Het leven ten volle leven

26 mei 2016 (12:14) | Menno Hartman | Geen reacties

Schermafbeelding 2016-05-26 om 12.13.24Over Eric Arnold lezen we in de krant dat hij in 1999 met bergbeklimmen begon. Vorige week overleed hij op de Mount Everest aan de gevolgen van hoogteziekte en totale uitputting. In de verschillende In memoriams die ik van hem las, bevreemdt mij de lichte toon van heroïek. Wat is nu zo heroïsch aan op je 35ste boven op een berg overlijden?

Misschien moeten we na deze koude hoogte meteen de diepte in. Wat worden we geacht van ons leven te maken? In veel landen, tijden en culturen: gewoon dat wat je ouders voor je uitstippelde. In de westerse cultuur word je zeker de laatste eeuw geacht het ‘maximale’ uit jezelf te halen. Op welk gebied dan ook. We vinden dat we moeten excelleren. Schrijvers moeten iets nalaten, hun naam, hun werk. Zakenlieden moeten een fortuin vergaren. De tuinman moet mooie tuinen afleveren. De televisiepersoonlijk moet minuten op de buis maken. In de sport gaat het ook om je naam vestigen, records op je naam krijgen.

Maar de Mount Everest, de respectabele hoogste berg ligt bezaaid met lijken van mensen die het niet redden, en vele bergbeklimmers hebben het al decennia eerder wel gered. Eric Arnold was dus noch de eerste, noch de beste, niet eens de eerste Nederlander, niet de jongste, en overleefde het niet. Nu laat ik de bespottelijke gedachte dat sherpa’s zonder naam gewoon steeds die berg oplopen om rijke westerlingen aan hun kick te helpen maar even achterwege.

Wanneer hij zelf sprekend opgevoerd werd in de necrologieën, zoals in het NRC stuk ‘Het doel waar alles voor wijken moest’, citeert hij bijvoorbeeld Walt Unsworth ‘Er zijn mannen op wie het onbereikbare een speciale aantrekkingskracht heeft. Meestal zijn ze geen experts: hun ambities en fantasieën zijn sterk genoeg de twijfels weg te nemen die voorzichtiger mannen zouden kunnen hebben. Vastberadenheid en geloof zijn hun sterkste wapens. In het beste geval worden ze als excentriek beschouwd; in het slechtste geval als gek.’

Ik vind Eric Arnold excentriek noch gek, ik vind hem cultureel misleid.

Unsworth is de auteur van het boek met de omineuze titel Everest the ultimate book of the ultimate mountain. Het lijkt alsof Eric Arnold op zoek was naar de ultieme ervaring.

Wat betekent nu zijn dood?  Misschien dat er net voor hij stierf tevredenheid is geweest omdat hij het doel bereikt had, de vorige keer had hij moeten afhaken 250 meter voor de top. Heeft hij uit het leven gehaald wat er in zit? Ik ben geneigd te vinden van niet. Ik ben zelfs geneigd te vinden dat dit een vorm van suïcide is die te maken heeft met een beperkte mogelijkheid zin aan het leven te geven. Ik denk ook dat wanneer Arnold had geweten deze klim niet te overleven, hij had besloten de klim niet te wagen. Dat betekent dus ook dat zijn zoektocht naar het ultieme groter is geweest dan zijn realiteitszin.Dat betekent dus ook dat het leven van thrill seekers, of mensen die gevaarlijke dingen doen voor geld als autocoureurs bijvoorbeeld, meeslepend is zolang of kort als het duurt. Hun sterven levert hen wat mij betreft geen heldenstatus op, maar een zacht en vertwijfeld misprijzen.

Dat bewijst zijn Unsworth citaat ook al: het is bijna een verontschuldiging: het gaat mislukken, want ik ben geen expert maar ik volg mijn fantasie.

