Oldsmobile

23 september 2017 (11:15) | Arjen van Lith | Geen reacties

speedometer oldsmobile

Het Dingemanspark, waar mijn vader woonde, lag middenin een natuurgebied in Nieuwkoop. Met de auto mocht je niet verder dan het bruggetje over en daarna direct linksaf naar de parkeerplaatsen, de rest moest je lopen. In de bocht draaide mijn vader zijn Oldsmobile dan alvast perfect in positie voordat hij zijn vriendin liet uitstappen om garagedeur 18 omhoog te trekken, zodat hij daarna in z’n vrij in één rechte lijn naar binnen kon rollen. Mijn vader kon goed rijden.

Mijn vader was de eerste met elektrische raampjes in de auto. Of de één-na-eerste. Zelf had hij controle over alle ramen tegelijkertijd, maar mijn zus en ik hadden achterin ook ieder ons eigen knopje om mee te spelen. Mijn vader had ook cruise control en een heel vette vering waardoor de Oldsmobile na elke beweging nog een beetje door bleef deinen.

Van oorsprong was de Oldsmobile wit met een roomkleurige bekleding, maar zo heb ik ‘m zelf nooit meegemaakt. Ik ken de Oldsmobile alleen als grijs, de kleur van dooiende papsneeuw, met een klodder vogelenkak op de motorkap. Van binnen was elk oppervlak bedekt met een geelbruin filmpje nicotine, waardoor de chroomstrippen rond het dashboard eerder goud- dan zilverkleurig leken. Als je instapte, trok je borstkas even samen uit protest tegen de zware sigarenlucht, maar na een paar minuten raakte je eraan gewend – ik wel tenminste.

Autogordels achterin waren in 1977 nog niet verplicht, en vooral op trajecten waar mijn vader graag ‘sportief reed’ – binnendoor over kronkelweggetjes door dorpjes als De Kwakel – schoven mijn zus en ik vrijelijk over het skai. Bij sommige bruggen gaf mijn vader gretig een extra dot gas en kwam de Oldsmobile zelfs even helemaal los van de grond, waardoor je een gierend gevoel in je maag kreeg. Doordat de getinte bovenrand van de voorruit sowieso al een vaalgroene gloed op onze gezichten achterliet, had ik misschien niet snel genoeg opgemerkt hoe bleek mijn zus inmiddels was weggetrokken. Het moet ergens bij Vrouwenakker zijn geweest dat ze met een verzwakt piepstemmetje aangaf een beetje misselijk te zijn.

Ik wil hier niet beweren dat bovengenoemde factoren – de rijstijl van mijn vader, de afstelling van de vering, de stank van de rook, het voorheen witte grijs – niet van invloed zijn geweest op de blijvende schade die mijn zus wist aan te richten in de Oldsmobile. Ik wil alleen maar zeggen dat de timing (mijn vader draaide juist het Dingemanspark op) én de tegenwoordigheid van geest waarmee ze haar elektrische raampje eerst dicht deed voordat ze het interieur onderkotste mij voor het eerst deden vermoeden dat ze zelfs dát op commando kon. Net als huilen.

____________________

Addendum

Tien jaar na het incident met de Oldsmobile bewees mijn zus nogmaals haar controle over haar maagklepje tijdens het overschrijven van mijn boekbespreking van De Walgvogel (Jan Wolkers, 1974). Aangeland bij het kopje ‘Mening’ legde ze na notatie van de dubbele punt haar pen neer en gaf niet zonder ironie een regel of vier, vijf over in haar schrift.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Reageer >
 

We want plates!

21 september 2017 (8:53) | Menno Hartman | Geen reacties

DGkfQ-SXkAEBtZIEen maal per week speel ik ‘On-cannery-rowtje‘ bij het distributiecentrum van de Voedselbank in Amsterdam West. Aan een lange dubbele roltafel waar tweeënveertig kratten op passen, vullen we kratten voor enkele van de 18 uitgiftepunten in Amsterdam. Een goede plek om mensen te leren kennen overigens, ik sprak er al bankiers, secretaresses, studenten uit Japan, China, Zwitserland, Denemarken en Duitsland, herintreders, opgebrandenen, in-between-jobbers etc. De vaste krachten zijn een mooi soort no nonsense Amsterdammers.

