Lang leve Stalin

13 juni 2019 (11:32) | Menno Hartman | Geen reacties

IMG_9503Stalin is een van de grootste mannen van de vorige eeuw. Hij was zéér goed. Heeft zijn land gered, de oorlog gewonnen, de nazi’s verslagen en het communisme op de kaart gezet. De Revolutie gered. Daarbij was hij knap en vriendelijk.

Er zijn weinig dingen die een hartgrondiger knoop in je maag en in je hoofd teweegbrengen dan een halfuur nadat je Young Stalin van Simon Sebag Montefiore hebt uitgelezen het Stalin Museum in Gori, Georgië binnenwandelen, zoals ik anderhalve week geleden deed. Je kunt alles duiden wat je ziet, maar het perspectief is volledig gekanteld.

Het boek is een adequate biografie van een actief misdadigertje met een goed hoofd, een rotjeugd, een gewetenloos idealisme en van jongs af aan de gewoonte over lijken te gaan.

Het museum haalt het mausoleum van Lenin in Moskou en Ho Chi Minh in Vietnam links in. In een volledig leeg museum wordt de hagiografie geschreven van de Grote Zoon van Gori, die goedheid aan daadkracht paarde. In het gehele museum valt geen onvertogen woord over de man die miljoenen mensen vermoordde, over de kling joeg, in de zuiveringen in de jaren ’30 in Rusland kunstenaars en schrijvers liet ombrengen, nabije vrienden naar de goelag stuurde en partijgenoten van het eerste uur op duizenden kilometers afstand nog niet najagen.

In Montefiores biografie lezen we dat de bankrover die Stalin ook was een belezen jongen is, een slimme student. Dat hij door zijn vader die een groot drankprobleem had geslagen werd en door zijn moeder op handen gedragen. Dat hij een reeks liefdes achterliet, kinderen, dat hij een uitstekende professionele zangstem had en op het seminarie voor priester studeerde. Dat ze daar liever Het kapitaal van Karl Marx lazen en dat het zo allemaal begon: een gauwdief die kapitaal van de bank roofde om er Lenin’s beweging mee te financieren.

IMG_9499Maar Georgië laat zich haar Grote Zoon niet ontnemen! Het museum jubelt. Wat fascineert aan een propagandaplaat als hierboven is de compositie die heel veel gewone mensen als planeten om de Zon Die Stalin Is laat draaien. En hoe amicaal Hij met deze goede lieden omgaat.

In Georgië, een oase van natuur, schitterend hooggebergte met sneeuwbedekte toppen, goed eten en prachtige wijnen zullen de gestaalde kaders van de communistische partij plezierige dagen hebben doorgebracht. Het is een schitterende land. Het dorp van Stalin, Gori ligt fraai in een dal, ingeklemd tussen de gebergten ten zuiden en noorden. Op de burcht die boven het stadje uittorent zal Stalin verlangend naar het noorden gekeken hebben, daar waar zijn toekomst lag en waar hij miljoenen mensen zou vermoorden voor… ja voor wat eigenlijk?

Omdat ze hem in de weg stonden.  Een biografie en een museum verder, ben ik verder dan ooit verwijderd van begrip van wie deze man was.

 

——-

 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier  een stukje op dit blog over de zuiveringen. En lees vooral Marc Jansens De toekomst die nooit kwam. Hoe Rusland worstelt met zijn verleden.
Reageer >
 

Vakantiedag

12 juni 2019 (8:37) | Gilles van der Loo | Geen reacties

4f232757-8e50-4806-9af0-ec72c2b3d6b1Nadims school is dicht. Een week van studiedagen voor de juffen en meesters, waardoor onze zoon – als altijd voor mij onverwacht – thuis zit.

Soms neemt B vrij voor dit soort weken, vaak hang ik zelf met Nadim. Het beste is gebleken om met hem naar een huisje van familie in Zeeuws-Vlaanderen te gaan, maar dat is tegenwoordig zelden vrij. Daarnaast ben ik vanwege Het Parool gebonden aan de stad, en Zuidzande ligt op tweeënhalf uur rijden – als er geen files staan.

Meestal word ik ongelukkig van schoolvakanties. Ik kan dan niet echt werken, maar het lukt me ook niet te genieten van de tijd die ik met mijn jongen heb. Vaak probeer ik toch te werken; word kortaf als hij me stoort en haat mezelf aansluitend.

Vandaag zou anders gaan. Het werk dat moest, deed ik in de vroege ochtend. Nadim stond traag op en we lummelden op de bank. Hij leek mij fysiek meer op te zoeken dan normaal; klom op schoot, strekte zijn benen op mijn gestrekte benen.

Aan de late kant haastten we ons naar zijn paardrijles. Ik was trots op hoe snel mijn jongen zo’n groot konijn heeft leren besturen. Na de les vroeg ik wat hij wilde lunchen.

‘Dat mag tóch niet,’ zei Nadim. Door zijn witte huid en zijn enorme blauwe cap leek hij een fotonegatieve smurf.

‘Try me,’ zei ik.

‘Wat?’

