‘Een zaag, een ander mens!’

28 november 2014 (8:56) | Annemieke Gerrist, Wim Brands | Geen reacties

Dichteres Annemieke Gerrist las ’s Middags zwem ik in de Noordzee, de nieuwe bundel van Wim Brands, en schreef de auteur ervan een brief. Wim Brands schreef terug. Hieronder het begin van een correspondentie.

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

Bladzijde 16 van je bundel*. Daar sta ik. Als ik om me heen kijk, zie ik een kamer die me nog onbekend is. Er zijn een paar elementen van deze kamer waarover ik heb gelezen; een vader, een moeder, een verlaten dorp, een zoon. Ik denk althans dat de kamer die je beschrijft zich in dat dorp bevindt waar je vaak over schrijft.

Ik stel me dat dorp als een verlaten dorp voor, dat tussen weilanden ligt. Met paarden die uit badkuipen drinken. Misschien wonen er meer oudere mensen dan jongere mensen, wat op een vreemde manier vaak zo is in dorpen.

In je poëzie ving ik er vaak een glimp van op. Het was er kalm, leeg en ruimtelijk. Ik vond de rust nogal bedrieglijk overkomen. Ik kon overal goed kijken, de ruimte in je gedichten is wijds. En er knaagt constant iets. Ik kan er nog niet de vinger op leggen. Misschien hoeft dat ook niet. Zoals in dit gedicht, waar je een deur hoort. En er misschien nog iemand aanwezig is, die rondloopt. Of het tocht in dit huis.

Voor mij las dit gedicht als een sleutel, naar een plek die achter de gedichten ligt. Daarom begin ik hier. Misschien leidt dit gedicht naar de plek waar je gedichten ontstaan, zodra iemand die deur opendoet. Of misschien beeld ik het me in, en komt de deur uit op een binnenplaats die betegeld is en waar roestige waslijnen hangen.

Waar is dit gedicht ontstaan?

Ik zie uit naar je antwoord.

Groeten,

Annemieke

*‘s Middags zwem ik in de Noordzee (2014).

 

—————————————————————————————————————————

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

Dit gedicht is ontstaan na een opmerking die de inmiddels overleden psychiater Louis Tas tegen me maakte. Ik sprak hem ooit naar aanleiding van de heruitgave van zijn dagboek. Een bijzondere man die tot op hoge leeftijd bleef werken. Ik herinner me dat ik hem vertelde dat ik mijn ouders zo lang al niet gezien had. We waren gebrouilleerd en ik wilde het contact herstellen. Maar hoe, hoe herstel je het contact met mensen die om het minst geringe beginnen te blaffen, als agressieve kennelhonden.

Tas dacht na en terwijl hij dat deed vertelde hij me dat zijn ouders al lang dood waren en dat hij vond dat ze wel weer konden terugkomen. Zo lang had het geduurd.

Dat vond ik een mooie gedachte. Ik wilde ook dat mijn nog levende ouders weer terugkwamen.

We stonden in een VPRO-studio aan de Amsterdamse Amstel, Louis Tas en ik. Maar ik dacht aan de keuken van mijn ouders toen ik hem over hen vertelde.

In die keuken speelde hun leven zich af en het mijne toen ik nog thuiswoonde. Uitzicht op een weiland.

Ik ben geboren in een gehucht, onder de rook van Zutphen. Er woonden niet zoveel mensen, leeftijdgenoten waren er niet. Ik vond dat ook niet erg. Het bos van Voorstonden was dichtbij en in dat bos bracht ik uren door.

In mezelf pratend, sporen zoekend. Soms klonk er een zaag. Dat is trouwens een mooie opmerking van Werner Herzog in zijn onvergetelijke Over een voettocht in de kou. Ik herkende direct het gevoel: een zaag, een ander mens!

Jij bent toch ook op het platteland geboren?

vrgr

Wim

———–

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel 2.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Reageer >
 

Tirade Writers Unlimited/Winternachten special 2015

28 november 2014 (6:00) | Blog | Geen reacties

wu logoTirade 456 ligt nog maar net in boekwinkels en op leestafels of de Tirade-redactie zit al tot aan haar nek in het volgende nummer. Tirade 457 wordt de Writers Unlimited/Winternachten-special die we maken in samenwerking met – of eigenlijk gewoon: onder leiding van - schrijfster, WU-programmeur en Tirade-gastredacteur Judith Uyterlinde. In december volgt meer informatie over Tirade 457. Op de site van Writers Unlimited kun je het programma van de editie 2015 vast bekijken en/of je inschrijven voor de WU-nieuwsbrief.

 

Reageer >
 

Een vlaag van woordenliefde

27 november 2014 (11:08) | Menno Hartman | Geen reacties

NabokovWithWebsters

Nabokov denkt na over een woord

Niet lang nadat ik een aanvankelijke woordenboekfetisj had ontwikkeld, kreeg ik les van Dr. Ischtwan Fritsche. Op mijn 12e, 13e, vond ik het belangrijk nieuwe woorden te leren. De groene Dikke van Dale, bijna even dik als hoog was daar behulpzaam bij. Achterin de Latijnse spreekwoorden die je met enige moeite – veel moeite in de praktijk – ergens eens een keer kon laten vallen. (‘Dum satur est venter, gaudet caput inde libenter’ gaat nog wel, je krijgt elke dag drie keer de kans. Maar ‘Ne sutor supra crepidam’ wordt al lastiger, rond je twaalfde.)