Je komt in aanmerking voor een voedselpakket als je onder een bepaald bedrag besteedbaar hebt per week voor boodschappen. Blikken pastasaus, pasta, rijst, frisdrank, candybars, bonen, chips, crackers gaan er in. Wat er maar beschikbaar is. Twintig artikelen voor een gezin, ongeveer de helft voor alleenstaanden. De kwaliteit van het materiaal wisselt nogal. Het distributiecentrum is afhankelijk van wat het toegeschoven krijgt door supermarkten, producenten en particulieren, soms is er een pallet met potten bonen teveel dat naar ons toekomt, soms zit er een drukfout op een doos Kelloggs en ontvangen we die. Soms heeft een boer meer yoghurt gemaakt dan hij verkopen kan.

Er is een grondige administratie van wat er is, wat er ten laatste wanneer uit moet omdat de houdbaarheidsdatum dringt. De samenstelling is dus steeds verrassend. De inhoud soms goed soms heel matig. Er zijn met name momenten dat ik teveel vet en teveel suiker zo’n krat zie ingaan. Drie potten mayonaise voor een alleenstaande? Het heeft iets pijnlijks dat dat wat de supermarkten het best kunnen missen ook vaak de ongezondste dingen zijn. En automatisch zie je dan inkomensongelijkheid leiden tot welvaartsziekten.

DKHJwFpX0AEYkt8Speaking of which… Aan de andere kant van het spectrum staat de ziekelijke neiging liflafjes en hippe hapjes op curieuze wijze op te dienen.

Grondig geridiculiseerd door het hilarisch twitter account ‘We want plates!’ ‘The global crusade against serving food on bits of wood and roof slates, chips in mugs and jam-jar drinks’. Nooit meer een amuse op een lepeltje, een frietje in een miniatuur winkelwagentje of een biefstuk op een wijndoos. Borden! Willen!  We!

Ja…, en een beetje gezond eten.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Ging voor de Voedselbank werken toen hij deze documentaire zag.

Doneer!

Reageer >
 

Voor altijd te jong

20 september 2017 (9:08) | Gilles van der Loo | Geen reacties

Emerty WolfEen tijdje terug overleed een jongen uit mijn buurt heel plotseling. Ik mocht hem erg, leerde hem kennen via mijn hond Otis, die óók kan voetballen.

De jongen, W, kwam vaak aan de deur om te vragen of Otis wilde spelen. Ze konden samen uren ballen, en terwijl ik eigenlijk moest werken stond ik achter het raam te kijken naar het stralende gezicht van W. Aan het einde van de middag bracht hij mijn beest afgemat en dolgelukkig terug.

Toen ik doorkreeg dat de jongen in de krant W was, moest ik kort en hevig huilen.

Gisterenavond kwam ik een jongen van zijn leeftijd tegen, die in zijn eentje voetbalde op straat. Hij had een oranje bal, zo’n goedkope van een supermarkt.

‘Otis!’ zei de jongen. En tegen mij: ‘Hij kan voetballen, toch?’

We trapten een tijdje over. De jongen kon veel beter voetballen dan ik. Aan hem hád Otis echt iets. Hij speelde hoog en laag, links en rechtsom aan en mijn hond kopte alles braaf terug, met zijn tong uit zijn bek en een brede grijns op zijn smoel.

Toen ik zei dat we weer verder moesten zei de jongen dat hij Otis kende van W.

‘Was hij een vriend van je, of familie?’

‘Mijn beste vriend,’ zei de jongen. Hij hield de bal stil onder zijn voet, zijn grote bruine ogen leken zich naar binnen te keren. ‘Ik heb veel gehuild.’