‘Wat zou je willen?’

Zonder me aan te kijken: ‘McDonald’s?’

Ik liet een tel voorbijgaan, zette Nadim op de stang van mijn fiets en reed hem naar de gouden bogen op de Kinkerstraat. Mijn jongen wilde nuggets, voor mezelf bestelde ik een vegaburger.

Het duurde langer dan je van de McDonald’s zou verwachten. Met zijn onderarmen op het tafelblad bleef Nadim onrustig naar de balie kijken, al hadden we zo’n bordje met een nummer waardoor het eten naar je wordt gebracht. Ik keek naar de hand van mijn jongen, legde de mijne erop.

Nadim is zeven. Hij heeft lange tere handen met fijne vingers. Zijn handen voelen altijd koel.

De rest van onze dag, bij het uitlaten van de hond, bij het bakken van koekjes (ik doe dat normaal niet met hem, zo’n vader ben ik niet) zocht zijn hand de mijne steeds weer op.

We haalden zijn zus van de crèche. Ze zag bruin van het zandbakzand.

B zou laat thuiskomen, dus at ik met de kinderen. Ik had roti gemaakt omdat ze dat heerlijk vinden (normaal houd ik geen rekening met kindersmaken). Na het eten stoeiden we op het kleed en Ada lachte haar vette lach.

Toen Ada en Nadim in bed lagen ging ik de deur uit, op weg naar een restaurant om te bespreken. Het vakantiegevoel bleef bij me door de late avond, door het zetten van de nacht, tot nu ik in een stil huis thuisben en deze zinnen aan je tik.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De emigratie, bureaucratische logica (wat ligt daar in die vuilcontainer)?

10 juni 2019 (9:08) | Lia Tilon | Geen reacties

the famous duttchIn de Volkskrant las ik dat emigranten vooral de geordendheid en netheid van Nederland missen, hoe schoon het is zie je pas als je er weg bent. Ah! , roept een Engelse vriend als wij bij een bezoek aan Nederland en passant op Schiphol onze nieuwe paspoorten kunnen ophalen. Geloof maar niet dat zoiets in Spanje zou kunnen. Eerlijk gezegd verwacht ik dat ook niet en met mijn heimwee heeft het niets te maken. De Spaanse bureaucratie is als een rivier waar je willens en weten inspringt, je moet toch naar de overkant, het is de onzichtbare stroming die bepaalt waar je al dan niet zeiknat en uitgeput, weer op de oever mag klimmen.

Zo hadden we de verkoper van ons zolderappartement gevraagd om elektra en water niet af te sluiten, wij meenden dat het gemakkelijker zou zijn om dit op onze naam te laten overschrijven. Voor de overschrijving van de waterrekening toog mijn man naar het gemeentehuis. De vragenlijst die hem gevraagd werd in te vullen was lang, zo lang dat hij dacht dat het nu wel geregeld zou zijn. De ambtenaar maakte een stapeltje van de papieren en tikte hiermee geruststellend op het bureau.  Toen keek hij op. En waar, zo zuchtte hij schijnbaar verveeld, was de woonverklaring? Zoiets hadden we niet. En hoewel we toch echt een woning hadden gekocht en zowel de akte van eigendom én het uittreksel van het kadaster met de vragenlijst waren ingeleverd werd mijn echtgenoot te verstaan gegeven dat er een architect naar onze woning moest komen kijken om de vereiste woonverklaring op te maken. Twee weken later stapte er een vrolijke jongeman over onze drempel (yep, een woonhuis) en na betaling ontvingen we de begeerde verklaring waarmee kon worden teruggegaan naar het stadhuis. Tevergeefs. Deze keer liet de ambtenaar weten dat het document diende te worden aangeleverd op cd-rom (mijn laptop heeft geen ingang voor cd’s, gelukkig bezitten we ook nog een oude computer). Gelaten werd er voor de derde keer een afspraak gemaakt waarbij de ambtenaar de cd-rom controleerde, een la opentrok en vervolgens met een vinger het formulier over tafel schoof. Bijna grommend legde hij uit dat er een stempel op moest, te verkrijgen op een andere afdeling in een ander gebouw. Met dit formulier mochten we (halleluja!) naar het waterbedrijf.

Tot onze verbazing schreef de medewerker van het waterbedrijf met een simpel invullen van mijn mans rekeningnummer het contract naar ons over. Tijdens dit weken durende proces werd er niet gelachen, niet meer door ons en al helemaal niet aan de kant van de gemeente. Lachen bij officiële instanties wordt in Spanje als onprofessioneel gezien. Soms denk ik aan die kasten vol cd’s waar niemand ooit naar kijkt. Bij een toekomstige verhuizing of verbouwing worden ze vast en zeker in een vuilcontainer gegooid. Jongemannen met stofmaskers voor kijken verbaasd naar de bakken vol dof geworden schijfjes. ¿Que es eso? vragen ze elkaar en halen daarna onverschillig hun schouders op.

