De bouwende bokser

24 augustus 2016 (16:30) | Menno Hartman | Geen reacties

Tadao

een lang pad, een steen, een paal en een muur…

Als ik ernstige koorts heb droom ik gebouwen. En ook in gezonde toestand is mijn dromen opvallend vaak architectonisch van aard. In momenten van verveling schets ik plattegronden van badkamers, hele mooie. Mijn nieuwe architectonische held is Tadao Ando. Deze zomer bezocht ik het Lee Ufan Museum op het eiland Naoshima. Een geweldige combinatie van kunst van deze Koreaanse meester, en omgeving en architectuur, omdat kunstenaar zowel als architect zichzelf een gelijksoortige zen-achtige beperking op lijken te leggen.

Waardoor het een lichamelijke beleving is naar Ufangs kunst te kijken in Ando’s gebouw. Het klopt bij elkaar. En het levert veel minder of een andersoortige informatie dan je gewend bent in een museum. Vooral veel minder denk ik.

LEE-UFAN-MUSEUM-NAOSHIMA

halverwege binnen en buiten

Iets dergelijks beleef je ook in het Guggenheim in New York: de architectuur van het gebouw helpt heel erg de kunst die het etaleert te waarderen.

Wat gebeurt er nu eigenlijk als je bij aanlopen een lang pad, een steen, een paal en een muur ziet? (figuur 1)

Het lijkt me een nieuwe variant op een in Japan oud principe, dat van de zen-tuin. De compositie van de stenen daarin is grondig overdacht, is gericht op 1 kijkpunt, en representeert de wereld. En lijkt nadenken te bevorderen. Heel eenvoudige balans, om de kijker die geconfronteerd wordt met die balans zich te laten afvragen wat die balans betekent. En na even nadenken erachter komen dat je denkt dat die balans niets betekent, maar dat het heel plezierig is ernaar te kijken. Dat het dus balans is. En dat je er even bij moet gaan zitten.

Iets dergelijks geldt voor als je de muur gepasseerd bent en een stuk gelopen hebt, dan geraak je bij de tweede foto, je bent nog niet binnen, maar ziet in een overgangsplek zowel het binnen waarheen je gaat als het buiten vanwaar je komt.

De meest verfrissende gedachte is nog wel dat deze Tadao Ando niet eindeloos in zenboeken heeft zitten studeren, of heel veel post-constructivistische meesterwerken gelezen heeft, nee, hij was vrachtwagenchauffeur, en bokser. Een selfmade architect.

Ik droom nog even door.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Gedachten bij een generale

22 augustus 2016 (10:38) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

800px-SlagroomtaartEr repeteert een amateurorkest in de kerk te M., ik ben in M. omdat ik er iets wil eten tijdens een fietstocht. Voor de kerk staat zo’n man die overal bij hoort, de dorpsvereniging, de blaaskapel, de feestcommissie, de bewonersvereniging en de vrienden van de lokale natuur – hij lokt me de kerk in.

‘Het is de generale,’ roept hij me na als ik onwillig de glazen draaideuren door ga, in die draaideuren ruikt het sterk naar koffie en koek.
Het is een sobere kerk, ik loop over de graven naar waar het orkest zit en sla ondertussen folders en een lidmaatschap van de lokale omroep af.

Later lees ik op Wikipedia dat de laatste begrafenis in de kerk op 30 december van het jaar 1830 heeft plaatsgevonden, maar er staat niet bij wie er dan als laatste begraven is en of er een beslissing aan vooraf is gegaan, of er misschien eigenlijk wel drie mensen begraven moesten worden die dag maar dat er maar één de laatste kon zijn in de kerk die verzakte op de holtes die lijken achterlieten, dat de rest het met een sober kerkhofje moest doen, onder het gras en niet onder steen, verder weg van God en zonder de gedachte dat hun eigen familie nog decennia met de voetzolen het graf zou bepotelen. Ik vraag me af of er tijdens die laatste begrafenis in 1830 mensen ongepast nostalgisch werden, nog even genoten van de plechtige treurigheid die versterkt werd door het gewelf.

