Beschuit met muisjes

26 januari 2015 (9:58) | Martijn Knol | Geen reacties

beschuit met muisjesPersoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. ‘Ja, lekker Tyn,’ zei mijn moeder toen ik daar als tiener voor ’t eerst mee kwam, ‘dat had je wel wat eerder mogen zeggen. Ik kan je moeilijk alsnog laten weghalen, hè?’ Persoonlijk was ik liever niet dan wel geboren. Dat zet al mijn oordelen tussen aanhalingstekens. Ik adstrueer met een voorbeeld. ‘Mmm… Boedapest is toch een tikkeltje minder charmant dan ik had verwacht.’  ‘Wat jou betreft had het hele universum niet gehoeven, dus waarom zouden we van jou wel onvoorwaardelijke waardering voor het stedelijk schoon van Boedapest mogen verwachten?’ ‘Touché!’

Persoonlijk was ik liever níet dan wel geboren*. De kunstkritische implicaties daarvan verdisconteerd hebbende: het levert honderdeenenvijftig jaar na de geboorte van de auteur nog steeds een heel aardige avond op, een opvoering van Herman HeijermansBeschuit met muisjes (1910). Als oom Gerrit sterft, Gerrit Bien Aimé, leren zijn nabestaanden dat er, omgerekend naar onze tijd, meer dan twee miljoen euro te erven valt. Tegenvaller: de verscheiden oom – of broer, of zwager, of wat dan ook, dat is een kwestie van perspectief – blijkt een levende geliefde te hebben, Pollie. En de twee zijn nog maar een week eerder in de echt verbonden. De erfenis moet dus naar Pollie. Opluchting: doordat zij in het verleden schulden heeft gemaakt, zijn Gerrit en Pollie op huwelijkse voorwaarden getrouwd – ze heeft dus géén recht op de erfenis. Het geld blijft in de familie. Wending: Pollie blijkt zwanger… het nog ongeboren kind is de enige wettige erfgenaam. Woede, woede, woede!

Ik heb begrepen dat je het geruzie om geld in Beschuit met muisjes mag opvatten als kritiek op het kapitalisme en andere vormen van al dan niet gesystematiseerde hebzucht. Ik vind het prima. Maar ik denk in zulke gevallen ook: wees blij dat er in ieder geval nog iets is dat bij de gemiddelde lamzak hartstocht opwekt. De één wordt geprikkeld door onrecht, een ander leeft op bij het zien van kunst of bij het vooruitzicht op roem. En weer anderen rennen voor geld. Veel plezier ermee.

De lol van deze voorstelling – door Oostpool, in de regie van Joeri Vos, deze week voor het laatst te zien – zit voor mij vooral in het kluchtige acteren, in het keten met rekwisieten en in de dialogen van Heijermans. Sinds ik Beschuit met muisjes zag, probeer ik iedere conversatie een beetje op te peppen door op beladen momentjes deze woorden van Prosper Bien Aimé rond te strooien: ‘Ik zeg jou de waarheid zo dikwijls als mij dat convenieert!’ Het verhaal loopt trouwens goed af voor de familie Bien Aimé. Door al het geruzie over de erfenis krijgt Pollie een miskraam.

————-

Volgende week: nieuw proza van Hans Boland.

‘Hoeveel sterren, bal?’
‘Voor Beschuit met muisjes? Drie. Plus een halve bonusster voor een hilarische knokpartij met Bud Spencer & Terence Hill achtige geluidseffecten.’

Noot

*Dat meen ik niet hoor! Grote grutjes, zeg. Ik ben blij dat ik besta! Maar in iedere literaire tekst is ‘ik’ de naam van een personage, weet je nog? Teksten zijn teksten.

Reageer >
 

Wenken voor jonge letterkundigen

25 januari 2015 (9:59) | Bregje Hofstede | Geen reacties

Baudelaire door NadarOnder deze titel – Wenken voor jonge letterkundigen - publiceert Charles Baudelaire in 1846 “de vrucht van zijn ervaring”, een “opperste wijsheid die [hij] ter overpeinzing aanbied aan alle filosofen”. Met grote zelfverzekerdheid doet de dichter uitspraken over juiste methode van afkraken; over de optimale voeding van de letterkundige (“zeer substantieel maar regelmatig”) of de schrijfmethode van Balzac, die hij als ondeugdelijk afdoet.

Ik ben gewend om Baudelaire te zien als een gigant; een magere, verbeten, vervaarlijke man van in de veertig, briljant en beroemd maar ziek van geest, die tijdens zijn zelfverkozen ballingschap in Brussel dagelijks op- en neer flaneerde in de Sint-Hubertuspassage, op veilige afstand gevolgd door jonge bewonderaars. Daarom was ik verrast om uit te rekenen hoe oud hij was toen hij deze Wenken schreef: net 25 geworden. Zoals de vertaler Rokus Hofstede in zijn nawoord schrijft, was er bovendien nog nauwelijks iets van hem gepubliceerd. De werkelijke educatieve waarde van de tekst ligt dan ook niet in de wat melige adviezen over voeding, dagelijkse arbeid of de omgang met schuldeisers, schrijft de vertaler, maar in “de hooghartige, zelfverzekerde attitude” die de jonge letterkundige uitdraagt: “literair bestaansrecht wordt niet afgesmeekt, maar afgedwongen.”