Maar ook de woorden: perpendicularisatie, herinner ik me als een die ik me voornam ooit eens te gebruiken. Het moet decennia later zijn geweest dat ik die kans kreeg, in een blog voor Tirade.

Ischtwan Fritsche – misschien leeft hij nog – was naar eigen zeggen in 1956 uit Hongarije weggefietst. Misschien met die zelfde van voren met cellotape vastgeplakte sandalen waarmee wij hem altijd in de winter tussen Driebergen en Doorn zagen fietsen. In Duitsland leerde hij een Duits woordenboek uit zijn hoofd. Nog weer later moet hij doorgefietst zijn naar Nederland alwaar hij een Nederlands woordenboek uit zijn hoofd zal hebben geleerd. En zo kon hij ons Duits geven op de middelbare school. Hij was zo eigenzinnig dat de meeste collega’s op school daar moeite mee hadden, een antediluviaanse hoffelijkheid (daar heb je er weer een) die op het randje van badinerend was. Als we rondgingen op ouderavonden om koffie te brengen, nam hij bij iemand die thee dronk met suiker en melk: thee met suiker en melk, bij iemand die koffie zwart dronk, vroeg hij zwarte koffie etc. Op die wijze zowel een band met de bezoekende ouder creërend, als een tongue in cheek grap met ons, want wij vonden dat bepaald hilarisch. Hij dronk alles ook netjes op. Ik hoefde geen rijtjes van hem te leren. Ik kreeg een zes op mijn rapport als ik elke week een Duits boek las en met hem besprak .

Ik lees nu een Frans woordenboek, zoiets is echt aan te bevelen. Ik kom erop doordat ik tegen mijn verwachting in opeens weer volledig bevangen ben door de woordliefde. De reden is dat ik twee boeken lees waarin heel veel mooie woorden staan: Pnin van Vladimir Nabokov, en The Peregrine van J.A. Baker. Een Engels woordenboek van kaft tot kaft lezen daarentegen is saai, je kent er toch teveel.
Maar wat een woorden in die boeken! Ik verzamel die woorden die ik mooi vind in Pnin nu, als een zelfstandig kunstwerk. Om ze met hun Webster’s Dictionary lemma af te drukken.

Neem nou: inglenooks, bathetic, loquacity, desuetude, inveigle, torpid, inflorescences,excruciating squeak, ruminant, frugal, systole, obligingly, truculently, crepitation, scintillant, porcupine, canthus, ovipositing, bauble, vagitus.

Ik bedoel maar. Geen woorden die ik in eén keer contextloos kan plaatsen. Toch roem je bijvoorbeeld Van Gogh om zijn kleurgebruik, en veel schilders doen en deden extreem hun best om unieke kleuren te vinden om iets precies weer te geven. Ik ben dan als lezer blij dat een schrijver die moeite doet. Niet dat het altijd moeilijk moet, maar het geeft een sprankelende sfeer aan het boek als de gekozen woorden alleen al mooi zijn. Wat zou Nabokov enthousiast over zoiets zijn. (Een grafische weergave van een woordveld op Synoniemennet)

Maar toch haalt niets het bij staren naar en bladeren in een grote Webster’s Dictionary.

Schermafbeelding 2014-11-27 om 11.25.57

 

Reageer >
 

All the Light

26 november 2014 (0:36) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0323De afgelopen maanden heb ik meer recreatief gelezen dan in het hele jaar ervoor. Bijna meteen na aankomst in Suriname liep ik op Amazon tegen Anthony Doerr aan, te beginnen met zijn laatste roman All the Light We Cannot See. Alleen de titel al.

Wat een geluk, om na lange tijd een schrijver tegen te komen die me van mijn sokken blies. Ik las al zijn fictie in een paar dagen; daarna kwam ik erachter dat Doerr best een grote is, in Amerika. Gek genoeg vind ik dat dan jammer, alsof het feit dat anderen mijn mening delen afdoet aan het werk.

Lezen is wat mij betreft een solitaire bezigheid. Dat lijkt logisch, maar er zijn een hoop mensen die ervan houden gelezen boeken met vrienden en kennissen te bespreken. Ikzelf geniet van de illusie dat ik als enige About Grace beleefd heb. De andere 500.000 lezers die het prachtig vonden, moeten oprotten.

Net als al mijn generatiegenoten wereldwijd koester ik mijn uniciteit, en beschouw ik mijn interesses en bezigheden als eigen en authentiek. De laatste dagen vraag ik me af of ik misschien zo van Suriname houd omdat het maar 500.000 inwoners heeft, en buiten Nederland niemand lijkt te weten waar het ligt. Post die van Noord-Amerika naar Suriname gestuurd wordt, schijnt regelmatig per abuis naar Afrika te gaan.

Alle wegen in dit land hebben een einde. Vroeg of laat gaat het asfalt over in zand en het zand in woud of water. Dit gegeven is al voelbaar op het moment dat je in Paramaribo je erf afrijdt. Het is een gesloten wereld, een schitterend decor, en met maar heel weinig moeite kun je je de enige wanen die het allemaal meemaakt.