De generale repetitie verloopt dramatisch; de dirigent moet regelmatig stoppen om aanwijzingen te geven, zelfs ik hoor dat het vals is en uit de maat, vooral één toetertje dat overal scheef bovenuit jammert, steeds gevolgd door een hoestende viool.
Arm orkest.
Vanavond is de lokale omroep er, ze staan al op te bouwen, en dan zitten alle muzikanten aan die onhandige blazer vast. Na afloop moeten ze hun familie uitleggen dat hij nieuw is, die blazer, of het zoontje van de dirigent. Arme ooms en moeders, die dan moeten zeggen dat de dwarsfluit of de klarinet of de altviool wél heel goed klonk, en dat ze dat dan iets te enthousiast zeggen omdat ze na anderhalf uur stroeve kutmuziek luisteren met hun billen op keiharde bankjes eindelijk een kopje koffie mogen, al is die koffie waterig en smaakt hij naar de geur van nat karton. En dat de neefjes en nichtjes heus wel weten dat er gelogen wordt, zelfs door tante Els die altijd op een kussentje mag zitten omdat ze het aan haar rug en haar karakter heeft, dat ze niks waard zijn als hoboïst en als mens, dat ze de muziek niet snappen en de Bijbel niet snappen en dat hun jaarlijkse hoogtepunt altijd een kringverjaardag met slagroomtaart van de HEMA zal blijven, een half puntje, want ze zijn op dieet.

Onder hun voeten slaan 30.000 dooien de handen voor hun holle ogen.

IMG-20160820-WA0001Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Reageer >
 

Als alles geluid maakt

21 augustus 2016 (9:39) | Marjolein Takman | Geen reacties

Foto: Rushen (Flickr)

Foto: Rushen (Flickr)

Negentien jaar woonde ik op een helling boven een soort sloot. Ik rolde vaak van de helling af. In de zomer telde ik kikkers. Dat was niet moeilijk, want er waren er heel veel. Elke groene kikkerkop die boven het water uitstak was één kikker. Dus ik telde er heel veel dubbel, maar vergat ook alle kikkers die even niet boven water waren. Het zou me niet verbazen als er honderd kikkers in die sloot lagen. Honderd kikkers die vooral ‘s nachts kwaakten.

Tegenwoordig hoor ik ’s nachts geen kikkers meer, maar een collectief van geluiden waar ik aan heb moeten wennen. De manier waarop hier een deur dichtslaat. De stem van het vriendje van mijn huisgenoot – het is de stem van een jongen die zelf niet weet hoe hard hij praat. Het gerochel van de afvoer. Het gevoelsleven van de boiler. Ik ben zo lang gewend geweest aan niks dan kikkers, dat elk ander nachtelijk geluid een kanonschot is geworden.

Een paar kilometer van de sloot met honderd kikkers ligt een voetbalstadion waar wel eens een dance-event wordt georganiseerd. Ik heb geruchten gehoord dat de organisatie de omwonenden kaartjes geeft voor dat soort evenementen zodat ze een nacht kunnen feesten in plaats van een nacht wakker liggen. Ik denk niet dat het zin heeft gehad, want een paar kilometer van het stadion ligt een sloot met honderd kikkers waar de geluiden van dreunde bassen nog te horen zijn. Als je iedereen in een straal van het stadion tot de sloot een kaartje wil geven, moet het stadion een kelder, een zolder en een trap naar de maan krijgen om alle mensen een nacht te kunnen laten feesten in plaats van een nacht wakker liggen.

Honderd kikkers maken geluid zoals alles altijd geluid maakt. Honderd kikkers brengen veel meer geluid voort dan een tv op normaal volume, een paar gipsmuren verderop. Honderd kikkers onder je raam brullen harder dan een dance-event op afstand. Maar het geeft niet, omdat een kikker zoveel makkelijker te begrijpen is. Ik heb kikkers gezien. Ik begrijp een kikker zoals ik mijn eigen stemgeluid ook begrijp. Het spreekt vanzelf. Waarom een stereo zo kan dreunen, waarom een tv zo kan zeuren, begrijp ik niet.

Soms komen er midden in de nacht twee motorrijders op de parkeerplaats staan en ik kan niks anders doen dan de lamellen opzij schuiven en naar buiten staren tot ze wegrijden. Als het half vijf in de ochtend is en een diepe stem zich door drie lagen rubber in mijn gehoorgang dringt, is dat een tv binnen een straal van drie tot vijf vierkante meter van mijn hoogslaper. Het getik is de verwarming. Het gekraak is het bed van mijn buurmeisje. Ik luister altijd liever naar kikkers.