Enige tijd geleden zat ik zelf op een terras onder het glazen gewelf van de Sint-Hubertusgalerie. Het was ochtend en nog erg rustig, zodat ik de oude man opmerkte die twee keer voor mijn tafeltje langs schuifelde, waarbij hij steelse blikken wierp. Toen ik een hand opstak en vroeg of ik soms aan zijn tafeltje zat, lachte hij breed, groeide vijftien centimeter en nam diep tevreden plaats op zijn vaste stoeltje in de hoek, dat ik voor hem vrijmaakte. Enige minuten nadat ik mijn werk had hervat, sprak hij me aan. “Wat heeft u een prachtig, ferm handschrift, juffrouw. Ja, u schrijft goed. U moet maar schrijver worden.” Ik bedankte hem en vroeg me besmuikt af wat de verschrikkelijke Baudelaire hem zou hebben toegevoegd.

Als ik de raad – de geest, niet de letter – van zijn Wenken op zou volgen, zou ik wellicht direct zijn overgegaan op het afkraken van de arme man (zie het hoofdstuk ‘Afkraken’, methode: ‘via de rechte lijn’). Ik zou deze, noch een andere gelegenheid om hoog op te geven van mijn eigen schrijverschap voorbij laten gaan; zou voor de literaire jeu flink wat vijanden maken, mijn kansen op syphilis wat opschroeven, en met of zonder uitnodiging in een superlatieve baljurk op het Boekenbal verschijnen.

Helaas val ik, als vrouw “die een tik van de literaire molen heeft gehad”, volgens dezelfde Wenken in de categorie “vrouwen die voor letterkundigen een bedreiging vormen”. Van een anomalie als de vrouwelijke letterkundige ontmoette Baudelaire de schim enkel in zijn duisterse Opiumdromen.

——————–

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Tirade, Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Eerste Zondagse Gastblog van Roman Helinski.

Dit was de Laatste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede. De Tirade redactie zegt: Bregje… chapeau, merci! En tot ziens weer daar of hier / in het echt of op papier.

Reageer >
 

‘De rust dat het allemaal goed komt, die heb ik sinds een jaar gevonden…’

23 januari 2015 (10:18) | Annemieke Gerrist, Wim Brands | Geen reacties

Vorige week publiceerden we hier deel VIII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel IX:

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

natuurlijk herlas ik voor onze correspondentie ‘Brieven aan een jonge dichter’ van Rilke. Ik ben best benieuwd wat je van die bundel brieven vindt.

Ik las onder andere:

‘Kunstenaar zijn betekent: niet rekenen en tellen, rijpen als de boom die zijn sappen niet opstuwt en die rustig de voorjaarsstromen doorstaat zonder bang te zijn dat er geen zomer zal volgen.’

De rust dat het allemaal goed komt met mijn eigen werk, die heb ik sinds een jaar gevonden. Het was er opeens. Ik weet niet meer waar het ontstond of vandaan is gekomen. Daarvoor maakte ik me vooral zorgen, met al mijn ambities en bewijs- en geldingsdrang. Nu maak ik me af en toe zorgen, maar niet meer verlammend. Ik werk rustig door.

Veel beeldspraak gebruikt Rilke, en veel bemoedigende woorden. Ik las de bundel voor het eerst toen ik een jaar of twintig was. Ik vond het mooi dat het zo persoonlijk was, en niet vanuit een eenzame hoogte geschreven van een dichter die neerkijkt op een worstelende jongeling.

Van wie heb jij het meeste geleerd tot nu toe?

Hartelijke groet,

Annemieke

—————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik kan veel mensen opsommen van wie ik iets heb opgestoken. Wat poëzie betreft zou ik bij voorbeeld K.L. Poll willen noemen die mij op jonge leeftijd liet debuteren in Hollands Maandblad. Die gedichten zijn – ik blijf het roepen – beslist niet goed maar hij meende dat ik talent had.

Toen ik uiteindelijk op zijn verzoek een dichtbundel samenstelde voor de HollandsMaandblad-reeks kreeg ik een brief van hem van tenminste vijf kantjes waarin hij gedicht na gedicht afwees. Een gedicht was goed genoeg voor een bundel, herinner ik me.

Maar waarom heeft u ze dan gepubliceerd, riep ik door de telefoon?

Niet boos, verbaasd.

Je snapt niet dat zo’n bundel veel meer een toneel is dan een tijdschrift, antwoordde hij rustig.

Dat was leerzaam.

En zo kan ik meer mensen opsommen.​

Ik wil intussen even stilstaan bij mijn grootvader in wiens huis ik opgroeide. Hij was boer geweest, bezocht zes jaar de lagere school, waarbij aangetekend dat hij nooit verder kwam dan de derde klas.

Niet omdat hij stom was, nee, hij liep voortdurend de klas uit omdat hij liever buiten was.

Ik heb de eerste klas overigens om dezelfde reden ook twee keer moeten doen.

Met mijn grootvader maakte ik elke zondagmiddag een lange wandeling door de omgeving. Langs de beek, het bos in. Hij kende alle paden, ook de paadjes van gesnipperd hout die bijna nooit door wandelaars werden gebruikt.

Ik heb nadien maar weinig mensen ontmoet die hun omgeving zo goed konden lezen als mijn grootvader die ook verhalen wist te vertellen over oeroude bomen waarin bij voorbeeld een boerenknecht zich uit liefdesverdriet had verhangen of die tijdens een stormachtige nacht lelijk door de bliksem werden getroffen om zich vervolgens na jaren weer zonwaarts te verheffen.