Reageer >
 

Rokende lectuur

25 november 2014 (12:38) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘Over het verlangen naar een sigaret’, het gedicht van Rutger Kopland. Mijn vrijdagmiddagse gezelschap in het café begon erover. Later las ik het nog eens, en zag dat het helemaal niet gaat over het verlangen naar een sigaret maar over de betekenis, of het gebrek daaraan, van wat wij belangrijk vinden en waar we naar verlangen. ‘Sinds ik dit bedacht begrijp ik veel meer. // Het verlangen naar een sigaret is / het verlangen zelf.’ Of misschien gaat het over de onbestemdheid van onze verlangens?

In het café zei ik dat Kopland de titel – hij noemde een van zijn bundels ook zo – had afgekeken van Tsjechov. die schreef immers een ‘monoloog in één bedrijf’ met die titel. Thuis nam ik de verzamelde Tsjechov uit de kast. Nou goed dan, de monoloog heet Over de schadelijkheid van tabak en gaat niet eens over roken. De spreker, ‘de man van zijn vrouw’, staat op het punt een lezing te geven over de schadelijke effecten van tabak. Hij komt alleen niet verder dan klagen over zijn vrouw, die hem heeft voorgesteld de lezing te geven. Wat betekenen zijn vrouw en dochters voor hem? ‘Mijn vrouw heeft zeven dochters… Nee, pardon, zes, geloof ik…’ Hij verlangt naar een ander leven, ver weg van zijn beklemmende gezin.

De drang naar vrijheid en onafhankelijkheid gaat ook in Bekentenissen van Zeno van Italo Svevo gepaard met sigaretten. Ik begon er laatst in zonder te weten waar het boek precies over gaat. We lezen het levensverslag van een man die dat op aanraden van zijn psychiater heeft geschreven, om van zijn zeer ernstige verslaving af te komen. Alleen krijgt Zeno altijd zijn zin, zo blijkt bijvoorbeeld uit de beschrijving van een eerdere poging om te stoppen, waarbij hij wordt opgesloten in een kliniek maar weet te ontsnappen door de verpleegster dronken te voeren. Eenmaal thuis zet hij het weer op een paffen. Elke misstap, dus ook deze, beredeneert hij net zo lang tot ze rechtgebogen zijn. Ik heb het boek nog niet uit maar reken erop dat Zeno niet van het roken afkomt.

Van de week bladerde ik door het boekje Aan de laatste roker. Henny Vrienten koos er gedichten over roken voor (waaronder dat van Kopland) en Peter van Straaten zorgde voor de tekeningen. Een combinatie die nogal wat leedvermaakhumor oplevert, met rokers, stoppers en pseudostoppers als lijdend voorwerp. Ik moest erg lachen om een tekening van twee mannen die meters uit elkaar op een bankje in het park zitten: ‘Pardon, wilt u hier niet roken?’* Remco Campert citeerde er afgelopen zaterdag in de Volkskrant een fraai gedicht uit van Muus Jacobse. Het verlangen naar een sigaret is daarin heel concreet. Het gaat om de handeling en het ritueel, en die zijn zo romantisch en onbestemd als de dichter-roker ze zelf maakt: ‘… de geurende tabak / Reukoffer van onze zinnen, / Waarmee wij op ons gemak / Weer een pijplengte winnen.’

 

* Marianne Faithfull zei zondag in Carré trots dat ze al een jaar gestopt is. Ze is nu overgestapt op de ‘cigarette électronique’ en nam obstinaat een trekje van het ding.

Reageer >
 

Tendensen – bij stukjes en beetjes

24 november 2014 (11:00) | Martijn Knol | Geen reacties

Scapino – zeer kort verhaal (zkv)

Voor de schoenenzaak staat een zilveren Jaguar. Moeder en dochter lopen naar buiten. Ze dragen allebei een toren van schoenendozen. Als de moeder mij ziet grijnzen, zegt ze met een wenkbrauwbeweging richting dochter: ‘Heeft net te gekke blauwe snowboots gevonden en nu wil ze niet dat haar klasgenootjes ze ook kopen. Ik zei: dan nemen we ze toch gewoon allemaal mee? Gênant eigenlijk. Hè? Ergens?’ Achter de Jaguar vormt zich een file; fietsers proberen tussen auto’s en paaltjes door te manoeuvreren. Einde.

Tirade – verstaanbaar proza, verstaanbare poëzie.

‘Hè? Watte?!’

TIRADE – VERSTAANBAAR PROZA!, VERSTAANBARE POËZIE!!!

‘O, zeg dat dan meteen, hahaha! Nou… doe mij nog maar zo’n leuk stukje!’

Pijn – kort zeer verhaal (kzv)

Helm2Au!, zei Abel toen hij na het uitruimen van de vaatwasmachine zijn hoofd tegen de punt van een openstaand keukenkastje stootte. Hij bevoelde de zere plek tussen zijn haren en keek naar zijn vingertoppen. Ze zagen rood van het bloed. Hij waste zijn handen, sloot het keukenkastje en vervolgde de licht huishoudelijke taken waaraan hij zich had gezet. Dit waren de momenten waarop hij overwoog zijn morele bezwaren te laten varen en het ‘poetsen’ voortaan uit te besteden aan een werkster. Toen hij even later, op zijn knieën, de vloer zat te dweilen, viel er af en toe een druppel bloed van zijn gebogen hoofd op het lichtblauwe zeil. Een dramatisch gezicht, alsof hij bloed huilde. In iedere sterveling woont een kleine heilige. Einde.

‘Hoe noem je deze teksten nou?’

