de weg naar ons hotel te vinden, maar keer op keer stuitten we op met dranghekken afgesloten wegen. We staken de Seine nog eens over, keerden weer om, gingen de metro in en uit, en strandden uiteindelijk toch op een overvol perron, waar maar nooit meer een metro leek te komen. Ik herinner me vooral een Duitse herder die tussen al die voeten op de vloer lag met een blik zo moedeloos als ik me toen voelde.

De dagen na de aanslag op Charlie Hebdo, 7 januari 2015, zondag drie jaar geleden, was er niets van dat alles aan de hand. Wederom was ik met een vriend in Parijs en tussen het volgen van het laatste nieuws door konden we zonder problemen wandelen (ondanks de eindeloze regen) door Montmartre, en gewoon de Eiffeltoren beklimmen zoals elke andere dag. Sinds ik er kom zie je op straat beveiliging van de hoogste graad, soms door het leger, met automatische wapens en kogelvrije vesten. Na de aanslag veranderde dat beeld niet; de zichtbare beveiliging werd ondanks de noodtoestand ook niet opgeschroefd. Alsof Parijs nu niet net als op een feestdag in opperste staat van paraatheid moet zijn, of zou moeten zijn.

Nog eens de feiten in het kort. Op die bewuste woensdagochtend schoten de broers Kouachi in koelen bloede 12 mensen dood, op en bij het kantoor van Charlie Hebdo, waaronder de bijna voltallige redactie van het blad en enkele politiemensen. Ze ontvluchtten, hielden zich schuil ten noorden van Parijs en werden uiteindelijk twee dagen later doodgeschoten in de drukkerij waar ze zich hadden verschanst. Daarmee was de klopjacht ten einde, definitief en misschien onbevredigend, want zoals Marjoleine de Vos in een van haar stukken opmerkt: intuïtief gun je het die twee niet om simpelweg doodgeschoten te worden.

In die paar dagen heerste in de stad de gelatenheid, dat kan je aan de Fransen gerust overlaten. De vrienden bij wie we logeerden haalden elke krant waar ze de hand op konden leggen in huis. In elk café met tv kon je volgen hoe de achtervolging van de daders vorderde. We zaten er allemaal bovenop. Op tv verscheen een dame van middelbare leeftijd die desgevraagd een exposé gaf over de houding van het Franse volk, een schitterend fragment dat welhaast een verbetenheid uitstraalde waaruit ik afleidde dat ze niets meer te verliezen had behalve ’s lands wijs en eer.

Intussen lazen we Soumission van Michel Houellebecq, dat nota bene op 7 januari was verschenen, een roman tegen de achtergrond van de eerste islamistische regering in Frankrijk. Houellebecqs subtiel in het boek verweven kritiek op de islam, in het bijzonder de verspreiding van het geloof door voortplanting, moet toen extra weerklank hebben gevonden bij de Fransen. Het Allahu akbar dat op het filmpje van de aanslag te horen was, galmde nog na in het collectieve oor. Een week later antwoordde Charlie Hebdo met het omslag van het eerste nummer post quem: TOUT EST PARDONNÉ. Ik ben er nog steeds niet over uit hoe ik die kop moet duiden.

Maar zulke taal, zulke reacties, ze waren uiteindelijk uiterlijke schijn. Een stad valt natuurlijk niet plotseling stil na een ingrijpende gebeurtenis zoals een aanslag, maar de manier waarop Parijs voortging was als achter een façade. Aan de buitenkant beheerst en strijdbaar, terwijl vanbinnen angst en ontreddering regeerden. De bangigheid waarover Mathijs van Nieuwkerk het eens had in een gesprek met de burgemeester van Amsterdam, namelijk dat je tóch wat sneller over de Vijzelstraat fietst en eens extra over je schouder kijkt, die bangigheid ontbrak totaal aan het straatbeeld. Zoals gezegd zag de zichtbare beveiliging van de stad er niet anders uit dan anders. Achter de schermen was vanzelfsprekend van alles gaande, hoe vreemd dat soms ook moge lijken ná het plaatsvinden van een aanslag.