Ik verdenk mijn grootvader ervan dat hij sommige verhalen ter plekke voor mij verzon.

vrgr

Wim

———————

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in jeTirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel X.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Reageer >
 

Roman Helinski Tirade’s Zondagse Gastblogger Februari 2015

23 januari 2015 (9:46) | Blog | Geen reacties

SAMSUNGAanstaande zondag plaatsen we alweer de laatste Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede. Maar!… precies een week later  begint het gastblogschap van Roman Helinski (1983).

Roman Helinski is Tirade‘s Zondagse Gastblogger voor de maand Februari 2015.

Roman Helinski studeerde Moderne Letterkunde en Journalistiek. Zijn teksten verschenen, en verschijnen, in, onder meer, Hollands Maandblad, Hard gras, De Brakke Hond en Deus ex Machina. In 2014 verscheen zijn romandebuut, Bloemkool uit Tsjernobyl. Helinski werkt aan een nieuwe roman. Hij woont in Utrecht.

De jongste Tirade-publicatie van Roman Helinski vind je in Tirade 456.

Roman, welkom! En tot volgende week.

Foto: Corine 24.

Reageer >
 

Long ago and far away

22 januari 2015 (0:01) | Menno Hartman | Geen reacties

Een vroege Argentijnse uitgave van het boek 'Ver weg en lang geleden van W.H. Hudson.

Een vroege Argentijnse uitgave van het boek ‘Ver weg en lang geleden van W.H. Hudson.

In de jaren ’40 van de negentiende eeuw rijdt over de pampa’s  van Argentinië een jongetje rond op een paard. Vanaf zijn zesde kan hij dat en mag hij dat. Het gezin bestaat naast vader en moeder uit een een stel jongens en een paar meisjes en is van Britse origine maar verhuisde naar Argentinië toen meer Britten, Ieren en Schotten dat deden, vanwege honger in Groot-Brittannië. Op de pampa’s is veel ruimte. Eerst gewoontegetrouw voor intensieve veeteelt, en vervolgens voor extensieve veeteelt. Dat betekent: laat die duizenden runderen en schapen maar rondlopen en leef ervan. In Ver weg en lang geleden schrijft W.H Hudson (in Argentinië bekend als Guillermo Enrique Hudson) over zijn jeugd op de pampa’s. Vogels kijken en in de natuur zijn, wat op eenden schieten  (vanaf zijn tiende mocht hij jagen) waren zijn belangrijkste bezigheden tot zijn 15e.

De buren worden bezocht, die wonen 3 tot 40 kilometer uit de buurt. Het volk op de pampa’s verleent gastvrijheid aan de toevallige bezoeker. Een knappe Spanjaard bijvoorbeeld die na een avondje De Sarasate spelen op zijn gitaar, moet stoppen omdat hij te zeer overmand wordt door emotie – heimwee. Tientallen personages beschrijft Hudson in dit prachtige boek: grijsogige gaucho’s met flitsende messen, politieke tirannen van het tijdsgewricht. Ook gevederde tirannen: een lokale vogelsoort. Honderden vogelnamen, slangen, bloemen.

Bien te veo, ' ik zie je wel' een vogel die naar je roept.

Bien te veo, ‘ ik zie je wel’ een vogel die naar je roept.

‘Ik wil in bomen klimmen en mijn hand in het diepe, warme nest van de Bien-te-veo steken om de warme eieren te voelen, de vijf spitse, crèmekleurige eieren met chocoladebruine spikkels en vlekken op het brede eind. Ik wil op een met gras begroeide oever liggen in het het blauwe water tussen mij en de rijen hoge biezen, luisterend naar de geheimzinnige geluiden van de wind en de verborgen rallen, koeten en koerlans, die op een vreemde, bijna menselijke toon met elkaar praten, en ik wil mijn blik genietend laten rusten op de bloem van de camalote te midden van de drijvende massa vochtige, heldergroene bladeren en ook op de grote allamanda-achtige bloem van zuiver, bovenaards geel, die haar snoezige blaadjes laat vallen als ze wordt geplukt en niets anders in je hand overlaat dan een groene steel.
Ik wil op de heetste dagen, wanneer de hele aarde glinstert van bedrieglijk water, midden op de dag uitrijden en de duizenden runderen en paarden zien waarmee de vlakte bij de drinkplaatsen is bedekt en in dat stille, warme uur wil ik een plek opzoeken waar grote vogels zich ophouden en wil ik ooievaars, ibissen, grijze reigers, verblindend witte zilverreigers en rode lepelaars en flamingo’s in het ondiepe water zien staan waarin hun roerloze gestalten worden weerspiegeld. Ik wil in januari liggend op mijn rug in het roestbruine gras naar de weidse, warme, witachtig blauwe hemel staren, die vergeven is van eeuwig voorbijzwevende, miljoenen, myriaden schitterende bolletjes distelpluis; ik wil staren en staren tot ze voor mij tot leven komen en ik er in extase bij ben, meezweef in die immense stralende leegte.’

Gaucho_AgendadeReflexion

Gaucho in 1851, William is dan 10. Let op de bolas – ijzeren kogels aan een touw waarmee ze jaagden – aan zijn gordel. William speelt met de houten variant.