‘Teksten.’

‘Nee, ik bedoel: wat voor label moet ik hier nou aan hangen?’

‘Je mag er ieder label aan hangen dat je passend acht. En je mag er ook meteen een prijsstickertje overheen plakken.’

‘Hoeveel cent?’

‘Nul cent. De taal is van ons allemaal. ’

Ga ik nu nog een korte beschouwing wijden aan Michiel ten Horns (speelfilm) Aanmodderfakker (2014)? Nee, ik heb keihard gelachen – en die opmerking moet maar volstaan. Maak twintig van dit soort films per jaar en de piramide van de Nederlandse cinema heeft een basis.  ‘Gaat ie zo een ei leggen?’ zegt main character Thijs op een tuinfeest tegen zijn ex als hij haar nieuwe, veel te sympathieke vriend een stuk verderop gehurkt in ‘t gras ziet zitten. Met het memoreren van die wisecrack is het belangrijkste visuele motief van Aanmodderfakker nog even aangestipt (het ei). Let ook op stromend water  (cola over toetsenbord, overstromende afwasbak, sproeiende douchekoppen, wasmachine) en  (stam)bomen.

Veel interessanter dan sympathieke producten als Aanmodderfakker vind ik de kortfilm Geraakt die hier afgelopen vrijdag werd ingeleid door Wytske Versteeg en die je nog kunt zien via Uitzending Gemist. In een documentaire waarnaar ik hieronder link, prijst Asis Aynan Mohamed Choukri’s roman  Hongerjaren (1973) als een kunstwerk dat iets heeft kunnen veranderen in de samenleving. Het blijft hachelijk maatschappelijke betrokkenheid en écht goed filmen en schrijven. Maar ook de kortfilm van Sander Burger - Geraakt, dus - bewijst dat niet iedere poging om relevant werk te maken smalend hoeft te worden afgedaan als tendensliteratuur, goede bedoelingen cinema, vormingstheater of agitprop.

Geraakt is goed geschreven, levendig in beeld gebracht. En er wordt erg goed geacteerd door Jara Lucieer in de rol van een schooljuf die vermoedt dat één van haar leerlingen wordt geslagen door haar vader. Onvrede, woede, verontwaardiging – uitstekende drijfveren voor kunstenaars.

Tirade – een beetje uit je doppen kijken.

Soundtrack: ‘We vechten tegen de bierkaai’ (1978), een Neerlands Hoop nummer dat het hoogtepunt vormt uit Freeks huidige programma, maar dat niet op YouTube staat.

cover_liefdemetlokharen_hrVolgende week: ‘Je moet altijd bij me blijven.’ – Liefde met een lok haar, Mohammed Mrabet. Het boek wordt aanstaande vrijdag gepresenteerd in… even zoeken, hoor… in… hè, hoe heet dat leuke dorpje nou ook alweer… het ligt vlakbij Utrecht!… God, ik ben zo slecht in namen en plaatsnamen!… wacht, wacht, ik weet ‘t alweer… het wordt gepresenteerd in… in… in Amsterdam!

In dit filmpje (uit 2009) gaan Asis Aynan en Hassan Bahara naar Tanger. Ze bezoeken het graf van Mohamed Choukri (1935-2003) en worden ontvangen door Mrabet (1936).

 

Reageer >
 

Maarten van der Graaff: Het rode, het groene en het harige

23 november 2014 (13:22) | Gast | 1 reactie

Vandaag ga ik tijdens het hard/hoofd festival, titel: ‘Het Proces’, met Maud Vanhau​waert en Maartje Smits praten over pubergedichten. Maartje vertelde me in De Engelbewaarder over haar eerste gedicht. Veel concreter en vindingrijker dan mijn titelloze eersteling, een product uit de categorie weltschmerz. Ik ken het net als Maartje uit mijn hoofd. Komt ie dan he:

‘Er staat een man
alleen op de brug
en in het late licht
zie je droefheid
in zijn ogen,
een traan om de wereld
op zijn gezicht.’

Mijn moeder stuurt me per post drie schriften op. Eén met een omslag van zacht, paardachtig nephaar, één met een schoolse, dieprode kaft en één groene, met grammofoonplaten op de voorkant. Rijmen deed ik veel, lijden ook. Het is allemaal geruststellend normaal. Alsof de literatuurgeschiedenis zich in het klein moet voltrekken: romantiek (puberteit), daarna modernisme (early twenties, hier houden de schriften op). Voor het vervolg zet ik mijn kaarten in op postmodernisme (rond de vijfentwintig) en daarna iets wat ik dan maar even crisis zal noemen of ‘het domme schrijven’. Die term keert steeds terug wanneer ik met vrienden – lees Frank Keizer– over poëzie praat: het moet dommer. Ik wil lompe poëzie schrijven, registreren wat er met mij en de mensen om mij heen aan de hand is. Wij zijn de casus van iets verschrikkelijks.

‘Al wat hij aan jou verwijdert
wordt door liefdesvoodoo uit mij weggeslagen.
Leeg is het strand, leeg, van mijn leven al de dagen.’

Daar hebben we het liefdesverdriet! Die ‘hij’ is trouwens een sinistere strandwacht. Niet alles is even pathetisch, zo staat er in het rode schrift het korte gedicht ‘Sunset mythologica’: ‘Zelfs schijtend ben ik / held en vriend/ van het gevaar.’ Ik wacht op vertedering terwijl ik de schriften doorblader. De vertedering blijft uit.