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Reageer >
 

Rio

20 augustus 2016 (13:42) | Arjen van Lith | Geen reacties

Speedo2

Op Bagdad en Johannesburg na was Rio de Janeiro de gevaarlijkste stad van de wereld toen M. en ik daar vakantie vierden. Dat was in 2008, toen alles economisch nog geweldig ging in Brazilië.

We logeerden in Ipanema, waar onze vriend A. – een flamboyante Nederlandse modeontwerper van pensioengerechtigde leeftijd – een penthouse bewoonde met zijn 26-jarige inheemse mooiboy A2. In ons gezelschap bevonden zich verder nog A3, een steenrijke voormalige leernicht van 85 die zijn hele Rolexverzameling op vakantie had meegenomen, en C., het ternauwernood postadolescente inruilmodel van A2, met golvend halflang haar, vochtige Bambi-ogen en een wrede mond. A2 en C. lagen elkaar niet zo, maar daar merkten wij weinig van; wij hadden onze eigen badkamer.

A2 groeide op in een soort grot in de provincie Minas Gerais. Toen hij zes was, werd zijn vader door bendeleden doodgeschoten. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een Nederlandse verblijfsvergunning.

Tijdens een pool party vertelde C. me dat hij een dag eerder een vrouw naast hem voor het stoplicht in elkaar had zien zakken. Geraakt door een verdwaalde kogel. C. groeide op in de favelas van Rio. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok iedere dag naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een creditcard van de zaak.

M. en ik hadden gelukkig nog weinig gemerkt van de gevaren van Rio, totdat we na een bezoekje aan het schokkend povere Museo de Arte Moderna (MAM) terugkeerden in het penthouse. A2 en C. waren er op dat moment niet, maar A. en A3 wel: kwijlend en lallend kropen ze over de parketvloer, terwijl het op dat moment nog geen half vier was. In de deuropening naar de logeerkamer waar A3 zijn horlogecollectie had uitgestald, stond een grote, vreemde man die een zure zweetlucht verspreidde. Onze plotselinge entree op de plaats delict had hem zichtbaar van zijn stuk gebracht, maar hij herpakte zich snel, professioneel. Hij stelde zich voor als a friend of your friends en wees naar de vloer, waar A. intussen de bankleuning aan het droogneuken was en A3 al bijna sliep, half gewikkeld in het vloerkleed.

‘Hier is iets niet goed’, merkte M. op, de slimste van ons beiden.

Hoe we de indringer de deur uit hebben gewerkt, staat me niet meer helder voor de geest. Ik herinner me alleen dat ik instinctief mijn verleidelijkste glimlach opzette en hem heupwiegend richting de dienstlift probeerde te lokken, terwijl M. ‘Sjoeh! Sjoeh!’ riep en met zijn armen maaide. Achteraf vermoed ik dat onze aanwezigheid op zich al genoeg was: een paar gedrogeerde bejaarden kon hij met gemak aan, maar nu stond hij onverwacht tegenover twee vitale nichten in de kracht van hun leven.

A. en A3 zijn in totaal twintig uur buiten westen geweest. Op het politiebureau verklaarden ze dat de verdachte hen op een terras steeds opnieuw rondjes had gegeven en dat hij een vreemd soort balletje-balletje met hun glazen had gespeeld. Daarna werd alles wazig.

‘Toch jammer’, liet A3 door de agent optekenen. ‘Op een bepaalde manier was hij giga-charmant.’

_______________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Dodenakker bij nacht

18 augustus 2016 (10:24) | Menno Hartman | Geen reacties

IMG_3262Dit vriendelijkst baasje woont in Koyasan in een machtige ceder op de grootste begraafplaats van Japan. Tweehonderdduizend graven liggen in avondlijke flarden mist verstrooid over bergen in een bos van mos en onder enorme ceders, op de plaats waar de monnik Gobodashi (弘法大師 The Grand Master Who Propagated the Buddhist Teaching) in het jaar 816 vond dat een tempelcomplex moest verrijzen. De man was op reis naar China geweest en had voornemens een boeddhistische orde te stichten in Japan. In de bergen van Nara, onder Osaka trof hij een hooggelegen dal met toppen eromheen die in de verte een gelijkenis met een lotus opriepen. Dat moest de plek worden.