Lia Jildiz Kaptein (3)

foto: Jildiz Kaptein

Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

Reageer >
 

#RG19

7 juni 2019 (5:55) | Gregor Verwijmeren | Geen reacties

Met zijn botanische tuinen, tot flaneren uitnodigende lanen en lommerrijke ligging tussen oude gebouwen die eerder aan Victor Hugo en Zola dan Borg of Nadal herinneren, zou het park Roland Garros zonder grandslamgrandeur al de moeite van het bezoeken waard zijn. Maar we zijn niet om half vier opgestaan om hier te flaneren, we komen om de profs te zien.

Eerste stop is de tussen de stadions Philippe Chatrier en Suzanne Langlen gelegen baan 7, waar Robin Haase na singleverlies in de eerste ronde met zijn Deense dubbelpartner zijn Parijse verblijf probeert te verlengen. Na zo’n twintig minuten wachten worden we binnengelaten en lopen dan over de traverse, die de met de ruggen tegen elkaar gelegen banen 7 en 9 met elkaar verbindt en een prachtig zicht biedt op park en omgeving.

De rally’s bij de mannen zijn kort en explosief en lijken niets op de patronen die men bij de amateurs onder niveau vier ziet. Het is pats-boem of pats-pats-boem, met soms enkele miraculeuze reflexen aan het net of een onder druk gespeelde topspin lob. Het is al snel de andere baan die onze aandacht roept; het sporadischer maar luider gejuich verraadt een wedstrijd op het scherp van de snede en belooft langere rally’s. We verkassen en zien vanaf de derde rij de Griekse Maria Sakkari en de Tsjechische Katarina Siniakova (33 en 38 op de wereldranglijst) het tegen elkaar uitvechten.

Sakkari is een vechter, een gravelbijter met de biceps van een Grieks standbeeld. Ze lijkt gedrongen, maar scheelt in werkelijkheid maar enkele centimeters met haar tegenstander die de indruk maakt van een lange lijs en het gezicht heeft van een zeventienjarige maar 23 is, net als Sakkari. Enkele knuffels hangen aan haar Wilson-tas. Ze slaat de bal ongemeen hard en krijgt hem even hard weer terug in een lange partij van 3.15 uur waarin de vrouwen elkaar niets geven en de eerste twee sets in tiebreaks worden beslist. Het gekreun is niet van de lucht – evenmin als bij de mannen overigens – en het publiek houdt de adem in tijdens de rally’s die regelmatig de tien, vijftien slagen overschrijden, om zich dan in een luid applaus te ontladen: publiek en speelsters lijken zo in een ritmische symbiose van spanning en ontspanning met elkaar verenigd. De partij is een onverwacht vroeg hoogtepunt van de dag en bewijst weer dat het live zien van proftennis een onvergelijkbaar andere ervaring is dan op televisie: de intensiteit en atletische prestaties van de spelers, de spin en de snelheid van de bal, die twee meter over het net vliegt om tegen de baseline binnen te vallen en bij slice dusdanig vertraagt dat hij door stroop lijkt te vliegen, dit alles valt weg op het tweedimensionale vlak van de tv.

garros2Aan het slot van de derde set is er een incident als een diepe bal van Sakkari wordt uitgegeven door de lijnrechter, die zijn foute beslissing meteen herstelt en ‘Correction!’ brult.  Het punt moet worden overgespeeld, tot grote woede van Sakkari, die, waarschijnlijk terecht, het punt in de zak meende te hebben. Na de kantwissel valt ze uit tegen de lijnrechter in een Griekse furie vol driftige wijsbewegingen. Als ze bij de scheidsrechter wordt geroepen en een reprimande krijgt, zweert ze met de hand op haar hart dat ze het tegen iemand anders had, haar moeder. Wie gelooft haar? Hebben we haar in het geroezemoes verkeerd verstaan? Ze verliest de partij uiteindelijk door onder andere een aantal ongelukkige dropshots en neemt ons dan voor zich in met een verrassende knuffel met haar tegenstander aan het net. Je ziet ze steeds meer, die innige omhelzingen, vooral bij de mannen, een door John McEnroe bespotte gewoonte, die heel andere opvattingen had over rivaliteit.

Na ruim een dozijn single-, mixed- en dubbelwedstrijden verdeeld over veertien banen, waarbij die van het 2.11 meter lange servicekanon Ivo Karlovic (40 inmiddels, maar onverminderd naar het net schrijdend) en Andrea Petkovic in de prachtige, verzonken arena van baan 14 vooral zijn bijgebleven, is het showtime. Fabio Fognini, die het imago van eeuwig talent lijkt te hebben overwonnen met zijn overwinning in Barcelona en eruitziet als een kruising tussen een playboy en een piraat, treedt aan tegen hardhitter Delbonis. Decor is Court 1, de geliefde ‘stierenarena’ waar spelers en publiek dicht op elkaar zitten en die na het toernooi tegen de vlakte zal gaan om plaats te maken voor een groter stadion. Roland Garros wil uitbreiden, stuit op de grenzen van de wijk, protesten van bewoners en de milieubeweging en moet het daarom zo doen. Het toernooi wil daarbij de indruk wekken van duurzaamheid, liet botanische tuinen aanleggen onder de tribunes van het nieuwe Court Simonne Mathieu, een streven dat enigszins hypocriet aandoet gezien het moving circus dat het proftenniscircuit is met spelers en sponsors die de wereld overvliegen, niet zelden in privéjets.