Mag iedereen zijn eigen leven maken en breken? Ja, ik denk het wel. Maar ik voel het vreemde bijna paternalistische ongemak bij deze dood, dat deze jongen te weinig heeft nagedacht en wellicht te weinig overtuigend inhoudelijk is tegengesproken. Je leven wagen voor uitsluitend een hang naar het ultieme is alleen zinvol zolang je het hebt. Daarna verdwijnt met je leven de zin ervan.

‘Toch ging hij steeds opnieuw, en opnieuw om het leven ten volle te leven, zei hij – niet uit doodsverlangen, maar uit levensdrift. ‘

Reageer >
 

Eten

25 mei 2016 (9:54) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_1687Elke dag vraag ik aan B wat ze wil eten. Meestal doe ik dat na het ontbijt, soms sms ik haar halverwege de middag, als ik al bij mijn visboer op de Albert Cuijp sta. Het vreemde hieraan is dat het niet uitmaakt wat ze antwoordt. Ik weet namelijk al waar ze zin in heeft, ook al weet ze het zelf nog niet of denkt ze aan iets heel anders.

Waar je écht zin in hebt is namelijk niet waar je zin in dénkt te hebben. Wat een mens na een lange dag als psycholoog, stratenmaker, liftbediende of schrijver nodig heeft is zonder uitzondering wat er die dag het lekkerst is, en dat mag onder geen beding worden overgelaten aan degene die niet kookt of niet weet hoe verse vis eruitziet.

Veel mensen werken een tijdje in de horeca en veel mensen werken er een heel leven in, maar slechts een kleine groep krijgt door dat hoewel een restaurant met een menukaart de indruk wekt keuze te bieden en de gast denkt dat hij keuze wil, het daar juist niet om gaat. Horecabezoek gaat om ontspannen en ontspanning heeft alles met vertrouwen te maken.

Een echt goede gastvrouw loopt met menukaarten naar een tafel van 8 personen en weet al voordat haar gasten de kaart hebben opengeslagen wat ze gaan eten; het opsommen van extra’s en dagspecialisteiten dient alleen maar om contact te leggen, vertrouwen te winnen. Zo’n gastvrouw is te herkennen aan de bon waarmee ze na een paar minuten naar de keuken loopt: een kreukloos wit papiertje waarop alleen maar 8 menu staat. IMG_1781

Gisteren Appte iemand me de oneliner: “Relationships are just two people constantly asking each other what they want to eat, until one of them dies.”

Hoewel de bedenker (Rob Fee) het waarschijnlijk heel anders bedoelt, vind ik het een romantisch idee om de rest van mijn leven aan B te zullen vragen wat ze wil om daarna precies datgene te doen waarvan ik voel dat ze het écht nodig heeft.

 

_________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

 

Reageer >
 

Portret van een vrouw

22 mei 2016 (10:32) | Gustan Asselbergs | Geen reacties

beeld zondagblog 4Ze heeft een kunstheup en haar botten doen pijn, maar in de week dat het veiling is, is ze veilig. Ze komt altijd alleen. Zelden koop ze iets. Ze is hier niet voor de prenten of de boeken, althans dat is niet het belangrijkste. Ze komt voor de stem van de veilingmeester. Als ze de lage repetitieve stem hoort, uren achter elkaar, is het alsof alles in haar tot rust komt. Hij noemt de lotnummers, de geldbedragen. De vrouw luistert zonder in te dutten. Ze denkt niet meer aan de dingen waaraan ze niet wil denken. ’s Nachts slaapt ze zonder wakker te worden. De veilingcatalogus is even de wereld en die wereld is opgedeeld in lotnummers met precieze beschrijvingen.

Soms niest de vrouw. Haar hele lijf schudt, het geluid is overweldigend. Klanten die via de webcam aan de veiling deelnemen, klagen erover. Als ze niest, is er niets te verstaan van wat de veilingmeester zegt. Hij probeert er rekening mee te houden: als de vrouw niest, wacht hij even. Er mag niet geboden worden.