Ver weg en lang geleden levert je beelden die je niet snel meer kwijtraakt: ‘Een van de buitengewone kenmerken van de particuliere quintas of boomgaarden of plantages in de buurt van de Saladero waren de muren of heggen. Die waren helemaal opgetrokken uit koeienschedels, wel zeven of acht of negen rijen dik, even gelijkmatig neergezet als stenen, terwijl de hoorns uitstaken. Honderdduizenden schedels waren zo gebruikt, en sommige van de oude zeer lange muren, waarvan de bovenkant werd gesierd door groen gras en waar klimplanten en wilde bloemen uit de holten in de botten groeiden, zagen er merkwaardig schilderachtig, maar enigszins griezelig uit.’

Naast een antropologische component: hoe leefde de Britse immigranten op de pampa, (smient of roodsnavelgans  bij het ontbijt, ‘s avonds koude maaltijd)  hoe leefde de gaucho’s die wij slechts kennen van een matige biefstuk-keten, (wellustig koeien vermoorden, gokken en zuipen en vechten en verhalen vertellen) naast een natuurhistorische kant heeft dit boek nog véél meer te bieden. Je vraagt je bijvoorbeeld af na lezing af hoe goed het is dat kinderen tegenwoordig nog maar zo weinig mogen, zo snel in een keurslijf moeten.

' El Ombu' , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.

‘ El Ombu’ , een verhalenbundel van Hudson is de naam van de boom met welks beschrijving ook zijn autobiografisch werk een aanvang neemt.

Een fase in de Argentijnse geschiedenis wordt aangeroerd, er staan schitterende episoden in over de broers onderling. Gezinnen van buren en hun indolentie of juist levenslust worden zeer levendig beschreven. Maar vooral de natuurbeschrijvingen – zonder enige kwezeligheid – zijn geweldig. Ik heb in tijden niet zo’n magistraal boek gelezen.

Of zoals – John Galsworthy schreef in de inleiding bij de Engelse uitgave:  ‘Zijn werk is een visioen van natuurlijke schoonheid en menselijk leven zoals het zou kunnen zijn – bezield en gezuiverd door de zon en de wind en de regen, en door het verbond met alle andere vormen van leven – een visioen voor ons, die er meer behoefte aan hebben dan welke generatie dan ook.’

 

Reageer >
 

De snede

21 januari 2015 (11:16) | Gilles van der Loo | Geen reacties

fotoMijn voeten werden gesneden toen ik twaalf jaar oud was, éénmaal over de lengte van de voetzool en tweemaal dwars: op de hak en de bal. Het Stanleymes was niet nieuw, maar werd eerst overgoten met alcohol. Mijn vader keek weg terwijl hij kerfde en mompelde de woorden die hij hardop had moeten uitspreken. Later vertelde hij me dat ik had gekrijst, me hevig verzet had. Ik herinner me dat niet.

Ik herinner me de rust die over het felverlichte erf leek te dalen, de vrolijke gezichten van mijn buren en familie. Naar de traditie werden de kepen ingewreven met kervelblad, en het was tante Agnes die het kruid aan mocht brengen. Door de pijn heen ving ik haar knipoog op; de glimlach die haar bolle wangen op spanning zette, en ik wist dat ze het mengsel om de wonden heen zou smeren. Dat ik geen ontstekingen zou krijgen.

Een voor een kwamen mijn nichten naar voren om hun djawi tegen mijn voetzool te drukken. Ze stapten weer naar achter met het teken op hun borst; daarna werd ik opgetild en boven alle hoofden van ons erf af gedragen. In alle deuropeningen van onze wijk stonden mensen. Ze drukten papiergeld in mijn handen tot het te veel werd om vast te houden en wensten me geluk, een man, kinderen. Ze keken naar mijn voetzolen en prezen mijn vaders werk.

Ik kreeg suikerklontjes tegen het flauwvallen, en mijn jongste zus waaide mijn voeten koelte toe terwijl we onze ronde door de straten maakten. Toen ik mijn kroon verloor verdrongen de kinderen zich om hem op te rapen. Boven me verdrongen de sterren zich om op me neer te kunnen stralen.

Die nacht waakte tante Agnes aan het voeteneind van mijn bed, een emaillen teil met zeepwater op haar knieën. Ze depte mijn wonden zo zachtjes dat het leek alsof ze er op blies. Bij het eerste licht viel ik in slaap, om niet veel later wakker te worden met koud zweet op mijn gezicht. Ik riep Agnes, die van beneden kwam om mijn kuiten en enkels te wrijven. Een kleine rimpel trok over haar voorhoofd. Ze zei me op mijn zij te gaan liggen, trok mijn onderbroek aan de kant en nam mijn temperatuur met een zilveren thermometer die ze uit een gedeukt kartonnen doosje viste. Samen telden we tot tien.

‘Heb ik koorts?’

Ze schudde de thermometer en daarna haar hoofd, alsof de ene beweging de andere op gang bracht. ‘Niet veel Uma, schat. Probeer maar een beetje te slapen.’ De hand die ze op mijn voorhoofd legde was koel en rook naar geroosterde pinda’s.

Ik knikte in de richting van het voeteneind, probeerde mijn tenen niet te bewegen. ‘Mag ik het zien?’

‘Straks.’ Ze trok het laken tot onder mijn kin, vouwde het om en wreef het glad, waardoor ze ook over mijn borst wreef. ‘Je vader heeft het goed gedaan. Het zal netjes helen.’

‘Mag ik die van jou zien?’