Fognini is een apart geval, een speler met een gek loopje, alsof er iets mis is met de scharniering van zijn heupen, maar met een zelfs op dit niveau ongewone ontspanning in zijn slagen. Met een chirurgische precisie weet hij de bal in een neutrale rally uit het niets onbereikbaar tegen de lijnen te plaatsen. Maar hij is ook lui en weigert soms door de knieën te gaan (een doodzonde in het tennis). Hij steelt de show met zijn spel, laat de arena lachen als hij twee duiven die op de baan zijn geland met een onderhands geslagen bal verjaagd, en als hij na een gelukkige netbal die lijkt te twijfelen aan welke kant hij zal neervallen een kek, Fortnite-achtig dansje uitvoert.

Het is de laatste wedstrijd van de dag, een tweede hoogtepunt, winnend afgesloten door Fognini bij invallende duisternis. Uitgelaten verlaten we het park, lopen langs de botanische tuinen van het Court Simonne Mathieu naar de bus, moe maar geïnspireerd en hongerig om het spel zelf op te pakken.

 

Gregor Verwijmeren is de auteur van De vorm van geluid, uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot. Een dag na zijn bezoek aan Roland Garros werd hij met zijn herendubbelteam vrijdagavondkampioen 2e klasse.

Reageer >
 

Babies laten spelen naast het vuur

6 juni 2019 (12:46) | Menno Hartman | Geen reacties

1054Wat doe je als je een barende vrouw op gehoorsafstand om hulp hoort roepen, omdat het niet goed gaat met de geboorte van haar kindje?

Laten roepen.

Dat is het antwoord althans volgens de Piraha, een Amazonevolk, zoals gereveleerd door Daniel Everett in Jared Diamond’s The World Until Yesterday. Diamond is een befaamd ornitholoog die tijdens zijn veldwerk in onder meer Papua New Guinea veel in aanraking kwam met volken die in een traditionele gemeenschap leven. De bewegelijke geest van Diamond begon in te zien dat de studie van die volkeren en hun oplossingen voor problemen ons iets zouden kunnen opleveren. Noem het vergelijkende antropologie. Zijn in 2012 verschenen boek levert veel verbazende staaltjes inzicht op. De Piraha die in aanwezigheid van taalkundige Everett de in barensnood verkerende vrouw hoorden en negeerden, hadden daar hun redenen voor. Trots om zelf te kunnen overleven, en de noodzaak om hard en sterk te zijn zullen hebben meegespeeld. Ik zie wat ze bedoelen. Begrijpen is iets anders.

Diamond schrijft over volkeren waarbij het veel vanzelfsprekender is niet in te grijpen als kinderen van twee een beetje rondrollen naast een kampvuur. Volwassenen van zulke volkeren (zij die het überhaupt overleefden)  vertonen veel brandwonden en andere littekens vanwege deze laissez faire benadering. Een antropoloog elders in het boek ziet een pratende moeder gedachteloos een vlijmscherp mes waarmee een peuter aan het spelen was en dat even buiten zijn bereik raakte aan hem teruggeven. Waarna het zwaaiend zijn oog op een haar na raakt – soms ook wel raakt in zo’n omstandigheid stel ik me voor.

Waarom? We weten het niet, want we zijn WEIRD, zegt Diamond: Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic. Een soort volk dat vrijwel alle psychologisch onderzoek laat doen op studenten psychologie van het mannelijk geslacht dat aan deze voorwaarden voldoet. Wat weten we dus  eigenlijk van andere mensen die anders leven? En leven op een manier zoals alle mensen ‘tot aan gisteren’. Maar vooral, wat kunnen we van ze leren? Een verbazingwekkend en interessant boek.

Op het snijvlak van dergelijke culturen leefde Beryl Markham, luchtvaartpionier die in de vroege twintigste eeuw met haar vader van Engeland naar Brits Oost-Afrika  nu Kenia verhuisde, en door intensieve omgang met jagers en herdersvolkeren in de Serengeti een mooi gehard kind werd. Op de boerderij van een vriend loopt een tamme leeuw rond. Als de leeuw Beryl als meisje van 8 ziet langs rennen vlamt er toch nog een oude jachtimpuls op. Beryl zweeft enige dagen tussen leven en dood, maar een paar weken later gaat ze al weer blootsvoets mee op jacht met de mannen van een nabij verkerende stam. In haar fantastische memoires (want ze kan naast jagen, paarden trainen en vliegen ook nog geweldig schrijven) zie je iets van hoe net naast je cultuur staan je wat kan opleveren. De gehardheid van deze fascinerende vrouw levert haar een jaloersmakende kracht  en moed op in een leven dat zowel heel ver weg staat als door haar schrijven heel dichtbij komt.