De aanslag op Charlie Hebdo werd door velen ervaren als een directe aanval op de Franse samenleving, met andere woorden, op alles waar de Franse maatschappij voor staat. Met enige overdrijving kan je zeggen dat de Fransen in het landsbelang hun angst opzij zetten en ervoor in de plaats een rotsvast geloof in hun Republikeinse normen en waarden tentoonspreidden. Er waren in Parijs die week tientallen incidentjes die dit toonbeeld van moedig burgerschap doorbraken, die de onderhuids gistende emoties even de overhand lieten nemen en evenzo vaak vals alarm bleken te zijn.

Ik kwam terecht in zo’n oprisping van onderdrukt gevoel toen we op een avond de metro namen vanuit het centrum richting het 18de. Of misschien kan ik beter zeggen: probeerden te nemen, want net als destijds na de viering van Quatorze Juillet belandden we in een ondergrondse cul-de-sac. Ik geloof dat het bij Gare de l’Est was dat we van lijn zouden wisselen, en toen we daar op de trap van het perron stonden op zoek naar het juiste nummer in de juiste kleur kwam er een groepje mensen in onze richting aangerend. Er klonk een luid geratel uit de tunnel waar ze vandaan kwamen, die bij mij meteen een onontkoombare reactie losmaakte: dit is foute boel. En ik voelde wat er collectief na de aanslag was gevoeld, dat je lichaam het overneemt en alleen overleven nog telt. We hielden halt boven aan de trap en ik probeerde tegelijk voor en achter me te kijken. De metro waar we net uit waren gestapt bleef staan; de mensen renden niet meer. Ik sleurde die vriend van me achter me, achter een pilaar, en zei iets in de trant van: ‘Als er iets gebeurt dan rennen we terug de metro in!’ Als hij maar blijft staan. Ik wierp een laatste blik om de hoek en hoorde nog luidere knallen. Het groepje vloog nu in paniek een andere tunnel in, een van de vrouwen voorop negeerde het feit dat ze onmogelijk hoge hakken aanhad volledig, zo groot was de paniek. Wegwezen. We hadden nog niet een voet in de metro gezet of de bel klonk en de deuren gingen dicht. We waren op weg, desnoods helemaal naar buiten de Périphérique.

Dat we er vervolgens nog een dik uur bezig waren om terug te komen bij die vrienden, dat donderde niet. Het station waar we vandaan kwamen was afgesloten na het incident, voor alle verkeer, ook het ondergrondse. Maar we moesten erlangs om op de juiste lijn te komen. Aan het eind van de avond was de kust veilig, het station vrijgegeven: een stel jochies had bij het station met vuurwerk lopen spelen en daarmee een scheurtje veroorzaakt in het door iedereen zo goed mogelijk opgezette masker.

Om dat te lijmen, ‘de gelederen te sluiten’, namen we op zondag deel aan de marche républicaine. Wij en meer dan twee miljoen anderen, in de grootste demonstratie die Parijs ooit zag, liepen van République naar Nation. Al schuifelend gingen we het plein over, waar al dagen mensen bordjes met ‘Je suis Charlie’ hadden opgehouden. Om ons heen groepjes uit alle windstreken, welke dan ook, en het was stil totdat iemand het volkslied aanhief, dat zich vervolgens met een echo verspreidde door de massa als een rimpeling op de vijver. Het werkte louterend om met al die mensen één signaal uit te zenden: liberté d’expression, liberté des crayons! Je kunt alles van ons afpakken, maar onze ideeën, het gedachtegoed, dat zal je ons op geen enkele manier kunnen afnemen. Het was een niet te overzien groot hart onder de riem van diegenen die twijfelden op het moment dat angst de overhand niet mocht krijgen en bij wie het niet lukte om het gezicht in de plooi te houden.