Ik zuchtte. Keek om me heen. ‘Shit, man. Ik mocht W heel erg. Verschrikkelijk, is het.’

Omdat hij alleen maar knikte en zweeg vertelde ik hem dat ik ook een beste vriend verloren heb. Onmiddellijk vroeg ik me af of dat wel mag, als veertiger een vreemd kind laten delen in je ellende.

‘Echt?’ Zijn open blik leek op die van W, die me op straat steevast groette en vroeg hoe het met me ging. W was een jaar of elf, maar kon me bejegenen alsof er geen leeftijdsverschil bestond. Voor mij was duidelijk dat hij een bijzondere en warme man zou worden. Het had iets verdrietigs te beseffen dat ik altijd te oud zou zijn om een vriend van hem te maken.

‘Als je met Otis wilt voetballen kan je gewoon aankloppen,’ zei ik tegen de vriend van W.

Terwijl ik verderwandelde dacht ik aan hoe onze buurt in recordtijd geld bijeen had gebracht voor de begrafenis in Marokko.

Ik dacht aan een kleine kist in het kille ruim van een vliegtuig. Aan het voetbaljongenslijf van W, op weg naar het dorp van zijn vaders vader.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Grote schoonmaak

16 september 2017 (6:24) | Arjen van Lith | Geen reacties

stofzuigertje Austin

Afgelopen zomer stuurde mijn uitgever me uit het niets het boekje Cleaning up New York (1976, 73 pagina’s) toe, over het schoonmakersbestaan van de Amerikaanse dichter Bob Rosenthal. ‘Weet niet waarom, maar dit leek me iets voor jou’, schreef hij op de begeleidende ansichtkaart. ‘Hartelijks vanaf een ver eiland!’

Zelf wist ik ook niet precies waarom: schoonmaken maakt me chagrijnig en van dichters word ik nerveus. Meer uit beleefdheid dan enthousiasme sloeg ik pas eergisteren, net aangekomen in Texas, het boekje voor het eerst open:

Dirt collects at the intersection between a solid surface and air. Some of the dirt is sitting on top of dirt and is really more in the air than on the counter or floor. The duality of surface and air is paralleled by a similar duality in cleaning, that of clearing and shining. The body does the clearing and the mind does the shining.

De truc bij heel dunne boekjes is om het na iedere inspirerende passage meteen even weg te leggen. Dan geniet je er langer van. Dus trok ik mijn rubberhandschoenen aan en liep met een plamuurmes, een spuitbus Clorox Bathroom Cleaner, schuursponsjes en een bus desinfecterende doekjes naar de wasbak, waar zich tijdens mijn afwezigheid een dikke stuclaag van uitgespuugde tandpasta had opgehoopt. Mijn M. doet niet aan wegspoelen.*

Per hoofdstuk werkt Rosenthal systematisch alle huishoudelijke klusjes af, steeds het moeilijkste het eerst en dan van boven naar beneden. Over de keuken schrijft hij:

There is a choice involved with cleaning that is not involved with cooking – that is, the choice whether to do it or not. I realize some people choose not to eat but I doubt they do very much cleaning either.

Als ik er niet ben, gaat M. gelukkig uit eten. De keuken is vlekkeloos.

Mijn persoonlijke blinde vlek is de vloer. Ik stofzuig alleen als mijn schoonfamilie langskomt. Het is niet zozeer een blinde vlek, als wel een moedwillig negeren. Mijn moeder had een obsessie met onze plavuizenvloer. Zij zoog twee keer per dag. Elke waterdruppel werd subiet opgeveegd, de deurmat bij onze achterdeur besloeg de helft van de keuken en vriendjes en vriendinnetjes die bij ons thuis kwamen spelen, kregen een paar beschamende leenpantoffels die ze over hun eigen zweetsokken moesten aantrekken. Het leeuwendeel van mijn jeugd heeft mijn moeder op haar knieën met een dweil doorgebracht. Daar pas ik dus voor.