Ik kreeg een kus op mijn neus. Tante Agnes trok een voet op schudde er de slipper af, die met een bons op de houten vloer viel. In het blank van haar voetzool – ze leek nooit eelt te krijgen – liepen de lijnen die ik zo goed kende, de lijnen die ze op de tegels achterliet als ze uit het badhuis kwam, en waarover ik eindeloze keren mijn vingers had laten sporen.

‘Zijn de mijne ook zo mooi?’

Ze knikte. ‘Mooier. Wacht maar.’

Na drie dagen wikkelde ze repen zachte katoen om mijn voeten en riep mijn broers, die kennelijk al stonden te wachten. Hangend tussen hun schouders zweefde ik de trap af. Op de onderste tree stond papa, die me omhelsde en daarna zijn ogen depte met een van zijn zijden zakdoeken. Toen ik vroeg wat er aan de hand was schudde hij zijn hoofd. Hij hielp me in mijn stoel aan de keukentafel en legde een envelop met een strik erom voor mijn neus.

‘Van je moeder,’ zei hij. ‘Het is vorige week bezorgd.’

Als een voorwerp uit een andere wereld lag de groene envelop op de matte tegels van het tafelblad. Het papier spiegelde, en toen ik voorover leunde kwam ik een misvormde versie van mezelf tegen. Er waren kinderen bij de grote markt, achter de kramen van de vleesverkopers, die er zo uitzagen. Met de toppen van mijn vingers pakte ik de uiteinden van de strik beet. Papa keek op zijn horloge. De klok boven de keukendeur gaf zeven uur ’s ochtends aan. Ik trok de knoop los en scheurde het papier open.

Toen ik opkeek was het recht in papa’s ogen. Hij zette zijn handen op de leuning van de stoel waarachter hij stond, maar haalde ze er meteen weer weg om zijn zakdoek te pakken.

‘Totdat de school begint,’ zei Agnes. ‘Daarna kom je weer terug.’

Iedereen – Agnes, papa, Lauro en Emil – leek te wachten tot ik iets zou zeggen. Ik keek nog eens naar het ticket. Agnes omhelsde me van achter en kneep me bijna fijn. Ze zei: ‘Weet je wel hoe lang mama daarvoor gespaard heeft?’

‘Uma,’ zei papa. ‘Niet huilen.’

Reageer >
 

‘Waar je ook bent, ik verlaat je nooit’

19 januari 2015 (12:59) | Martijn Knol | Geen reacties

klink‘Weet je… het grootste verschil tussen de Vlaamse en Nederlandse literaire cultuur,’ zei DW B-redacteur en de Buren-gastheer Willem Bongers-Dek toen we na de DW B presentatie in de Faculteitsbibliotheek Ingenieurswetenschappen & Architectuur wat gingen eten bij Pane & Vino, ‘is dat het er hier allemaal wat ruiger aan toegaat… In Vlaanderen is ‘t verschil tussen rockers en schrijvers veel kleiner dan in het noorden.’
‘Serieus?’
‘Ja, echt. Hier is ‘t bijvoorbeeld heel normaal dat schrijvers na afloop van hun verblijf hun hotelkamer trashen… Sterker nog: als wij een hotelkamer na vertrek van een auteur netjes aantreffen, dan zijn we bang dat we iets niet goed hebben gedaan.’
‘Zoals Chinezen na het eten altijd keihard boeren om te laten zien dat het allemaal heeft gesmaakt?’, zei ik.
‘Nou, dat is volgens mij een fabeltje.’
‘Ik hoop van niet. Want dan heb ik de afgelopen tien jaar in heel wat Chinese restaurants voor niks voor me uit zitten boeren.’

We hadden geen tijd om het onderwerp verder uit te diepen: we zouden nog naar een handvol karaoke cafés. Niet in Gent, maar in Antwerpen, waar je volgens Willem meer en betere keuze hebt in ‘meezingkroegen’. In zijn Maserati – Miek Zwamborn en ik achterin omdat in de passagiersstoel naast Willem een geüniformeerde etalagepop zat (iets met preventie van autodiefstal en Vlaamse verzekeringsmaatschappijen) – reden we naar Antwerpen. En eenmaal daar van karaokekroeg naar karaokekroeg. Waarschijnlijk hoef ik niemand te vertellen hoe een karaoke avond verloopt. Maar onvergetelijk was ‘t moment waarop we met z’n drieën op de leestafel van Café Het Beleid stonden om het Smurfenlied van Vader Abraham Pierre Kartner te zingen. Willem: ‘Waar komen jullie toch vandaan?’ Miek en ik: ‘Uit een land hier ver vandaan!’

‘Nou,’ zei ik toen Miek en ik om een uur of vier in de foyer van het hotel stonden, ‘laat ik nou eerst mijn kamer maar es even kort en klein gaan slaan, dan heb ik morgen tenminste genoeg tijd om mijn tas in te pakken.’
‘Zou je daar niet liever mee wachten? Anders moet je tussen de glasscherven en houtsplinters slapen.’

Scherp, Zwamborn, verdomde scherp!

De volgende ochtend werd ik wakker van een ongelooflijk kabaal. Miek was begonnen uitdrukking te geven aan haar tevredenheid over het verblijf en de geboden accommodatie. Kogelstoten met een televisietoestel. Lampwerpen, stoelslingeren, spiegelbreken. Voor we naar de ontbijtzaal gingen, hielp ze ook nog even het interieur van mijn kamer te veranderen in een ravage. In een rebus. In een: ‘dankjewel!’

Maar nu een quizvraag!