——-

 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier iets over Everett. Hier  over een ander boek van Diamond.
Reageer >
 

Terug

5 juni 2019 (8:20) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_9510Hoewel het kan zijn dat je er niet op hebt gewacht, wil ik je mijn excuus aanbieden.

Vier maanden schreef ik niet op Tirade.nu, een gevolg van de moeder aller verbouwingen die ik door omstandigheden (mijn schrijverschap) genoodzaakt was zelf te doen.

We vonden een droomhuis en konden het tot onze stomme verbazing kopen. Toen moest er nog het een en ander: slaapkamers, een badkamer, een keuken ook. Echt geld voor de verbouwing was er niet.

Met hulp van vrienden trok ik 30 kuub puin uit ons nieuwe huis en draaide er meer dan 4000 schroeven terug in. Hout en gips en isolatiemateriaal, elektra, water, vloeren. Ik raakte de tel kwijt. Er waren momenten dat ik weg wilde lopen.

Een vriend vroeg of het zo zwaar was als ik had gedacht en ik zei ja, wat klopte, maar toch.

Mijn andere werk schoof op naar de vroege ochtend, de avonden, het weekend.

Ik vraag niet om je medelijden, alleen om je begrip.

Aan mijn boek werkte ik niet. Ik had geen tijd om het te missen. Wel miste ik dit blog, dat ergens toch een anker was, de afgelopen jaren.

Als ik de dingen die ik meemaak niet aan jou vertel verdwijnen ze. Verdwijnt het allemaal.

Het gaat niet om de woorden die voor iedereen (en jou, altijd voor jou) te lezen zijn, maar om het schrijven zelf.

Dit is hoe ik de dingen eigen maak. Wat ik niet opschrijf lijkt niet echt gebeurd; een droom die oplost in het ochtendlicht.

Nu ben ik terug, hoping you’ll have me. Het gaat vast prachtig worden.

___________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De emigratie (in de stilte staat mijn zus)

4 juni 2019 (8:31) | Lia Tilon | Geen reacties

Lia 5De Spaanse taal kent drie vormen toekomende tijd die zijn ingedeeld naar de mate van waarschijnlijkheid waarin datgene wat wordt voorspeld ook daadwerkelijk zal gebeuren. Opletten geblazen; iets kan zomaar worden verkondigd in de laatste vorm die zoveel betekent als: het zou kunnen, maar eerlijk gezegd acht ik de kans klein. Onze lerares Spaans gaf drie voorbeelden, waarvan de eerste twee onschuldig omdat ze gingen over het voorgenomen avondeten dat vrijwel zeker zou bestaan uit sushi (de reservering was al gemaakt – de sashimi lag al in de ijskast, hoewel we nog konden besluiten het spul aan de kat te voeren). Toen kwam de klapper. De jonge lerares vertelde dat ze haar vriend had gevraagd of hij hen tweetjes in de toekomst als een getrouwd stel kon zien en hij had geantwoord in die derde, laffe vorm die zowel ja als nee kan betekenen. Ik verbaasde me over haar moed. Ze stak haar kin in de lucht en knipperde met haar ogen.

Er zijn auteurs die hun land hebben verlaten en schrijven in hun nieuwe taal; ze verankeren zichzelf aan veroverde begrippen, aan klanken en kwinkslagen die zich niet gemakkelijk laten terugvertalen. Querré eso, dat zou ik ook wel willen – toekomende tijd, derde vorm. Het is niet zozeer een wens, alswel een vraag: zal het Spaans ooit mijn Nederlands omvatten? En krijg ik dan ook daarbuiten voet aan de grond? Voor een reiziger zijn de verschillen belangrijker dan de overeenkomsten, voor wie niet meer terugkeert, geldt vaker dan gedacht het omgekeerde. Terwijl ik deze dingen overdenk verschijnt mijn zus voor mijn geestesoog, ze kijkt in Noordbeemster uit het raam en beziet de schapen op de dam. Dageraad. De schapen trekken sporen in het bedauwde gras, het geblaat van een enkele ooi doet haar denken dat er iemand hoest. Aan de muur naast het raam hangt een foto van diezelfde dam zodat ze hem nogmaals ziet. Straks komen de mannen van de knotgroep met hun kromme zagen en brengen de geur van hout de keuken binnen. Gekloofde vingers. Door de wind verfomfaaide haren. Mijn zuster strekt haar rug. Nu de stilte.

Ik sta voor het raam en kijk naar de zee. Mateloos blauw hier. Ik kan weglopen door de gang naar de keuken, me omdraaien en nog steeds de zee zien. Misschien vind ik in de toekomst de Spaanse woorden voor zoveel blauw. Op een keer zal ik in het Spaans mijn zus beschrijven, ze schuift haar bril wat hoger op de neus, laat daarna haar armen hangen. De mannen van de knotploeg beschrijf ik niet. Hun verwaaide haren, de behendigheid waarmee ze in de wilgen klimmen en onderwijl een deuntje fluiten. Dat geluid waarmee hun werkschoenen over de basten schrapen, mos lostrappen. Daarover schrijf ik niets.