‘S Avonds wordt de begraafplaats sprookjesachtig verlicht door duizenden lampjes die in stenen graflampen geplaatst zijn. Ik liep op zo’n nacht naar de tempel aan het uiteinde van de begraafplaats, daar namelijk waar ook het mausoleum van Gobodashi is.  Hij is weliswaar niet dood, maar is in gepeins verzonken sedert het jaar 835. De lucht was dreigend.

IMG_3257We zijn in Nederland niet erg gewend ‘s nachts over begraafplaatsen te lopen, maar deze tempel moet van de orde  24 uur per dag open zijn. In het dorp waar ik vandaan kom ging ik rond middernacht wel eens op een kerkhof kijken wat er gebeurde. Jeugdige nieuwsgierigheid. Er gebeurde nooit wat. Maar door de weinig  definitieve vorm van doodzijn die in de christelijke wereld gepropageerd wordt, kun je opstanding verwachten en dat maakt kerkhofbezoek wat ongemakkelijk ‘s nachts. En daarbij de wetenschap dat sommige doden niet schijnen te accepteren dat ze dood zijn. Wanneer je over een boeddhistisch kerkhof loopt weet je dat de zielen behorende bij de knekels die daar rusten, zich thans in een andere levensvorm ophouden. Dat maakt de knekels bij voorbaat minder boosaardig. Het helpt ook dat op sommige graven een logo van Mitsubishi te zien is, of Toyota, het bedrijf waar de brave afgestorvene arbeidzaam was. Wie vreest nu geesten van zulke keurige werknemers? Al was er ook een zerkje van een 12e eeuwse non waarvan werd beweerd dat je met je oor erop het schreeuwen in de hel kon horen. En elders bevond zich een put waarvan de mare ging dat hij geen weerspiegeling gaf van wie binnen drie jaar sterven zou. Helemaal gezellig was het er dus niet.

En er zijn voldoende ‘geest-verhalen’ in de Japanse cultuur die de kerhofwandelaar toch nog op ongemakkelijke gedachten kon brengen. En het leek ook nog te gaan regenen.

Maar ik had goede zin. Ik ging Gobodashi bemoedigen. Het valt niet mee tenslotte, 12 eeuwen zitten mediteren in afwachting van de boeddha van de toekomst, opdat je kunt bemiddelen tussen hem en de mensen.

IIMG_3260k was helemaal alleen, het was een fraaie tocht, na een hete dag viel opeens toen ik in de tempel aangekomen was een sluier van dichte regen neer, het geluid van regen gecombineerd met krekels die oorverdovend de mis zingen zal ik niet licht vergeten. Honderden bewerkte koperkleurige lampen hingen boven de gaanderij om de tempel heen. Aan de achterzijde was ruimte om wierook te branden en een kaars. Helemaal in het midden van de achterzijde liep een klein paadje naar een wit gebouwtje met een open deur waarin slechts donkerte. De verblijfplaats van Gobodashi. Religieus opgevoed als ik ben komt mij geen neiging tot blasfemie lastig vallen op dat soort momenten. ik boog dus diep en hield die pose even aan, ook omdat ik me afvroeg hoe het zou voelen na dat halfuur terug lopen in de stromende regen. Ik maakt mijn ronde af en verbaasde me over de muziek en vooral intensiteit van deze Japanse bergregen.

Aan de voorzijde van de tempel viel mijn oog op een rek met precies één keurig ingevouwen paraplu. Mitsubishi.

Reageer >
 

Wat je moet met mensen die huilen in het openbaar

14 augustus 2016 (9:39) | Marjolein Takman | Geen reacties

foto: Pascale Maramis

foto: Pascale Maramis

Ik had een keer een discussie met een docent over de functie van literatuur, zoals iedere aan zichzelf twijfelende schrijver dat wel eens heeft. Ik zei dat ik literatuur een behoorlijk nutteloos fenomeen vond- ik was ergens kwaad over denk ik.
‘Maar ik lees boeken als troost,’ zei mijn docent, ‘dan heeft het  toch nut?’
Niemand anders doet zoiets, dacht ik.

De laatste tijd help ik veel vreemden met dingen sjouwen. Fietsen, tassen, kinderwagens, vuilniszakken. Zolang ik niks hoef te zeggen, doe ik voor iedereen mijn uiterste best. Ben je verward, emotioneel of uitgeput: ik draag je tassen drie trappen omhoog, maar ik ga geen goed gesprek met je voeren. Ik tref ook wel eens mensen die geen praktische hulp nodig hebben, maar om een of andere reden onbedaarlijk zitten te huilen op een treinbankje. Daar doe ik niks voor, al zou ik soms wel willen dat ik dat kon.