Ik stuit op een regel die ik herken. ‘Rondjeslopen door dit land / bedoeld om rondjes door te lopen’, schreef mijn zeventienjarige ik. Vorig jaar zomer, op mijn vijfentwintigste, dus acht jaar later: ‘Waarom zwem ik vaardig in heerlijk doorzwembaar water / dat hier precies voor bedoeld is?’ Hallo consistentie, wat moet ik met jou?

Verderop in het harige schrift vind ik aantekeningen: ‘Waar Nietzsche eerst verlangde naar tragische helden, idealisten van de wil, ziet hij de overmens later voor zich als een Cesare Borgia, een krachtpatser van de ondeugd.’ Verklaring: ik las de Nietzschebiografie van Safranski en daarna Aldus sprak Zarathoestra. Dat weet ik nog goed. Zarathoestra las ik in hotel Van Ham in Breda.

ham

Het is die hoge kamer met het kleine balkon. Er zijn drie bedden. Ik lig met dat boek voor iedereen en niemand in één van die bedden, in de ouderwetse kamer en voel me belangrijk. In de andere bedden liggen Arjen en Léjon. Overdag gaan we naar het park en ’s avonds naar de kroeg.

Nietzsche lezen was distinctiedrift. Wat voelde ik mij verheven boven mijn familie en klasgenoten. Onderaan de bladzijde is een zin met dikke strepen gemarkeerd: ‘De mensen van de pleziertjes omsingelden hem.’

In Amersfoort staat een kunsthal leeg. Via Bert, een vriend, leerde ik Christiaan Schuinder, Laura van der Zee en Marijn Abelman kennen. Zij vullen deze plaats, die is achtergelaten door projectontwikkelaars, de politiek, met exposities en noemen zichzelf De Kaping. Dit voorjaar organiseren Bert, ik en een hele groep dichters en kunstenaars in deze hal het evenement Disclaimer, onder het motto ‘uw persoonsgegevens worden uitsluitend gebruikt voor poëtische doeleinden’.  Het wordt een installatie vol corporate rompslomp, big data en gepersonaliseerde marketing. En dit allemaal tijdens de maand van de bureaucratie (5 januari 09:05 – 6 februari 16:52).

Ik ben in het nieuwe Tivoli, dat me om een of andere reden aan een vliegveld doet denken. Bonny Prince Billy staat op het podium te zingen. Hij gebaart als een veldprediker, gaat jolig door de knieën en haalt blaffend uit. Uit zijn linkerbroekzak steekt een balpen.

Hier zingt Bonny in de Doopsgezinde kerk te Utrecht.

1 reactie >
 

De synthetische schrijver

22 november 2014 (8:55) | Anne-Marieke Samson | 1 reactie

Ik las van de wfrankensteineek een artikel in de Correspondent over het gevaar van kunstmatige intelligentie.  Als je intelligente computers (te veel) ruimte geeft, kunnen ze de mensheid vernietigen met een simpele opdracht als: win een schaakspel. Dat klonk me behoorlijk Frankenstein in de oren. Mijn interesse was gewekt.

Ik vraag me sindsdien af of er al synthetische literatuur bestaat. Want als computers de mensheid gaan uitschakelen, dan liever voor een boek dan voor een potje schaken, als je het mij vraagt. (Wel hopen dat op zijn minst één iemand lang genoeg leeft om het te lezen). En daarom zit ik de afgelopen dagen op het wereldwijde web te zoeken. Is kunstmatige intelligentie al slim genoeg om een boek te schrijven? De synthetische schrijver. Ik wil hem lezen. Maar ik heb nog geen overtuigend voorbeeld kunnen vinden van kunstmatige fictie. Althans geen voorbeeld dat verder gaat dan een theoretisch experiment, of een gimmick. Zoals de immortal prose generator, die teksten “genereert”* die bestaan uit Shakespeare-elementen, zoals deze (let op: er zit twee keer hetzelfde element in, is dat toeval of een bewust toegepast stijlmiddel?):

Now thou art gone, the very stream of his life is troubled by hot blood. Hark, the clown pierced a sigh so piteous and profound. I pray thee, this babble hath had no notice of mine eye-balls. ‘Tis now struck twelve; every unworthy thing doth lack a cover. ‘Tis now struck twelve; this hand of yours mocks the fruit to that great feast. O spite! the son of a dear father murder’d doth lack me. 

Ook bestaat een aantal generatoren van poëzie. Maar die hebben veelal gewoon één (of meerdere) verschijningsvormen gedefinieerd (bijv. zin van vier woorden, zin van twee woorden, uitroep (alas! hark!, beware!), zin van vier woorden, drie zinnen van drie woorden), en vullen die in aan de hand van lijsten van (in betekenis verwante) zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, etc. Bijvoorbeeld deze (afkomstig van: http://thinkzone.wlonk.com/PoemGen/PoemGen.htm):

Sharks grow!
Misty, small seashells calmly fight a sunny, warm sailor.
Never love a wind.
Warm, misty whales swiftly love a big, clear tuna.
Old, rainy pirates swiftly lead a stormy, lively seashell.