Lia Jildiz Kaptein (3)

foto: Jildiz Kaptein

Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

Reageer >
 

Niet-bestaande gedichten II

3 juni 2019 (11:25) | Daan Doesborgh | Geen reacties

Dichter Daan Doesborgh schreef in 2016 zijn laatste gedicht. Door Salinger kwam hij op het idee om niet-bestaande gedichten te analyseren, om toch nog iets te vangen van de gedichten die er maar niet uit willen komen. Dit is aflevering twee.

 

De bundel sluit af met het lange, verhalende gedicht ‘Jacobsladder’. In dit gedicht worden twee personages geïntroduceerd. De een, Enkidu, staat huilend in een veld vol zonnebloemen. De ander, Djibriel, valt uit de lucht. In de namen van de personages lezen we verwijzingen naar het Gilgamesj-epos (Enkidu, de betreurde vriend van hoofdpersoon Gilgamesj) en Salman Rushdie’s Duivelsverzen (Djibriel, die aan het begin van de roman uit de lucht valt). Het gedicht opent vrij filmisch, als Enkidu de tijd bevriest en beschreven wordt hoe alles stopt met bewegen, de zonnebloemen in het veld, en de vogels in de lucht en ook, het gedicht neemt hier een macabere wending, het ontploffende vliegtuig in de lucht. De combinatie van een ontploffend vliegtuig en een zonnebloemenveld roepen een vrij ondubbelzinnige associatie met het neerstorten van vlucht MH17 op.

Enkidu begint een ladder te bouwen om de nu stil in de lucht hangende Djibriel te kunnen bereiken. Indachtig de titel van het gedicht, Jacobsladder, kunnen we nog een derde klassieker in de wereldliteratuur aan het topzware boeket verwijzingen in dit gedicht toevoegen, namelijk de Bijbel, die beschrijft hoe Jakob op een nacht een ladder uit de hemel neer ziet dalen, waarop engelen klimmen. Toch wordt de symboliek in het gedicht nergens teveel, omdat de thematische zwaargewichten volledig uit hun context tegenover elkaar worden geplaatst, wat een nieuwe, nog onbekende context creëert.

Naarmate Enkidu hoger komt met het bouwen van zijn ladder worden de beschrijvingen van het in het noodlot bevroren vliegtuig gedetailleerder. In dit steeds dichterbij komen is makkelijk het beeld van een neerstortend vliegtuig te herkennen dat, hoe banaal het ook klinkt, immers ook steeds dichterbij komt. Bijzonder aangrijpend is de strofe waarin Enkidu de eerste in hun val stilgezette passagiers bereikt, en uiteindelijk door een wolk zwevende lichamen klinkt, die achtereenvolgens als een zwerm, een sneeuwstorm en een archipel worden omschreven. In de eerste twee metaforen lijkt de dichter voor de verleiding te bezwijken om nóg meer literaire verwijzingen aan het gedicht toe te voegen, dit keer uit het Lied der Dwaze Bijen van Martinus Nijhoff, maar door de laatste, niet in het rijtje passende metafoor wordt die lezing ook weer onmogelijk gemaakt. Het is alsof de auteur steeds speelt met de mogelijkheid om het gedicht té rijk aan intertekst te maken, om dan op het laatste moment toch bij te sturen en de fragiele balans in stand te houden.

Aan het slot van het gedicht ontaardt de monoloog van Enkidu in een treurzang. Hij heeft tussen alle uit het vliegtuig geworpen lichamen eindelijk dat van Djibriel gevonden, maar ziet dat hij te laat is. Op het punt waarop Enkidu zijn val heeft bevroren, was Djibriel al dood. De magische ingreep in de werkelijkheid kwam te laat, is voor niks gebleken, en er rest Enkidu dan ook niets anders dan met een kalm uitgesproken commando de tijd weer voort te laten razen. Het vliegtuig scheurt verder uiteen, de lichamen regenen naar beneden en Enkidu blijft achter aan het topje van een ladder die nu naar een leeg stuk lucht blijkt te voeren.

 

Reageer >
 

De emigratie (Plaza Altozano, ramen en deuren sluiten)

27 mei 2019 (10:23) | Lia Tilon | Geen reacties

badkamerberg (1)Ik hoor het tjirpen in de lucht en haast me de gang door, vanuit het kleine badkamerraam achter in ons zolderappartement klinkt het zingen van cicaden. Er groeien geen bomen achter het appartement, er staan gebouwen zoals het onze; vierkante platte daken beplant met antennes, een enkeling half bedekt met pannen – een stenen proeflap. De daken vormen een stille stad boven de eerste, met pleinen vol wasgoed en stelletjes die er stiekem de nacht doorbrengen onder de zwiepende masten. Elke middag loopt er een topless vrouw rondjes in de hitte, vanaf haar donkerrode huis kijkt ze me laatdunkend aan, ze zal denken dat ik haar bespied maar ik ben naar het toilet geweest, ik sta voor het raampje te luisteren. Schaapachtig trek ik de wc door.