Op de middelbare school was ik onderdeel van een behoorlijk hecht vriendengroepje, maar als iemand huilde, hield ik afstand. Er waren mensen in die groep die goed konden omgaan met jankende mensen. Als de persoon in kwestie weer enigszins aanspreekbaar was, kwam ik langs en vertelde ik anekdotes over irrelevante dingen. Mijn ouders kwamen een keer thuis van een vakantie met een design-eier-ontdopper. Er is een straat in Amsterdam-Noord die Melkweg heet en ik ben benieuwd of ik de enige ben die daar ooit van in de war is geraakt. In Denemarken spoelen heel veel kwallen aan. In feite wil ik mensen troosten door ze zomaar wat te vertellen.

Er zijn talloze films en series waarin ook gejankt wordt in het openbaar, maar dat zijn vaak hele subtiele momenten. Een man loopt alleen over straat en realiseert zich dat hij de liefde van zijn leven op een vliegtuig naar Tuvalu heeft laten gaan en dat hij haar nooit meer gaat zien. En dat rolt er één traan over de wang van de geëmotioneerde en daar blijft het bij.

In de film Whiplash zit een scene waarin de hoofdpersoon ten overstaan van een complete jazzband wordt uitgescholden door zijn docent. Hij begint met een subtiele traan, maar dan zegt zijn dirigent: ‘Are you one of those single tear people?’. De traan escaleert tot een huilbui waarbij de hoofdpersoon wordt gedwongen om heel hard te roepen dat hij overstuur is. Het is beschamend, zoals publieke huilbuien vaak beschamend zijn. En dichtbij iemand komen die zich schaamt heeft iets gevaarlijks, net als dichtbij een gewond dier komen. Die geef je geen boek als troost. Daar vertel je niks tegen.

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Reageer >
 

De interimmer

13 augustus 2016 (9:15) | Arjen van Lith | Geen reacties

beeld column 45 De interimmer

De eerste keer dat ik de interimmer zag, was op een dinsdagmiddag in 2009 op de redactievloer van een grote nieuwsorganisatie waar ik werkte als freelance redacteur en voice-over, en waar hij de bezem door ging halen. Meteen voelde ik een bijna fysieke afkeer, een antiperistaltische walging die ik doorgaans alleen reserveer voor ongedierte en andere ziekteverspreiders.

Ikzelf en de meeste mensen om me heen beschouwen mij als een vriendelijk en vergevingsgezind type. Eigenlijk haat ik helemaal niemand, behalve dus de interimmer. En bijna zeven jaar na dato haat ik hem nog steeds met alles wat ik in me heb. Soms mijmer ik onder de douche over wat ik tegen hem had moeten zeggen tijdens mijn functioneringsgesprek, want in tweede instantie kan ik heel vilein uit de hoek komen. Ik snuffel – anoniem – regelmatig rond op zijn Facebookpagina en gniffel in mijn vuistje als hij dikker is geworden of wanneer zijn relationship status nog altijd op single staat. Als ik een film zie waarin plotseling iets zwaars uit de lucht komt vallen – The Truman Show, A Fish called Wanda, United 93* – dan denk ik: daar had de interimmer ook kunnen staan.

Op verloren momenten in de trein denk ik met een mengeling van nostalgie en leedvermaak terug aan de kledingstijl van de interimmer. Hij droeg gestreken spijkerbroeken met een vouw in de pijpen en had een duidelijke voorkeur voor alles met een Ferrarilogo erop: rugbytruien, bodywarmers, honkbalpetjes, duikhorloges, het beschermhoesje van z’n iPhone en de sleutelhanger van zijn leasebak – een matgrijze Volkswagen Passat die niet alleen doodsloeg op het rood van zijn favoriete merk, maar ook op dat van zijn opgezwollen cholesterolkop. Ik ben niet religieus opgevoed, maar nu ik de interimmer ken, geloof ik dat er een speciaal hoekje in de hel bestaat voor statusgeilers met een comb-over en een T-shirt onder hun hemd. Wansmaak is de achtste hoofdzonde.