Het is een soort gedicht ja, maar poëzie zou ik het niet willen noemen. De wetenschap dat het gedicht volgens een vaststaand stramien is geproduceerd, maakt het eigenlijk bij voorbaat geen poëzie. Want de oneindige variatie in vorm is  juist een van de weinige vaststaande eigenschappen van literatuur. Dan heb ik misschien nog liever Google-poëzie, die in zekere zin willekeurig is, maar wel oneindig in variatie.

Het definiëren van literatuur is een -understatement- lastige aangelegenheid. Er bestaan alleen opvattingen over. Het enige dat vaststaat, zo  leerde ik ooit in een grijs verleden waarin ik Nederlands studeerde, is dat literatuur dat is wat de experts literatuur noemen. Als we dat gegeven ombouwen in een computationeel model, dan moet dat er ongeveer zo uitzien:

1 Vul een database met meesterwerken uit de canon van de wereldliteratuur. (Of de Nederlandse, om te beginnen.) Begin met de kale teksten uit een boek of duizend (eigenlijk natuurlijk zoveel mogelijk boeken). We beginnen met proza wat mij betreft.
2 Laat daar een simpel patroonzoekend mechanisme op los, dat de teksten op kleinere en grotere patronen doorzoekt, bijvoorbeeld frequentie van woordkeuze, frequenties van combinaties van woordkeuze, herhalingen, verschijning en verdwijning van personages.
2b Koppel er een goede thesaurus aan zodat in de gevonden patronen ook enige synonymie, of misschien zelfs een soort betekenisvelden kunnen worden herkend.
3 Genereer, op basis van de gevonden patronen, nieuw proza.

Ik ben helaas geen programmeur, en heb dus niet het flauwste benul van hoeveel rekenkracht dit experiment zou kosten. Gevoelsmatig zeg ik dat het een redelijk simpel project moet zijn. Immers de analyse van big data is een tegenwoordig de normaalste zaak van de wereld. Misschien kan het IT-mannetje van Tirade dit wel? En zelfs al zóu het een hoop rekenkracht kosten, dan nog moet er toch wel ergens wat serverruimte beschikbaar kunnen worden gesteld om een stukje proza te genereren. Voelt een universiteit zich geroepen? Misschien wil Google bijdragen aan de wereldliteratuur? Of is er een uitgever die wil investeren?

Aldus. Hark, hark! Lieve wetenschap, lief literair veld, ik smeek u: ontwikkel een synthetische schrijver. Ik huiver en popel om zijn werk te lezen. Ik krijg visioenen van woeste, haast onbegrijpelijke teksten. Of juist van extreme middelmatigheid. Even kraakhelder geschreven, als duister en vaag. Produceert de virtuele schrijver een stream of consciousness? Dat zou griezelig zijn. Of wordt het een nieuwe openbaring? Een waarschuwing? Een nieuwe ontdekking van de hemel? Ik kan niet wachten.

 

*Al is het aantal uitkomsten eindig.

1 reactie >
 

Dubbeldenken

21 november 2014 (13:06) | Wytske Versteeg | Geen reacties

Geraaks filmstillVandaag, om 22.59 uur, zendt NPO2 ‘Geraakt’ uit, een kortfilm van Sander Burger. Afgelopen dinsdag ging de film in première in De Balie (Amsterdam). Geraakt‘ werd ingeleid door romancière, essayiste en wetenschapster Wytske Versteeg.Hieronder vind je – met dank aan de auteur – de integrale tekst van haar lezing. Film en essay zijn tot stand gekomen binnen de context van de Human-serie ‘Duivelse Dilemma’s.’

Door Wytske Versteeg

Tegenover mij in de trein zit een dik jongetje, hooguit een jaar of tien, misschien nog jonger. De hele reis staart hij naar de grond en ik denk dat er misschien iets met hem aan de hand is, want er is iets vreemds in de manier waarop hij kijkt. Niet kijkt, beter gezegd.

Naast hem zit een meisje, jonge vrouw. Zijn oudere zus, denk ik. Ze praat tegen hem, snauwt, beter gezegd. Dat is niet per se gek, dat is wat zussen doen. Waarom hij daar zo zit. Of hij een idioot is. Nou? Is hij een idioot?

Wanneer hij antwoordt is zijn stem zo hoog dat ik hem niet eens kan verstaan. Eén keer pakt hij een Mars uit zijn jaszak, en wil hem openmaken. Nee, dat is een goed plan vlak voor het avondeten, vetzak.

Dan begint hij te huilen. Is hij een jankebalk? Nou?

Hij zet zijn bril af, veegt zijn tranen weg. Hij heeft geen geluid gemaakt.

Ik denk, ik moet iets doen. Ik moet iets zeggen tegen haar, dat dit te ver gaat. Maar ik weet niet zo goed wat of hoe, ik ben niet de meest assertieve persoon. Terwijl ik nog nadenk over wat ik zou moeten doen staan de vrouw en de jongen tegenover mij al op om uit te stappen. Dan zegt hij mama tegen haar. Dat maakt alles veel erger.

*

Wanneer grijp je in?

Wanneer bemoei je je met andermans zaken?

We kennen allemaal de verhalen van mensen die met een acute noodsituatie worden geconfronteerd en dan niets doen. De menigte die apathisch en zonder ook maar een vin te bewegen blijft toekijken hoe iemand verdrinkt of doodgeslagen wordt. We noemen dat het omstanderseffect; hoe meer mensen er staan te kijken, des te kleiner de kans dat iemand zal ingrijpen.