In welke moderne Europese literaire tekst stapt een vrouw of een man een café-restaurant binnen met een afgebroken deurklink in zijn/haar hand? De lezer die als eerste reageert met het correcte antwoord wint een exemplaar van de door Miek Zwamborn vertaalde novelle De laatste (Arno Camenisch).

Over festival Writers Unlimited dat afgelopen weekeinde (do-zo) plaatsvond in Den Haag is en wordt elders al uitvoerig verslag gedaan. Maxim Februari en ik hebben het er zeer naar ons zin gehad. We begonnen vrijdag om een uur of zes te praten, backstage, liepen tegen half elf pratend het podium op, wandelden pratend naar de theaterfoyer, en later naar het hotel, en ik geloof dat het optreden een tamelijk organisch deel uitmaakte van deze marathonconversatie.

Februar Pruik PaardenhaarNa afloop van het optreden in Den Haag vroegen verschillende mensen me naar de exacte vindplaats van één van de passages die ik voorlas. Ik tik de tekst even over. De bewuste alinea komt uit M. Februari & Marjolijn Drenth, Een pruik van paardenhaar & Over het lezen van een boek, Amartya Sen en de Onmogelijkheid van de Paretiaanse Liberaal (2000;p.155):

‘Lieve V. Een brief is maar een tijdelijk bericht van eenzaamheid. Wie vermoedt dat de eenzaamheid eeuwig is schrijft een boek. De schriftgeleerden zullen achter beide, brief en boek, het oude verlangen wel weten aan te wijzen. Het vlees, zeggen zij, is zwak. Maar vanaf nu zul je begrijpen wat dat als drijfveer voor het schrijven eigenlijk betekent. Het betekent: waar je ook bent, ik verlaat je nooit.’

Er staat wat er staat. Maar lees je de brief in de context van de roman en het oeuvre van Februari dan gaat die, volgens mij, ook, over de relatie tussen schrijver en lezer, tussen een auteur en zijn of haar talent, tussen verbeelding en werkelijkheid en zelfs over de relatie tussen individu en samenleving en wetenschapper en traditie. Een comparatief literatuurwetenschapper houdt de passage ook nog even naast het nawoord van Februari’s romandebuut.

Soundtrack: Ernst Reijeseger, Mola Sylla, Harmen Fraanje:  Raykwela.

Tirade – constructief.

Volgende week: Herman Heijermans. En meer.

Reageer >
 

Een stuk dat nooit wordt opgevoerd

18 januari 2015 (12:09) | Bregje Hofstede | Geen reacties

Marcel ProustVorige zondag schreef ik over “het romantische idee dat literatuur het laatste pure medium is, waarin de tekst het helemaal alleen moet doen.” Maar natuurlijk doet de tekst het allang niet meer alleen. Hij heeft het zelfs nog nooit alleen gedaan.

Lang voordat er taal werd opgeschreven, werd ze gesproken en gezongen. Stel je een kampvuur voor op de stranden van Pylos, en een pre-Homerische zanger die zijn hexameter met intonatie en gezichtsuitdrukkig ondersteunt; wiens armgebaren achter hem als grote, zwarte schaduwen over het tegen de wind gespannen zeildoek schieten, en die zijn adem dramatisch doet stokken op het moment suprême. Jammer, eigenlijk, dat niets daarvan bewaard wordt in de pagina’s van de Ilias, of om het even welke roman.

Tenzij de lezer het zelf toevoegt. Volgens historici is voor jezelf lezen pas sinds ongeveer 1800 een stille aangelegenheid. En met name sinds lezen geluidloos is geworden, horen we klachten over de expressieve armoede van het (alfabetische) schrift. Zo noemde de beroemdste twintigste-eeuwse taalkundige, Roman Jakobson, het “merely a parasitical superstructure upon speech”, en klaagde de futuristische dichter Khlebnikov dat gedrukte letters als kaalgeschoren geïnterneerden naast elkaar op een rechte lijn staan, sjagerijnig, “de een net als de ander, grijs en kleurloos”.

Voor de Frans-Russische illustrator Alexeïeff (1901-1982) markeerde de transitie van orale naar geschreven literatuur de geboorte van de illustratie. “In orale literatuur”, schreef hij, “kan de verteller toevlucht nemen tot intonatie, ritme, lichaamshouding, tot muziek, dans, kostuums en maskers. Illustratie vult de lacune die de afwezigheid van deze instrumenten in geschreven literatuur veroorzaakt.” Voor hem was een boek zonder illustraties als een theaterstuk dat nooit wordt opgevoerd. “Aan hen die zich verzetten tegen illustratie wil ik vragen: waarom zouden we toneelstukken opvoeren? Waarom lezen we ze niet gewoon? Verliezen ze er wat mee als ze worden opgevoerd?”

Natuurlijk valt hier heel wat tegenin te brengen – het feit, bijvoorbeeld, dat een roman geen theatertekst is en daarom heel anders wordt geschreven. En het feit dat een illustrator die de illustratie verdedigt, niet als onpartijdig gelden kan.

Veel hedendaagse illustratoren staan ambivalent tegenover het beeld. Harrie Geelen bijvoorbeeld stelt dat sommige elementen van een tekst mooier uitkomen als hij ze niet tekent; voor Ted van Lieshout, die – overigens net als Geelen – naast beeldend kunstenaar ook schrijver is, blijven romans ongeïllustreerd omdat ze de laatste vrijplaats zijn waar het voorstellingsvermogen zélf beelden kan bedenken.