[The vacuum cleaner] is buzzing, humming next to me. I pull the rug attachment off and contemplate the bit on the hose. Now in my adventures, I can go all the way! I fuck the sucking vacuum. The suction is just strong enough to give realistic tension to the skin of my cock. It is nice. But it doesn’t go anywhere, there is only one speed.

Bijna alles – de werkvolgorde, de selectie van schoonmaakmiddelen, zelfs het plezier en de hele Gestalt van het schoonmaken – heb ik van kamer tot kamer tot in de kleinste hoekjes gretig van Rosenthal overgenomen, maar hierin heb ik hem niet kunnen volgen. In Austin hebben we alleen een veredelde kruimeldief.**

We spreken elkaar nauwelijks, mijn uitgever en ik. Als hij niet op zijn eiland zit, ben ik in Amerika. Toch weet hij kennelijk álles van me – tot aan mijn overzeese toilethygiëne toe – en stuurt hij me een boekje waarvan ik zelf niet eens wist dat ik het nodig had. Alles glanst en glimt. Het zou kunnen dat zijn mensen me ook hier in de gaten houden, maar ‘t lijkt me waarschijnlijker dat ik het gewoon enorm met hem getroffen heb.

_________________________

* M. poetst niet, maar kauwt met z’n blik op oneindig en z’n kop bij Gödel een paar minuten op zijn tandenborstel, waarna hij de boel met minimale inspanning uit zijn mond laat vallen. Hij spoelt na met mondwater dat zich in de wastafel mengt met de tandpasta en traag richting het putje zinkt.

** Zie foto.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Armoede, verdoving en de duivel

14 september 2017 (9:54) | Menno Hartman | Geen reacties

600full-satantango-posterIk had gisteren op de beurs op zeker moment 666 boeken verkocht, kort voor ik telde las ik tijdens het wachten op de volgende boekhandel  Satanstango uit van László Krasznahorkai, vertaald door Mari Alföldi.

“Hier komt het aan op wijsheid. Laat ieder die inzicht heeft het getal van het Beest ontcijferen; er wordt een mens mee aangeduid. Het getal is zeshonderdzesenzestig”.*

Krasznahorkai. Onthoud die naam. Wat nog niet zo makkelijk is. Je voelt de vleugelslag van de aartsengel van het kwaad in elke bladzijde in dit huiveringwekkend goede boek. Dat tijdloos is, de poëzie van welgeformuleerd proza kent en beelden schept die blijvend zijn. Armoede is een onderliggend thema. Of zoals Krasznahorkai schrijft: ‘Het grootste verlies is het verlies van de armoede, het vermogen om prachtige liederen te zingen als we arm zijn. Nu kennen we alleen  nog maar mensen die geen geld hebben. En iedereen heeft nog slechts één droom: rijk worden. Maar is dat werkelijk onze enige droom?’

Het regent 315 pagina’s lang in deze roman, zoals ook De seizoenen van Maurice Pons zijn sterke sfeer aan een bijna voortdurende neerslag dankt. En denk aan de de vier jaar van plensbuien in Marquez’  Honderd jaar eenzaamheid.

Hoe langer je over Satanstango nadenkt, hoe beter het boek klopt. Dat is niet iets wat je van veel hedendaagse romans kunt zeggen. Irimiás, een charismatisch zwerver verlost een groep tot naargeestig zuipen en hangen vervallen plattelanders**** van hun laatste geld, of hij redt ze van de ondergang. Hij is een prachtige figuur van wie tot het einde toe niet zo makkelijk te zeggen is of hij goed dan wel fout is. Dat prachtig laveloos je verdoven, zoals ook de dokter van het plattelandsdorp al jaren doet: zich dooddrinken met pálinka, een lokale brandewijn verwordt hij langzaam tot een oppermachtig God, of hij wordt waanzinnig: als iedereen in het dorp vertrokken is op zoek naar een beter leven ontdekt de dokter dat hij alle dorpelingen gewoon nog waarneemt, sterker nog dat hij schrijft wat ze doen en dat dat ook gebeurt, zo langzaamaan het boek*** schrijvend dat we aan het lezen zijn.