Toen ze nog voorin de zaal zat, kon je haar op de webcam zien. Een grote vrouw met brede schouders en brede heupen, haar haren kort, altijd meerdere tassen bij zich. Ze volgt de lotnummers die op het scherm verschijnen, laat haar vinger gaan over de beschrijving in de catalogus. Geregeld kijkt ze voor zich uit, naar een punt in de verte, alsof ze zich ergens diep op concentreert. Mensen uit de hele wereld hebben haar inmiddels gezien. Misschien heeft zij zich dat op enig moment beseft, want tegenwoordig zit ze achterin, buiten het bereik van de webcam. De enige keer dat men haar iets heeft horen zeggen, was na afloop van een winterveiling. Ze vroeg zich af of de veilingmeester in een koor zingt.

Wanneer hij toekomt aan de afdeling ‘Maritieme geschiedenis, topografie en reizen’ sluit de vrouw haar ogen. Dit is halverwege de week, op woensdag. Haar handen liggen opengevouwen in haar schoot. Ze heeft een extra vest om haar schouders geslagen. Dit is het moment dat de stem haar gaat meenemen.

Baedeker, K. The Dominion of Canada with New Foundland and and Excursion to Alaska.
Satow, E.M. A Handbook for Travellers in Central and Northern Japan.
Kruse, E. Seeluft und Seebad. Eine Anleitung zum Verständnis und Gebrauch der Kurmittel der Nordseeinseln.
Amshoff, M.A. Norderney. Brieven bij een badbezoek.

De veilingmeester heeft zeker twee uur nodig voor deze afdeling. De vrouw laat zich meevoeren door de zinnenprikkelende boektitels. In het zeldzame geval dat ze iets koopt, is het een boek uit deze afdeling. Meestal over voormalige kuuroorden. Misschien omdat ze slecht ter been is. Misschien omdat ze uit een familie komt waarin kuren gebruikelijk was. Misschien dat ze zich schuldig voelt dagenlang naar de stem te luisteren, in een mooie stadsvilla aan een groen park, zonder iets terug te geven: ze wil de stem bedanken door haar hand op te steken en te bieden.

—-

fotoportret lichterGustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis

Reageer >
 

Signalen

21 mei 2016 (5:00) | Arjen van Lith | Geen reacties

Met D. in Nieuwkoop (1984).

‘Arie’, vragen steeds meer vrienden me de laatste tijd, ‘hoe kan ik herkennen of mijn zoontje homo is?’ De vraag stellen is hem beantwoorden, denk ik dan, maar hardop zeg ik altijd dat daarvoor geen universele checklist bestaat. Ik kan hooguit vertellen hoe het bij mij is gegaan.

In mijn allereerste rapport op de kleuterschool merkte juf Fia al op dat ik ‘een beetje bang was voor vieze handjes’, waardoor vingerverven en activiteiten in de zandbak uitliepen op een drama. Diezelfde angst uitte zich later in mijn weigering om in de tuin te werken of aan brommers te sleutelen.

Het moet mijn familie zijn opgevallen dat ik op verjaardagen vaak stikjaloers was op mijn tweelingzus die godverdomme wel een opmaakpop had gekregen. In 1977 eindigde Sinterklaasavond in bloed en tranen toen ik – heel even maar – met haar nieuwe, rolbevestigende speelgoedstrijkbout wilde spelen.

‘Afblijven!’ siste mijn zus, die toen een kop groter was dan ik. Met verrassend veel kracht trok ze het ding uit mijn handen en plantte de ijzeren punt frontaal tussen mijn ogen. De term hate crime bestond toen nog niet, maar ik heb er wel een ontsierend litteken aan overgehouden.