Van nature ben ik een zonnig mens. Iedere ochtend word ik wakker met een liedje in mijn hoofd, dat ik vervolgens de hele dag zing, neurie en fluit. Soms blijft één bepaald nummer onbedoeld langer hangen, zoals bijvoorbeeld I Don’t Like Mondays van the Boomtown Rats (1979), dat ik op m’n twaalfde de hele zomervakantie niet meer uit mijn kop kreeg. Op die manier worden zelfs de grootste meesterwerken een marteling, behalve de vaderlandse klassieker Onze Jan is manager geworden van Joop Visser. Ik zong de onderstaande coupletten toen de interimmer me op staande voet door de beveiliging uit het Mediapark liet verwijderen**, en sindsdien kan ik er geen genoeg van krijgen:

Nooit een vak geleerd
Z’n handen staan verkeerd
Onze Jan is manager geworden

Nergens voor geschikt
Heeft ie ‘t geflikt
Onze Jan is manager geworden

Werken lukte nooit zo goed
Maar nu vertelt-ie hoe het moet
Onze Jan is manager geworden

Heel soms zie ik ze weleens schuifelen door de stad, voormalige collega’s, lotgenoten waartegen de interimmer vlijtig zijn ‘dossiertjes opbouwde’ met als enig doel om ze zo snel mogelijk te laan uit te pesten. Geknakt zien ze eruit, stuk voor stuk, met gebogen hoofden en het hele jaar door een loopneus. Achteraf heb ik nog geluk gehad: een harde knip is vaak beter dan uitgesmeerd lijden.

In het boek The Long Walk van Stephen King***, over een wandelmarathon zonder finish waarin iedereen die zich niet aan de regels houdt, wordt doodgeschoten, blijft één van de deelnemers bijna tot het laatst toe overeind, op de been gehouden door zuivere haat jegens een andere loper. Ik schaam me niet om toe te geven dat het bij mij ook zo zit.

Zelf heeft hij er geen idee van, maar de interimmer is een vast personage in mijn leven geworden. The man I love to hate. Met z’n middelmaat, z’n ellebogenwerk en z’n managersgelul inspireert hij me al jaren om hem in variërende verschijningsvormen helemaal kapot te schrijven. Ik visualiseer hem aan de overkant van het net als ik achtersta in een tennispartij. Er gemakshalve van uitgaande dat mijn geluk zijn ongeluk betekent, motiveert de interimmer me iedere dag opnieuw om extra te genieten van de kleine succesjes in mijn leven en, in alle eerlijkheid, om überhaupt mijn bed uit te komen. Daar verdient niemand anders de credits voor.

Dankzij de interimmer ben ik een beter mens geworden.

_____________________

* respectievelijk een studiolamp, een betonblok (of een flinke vriezer) en een vliegtuig.

** Achteraf hoorde ik dat de interimmer bang was dat ik hem aan zou vliegen, maar dat is laster. Ik liep op dat moment op krukken vanwege een venijnige zweepslag, opgelopen tijdens de atletiekdag van mijn neefje M. waar ik meteen bij het startschot van het eerste spel – een slalomparcours met M. in een winkelwagentje van de Lidl – veel te hard afzette en een gapend gat in mijn kuitspier scheurde. Nog altijd trekt mijn rechterbeen een beetje, en vlak onder mijn knieholte voel ik tegenwoordig precies wanneer het gaat onweren.

*** King schreef The Long Walk (1979) onder het pseudoniem Richard Bachman.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Zomerse wijnvlekken

12 augustus 2016 (11:09) | Marko van der Wal | Geen reacties

Aan het begin van de zomer stopte ik een aangebroken fles wijn in mijn tas om mee te nemen naar etentje. Tijdens de autorit klonk er een hard tik; vanaf de achterbank zei iemand: ‘Daar ging de atjar.’ Eenmaal aangekomen voelde ik nattigheid mijn tas doorsijpelen. Wit. Gelukkig maar, wat zou er anders van het notitieboekje, de paperassen, mijn vest zijn geworden? Ik hing de inhoud van de tas op de veranda te drogen. De meeste van mijn aantekeningen waren niet meer te redden.

Het was me een keer eerder gebeurd (en het zal me later nog gebeuren), na afloop van een studentenweekend. Ik had had daar bij het scheiden van de markt nog een laatste fles in mijn plunje weten te stoppen. Bij thuiskomst walmde me de goedkope lucht van het droesem tegemoet. Rood. Stoom uit m’n oren en vuur uit mijn neus! Als de sodemieter heb ik alles ontdaan van de scherven en, met gebruikmaking van een grootmoederrecept,* in de week had gezet. Het resultaat was redelijk; in ieder geval niet de gevreesde roze batik.