Een schitterende vondst, vooral ook omdat de dokter niet kan weten dat alle mensen al weg zijn, en negeert dat hij zichzelf langzaam aan het dooddrinken is.

‘Totdat ik opium neem is mijn ziel ziek.
het leven voelen vloert ons en vertroost.
Ik wil een Oost ten oosten van de Oost
en zoek in de opium de mystiek.**

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade


*
uit de Openbaringen van Johannes
**Pessoa, uit: Opiarium, vert. August Willemsen
***verfilmd door Béla Tarr, zeven en half uur.

**** Ik noem heier een aantal andere echt huiveringwekkende scènes niet, die het boek toch geweldig maken. Waaronder de  diepdroevige scene van de zelfmoord van een zwakzinnig meisje. Tot tranen roerend.

Reageer >
 

Lachen met Arjen

13 september 2017 (9:14) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5143Arjen woont in Austin, maar een paar maanden per jaar is hij in Amsterdam. Als hij in de VS zit mis ik hem en als hij hier is zie ik hem soms weken niet.

Zo gaan die dingen. Gisteren belde hij.

‘Gilles van der Loo,’ zei hij. ‘Ik bel je maar even om te zeggen dat ik morgenochtend weer wegga, voor een tijdje.’

Zoals altijd bij dit gesprek – dat we zo’n drie keer per jaar hebben – telde ik razendsnel hoe vaak ik hem gezien had sinds hij nu in Amsterdam was. Ik kwam tot twee, en schaamde me.

‘Maar ik heb je zo weinig gezien.’

‘Eén keer per maand,’ zei Arjen. ‘Het is niet geweldig, maar we hoeven ons ook niet te schamen, Gil.’

Met opgetrokken wenkbrauwen keek ik naar B, die er eigenlijk op rekende samen een aflevering van Narcos te kijken. Ze knikte naar me, haalde een schouder op.

‘Arie,’ zei ik. ‘Ben je al ingepakt? Dan kom ik straks nog even langs.’

Arjen woont zo dichtbij dat een bezoek aan hem me steeds het gevoel geeft zeven te zijn, op weg om bij een vriendje te gaan spelen. Als ik boven kom staat hij altijd met een glimlach in de deuropening. Terzijde: toen mijn oudtante overleed vond ik het erg dat er iemand minder was die me met zoveel blijdschap aan kon kijken, gewoon omdat ik langskwam. Arjen compenseert dat verlies een beetje.

Al jaren is onze formule dezelfde. We draaien een jointje (Arjens specialiteit) en drinken een glas wijn (de mijne) en de rest van de avond gaat alles vanzelf.

Ik heb het niet bijgehouden, maar weet zeker dat hij de persoon in mijn leven is die me het vaakst heeft laten lachen. En ik ken een hoop grappige mensen.

Misschien mis ik dat nog het meest, als hij in Austin zit.

Lachen met Arjen.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Olympia (fragment 3)

8 september 2017 (14:24) | Marko van der Wal | Geen reacties

De zon komt op om te belichten wat reisschrijver Pausanias lang gelden heeft beschreven. De oostkant van de Olymische tempel van Zeus toont de oppergod zelf, die net als zijn zoon (en kleinzoon) Apollo aan de andere kant soeverein het midden vult. Hij draait zich lichtjes af naar rechts en neigt zijn hoofd naar de jonge man naast hem, Pelops. Hij keert de figuur aan de andere kant al de rug toe, voordat er ook maar iets heeft plaatsgevonden. Oinomaos, koning van Pisa en daarmee van Olympia, was naar verluidt een barbaar. Aan weerszijden staan de vierspannen van Pelops en Oinomaos klaar voor een race die vele eerdere en latere races in de schaduw zou stellen.