Mijn moeder moet iets gemerkt hebben toen ik rond mijn tiende bijna dagelijks door haar kledingkast rommelde, stiekem haar pumps paste, parfums opspoot en haar oorbellen droeg. Voor de spiegel in haar slaapkamer zag ik voor het eerst hoe sterk ik op haar leek als ik mijn lippen stiftte.

In mijn jaren als brugklasser was samen douchen zonder onderbroek nog heel normaal, maar ik deed er niet aan mee. Liever de rest van de dag stinkend in de schoolbanken dan de gymles besluiten met een publieke erectie. Mijn moeder had gelijk: het was inderdaad schaamte, maar van een heel andere orde dan zij vermoedde.

De kiosk op het Rosariumplein in Krommenie verkocht geen homoseksboekjes, dus behielp ik me met het zwembroekenhoofdstuk van Charles Hix’ Man Alive: Dressing the Free Way*, dat ik na gebruik halfslachtig verborg in de scheepslade onder mijn bed.

Zelfs mijn vader – vrijwel afwezig als opvoeder – kon het niet zijn ontgaan hoe mijn zus en ik in de zomer van 1984 tot het bittere einde streden om de hand van D., het aaibare, karamelkleurige en achteraf onhaalbaar heteroseksuele vakantievriendje waar we allebei verliefd op waren. In diezelfde periode schakelde hij (mijn vader) unilateraal over van een begroetingsknuffel naar een hand, want ik was nota bene al dertien.**

Twee jaar later betrapte mijn moeder me zoenend achter het tuinhek met M., de eerste jongen die ook verliefd was op mij. Ze giechelde een beetje, maar heeft me er nooit over aangesproken. Nu pas, nu ik zelf opgroeiende kinderen gehad zou kunnen hebben, begrijp ik waarom. Ze moeten er uiteindelijk zelf mee komen.

___________________

* (Simon & Schuster, 1984)
** Ik heb meerdere aanwijzingen dat mijn vader destijds – tevergeefs – heeft geprobeerd om mijn seksuele oriëntatie bij te sturen. Ik beloof niets, maar wie weet kom ik daar in een latere column nog op terug.

Arjen van Lith (1971) is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Notities (2)

20 mei 2016 (13:59) | Marko van der Wal | Geen reacties

* Heart of a Dog, het prachtige filmessay van Laurie Anderson, gezien. Ik kan alleen niet tegen haar stem, zoals ik ook niet tegen het roombotergeweld kan van een heel zwikkie operazangeressen dat nog steeds denkt dat Maria Callas de norm is. Anderson vertelt met veel kwijl en nadruk over de dood van haar hond, de dood van haar moeder, de dood in het algemeen en de liefde. Het is een heel zweverig geneuzel, rechtstreeks uit het Tibetaans Dodenboek geplukt, of aangereikt door ‘onze’ yogaleraar of psychotherapeut (en dan bedoelt ze die van haar en haar hond). Mijn boerenverstand zegt dan: zielenheilzwendel, wat een quatsch, volksverlakkerij! Denk eerst eens zelf na. Maar misschien had ze dat allang gedaan, en was dit waar ze desondanks bij uitkwam?

* Na een geweldig onweer spraken Willem Jan Otten en Joost Baars over stilte, bij een voorleesbeurt in boekhandel Kirchner. Dat zij die niet als hetzelfde ervaren ligt misschien voor de hand. De een hecht meer belang aan bijvoorbeeld de stilte voordat er gesproken wordt, dan de ander die zulke stilte niet eens bewust ervaart. Sowieso is het ervaren van stilte nogal betrekkelijk: Otten voelt zich niet stil wanneer hij een lange pauze laat vallen tussen de gedichten die hij voorleest, hij is dan alweer met het volgende gedicht bezig, terwijl de luisteraars toch echt een stilte laten vallen. Dat is een stilzwijgende afspraak van het publiek, een verbinding.

* Ik vind het leuk mensen een hele dierenboerderij te sturen via Whatsapp. Maakt mij dat nu een beter mens?