Een paar weken geleden, bij een barbecue zat ik lekker in het gras, toen iemand besloot zijn glas wijn over mijn rug uit te gieten. Weer rood deze keer. Ik werd gesommeerd op mijn buik te blijven liggen, iemand zou wel zout zoeken en dat uitstrooien over de aangedane plek. Intussen voelde ik me niet zo lekker, waardoor aanliggen bij de barbecue geen straf was. Maar een halfuur gestrekt doorbrengen met een berg zout op je rug is saai. Ik begon maar anderen te vragen of ze me een goed verhaal wilden vertellen, in ruil voor een verhaal van mij.** Met die vlek is het uiteindelijk weer goedgekomen.

 

* Zout erover. Bij voorkeur weken in witte wijn van hetzelfde merk, verhouding 1 op 2 . In bovenstaand voorbeeld dus: 2 flessen witte Mooikaap tegen 1 fles rode Mooikaap. Uitspoelen, vervolgens weken in Biotex. Eventueel nog in de wasmachine

** De volgende dag ging ik met een vriend een tripje maken naar Almere. We zouden daar een houten schaalmodel van een KLM Boeing 747 ophalen. Ik had er alvast van alles bijgefantaseerd.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij bijna wekelijks voor tirade.nu.

Reageer >
 

My feet feel good

8 augustus 2016 (11:36) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

20160730_110330We reden in de regen over Noorse haarspeldbochten, ik weet niet waarheen. Misschien gingen we naar Bergen of naar Haugesund of was het die ene keer dat we naar een klein dorp wilden omdat we alle grote plaatsen al gezien hadden en die regen maar bleef komen waardoor we tijdens wandelingen van bergen vol gladde stenen en boomwortels af glibberden –  de weg naar dat dorp was afgesloten, de enige manier om er te komen was acht uur omrijden. Om bergen heen, om water heen, dwars door de wolken. We reden niet om. Uit de boxjes van de de Twingo klonk Noorse Radio, iemand die het over het miljø en de økonomi had en toen een popsong. Blues light.

My feet
Feel good, 
My feet
Feel good

Dat was wonderlijk, een liedje over je voeten, zo hartstochtelijk ook, ik kon de tranen in de ogen van de zanger horen opwellen. Al kon ik me direct een hit van jaren geleden herinneren, Paolo Nutini die over z’n nieuwe schoenen zong. Dat alles oké is als je die aantrekt. Inderdaad voelde ik me erg oké die weken in Noorwegen, mede doordat ik me er eindelijk toe gezet had bergschoenen te kopen, ze zien er niet uit maar voelen als grote lieve sokken met veel grip. Schoenen zijn fantastisch.

Maar voeten? In popsongs worden die alleen benoemd omdat erop gedanst wordt, of als onderdeel van wat er allemaal nog meer heel erg goed voelt, misschien komt er zo nu en dan ergens een vrouwenvoet langs omdat alles aan de vrouw immers bezongen moet worden. Feet die on the ground blijven of juist niet, de dingen under your feet.

My feet
Feel good

‘Huh,’ zei I. bij ’t tweede refrein, ‘zingt deze man nu over voeten?’

20160725_174132Het was een makkelijk refrein, steeds die voeten, we zongen mee. Het was belachelijk. Misschien was het lange tijd erg slecht gegaan met de voeten van de zanger. Dan ben je inderdaad blij als je weer kunt lopen, bijvoorbeeld. Terwijl ik meeblèrde dacht ik aan vriendinnen die schoenen probeerden te verkopen op Marktplaats en e-mails ontvingen van mannen die foto’s van hun voeten wilden. Of ze misschien ook gedragen slipjes (dat woord, alsof je er de hele tijd in uitglijdt, dit terzijde) hadden. Dat sommige van de vriendinnen met de gedachte speelden, wat kan het verkopen van een ouwe onderbroek kwaad, er wordt best veel geld voor geboden en ze passen gewoon in een envelop, je zit niet met pakketkosten of zo. Je zou een heel bedrijf kunnen starten, zoals Piper dat doet vanuit de gevangenis, in de serie Orange is the New Black. Of je zou een automaat neer kunnen zetten met vieze onderbroeken, zoals ze volgens internet in Japan bestaan. Ik dacht aan de keer dat ik op Marktplaats een jurk probeerde te verkopen en daardoor aan de keer dat ik op de echte markt een jurk wilde kopen en dat de verkoper tegen me zei dat ik er vast niks onder zou dragen, geen slipje. Als ik iets anders had gekocht, een pepermolen of een hoekbank, had hij er ook wel iets van kunnen maken.