*

In november datzelfde jaar vierde Uitgeverij Van Oorschot het zeventigjarig jubileum in de Rode Hoed. Halverwege de avond stond iedereen te kijken naar telefoonschermpjes met daarop het laatste nieuws. In Parijs was een aanslag gepleegd in concertzaal Bataclan, niet ver van het kantoor van Charlie Hebdo, waarbij het vuur was geopend op het publiek tijdens een optreden. Op dezelfde avond was die vriend bij wie ik weleens in Parijs logeer aan het werk bij het Stade de France, voor de vriendschappelijke voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Duitsland. Drie zelfmoordterroristen bliezen zich dezelfde avond op vlak buiten het stadion, de aanwezige president werd geëvacueerd, maar de aanslag mislukte en de wedstrijd werd gespeeld. Voor de NOS-radio liet hij zich interviewen, om in alle kalmte zijn verhaal te doen. Ja, ik heb de gewonden gezien. Ja, we waren zenuwachtig. Zijn verdere antwoorden zijn zakelijk (bijna Frans, dacht ik) en suggereren onmiddellijk nadien alweer de schijn van onverveerd verdergaan. Zijn lichaam heeft het overgenomen, nu gaat het om overleven. In weerwil van wat Houellebecq vijf dagen later schreef in de Corriere della sera went het nooit, die aanslagen. Maar ook al zijn ze niet meer weg te denken en krijgen we er op een goed moment allemaal mee van doen, we onderdrukken onze angst. We houden samen heldhaftig stand, we kunnen niet anders.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

A Christmas with Alan Bennett

4 januari 2018 (9:34) | Menno Hartman | Geen reacties

imagesR., zelf een heer van haast Britse allure, gaf me in november drie boekjes mee van Alan Bennett, Smut, In the clothes they stood up in, en Father, Father ! Burning bright.

In december valt de stapel boeken altijd om en kom ik iets tegen wat erom schreeuw − of in dit geval beleefd gesticuleert −om gelezen te worden.

Naast The Crown was het precies wat ik nodig had. Engeland op zijn mooist. Ik ben voor het eerst een boek tegengekomen waarvan ik me echt serieus afvraag of er iets in vertaling van overblijft. Het Engels, met de wendingen binnen een zin, de kleine nuances van aanzetten of afnemen die tot schaterlachen toe geestig zijn, die horen geloof ik toch bij die taal. De verhalen van Bennett, een man met een ongelofelijk palmares vooral als scenarioschrijver, moet je denk ik evenmin trachten na te vertellen. De kracht zit in de zinnen. Al zijn de wendingen die een scenarist zich veroorlooft vooral voor een schrijver heel interessant. Mannen komen er niet erg goed af in zijn verhalen, en ook dat is erg goed.

Vervolgens zag ik nog zijn film The Lady in the Van, met Maggie Smith. Nu ligt Writing Home klaar.

A Christmas with Bennett was het. Nu weer aan het werk.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Scheur

30 december 2017 (9:29) | Arjen van Lith | Geen reacties

scheur

Eerder op dit blog besteedde ik uitvoerig aandacht aan onze badkamer in Amsterdam, maar daarbij heb ik onbewust of misschien uit schaamte één tekenend detail onderbelicht gelaten: sinds onze intrek elf jaar geleden zit er een barst in de wc-bril, ooit veroorzaakt door de vorige bewoners. Ik heb sterke vermoedens over de exacte dader, maar dat doet er nu niet toe. Mij gaat het vooral om de progressie van die barst.

Het begon klein. Een haarscheurtje aan de linkerkant, rechts als je staat. Weinig meer dan een grillig potloodstreepje. Als de bril omhoog stond, was er aan de onderkant nog niets te zien. Ook merkte je toen nog niks als je erop zat. Je kon je gewicht nog normaal, gelijkelijk over de hele bril verdelen.