* Luisterend naar een stuk van Stravinsky in Paradiso  bedacht ik: als ik al stilte heb gekend dan was dat niet zonder geluid. Het is in de stad – of misschien in de wereld überhaupt – onmogelijk écht stil te zijn. Zelfs op 4 mei lukt het niet. Een concertzaal biedt uitkomst. Daar is het stil, en de muziek neemt de plaats in van de gedachten, een soort surrogaatstilte. Naast mij keek een meisje voortdurend op haar telefoon. Later stond ze midden in een muziekstuk op, om op haar klossende hakken over het plankier te lopen, en even later terug te keren met twee drankjes in haar handen. Het had mijn avond kunnen vergallen, maar ik was te moe om dat te laten gebeuren. Later vroeg ik me af: hoelang zou het duren voordat de hipsterfreelancers hun werkplekken van de koffietentjes naar de concertzalen verhuizen?

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Reageer >
 

Is dit de P van Piraat?

19 mei 2016 (10:45) | Menno Hartman | Geen reacties

aap-noot-mies-wartaligHet jongetje tovert net buiten het zicht van de meester een klein legomannetje met een donkere vlek op het rechteroog uit zijn zak.

‘Ik heb ook een Ninja, de N van Ninja bij me, wil je hem zien?’

M.is een van de vijf kinderen die ik dit jaar help met lezen omdat ze dat lastiger vinden dan hun klasgenootjes. M. heeft een enorme fantasie, hij vertelt schitterende verhalen over tropische eilanden waar hij geweest is en waarvan zijn vriendjes’ vader koning is. Dat beïnvloedt lezen: als je veel en makkelijk fantaseert, waarom zou dan het volgende woord dat er staat van meer belang zijn dan het volgende woord dat je kunt bedenken?

De vijf kinderen van 6 à 7 met wie ik dit jaar al las vormen een intense motivatie voor mijn idee van het belang van leesonderwijs. Nooit eerder zag ik hoe moeilijk het kan zijn, en hoezeer lezen een eerste en absolute hindernis voor verdere kennisverwerving vormt.

K. is een goed voorbeeld, een heel slim jongetje met grote leesproblemen die ik in eerste instantie uitsluitend achteruit leek te zien gaan. Omdat motivatie van belang is en niets demotiverender is dan in een Formule I wagen 5 km per uur moeten rijden: daar zijn ze niet op gebouwd. Het Formule I-hoofd van deze jongen kan slecht omgaan met zijn leesprobleem. Dan begint verzet: niets is minder aantrekkelijk dan een lapje tekst dat op zich al betrekkelijk onder zijn niveau is in cognitieve zin, maar waar je dan ook nog h-e-el -l-a-n-g-z-a-a-m door heen moet.

Toen kregen we dus echte opstand: de kont tegen de krib. Waar we maar moeilijk uitkwamen met boekjes over brandweermannen en politieagenten.

L. is een ander speciaal geval: zij leest zo slecht niet, maar blijkt een heel ander vocabulaire te hebben. Met een tent is zij nooit op vakantie geweest, een hut of schuur is ook haar dagelijkse realiteit niet. Laat staan schop, hark en tuin. Veel leesmethodes lijken te zijn gemaakt door mensen die in 1971 in een Nederlands dorp zijn geboren. Met haar ging ik dus eerst de klassiekers als ‘1000 woorden’  maar eens af: thematische zoekplaatjes met in de marge alle ‘dingen’ met hun bijbehorende ‘woorden’.  Hoe ziet een tent er uit, en wat is ‘kamperen’? Een kookstel, een haring. etc. Vocalulaire-problemen lijken het makkelijkst op te lossen. Ze is helaas buiten mijn bereik geraakt met haar lezen: ze is te goed geworden en heeft me niet meer nodig…

Met het slimme baasje K. ben ik opeens dankzij de vindingrijke leerkracht ook verder: wat uitkomst bleek te bieden is zijn gevoel voor humor. Het is het type jochie dat zich graag slaplacht. Nu heeft een moppenboekje zijn weerzin overwonnen. In het gezicht zie je de intense wens om tot de clou te geraken. Alle aangezichtspieren bewegen zich al naar de ontladende lach toe. Een betere motivatie dan een klaterende schaterlach als beloning voor je geploeter, is er niet.