Niets menselijks is de Griekse helden en goden vreemd. Oinomaos had een dochter, die hij zelf begeerde, net als Zeus zijn dochter Leto, de moeder van Apollo. Deze Hippodameia was het verboden te trouwen, ook omdat een orakel had voorspeld dat haar echtgenoot Oinomaos om het leven zou brengen. Wie naar de hand van zijn dochter dong, moest tegen hem racen met een vierspan en werd gedood als hij verloor. Velen legden zo het loodje. Totdat Pelops zich aandiende, zo vertelt Apollodoros de Mythograaf:

En toen Hippodameia zag hoe knap hij was, werd ze verliefd op hem en overtuigde ze Myrtilos, de zoon van Hermes, ervan hem te helpen. Myrtilos was de wagenmenner van Oinomaos. Dus Myrtilos, die ook verliefd op haar was en haar graag een dienst wilde bewijzen, liet het na de pinnen in de naaf van de wielen te steken en maakte dat Oinomaos de race verloor en, in zijn teugels verstrikt en meegesleurd, stief. Maar volgens sommigen werd hij door Pelops gedood. Terwijl hij stierf, vervloekte hij Myrtilos, omdat hij het complot tegen hem had doorzien, zodat hij door Pelops zou worden vermoord.

Volgens een andere bron gebruikte Myrtilos pinnen gemaakt van was om de assen van Oinomaos vast te zetten. Hoe dan ook, het blijft doorgestoken kaart. Met deze mythische race verovert Pelops niet alleen de hand van Hippodameia, maar neemt hij ook het koningschap van Oinomaos over. Nadat hij nog een paar koningen heeft afgezet wordt hij koning van het hele gebied, dat vanaf dan de Peloponneos heet.

Waar de westkant van de tempel laat zien wat de moreel-ethische standaard is, toont de oostkant een negatief exempel. Een caveat. Onder het toeziend oog van de hoger macht is alles mogelijk, zelfs sabotage in een van de oudste disciplines van de Olympische spelen. Waar veel op het spel staat (huwelijk, eer, status, geld) zal geen middel onbenut blijven om als winnaar uit de bus te komen. Houd er maar rekening mee.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

Het fernweh voorbij

7 september 2017 (9:01) | Menno Hartman | Geen reacties

02573_5Ergens zijn, is ergens anders niet zijn. Het is de eenvoudigste waarheid die het moeilijkst te verstouwen is. Jarenlang heb ik in een café in de stad gedroomd van het strand en vice versa. Wonend aan de gracht verlang ik naar een uiterwaard, en in het bos lijkt me de concertzaal zo aantrekkelijk. Ik ben bijna nog nooit ergens geweest waar ik niet zou willen wonen, er is nauwelijks een tijdperk denkbaar waarnaar ik niet verlangen kan. Maar ik ben hier, nu.

‘Mijn eenzaam leven wandelt in de staten’ dicht Martinus Nijhoff in ‘De wandelaar’ om daar een reeks andere tijden en hoedanigheden aan toe te voegen: Kloosterling uit den tijd der Carolingen’, ‘Kunstenaar uit de tijd der Renaissance’, ‘Een dichter uit den tijd van Baudelaire’.

Ik zou wel andere dingen, op andere plaatsen willen zijn: natuurvorser uit de tijd van Humboldt, het Brazilië van Zweig, Amerikaan toen Indianen nog rondliepen, zeg Wisconsin 1849, kantoorklerk in 1921 in Lissabon.

Een ochtend in Delhi, India, een middag in Xi’an, China een avond in Kericho, Kenia. Ik ben een Schlemihl in het diepst van mijn gedachten. Peter Schlemihl*, een karakter van Adelbert von Chamisso ruilt zijn schaduw tegen een onuitputtelijke zak geld met de duivel en komt in het tweede deel van dit fascinerende verhaal in het bezit van zevenmijlslaarzen. Wanneer hij het heel koud gekregen heeft op de Noordpool gaat hij zijn kleren drogen aan de evenaar, elke stap is letterlijk zeven mijl, dus hij trekt rustig wandelend in een enorm tempo de wereld over. Schlemihl is het fernweh voorbij.