Om wél in te grijpen moeten we een situatie eerst opmerken als een geval van nood, een waarbij ingrijpen noodzakelijk is. Bij een onderzoek werd aan studenten gevraagd om een formulier in te vullen. Terwijl ze daarmee bezig waren pompten onderzoekers rook naar binnen in de kamer waar de studenten zaten. Wie alleen in de kamer zat merkte de rook eerder op dan wie in een groep aan het formulier werkte, en was ook sneller geneigd de rook te rapporteren. Van de acht groepen in het experiment zeiden er vijf helemaal nooit iets over de rook – en we hebben het nu over rook die zo dicht was dat het zicht erdoor belemmerd werd, en ogen geïrriteerd raakten.

Als we het al moeilijk hebben met het opmerken van zoiets eenduidigs als rook in de kamer, dan is het goed bezien een wonder dat vermoedens van kindermishandeling ooit worden gemeld. Ook daar heeft immers vaak een hele groep mensen in theorie de mogelijkheid om blauwe plekken of afwijkend gedrag op te merken en daarop te reageren. De niet-mishandelende ouder, de buren, vrienden van de familie, de docent lichamelijke opvoeding; er is altijd wel iemand te bedenken die dichter in de buurt staat. Die, als er echt iets aan de hand was, toch zeker al iets gedaan zou hebben.

En dan is er nog een complicatie, want de betekenis van het woord kindermishandeling staat bepaald niet vast. U herinnert zich vast nog de discussie over de pedagogische tik en onlangs werd er in de Volkskrant beargumenteerd dat ook in de hoek zetten niet zo onschuldig is als we graag denken. Triviale discussies misschien, maar in de jaren 1970 werd seksueel contact tussen volwassenen en kinderen nog verdedigd als normaal en zelfs bevordelijk voor het kind, een situatie die nu moeilijk voorstelbaar is. De onderliggende vraag is in alle gevallen dezelfde: wat vinden wij, met z’n allen, normaal?

*

Ieder volwassen mens heeft in principe zeggenschap over zichzelf en over zijn eigen gevoelens. Als ik zeg dat ik het eten niet lekker vind kunt u zeggen dat u datzelfde eten wel lekker vindt (uw eigen mening) of zelfs, eventueel, dat het eten lekker is (een objectieve claim). Maar u kunt niet zeggen, of niet zonder dat u de kans loopt om mij te beledigen, dat ik dat eten wel degelijk lekker vind. Daarmee overschrijdt u een grens, claimt u kennis die primair aan mij toebehoort; dat soort gedrag zou vreemd op ons overkomen.

Maar zou ik een kind zijn en was u mijn vader of moeder, dan kunt u die kennis wel degelijk claimen. Sterker nog, een groot deel van de opvoeding draait precies daarom, en om de onderhandeling daarover: jij lust dit wél. Jij bent wél chagrijnig.

Er is wel eens gesteld dat een van de dingen die kindermishandeling zo schadelijk maakt, de noodzaak is tot dubbeldenken; het accepteren van twee tegenstrijdige waarheden tegelijkertijd. Misschien wordt ieder kind weleens gevraagd te dubbeldenken, als wij bijvoorbeeld zeggen dat ze best van spruitjes houden. Maar kinderen in een situatie van mishandeling moeten voortdurend dubbeldenken, omdat de ouder die voor hen zorgt, aan wie ze loyaal zijn en van wie ze houden tegelijkertijd gevaarlijk is, en onvoorspelbaar. Voeg daarbij het feit dat we aan kinderen sowieso weinig kennis toedichten over zichzelf, of geen kennis die niet door een volwassene kan worden overruled en u begrijpt hoe verwarrend de situatie is. Geen wonder dat er enerzijds valse beschuldigingen van mishandeling worden geuit, bijvoorbeeld tijdens echtscheidingsconflicten, terwijl anderzijds veel situaties van werkelijke mishandeling helemaal nooit naar buiten komen.

Als getuigen van mishandeling zijn we ook gedwongen tot dubbeldenken, en keer op keer blijkt dat we daar niet zo goed in zijn. We denken nu eenmaal graag in termen van daders en slachtoffers, waarbij we de dader bij voorkeur een verdorven en diepzwarte persoonlijkheid toedichten. Dat lost de noodzaak tot dubbeldenken op, want van iemand die nu eenmaal slecht is valt ook te verwachten dat hij zijn kind slaat, daar is niets tegenstrijdigs aan. Natuurlijk weten we wel dat de werkelijkheid vaak ingewikkelder ligt, maar we willen dat liever niet voelen. Die neiging om te simplificeren is gevaarlijk, en schadelijk ook voor het slachtoffer, dat dikwijls des te machtelozer wordt naarmate we de dader zwarter afschilderen. Elke loyaliteit jegens de dader wordt dan immers een – nog grotere – reden tot schuldgevoel en er blijft geen ruimte over voor de kluwen aan verwarrende en dikwijls ambigue gevoelens die gepaard gaan met mishandeling in een familiesituatie.