Literatuur is nooit beeldvrij, is het nooit geweest, en heeft het nooit willen zijn. Maar de meeste literatoren en lezers willen dat beeld situeren in hun eigen hoofd, in een persoonlijke vormentaal. Zoals Charles Swann die, in Prousts Un amour de Swann, betreurt dat de woorden van een liefdesbrief ook een onafhankelijke, voor vreemden toegankelijke betekenis hebben, en hen kwalijk neemt dat ze niet enkel en alleen bestaan uit de individuele trekken van de unieke geliefde*, zo wil de literatuurliefhebber het voorrecht behouden om die uniforme, ‘grijze en kleurloze’ letters en die algemene woorden tot een voller en ‘eigen’ leven te wekken. De woorden zijn niet persoonlijk; het beeld dat ze oproepen is dat wel. De lezer wil de opvoering van zijn roman zelf regisseren. Van de casting tot de kostuums.

Het is de vraag of deze schroom voor het beeld terecht is. Kan goede illustratie niet juist een springplank zijn voor de verbeelding? Ik betreur het geenszins dat mijn voorstelling van de Ilios altijd beïnvloed zal worden door de breedgeschouderde helden en de intense kleuren van Harrie Geelen, net zo min als ik de cadans betreur die het verhaal dankzij de ritmische tekst van Imme Dros ook in mijn hoofd begeleid. Het is het knappe geheel van tekst en beeld dat het wapengekletter en de soepele tred van Achilleus zo hevig oproept.

Prof. Saskia de Bodt zal op 22 januari tijdens een bijzondere lezing in Spui 25 de vraag stellen waarom de Nederlandse schrijver bang is voor het beeld. Waarom zien we zo weinig illustraties in de Nederlandse literatuur?

*“il regrettait presque qu’elle eût une signification, une beauté intrinseque et fixe, étrange a eux, comme (…) en des lettres écrites par une femme aimee, nous en voulons (…) aux mots du langage, de ne pas être faits uniquement de l’essence d’une liaison passagere et d’un être particulier.” – Un amour de Swann

————————-

hofstede cosseeBregje Hofstede (1988) studeerde kunstgeschiedenis en Frans in Utrecht, Parijs en Berlijn en publiceerde verhalen en essays in Hollands Maandblad, Kunstschrift en Das Magazin. In 2014 verscheen haar romandebuut De hemel boven Parijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 457, vind je nieuw proza van Bregje Hofstede.

Volgende week: de Vierde Zondagse Gastblog van Bregje Hofstede.

Reageer >
 

Annie’s optimisme

17 januari 2015 (8:16) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

heksenenzoIk was de afgelopen week ziek en luisterde Heksen en zo, van Annie M.G. Schmidt. Door haarzelf voorgelezen. Het is het enige luisterboek dat ik bezit, op een cassettebandje, en gelukkig ben ik nog in het bezit van een walkman om het te beluisteren. Ik heb dit bandje in mijn leven al zo vaak gehoord, dat ik precies weet wanneer Annie zich verspreekt, wanneer ze pauze neemt om adem te halen, wanneer ze een zin onderbreekt voor een kort kuchje. Toch zal het me niet snel vervelen, want de sprookjes hebben een zalvende humor, lichtheid, optimisme. Oxazepanniemgschmidt mag van mij op doktersrecept uitgeschreven worden. Het is garantie voor zacht inslapen, vriendelijke dromen, en vertrouwen in de mensheid. Wellicht een tikkie verslavend. Luisterend naar de sprookjes uit Heksen en zo viel het me op hoe hedendaags de verhalen aandoen. Zou er dan misschien toch niets veranderd zijn sinds 1964? In de Miesmuizers blijkt bijvoorbeeld dat mensen ook voor het bestaan van twitter massaal, en hoorbaar, zeurden:

 

‘Zo,’ zei de schillenman. ‘En zijn er veel van die miesmuizers in de stad?’

‘Veel?’ zei de mevrouw. ‘Wat heet veel? Duizenden, tienduizenden, luister maar eens goed.’
De schillenman luisterde goed. En wat hoorde hij om zich heen? Het klagen en brommen van de miesmuizers. Grote miesmuizers en kleine miesmuizers. Vader-miesmuizers, moeder-miesmuizers en kindermiesmuizers. Gejammer en gedrens. Gezeur en gejengel. Ja, wie goed luistert, hoort de miesmuizers. Ze willen:

niet naar school,
niet naar kantoor,
een ander leven,
meer snipperdagen,
elke week naar de Rivièra,
geen andijvie,
weer een nieuwe auto

en nog honderd dingen niet en honderd dingen wel.

In Het Beest met de Achternaam komen hiptseronderwerpen als dierenleed voorbij. En vrouwenemancipatie (context: Meisje brengt draak, die ze op diervriendelijke wijze ving, naar de koning):

‘U mag hem niet doodmaken,’ zei Pietepeut gauw.
‘Nee,’ zei de koning. ‘Ik zal hem een park geven voor hem alleen. En jij krijgt de helft van het koninkrijk en je mag met de prinses trouwen.’
‘Wat een onzin,’ zei Pietepeut. ‘Ik ben toch een meisje.’
‘O ja,’ zei de koning, ‘dat is waar ook. Nou goed, dan mag je met de prins trouwen.’
‘Eerst zien,’ zei Pietepeut. En toen ze de prins zag, zei ze: ‘Okee.’