Trappenhuisdeuren zwaaien open, jongens springen van het ene gebouw naar het andere, ik hoor ze, de wielen van hun skateboards. Maar hierboven zijn de geluiden niet wat ze lijken; de cicaden zingen niet, het zijn de elektriciteitsdraden die knetterend zoemen en de skateboardwielen blijken de motoren van stokoude airconditioners. De jongens zijn echt, lenig zoeken ze naar plekken om het donker af te wachten. Ik heb vanuit mijn kleine ruimte zicht op de bergen.

‘Sluit de ramen,’ zegt mijn echtgenoot als we het huis verlaten. Alsof we ons werkelijk op straatniveau bevinden.

Aleksandar Hemon leert me dat de burgers in een stad beschikken over een collectief geheugen. In [1]Het boek van mijn levens, schrijft hij dat wanneer je zou verdwijnen, je medeburgers gezamenlijk het beeld van je kunnen oproepen aan de hand van je persoonlijke infrastructuur: de bar waar je koffiedronk, de hoek waar je struikelde en je arm brak. Om die reden lopen mijn echtgenoot en ik elke zaterdagmorgen naar dezelfde bakker, we doen ons best om een plek te veroveren binnen het menselijk netwerk, zoals Hemon verklaart, dat uiteindelijk onze identiteit zal bepalen. En precies daarom rennen de jongens, de stelletjes over het dak, de daken kennen geen gezamenlijk geheugen, slechts een enkele vrouw in een bikinibroek en een tweede, wat oudere vrouw, staande voor haar badkamerraam, die haar hoofd tegen het kozijn laat rusten.

[1] Aleksandar Hemon Het boek van mijn levens Uitgeverij Karaat 2015

Lia Jildiz Kaptein (3)

foto: Jildiz Kaptein

Lia Tilon (1965) debuteerde in 2002 met de roman Huizen van papier bij Uitgeverij De Arbeiderspers. In 2012 publiceerde Uitgeverij Cossee haar roman Zielhond, in 2017 gevolgd door Archivaris van de wereld. Tilon schrijft romans en korte verhalen. Zij blogt over emigratie en de vraag wat heimwee is. Is heimwee wel verbonden met een plek in je leven, of aan het gevoel dat je had toen je je op die plek bevond? En maakt het wat uit?

Reageer >
 

Niet-bestaande gedichten I

25 mei 2019 (11:19) | Daan Doesborgh | Geen reacties

Als je een beroep hebt, en je bent er een beetje goed in, dan hoef je in principe niet zo snel bang te zijn dat je dat helemaal kwijtraakt. Er moet heel wat gebeuren voordat een bakker die lekker brood maakt ineens objectief goor brood bakt. Zo’n omslag gebeurt eigenlijk alleen in de AD Oliebollentest – en in de poëzie.

Op 7 januari 2016 schreef ik voor het laatst een gedicht. Het was niet slecht, ik heb het daarna nog vaak voorgedragen, en het was voor mijn doen ook nog eens erg lang. Maar daarna was het klaar. Aangezien ik dichter ben (hoe lang na je laatste gedicht mag je jezelf nog zo noemen?) was dat nogal een probleem. Dat probleem heb ik in de afgelopen drie jaar op zich aardig opgelost, ik werk aan een roman, ik kan nog steeds de rekeningen betalen, maar dat wil niet zeggen dat ik me erbij neerleg dat een belangrijk deel van mij in coma ligt. Ik twijfel er niet aan dat ik op een dag het volgende gedicht ga schrijven, maar dat kan morgen zijn, of over nog eens drie jaar.

Het was J.D. Salinger die me een plan aanreikte om er misschien iets aan te doen. In Seymour, an introduction is de verteller aan het woord over zijn overleden broer Seymour Glass, de auteur van een onbekend, klein, maar zeer sterk oeuvre aan gedichten, sterk geïnspireerd op de Japanse poëzietraditie. Ik weet dit allemaal alleen maar uit Salingers boek, want Seymour Glass bestaat niet, en zijn gedichten dus ook niet. Toch wordt een aantal gedichten in het boek besproken, zonder er een letter uit te citeren, want daar heeft de weduwe van Seymour een stokje voor gestoken. Ik citeer hieronder de beschrijving van het gedicht dat de grootste aantrekkingskracht op mij uitoefende:

The other poem, the last one in the collection, is about a young suburban widower who sits down on his patch of lawn one night, implicitly in his pajamas and robe, to look at the full moon. A bored white cat, clearly a member of his household and almost surely a former kingpin of his household, comes up to him and rolls over, and he lets her bite his left hand as he looks at the moon.

Volgt een analyse van dit gedicht dat dus, nogmaals, niet bestaat. Daardoor wordt het gedicht, voor mij althans, onweerstaanbaar. Het heeft namelijk alle potentie die deze scène in zich draagt, zonder ooit iets van die potentie in te hoeven leveren in de uitvoering. Er is namelijk geen uitvoering. Hier, op het Tiradeblog, wil ik een reeks beginnen met analyses van gedichten die niet bestaan. Als ik geen gedichten kan maken, misschien kan ik dan wel al die gedichten beschrijven die niet uit mijn vingers komen, en hopen dat ik ze zo tevoorschijn kan lokken, of anders hopen dat een analyse van een niet-bestaand gedicht ook een soort gedicht kan zijn.