Ik heb nooit vermoed dat het feit dat een scheetje van een konijn naar worteltjes ruikt me naar deze belangrijke conclusie zou helpen.

 

Reageer >
 

Ontdekkingsreizen

18 mei 2016 (6:25) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_1363Ik zit in de tweede redactieronde van mijn roman Het jasje van Luis Martín, die dit najaar uit moet komen. Voor het eerst zal een boek van me de titel dragen die ik zelf bedacht. Ik was klaar om mijn poot hierover stijf te houden op de uitgeverij, maar het bleek niet nodig. Redacteur en uitgever Menno vond het een prima naam.

Tot dusver zijn mijn verhalen ontdekkingsreizen geweest. Nooit wist ik tevoren waar ze over zouden gaan of zelfs maar wie de hoofdpersonen waren. Ik startte met een zin, met iemand die als uit het niets begon te praten, en voelde me meer een kijker, een vastlegger van wat zich aandiende dan de bedenker van de wereld die ik schiep.

In mijn debuut stond één halfautobiografisch verhaal, over een vader en zoon die naar Palermo gaan nadat de vader is hersteld van een kanker die hem het leven had kunnen kosten. De vader lijkt best op de mijne. De hoofdpersoon lijkt op mij. Ik voelde niet de verantwoordelijkheid trouw te blijven aan de feiten omdat ik niet pretendeerde feiten op te voeren. Toen het verhaal af was zwoer ik nooit meer zoiets te zullen schrijven.

Palermo is het verhaal waardoor ik door Tirade werd ‘ontdekt’.

Het jasje van Luis Martín is heel sterk autobiografisch. Het gaat over een overleden vriend; over de jaren dat we samen in de Amsterdamse horeca werkten. Er waren dagen dat ik wilde dat ik nooit aan deze onderneming was begonnen, en tegelijkertijd weet ik dat ik in het afgelopen jaar niets anders had kunnen maken. Wat ik het moeilijkste vind is niet hoe persoonlijk het allemaal geworden is, maar hoe lastig het blijkt om schoonheid te zien in dingen die ik zelf heb meegemaakt.

Het valt me zwaar op dit boek te vertrouwen, te blijven geloven dat het straks heel mooi zal zijn. Gelukkig heb ik een eerlijke uitgever, die het me zonder omhaal zou zeggen als hij er niets in zag.

_________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

Reageer >
 

Iepenregen

16 mei 2016 (11:26) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

Ulmus minor MHNT.BOT.2010.12.3.jpgMijn ouders hadden een kat die wild werd als er gemalen koffie gemorst werd. Ze staakte op zo’n moment alles wat ze deed (slapen, wassen, de bank draadje voor draadje uit elkaar trekken of luidkeels gillen met de natte brokjes nog in haar keel, een vreemde gewoonte die er in combinatie met haar dragende stemgeluid voor zorgde dat zelfs de buren een beetje onpasselijk werden van onze gorgelende poes) om glijdend over het zeil naar de bron van haar ultieme genot te spoeden en zich in de koffie te wentelen als Dagobert in z’n centen. We lieten haar altijd maar even, hoewel het een tamelijk obsceen tafereel was om te aanschouwen. Breeeeh knorde ze, huuuugh, ze miauwde in tongen.