Tegenover ons beeld van de inktzwarte dader staat dat van een lelieblank slachtoffer, en ook dat is niet zonder risico. Er is in onze samenleving veel aandacht voor het verhaal van het slachtoffer, er wordt wel eens gesproken over een slachtoffercultuur. Maar binnen dat verhaal is er maar weinig ruimte voor variatie, en dikwijls wordt van het slachtoffer ook een soort heldendom verwacht; het slachtoffer moet iemand zijn van wie we kunnen houden. In werkelijkheid is dat vaak niet het geval. Het jongetje dat ik in de trein tegenkwam was geen schattig meisje, zoals we dat straks in de film zullen zien. In het Engels hebben ze daar een woord voor: hij was niet loveable. Ongetwijfeld wordt hij niet op feestjes gevraagd en trekt hij niet de aandacht van de omgeving – laat staan dat hij de steun krijgt die hij nodig heeft.

*

it takes a villageMishandeling en misbruik hebben niet op iedereen hetzelfde effect. Vergelijkbare situaties zijn voor sommige kinderen veel schadelijker dan voor andere en er bestaan mensen die in alle opzichten relatief succesvol uit zelfs de meest problematische jeugd tevoorschijn komen. Veerkracht, noemen we dat.

Zodra we een vermoeden van kindermishandeling melden, wordt het primair een zaak van professionals en van de protocollen die daarbij horen. Een protocol geeft richting in het woud van duivelse dilemma’s rondom kindermishandeling; het is bedacht ter bescherming van kinderen die toch al kwetsbaar zijn. Maar een protocol is er ook, en uiteindelijk misschien nog wel meer, voor de omstanders. Wie volgens het protocol gehandeld heeft, heeft altijd iets om op te wijzen, heeft altijd een rechtvaardiging; het was misschien uiteindelijk niet juist, maar wel volgens het protocol.

Als samenleving besteden we de jeugdzorg graag uit aan een onderbetaalde instantie, één waar we graag op mopperen, vlak nadat er weer een groot gezinsdrama heeft plaatsgevonden. Dan volgt er een onderzoek, dan zeggen we dat dit nooit meer gebeuren mag. In de nasleep van die verontwaardiging wordt het protocol steeds belangrijker, de vraag of alle regels wel gevolgd zijn. Tegelijkertijd is onze aandachtsspanne kort, en heeft jeugdzorg zelden de prioriteit wanneer de budgetten verdeeld worden.

We praten vanavond over één, enkel dilemma; melden of niet melden. Achter die vraag schuilt een andere: in hoeverre is een geval van kindermishandeling ónze verantwoordelijkheid?

Er zijn namelijk uiteenlopende antwoorden op de vraag wat iemand veerkrachtig maakt, maar een van de factoren is de nabijheid van betrouwbare volwassenen op wie een kind wél kan rekenen, volwassenen om mee te praten, te lachen, om een andere situatie te leren kennen dan thuis. Er is, daadwerkelijk, een dorp voor nodig om een kind op te voeden. Het is gemakkelijk om op een instantie te mopperen, maar de werkelijke vraag is een andere, een die we minder graag stellen; zijn we zelf wel in de buurt wanneer dat nodig is, zijn we op het dorpsplein aanwezig?

*

Ik kijk naar hen, vanuit de trein, de moeder en haar zoon. Op het perron sjokt hij achter haar aan. Ik ken die houding van gestolde eenzaamheid, van spieren die zich permanent verdedigen. Het is een houding die niemand, zeker geen kind zou moeten hebben, een houding ver voorbij verdriet.

Mijn trein rijdt verder en de jongen verdwijnt uit het zicht. Ik weet niet wie hij is, maar ik weet dat hij het niet zal redden, dat hij hier nooit tegen op kan.

Ik weet nog steeds niet hoe anders, maar ik weet wel dat ik gefaald heb. Ik had iets moeten doen.

——-

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008), dat onder andere gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Dit is geen dakloze mengt filosofische literatuur met journalistieke observaties en de ervaringen van daklozen zelf en werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs Groot.  Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar won zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs. In het jongste nummer van Tirade, Tirade 455, staat een kortverhaal van Wytske Versteeg, Overgave. Ze werkt aan haar derde roman.

In december 2014 is Wytske Versteeg Tirade‘s Zondagse Gastblogster.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Reageer >
 

Enerzijds – Tirade 456 is bezorgd!

21 november 2014 (12:23) | Alan Smithee | Geen reacties

tirade 456 voorplatZojuist kwam een fikse stoet gepantserde waardetransportwagentjes de Herengracht op rijden om halt te houden voor het hoofdkwartier van het zelfstandige Uitgeverij Van Oorschot. Wat droegen de dames en heren van Brinks naar binnen? De eerste felbegeerde exemplaren van Tirade‘s herfstnummer: Tirade 456.

In de loop van de komende week is het nieuwe nummer te koop in iedere zichzelf respecterende boekhandel. Maarrr… je kunt het nu al bestellen in de internet-webwinkel. Hiernaast zie je het voorplat van Tirade 456.

‘Wat mooi!’

‘Wat ongelooflijk súperprachtig.’

‘En dat zijn wat mij betreft dan nog gevoelsarme understatements… Ik moet bijna huilen van ontroering zo mooi vind ik het! Van deze Tirade ga ik minstens twintig losse nummers bijkopen, denk ik!’

llustratie: Suzanne van der Aa. Ontwerp: Emiel Efdée.

Voor de inhoudsopgave (met een overzicht van alle auteurs én vertalers): klik hier. Voor het achterplat: daar.

Tirade – monterrr.

Soundtrack: Singing Whistling in the rain.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014
 
Nr.452 Nr.453 Nr.454 Nr.455 Nr.456
 
bestel
 
 
voorpagina