Mij zal dat nooit lukken. Ik verlang naar bijna alle plaatsen waar ik ooit geweest ben. Ik heb langzaamaan geleerd om te gaan met dit moeilijkste van de aardse gevoelens: elders te willen zijn. Er is een paar bezigheden tijdens welke ik nooit voel ergens anders te willen zijn. En ik stel me soms een persoon voor, een Russisch grootvorst op zijn landerijen op 125 werst van Moskou bijvoorbeeld,  in 1890 die aan de haard hartstochtelijk zit te dromen elders te zijn, en iets anders, bijvoorbeeld een uitgever in Amsterdam, aan de Herengracht, in 2017, in september.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade

* Adelbert von Chamisso Peter Schlemihls wonderbaarlijke geschiedenis verschijnt in het voorjaar van 2018 bij Van Oorschot in de vertaling van Martin Michaël Driessen.

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

De macht grijpen

6 september 2017 (9:45) | Gilles van der Loo | Geen reacties

permafrostEr is een hoop te doen over de smeltende permafrost. Men zegt dat de CO2 die vrijkomt bij het smelten van die ‘eeuwigbevroren’ ondergrond de opwarming van de aarde drastisch kan versnellen en dat daar in geen enkel klimaatakkoord rekening mee gehouden is. Je vraagt je af wat de groene planeet nog meer voor adders onder haar gras heeft.

Items op het nieuws die de opwarming van de aarde / ontbossing / andere ecologische rampen aankaarten sluiten altijd af met een zinnetje over het niet- of nauwelijks meer te keren tij.

Als er in de afgelopen jaren in Nederland een politieke partij geweest is die zich uitsprak voor geboortebeperking dan heb ik daar niets van meegekregen, terwijl het de enige manier moet zijn om de uitputting van de aarde af te remmen.

Een beleid zonder geboortebeperking is een kortzichtig beleid, nog steeds geënt op het dogma van economische groei. Ik begrijp niet hoe we op de hoogte kunnen zijn van de ontbossing, plasticsoep, CO2-emissies en alle andere ellende die in onze biotoop gaande is en nog steeds kunnen denken dat we een grotere of evengrote volgende generatie nodig hebben om de huidige te onderhouden.

Ik ben geen voorstander van kinderbelasting of gedwongen sterilisatie, maar wil graag dat er wordt gewerkt aan bewustwording, tv-spotjes, internetreclame. Een foto van een drie maanden oude baby met de stapel vuilniszakken die dat kind in zijn korte leven al heeft weten te vullen ernaast.

Natuurlijk moet iedereen kinderen kunnen krijgen. Ik pleit zelfs niet voor een 1-kindregel, maar als alle ouders nu proberen niet meer dan 2 kinderen toe te voegen? Mocht het mislukken en ze krijgen er drie: geen harde straffen, maar wel een stekend schuldgevoel, zoals wanneer je bij de Gamma toch kiest voor die non-FSCplanken omdat het deze maand wat beter uitkomt.

Naast geboortebeperking moeten we het hebben over consumptiebeperking. Ik wil een keurmerk voor alle producten in de EU. De consument moet kunnen verwachten dat een keukengarde bij regulier gebruik honderd jaar mee gaat. Zoiets is makkelijk te testen. Als een product niet door de degelijkheidscontrole komt dan mag het niet worden verkocht. Jammer voor de Action, inderdaad.