In die eerste jaren merkte ik dat het haarscheurtje niet zozeer breder, dan wel zwarter werd. Geprononceerder. Schoonmaken werd een dilemma: met elke stevige schrobbeurt liep ik het risico de breuklijn nodeloos te verdiepen. Het veiligste bleek om dagelijks een desinfecterend reinigingsdoekje voorzichtig – als een plumeau – een paar keer over de lengterichting van de scheur te wuiven. Zo kreeg die niet de druk, maar wel het hygiënische reinigingsvocht te verwerken.

Traag maar gestaag trok de scheur verder door onze bril. Naarmate hij lager langs de zijkanten naar beneden liep, werd het probleem steeds moeilijker te ontkennen. Het potloodstreepje werd 3D. Ook ontstond er steeds meer speling tussen de breukdelen: iedere gewichtsverplaatsing op de bril verergerde de frictie en bespoedigde het verval. Ik weeg relatief weinig, dus misschien is de term ‘kritieke massa’ hier niet helemaal op z’n plaats, maar elk afbraakproces kent een moment waarop de integriteit van het materiaal zich de facto overgeeft aan de slopende krachten van buitenaf. Ik kan mijn vinger er niet precies op leggen, maar het moet ergens in de zomer van 2015 zijn geweest dat onze wc-bril definitief capituleerde, al was de breuk toen nog niet door-en-door.

Echt fysiek ongemak kwam sluipenderwijs. In eerste instantie had ik nergens last van, afgezien van een vaag besef van verlies, de realisatie dat gedachteloos alles laten lopen er voortaan niet meer in zat. Om de zwakke kant van de bril te ontlasten, ging ik scheef op de rechterhelft zitten en liet mijn linkerbil gedurende het hele toiletbezoek als het ware zweven boven de breuk. Desondanks bleven bij het opstaan steeds vaker wat dij- of bilhaartjes in de scheur steken. Naarmate de breuk zich verder verwijdde nam het risico op serieuzere verwondingen evenredig toe; de scheur was nu breed genoeg om zich klemvast te kunnen bijten in een nietsvermoedende huidplooi van de visite.

Sinds twee weken is de doorklieving compleet. Bij terugkomst in Amsterdam lagen beide breukdelen gescheiden tegen elkaar aan. Als je erop ging zitten, maakten ze een knarsend geluid tegen het porselein van de pot. Vermoedelijk is onze huurder in alle onschuld met zijn volle gewicht op de wc geploft, maar ik wil hem nergens de schuld van geven. Het kan ook zijn dat de bril met een droge tik in de stilte van de badkamer is bezweken aan zijn eigen materiaalmoeheid.

Het voordeel van een Spartaanse inborst is dat je zonder chagrijn met langlopende ontberingen kunt leven. Tot eergisteren is de scheur bijna twaalf jaar lang een deel van mijn leven geweest. Een ander voordeel is dat de lat voor de ervaring van luxe voordelig laag ligt, dat je intens kunt genieten van doordeweeks geluk dat niemand je ooit kan afpakken. Frisgewassen lakens. Een warme handdoek na het douchen, licht geroosterd over de radiator. Het nieuwe jaar in met een nieuwe wc-bril en – ik was bijna vergeten hoe het voelde – het onbetaalbare genot van zorgeloze ontspanning op het toilet.

______________________

Arjen van Lith is schrijver, journalist en zitplasser. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een brievenbundel en een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Noord-Korea. Wie wind zaait…

21 december 2017 (13:27) | Menno Hartman | Geen reacties

j2tgBZPDit voorjaar verschijnt Casper van der Veens De Kim-dynastie. Geschiedenis van Noord-Korea. Ik zit er midden in. In dit stadium van meelezen met een boek verzamel ik van alles wat ik tegenkom, foto’s boeken met propagandaposters, documentaires, ik koop Amerikaanse, Engelse en Duitse boeken over het onderwerp.