Ieder jaar, als de iepenregen in Amsterdam losbarst, moet ik aan die kat denken. Bij het eerste geluid van die warm ritselende stad ontwaakt er iets wildvrolijks in me waardoor ik alles moet laten vallen (werk, ambities, vriendschappen) om vanuit Amsterdam Noord langs en dwars door de stad te fietsen. Zelfs de drukke grachten fiets ik over, zonder dat ik er in de buurt moet zijn, omdat alles knispert en in het gedwarrel minder erg lijkt. Dronken toeristen omgeven door zwierend iepenzaad, als bevonden ze zich in een sprookjesbos bij vuurvliegenschemer, hou me tegen!

katkoffieMijn iepenhysterie is vergelijkbaar met de sensatie die hevige sneeuwval in me losmaakt, of wind die zo hard is dat het je wordt afgeraden naar buiten te gaan. Overmacht van de natuur, een aangename herinnering aan mijn eigen nietigheid, maar dan in combinatie met lente, strijklicht langs de stad die nog niet naar zomer stinkt – fuck jullie, murmelen die iepen, hier, een heleboel zaadjes. Zaadjes op je auto, zaadjes op je huis, zaadjes in je haar en zaadjes die in het tapijt van je fancy maatpakkenzaak blijven kleven.
En dat Amsterdam er dan uitziet alsof je in een sneeuwbol woont. Om op iedereen verliefd te worden zo mooi.

Ted van Lieshout plaatst (haast) ieder jaar hetzelfde gedicht over de iepenregen op zijn weblog. Hij noemt de zaadjes sperma. Ejaculaat. Zonde, dacht ik bij de eerste lezing, hij gaat voorbij aan die feeërieke schoonheid. Maar misschien meende ik dat omdat ik van de lente en de iepen zo lyrisch word dat er uit mijn handen alleen maar prulpoëzie zou komen, zoals wildverliefde mensen met weinig aanleg tot dichtkunst op papier smijten met rozen en zwaar bonzende harten.

Ja, misschien zit van Lieshout dichter op de waarheid dan ik, met m’n sneeuwbol en die vuurvliegjes: ik vrees voor het moment dat mijn gêne door mijn jaren is versleten. Breeeeh, zal ik kreunen, huuurgh en op AT5 zullen beelden verschijnen van een oudere dame gehuld in ondergoed of minder, gelukzalig rondwentelend in de be-iepte goot van de Beethovenstraat.

—-

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Reageer >
 

Eerste rit

15 mei 2016 (11:26) | Gustan Asselbergs | Geen reacties

beeld blog 3 (1)Ik moest boeken halen in Lisse. Het zou mijn eerste rit worden. Er was niks ingewikkelds aan, zei de veilingmeester. Hij legde uit hoe je het inzenders-formulier invult. Ik pakte de TomTom van de schouw.

‘Nou succes,’ zei mijn collega die boven een boek gebogen zat waarvan hij het aantal illustraties telde.

Zodra ik de snelweg bereikte en Haarlem achter mij liet, verschenen links en rechts uitgestrekte weilanden. Ik nam de afslag richting Lisse. De blauwe bestelbus achter mij, die zo te zien verse vis vervoerde, reed door naar Amsterdam.

Het adres waar ik moest zijn, klopte niet. Een bejaarde vrouw riep dat ze niet meneer van Lanen was. Ik belde meneer van Lanen en kreeg te horen dat ik het hoekje om moest.

De man die opendeed droeg een wit-blauw hemd dat strak om zijn uitstekende buik zat. Hij stelde zich voor als Piet. Hij ging mij voor naar de gang. Meerdere lundiakasten die uitpuilden van de pockets en tijdschriften, schoenendozen en smoezelige multomappen. Op de grond lagen kranten, glasscherven en hoopjes zand. Ik was nog maar net binnen.

‘Kijk maar even rond,’ zei hij met een hoog stemmetje. Hij knikte erbij alsof zijn huis een paleis was. ‘Ik moet nu naar boven, want de stoffeerders zijn er.’