Vroeg ik me af waarom Annie MG’s verhalen zo’n zalvende werking hebben. Natuurlijk groeien al generaties op met haar werk, maar het is niet alleen nostalgie waardoor ik zo op haar verhalen ben gesteld. Volgens mij heeft naast Annie MG haast niemand de Hollandsche volksaard zo zorgvuldig, en zo vermakelijk, doorgrond. Annie’s personages hebben zonder uitzondering een prettige neiging tot rebellie, een onaangepastheid, waarmee ze ons, zonder dat expliciete kritiek nodig is, laten zien dat onze maatschappij bij vlagen wat kortzichtig is, kleinzerig ook, en bovenal (zelfs vandaag de dag nog) burgerlijk. Haar personages hebben vervelende buurvrouwen (mevrouw Helderder), vervelende bestuurders (de burgermeester in Minoes) en vervelende moeders (Floddertje). Geen van Annie MG’s helden zit echter ooit bij de pakken neer. Ze hebben een onvermoeibare drang om goed te doen, om plezier te maken, om zich niets aan te trekken van het gezeur. Ze zijn stuk voor stuk assertief, autonoom, en vooral rasoptimisten.

Zo is Schmidt een eigenaardig soort profeet. Eentje die zag hoe de Nederlansche volksaard in elkaar steekt, maar die ook inzag dat die niet snel zou veranderen. Wellicht daarom schreef ze boeken die al generaties lang aanmoedigen om zich tegen de burgerlijke moraal te verzetten. Halleluja.

Reageer >
 

‘God werd bedacht door mensen…’

16 januari 2015 (9:40) | Annemieke Gerrist, Wim Brands | Geen reacties

Vorige week publiceerden we hier deel VII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. En vandaag deel VIII:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

de laatste paar weken lees ik amper poëzie. Dat komt denk ik door mijn hormonen, die als een razende tekeergaan.

Daardoor ging ik nadenken over hoeveel poëzie ik normaal lees, en of dat eigenlijk wel genoeg is. Nee dus. Maar ik wil niks moeten, met poëzie. Niet moeten lezen, niet moeten schrijven, niet moeten kunnen uitleggen, niet moeten kopen.

Alleen als ik er zin in heb.

Vaak komt de zin in een bundel in een opwelling, stop ik er een in mijn tas en loop ik er een paar dagen mee rond. Zo kan ik me er goed op concentreren, en in verdiepen.

Wat ik zelf mooi vind van poëzie, is de onderstroom die er -als het goed is- in zit, die je onbewust kan oppikken.

Tenminste, bij mij gaat dat onbewust. Daarna kan ik pas een beetje vangen in woorden wat ik er mooi aan vindt, of goed, maar nooit helemaal. Juist dat oppikken van het onbenoembare, dat een dichter een sfeer neerzet die je aanvoelt, daar houd ik van. Kale poëzie, misschien zelfs licht en helder gebracht, maar wat daar achter en onder zit kan me niet zwaar genoeg zijn.

Anders dan de religieuze poëzie in de kerken vroeger, waar ik meezong met loodzware psalmen, op loodzware muziek, in een loodzware omgeving. Geen wonder dat het er saai is: er zit niks dubbelzinnigs in. De boodschap is glashelder.

Ben je eigenlijk religieus opgevoed?

Groet,
Annemieke

———————————————————————————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Nee, ik ben niet religieus opgevoed maar heb wel op de Zondagsschool gezeten en luisterde gretig naar de bijbelverhalen.

Onlangs heb ik trouwens de hervertellingen van Guus Kuijer gelezen en herlezen. Ik kan je die reeks – de bijbel voor ongelovigen – aanbevelen, al is het alleen maar omdat Kuijer telkens verrassende perspectieven kiest.

Ik beschouw hem overigens als een van onze beste schrijvers.

Maar dat terzijde.

Tijdens een tv-gesprek dat ik onlangs met hem had refereerde ik aan een boekje van Ellen van Wolde, zij is hoogleraar exegese van het oude testament en haalde een paar jaar geleden de internationale pers omdat het oude testament niet begint met In den beginne schiep God.

Volgens haar interpretatie staat er dat de aarde er al was en dat toen God op het toneel verscheen.

Dat lijkt mij ook logisch. God werd bedacht door mensen die elkaar verhalen vertelden over de oorsprong van de wereld maar ze wisten ook wel dat die wereld er al was.

Terwijl ik dit schrijf moet ik denken aan de laatste voorstelling van Wim T. Schippers, Hoogwater voorheen Laagwater. Lang geleden dat ik zo monter een schouwburg verliet, wat een stuk! Zoals je weet is Schippers in hart en nieren nog steeds een Fluxus-kunstenaar.

Ik citeer uit het programmafoldertje:

‘Zij wijzen elke zoektocht naar betekenis af en zijn ervan overtuigd dat het beter is het leven en de onbegrijpelijkheid die daarbij hoort te omarmen. In al zijn onzinnigheid is het leven voor ons allen een onverwacht cadeau dat we zoveel mogelijk en zolang mogelijk moeten zien te vieren. Want het grote raadsel ligt niet zozeer in de vraag waarom we geboren zijn, maar waarom we, als het dan eenmaal zo is, na een keer of zeventig, tachtig rondjes rond de zon zo nodig weer moeten sterven’.

Zo… en buiten is het opgehouden te regenen.

vrgr

Wim

————————–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

In voorbereiding: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IX.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015
 
Nr.457
 
bestel
 
 
voorpagina