Er staat veel opmerkelijks in dit boek, veel wat ik niet wist. Van der Veen, Noord-Koreadeskundige werkzaam voor NRC,  meldt onder meer dat Noord-Korea sinds 1945 de facto een monarchie is: erfelijke troonopvolging immers. En met een steeds rigider despotisme. Een vorm van despotisme waar Mao en Stalin zelfs nooit aan gedacht hebben. De kunst bij het nadenken over een land als dit is niet zozeer de woede blijven voelen jegens deze dictators – een woede die alleszins gerechtvaardigd is – als wel je een voorstelling trachten te maken van de twijfel die wellicht soms rijst in intelligente Noord-Koreaanse hoofden. Wat weet men? En wat weet men niet? Van der Veen toont beargumenteerd aan dat het kernprogramma,  al begonnen rond 1956, een van de sterkste troeven maar ook een noodzakelijkheid is in de mogelijkheid het volk te laten blijven geloven dat de huidige repressieve staatsvorm de enige mogelijke voor Noord-Korea is. Despoten hebben vijanden nodig, anders implodeert de haat. Waar ik nog weinig over tegenkomen is welke rijkdommen de Kim’s precies verworven hebben? Van vergelijkbare (en bevriende) gekken als de Ceaușescu’s en Khadafi weten we hoe extreem die waren. Maar de Kims? Wat deden die terwijl de bevolking op 240 gram rijst per dag zat in de jaren 1994-1998? Een van de meer dan twaalf residenties van deze Kim, de Ryongsong-Mansion licht alvast een tipje van deze sluier op. ‘Besides large houses and well-tended gardens there are man-made lakes and various recreational facilities. Witnesses have reported luxurious interiors with ornate furnishings, deep plush carpets and fancy chandeliers.

Schermafbeelding 2017-12-21 om 13.33.40Propaganda blijft een schitterend fenomeen om de realiteit van een land mee te bestuderen, een geweldig fotonegatief van de werkelijkheid, gratis en voor niets uitgevent door dit soort dictaturen. Kijk eens hoe het niet is!

In Huis Marseille is een fraaie tentoonstelling van de foto’s die Eddo Hartmann maakte in zijn drie reizen naar Noord Korea. Een van zijn geweldige foto’s mag op het omslag van Van der Veens boek. Het verschijnt in april, tenzij Grote Leider Kim Jong-un besluit dat het eerder moet.

 

 

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Middelen

20 december 2017 (9:21) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5809Ondanks de vrienden die meerjarenplannen voor hun leven hebben en daar echt tevreden over lijken, geloof ik eigenlijk alleen maar in het nu.

De toekomst (alles wat meer dan drie maanden vóór me ligt) is me ongeveer zo reëel als die lege straat in een verkeersspiegel: ik accepteer de theorie, maar zou nooit zomaar de hoek om zeilen zonder met eigen ogen te hebben gezien dat het kan.

Een fijn gevolg van zo in het leven staan is dat ik niet veel zou veranderen als vandaag mijn laatste week aanbrak. De dingen die ik doe en de mensen met wie ik te maken heb zouden ook dan beslag op me mogen leggen.

Je mag dus zeggen dat ik een lage verwachting van het leven heb of heel gelukkig ben.

Iedereen zou zich regelmatig moeten afvragen wat hij zou veranderen als er niet veel tijd meer was. Je hoeft het niet te serieus te nemen, maar de gedachte werkt als een vergrootglas voor wat er wringt of slecht loopt in je heden.

Iets wat ik vrijwel dagelijks doe en niet meer zou doen als mijn tijd opraakte is drinken. Het lijkt me zo zonde om in die laatste dagen niet alles volledig mee te krijgen.

Wie wil er bier drinken als hij een middag met zijn dochter in de zandbak kan?

Ik, vreemd genoeg. Heel regelmatig, zelfs.

Mijn dagen zijn per definitie geteld. Omdat ik op een gegeven moment de pijp uit moet, maar vooral omdat mijn kinderen ouder worden.

Nog een paar jaar en ze zullen niet meer bij me in bed kruipen met hun hete teentjes en vingers, hun piekhaar, snot en speeksel, hun slopende en verslavende cocktail van slaapgebrek en geluk.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466 Nr.467 Nr.468 Nr.469
 
bestel
 
 
voorpagina