‘De stoffeerders?’ Ik zei dat ik niet veel tijd had, ik kwam alleen de spullen halen. ‘U moet de selectie maken.’

Hij krabde aan zijn oor, zijn vette haren lagen als een mat in zijn nek.

‘Nou, kom dan maar mee.’

Boven was een smal pad waar je net kon lopen. Bij elke stap rinkelde er iets, of viel er iets naar beneden. Ik manoeuvreerde tussen kratjes, oude apparaten, tafels die op hun kant stonden, dozen met lp’s en snuisterijen, kasten met glaswerk, vaasjes, pannen en plastic zakken vol kleren. Ergens stond een tv aan. Dit was dus de huiskamer. Aan de muren hingen schilderijtjes in vieze lijsten. Hij had waarschijnlijk nog meer in de andere kamers, maar daar kon je niet komen. Daar kon niemand komen. Piet van Lanen had zich ingegraven.

Op het moment dat ik mij dat realiseerde, had ik twee dingen kunnen doen: naar de zaak bellen met het bericht dat ik er niet uitkwam, óf afwachten in de hoop dat Piet van Lanen mij zou gaan helpen. Het was mijn eerste rit. Ik wilde dit goed doen.

Nadat de stoffeerders weg waren (ze droegen leren jassen, de stoelen die opnieuw bekleed moesten worden, bleken zoek), kwam er een man aanzetten die Piet zou gaan helpen met het leggen van een stuk zeil. Het zeil was niet meer dan 6 vierkante meter. Piet had het de vorige week uit een kliko gevist. Hij wilde van zijn tapijt af, zei hij. De man die hem zou gaan helpen miste een voortand en was zeker tien jaar ouder dan hij.

Ik zei: ‘Meneer van Lanen ik moet gaan, ik geloof dat ik niets voor u kan betekenen.’

‘Maar we zijn bijna klaar,’ sputterde hij tegen. ‘Wil je wat thee?’

Ik kon niet antwoorden. Ik kon alleen maar denken: waar zou je in godsnaam thee moeten zetten? Ik keek naar de man met de ontbrekende tand. Hij grijnsde, knielde neer en zette het mes in het tapijt.

—-

fotoportret lichterGustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis.

Reageer >
 

Kijktip: Lift

14 mei 2016 (5:40) | Arjen van Lith | Geen reacties

Reality tv is een bewerkelijk genre. Op het oog lijkt het eenvoudig om een stel aso’s in een villa op te sluiten en vervolgens te kijken hoe Terror Jaap in een taart kotst, maar er is een klein garnizoen aan scriptschrijvers en dramaturgen voor nodig om van die reality iets uitzendwaardigs te maken. Reality op tv is bijna altijd creality, een sociaal experiment, liefst geïsoleerd, op een exotische locatie en met een explosieve dynamiek onder de deelnemers. Met de dagelijkse werkelijkheid heeft het niets te maken.

Regisseur Marc Isaacs heeft in zijn film Lift (2002) het tegenovergestelde geprobeerd. He keeps it real. Zoveel hij kan. Dagelijks sluit hij zich tien uur op in de lift van een verloederd flatgebouw in Londen en laat zijn camera draaien. Hij probeert bijna letterlijk een vlieg aan de roestvrijstalen wand te zijn. Een pratende vlieg, want af en toe waagt hij zich aan een vraag. De bewoners doen de rest en bewijzen opnieuw dat alle Britten stuk voor stuk geboren performers zijn. In hun korte tripjes naar boven of naar beneden schitteren ze als zichzelf. Ze storten hun hart bij Isaacs uit, zingen een liedje, intimideren hem of staan openlijk met hem te flirten, zoals de jiddische oma met haar beige gegranolde gezicht. Niet omdat er roem of een geldprijs te winnen valt, maar omdat die filmende liftboy er nu eenmaal bij hoort.

Please mind the door.

__________________

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462
 
bestel
 
 
voorpagina