Mode. Ook zo iets, die verandert tegenwoordig vijf keer per jaar en voor elk kledingstuk dat verkocht wordt gaan er tien* de versnipperaar in. Voor niets gemaakt, verpakt, vervoerd, verwarmd. Met dit plan maak ik me – weet ik inmiddels – niet populair, maar zo gauw ik dictator ben zal elke burger twee hansoppen uitgereikt krijgen: een wollen en een linnen. Met die pakkies mag iedereen doen wat hij wil: verven, er appliquées op naaien, ze bedazzlen, er modieuze scheuren in aanbrengen, maar twee nieuwe krijgt mijn onderdaan pas over vier jaar weer.

Elke burger moet minstens een jaar naar de huishoudschool om te leren hoe je omgaat met voedsel. Dit ter voorkoming van al die koelkasten met drie pakken rottende verse tagliatelle all’uovo erin en negen soorten industriële mayo. Voedingsmiddelen zonder feitelijk bestaansrecht zullen verdwijnen uit de schappen: dag strooikaas, margarine, bakboter, knijpfruit. Breek me de bek niet open.

Jesse, bel me. Ik heb zoveel goeie ideeën.

 

* giswerk

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Olympia (fragment 2)

1 september 2017 (15:28) | Marko van der Wal | Geen reacties

De zon gaat onder achter de heuvels en beschijnt nog net de beelden hoog boven aan de grote tempel van Zeus. Het gouden uur maakt goud van Apollo’s marmeren gestalte. Mensen zien er op dit tijdstip altijd knapper uit maar dat heeft hij niet nodig. Zijn tors is een leeg doek, zijn uitgestrekte rechterarm een vleesgeworden abstractie. De zuivere overwinning te midden van de worstelende Lapithen en Kentauren.

De beeldengroep aan de andere kant van de tempel ligt nu in de schemering. Zeus tussen Pelops en Oinomaios en hun beider vierspannen, gevangen in het eeuwigdurend moment voordat hun paardenrenwedstrijd aanvangt. Op het spel staat Hippodameia, dochter van Oinomaios, huwelijkskandidate voor Pelops. Hun race was de eerste in de lange reeks van Olympische Spelen. Rondom de tempel (metopen) werkt Herakles gestaag door aan zijn twaalf werken, terwijl Athena hem een handje helpt. Na het uitmesten van de stallen van Augeas riep hij op precies deze plaats de Olympische Spelen uit. Welke van de verhalen de werkelijke stichting van de Spelen vertelt, doet er niet toe. Ze spreken beide vanuit de mythische voortijd tot het heden – in de vijfde eeuw v.C. en nu nog steeds.

Wat Apollo op dit uur vertelt is een verhaal dat naar alle kanten uitwaaiert. Het marmer verbeeldt de eeuwige strijd tussen barbaren en burgers, tussen oost en west, en de verhouding tussen goden en mensen. Alle krachten blootgelegd. Nikos Kazantzakis zegt het in zijn Verslag aan El Greco als volgt.

Op dit pediment zie je alle lagen van de hiërarchie: god, vrije mannen, vrouwen, slaven, wilde beesten. De god staat in het midden, rechtop en kalm, meester over zijn kracht. Hoewel hij de verschrikking om zich heen kan zien is hij onverstoorbaar. Hij controleert zijn wrok en hartstocht zonder anderzijds onverschillig te blijven, aangezien hij kalm zijn hand uitstrekt en de overwinning gunt aan de partij van zijn keuze.

Kazantzakis heeft minder oog voor de beeldengroep in de context van de Spelen. Als Apollo te midden van het strijdgewoel iets vertegenwoordigt dan is het beoordelingsvermogen. Hij treedt op als jury en is een voorbeeld voor iedereen die in sport en spel een oordeel heeft te vellen. Niet voor niets staat hij met zijn rug naar de valsspeler aan de andere kant van het gebouw, Pelops, die de wagen van zijn tegenstander saboteerde en hem zo de dood in joeg. Apollo staat voor fair play, zouden we nu kunnen zeggen, vrij van vals spel, omkoping en doping. Zonder aanzien des persoons.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466 Nr.467 Nr.468
 
bestel
 
 
voorpagina