Wat ik na drie analyses in ieder geval alvast geleerd heb, is dat het een essentiële greep was van Salinger om die weduwe dat citeerverbod op te laten leggen. In de eerste pogingen om niet-bestaande gedichten te beschrijven, vond ik dat ik er wel uit moest kunnen citeren. Maar dan ontstaat er geen niet-bestaand gedicht, dan ontstaat er een lulverhaal rond een paar ongebruikte ideetjes.

Die eerste pogingen hadden ook vaak het karakter van een recensie, en nog een spottende ook. Het lukt steeds beter om dat eruit te schrijven, en zo sec mogelijk het gedicht alleen te beschrijven en analyseren, maar niet beoordelen. Voor de eerste aflevering ga ik valsspelen: de eerste versie van deze analyse stond zó vol citaten, dat ik ze onder elkaar kon zetten en de facto tóch een gedicht had geschreven. Maar ik vind het moeilijk te bepalen of het een goed gedicht is, dus voorlopig tel ik ‘m niet mee. Want natuurlijk heb ik in de afgelopen drie jaar wel pogingen ondernomen om gedichten te maken, die pogingen soms ook tot een voltooide tekst gebracht, maar telkens had het niet het niveau van een professionele dichter, en dat is wel waar ik op wacht. Voor nu heb ik de analyse ontdaan van citaten en herschreven. De volgende aflevering in deze, laten we eerlijk zijn, onregelmatig verschijnende reeks, wordt een echte. Een gedicht waar geen woord van bestaat, of ooit bestaan heeft.

 

 

 

Niet-bestaande gedichten I

Het gedicht met de titel ‘Moord’ valt enigszins uit de toon, een compact, wat hermetisch gedicht, fragmentarisch ook, bijna in de stijl van Tonnus Oosterhoff. Voor de oplettende lezer is het meteen al wel duidelijk dat de bosrand die in de eerste regel wordt geïntroduceerd er een is waar een akelige sfeer hangt. Als verderop iemand wordt geïntroduceerd die het koud heeft, is het onheilspellende voorgevoel al haast bewaarheid geworden.

Maar die akelige sfeer zit ook al meteen in de eerste regel, waar in het woord bosrand al het woord bosbrand verstopt zit. Er is maar één achteloos weggeworpen sigaret voor nodig en de lichte bosrand is een lichtende bosbrand, wil de dichter maar zeggen. Ook het woord ‘gewoon’, toch een woord dat normaal elke verdachtmaking weg moet nemen, maakt de zaak verdacht. Als iets écht gewoon is, hoeft dat immers niet meer te worden benadrukt. Het beeld van de snelweg die zijn adem inhoudt draagt daaraan bij.

Vanaf de tweede strofe is het steeds duidelijker mis. De regels scheppen het beeld van iemand die iets akeligs aantreft. Er wordt gehuild, maar niet meteen, en het beeld wordt opgeroepen van iemand die vertwijfeld met zijn handen zwaait, in onmacht misschien. Het gedicht prikt letterlijk en figuurlijk verder door het over schuldige naalden te hebben. Bij een bosrand denk je dan al gauw aan dennennaalden, maar het woord schuldig impliceert die ándere betekenis van naalden. De plek en de daad lopen in elkaar over.

De volgende strofe suggereert dat we hier getuige zijn van forensisch onderzoek. Een lijkzak wordt dichtgeritst, in een eerdere regel is het al begonnen te waaien, maar de rits stopt het wapperen van de lijkzak. Deze lezing wordt dan weer gefrustreerd door een regel waarin sprake is van spelen. Forensisch onderzoek en spelen zijn zo ongeveer tegenovergesteld aan elkaar, en breken komt er al helemaal niet bij kijken.

Het slot is op dezelfde manier problematisch. Wie zegt er tegen wie dat hij of zij niet moet klappertanden? In combinatie met de rits die dichtgaat denk je aan iemand die het koud heeft. Is dat het slachtoffer? Die kan niet meer klappertanden, de titel is immers ‘Moord’. Horen we hier een agent die het dode lichaam tegen beter weten in toespreekt? Moet de dode zich niet meer bekommeren om het lichaam? Of speelt de agent hier good cop tegen de moordenaar, als hij het heeft over niet bang te zijn iets achter te laten? Toe maar, laat iets achter waar we je mee kunnen pakken.

Voortdurend wordt de lezer op het verkeerde been gezet. Kijken we door de ogen van de politie, van de moordenaar, van het lijk misschien wel? Wie praat er tegen wie, en wat proberen ze te zeggen? Daarmee is dit gedicht zelf net als een lijk in het bos. Hoe langer je het bestudeert, hoe meer antwoorden én vragen het oproept. Elke theorie die tot een verklaring moet leiden, laat nog te veel losse eindjes liggen, daar aan die bosrand. Een gedicht dat nog lang een open dossier zal blijven.

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475
 
 
voorpagina