So pop that cork from the bottle babe
We’re gonna drink it down fast and make love slowly
My feet
Feel good

Sommige mensen laten hun voeten schoonvreten door visjes. Ik heb een keer een tv-programma gezien waarin een vrouw bij de bakker haar schoenen uitdeed, de bakker keek heel begripvol, die vrouw had als tiener een half jaar op slechte schoenen gelopen en nu voor het leven verpest, ze huilde. Lotusvoetjes, likdoorns, voetmodellen.

Vroeger had ik altijd een wegwerpcameraatje bij me en de helft van de foto’s die ik liet afdrukken waren van mijn voeten op vakantiegrond, of gewoon in het Gaasperparkse gras, altijd met schoenen aan, kennelijk kon ik naar mijn voeten staren en denken: dit is een mooi moment. Misschien was ik vaak alleen.

My feet…

Ik heb geen rijbewijs en had niet zoveel te doen in die auto. Ik viel in slaap.

20160731_151328Een paar dagen na de bochtige rit miezerde het alleen een beetje. We besloten een wandelroute te volgen die volgens een foldertje ‘moderate’ was, gemiddeld. Steil een berg op, in feite, langs afgronden die je in je ergste nachtmerries nog zullen achtervolgen en met voor de vorm stukjes moeras tussendoor. We waren het brood vergeten. We werden ingehaald door een Noor met maar één been en een oude hond. We kregen haast geen lucht meer. Als we het bijzonder zwaar hadden, of juist heel soepel van de ene rots naar de andere waren gesprongen, zongen we. My feet, feel good. De zin had zich in ons repertoire flauwe grappen genesteld, onder het lemma ‘goed voelen’, zoals daar ook de zin is I’m five years old, I slept in my bathing suit and i feel good, de naam van de comédienne die dit zei ben ik al lang kwijt.

Terug in Nederland zoek ik het liedje op. Natuurlijk zingt een zekere Foy Vance niet dat zijn voeten goed voelen. Was het maar waar, dan had ik ook z’n ouwelullenkrulsnor begrepen en z’n zelfingenomen petje en die bloedserieuze blik, dat was allemaal ironie geweest, hij parodieert een blueszanger die probeert gelukkig te zijn, of hij is gewoon niet helemaal goed en oprecht intens blij met z’n voeten, hij wordt er helemaal hitsig van zo goed voelen ze. Maar Vance is bloedserieus. En upbeat. Onttoverd klap ik de laptop dicht. Daar is ’t echte leven weer.

(My feet…)

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze schreef ook een roman: Onheilig (Querido).

Reageer >
 

Waarom je niet altijd door een deur moet lopen

7 augustus 2016 (10:00) | Marjolein Takman | Geen reacties

IMG-20160804-WA0007We wonen in een hoekhuis en ik sta in de tuin. Naast de tuin ligt een straat waar geen auto’s doorheen kunnen. Alleen fietsers en wandelaars lopen door de straat vanuit de wijk naar het station en andersom. ‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik iemand zeggen. Ik kan niet horen of het een mannen- of vrouwenstem is. Er staat een kamerplant tegen mijn raam die niet van mij is en ik schenk er twee glazen water in leeg omdat dat de eigenaar van de plant er niet meer aan denkt. ‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik nog een keer. De stem klinkt wat verder weg dan de eerste keer.

Als de voetstappen wegsterven trek ik me op aan de muur die onze tuin van de straat scheidt. Het kost me meer moeite dan ik verwacht had, ik kan net lang genoeg op de muur steunen om een kleine voorovergebogen gestalte te zien die arm in arm loopt met een tweede persoon. Ik denk dat het een man is, maar ik weet het nog steeds niet zeker.

Onze tuin heeft ook gewoon een deur naar de straat, maar ik ervaar soms een al te grote drang om over de muur te klimmen in plaats van door de deur te lopen. Ik had het idee dat ik eindelijk een goede reden had om toe te geven aan die neiging. Iemand die zegt dat hij of zij een goed mens is, daar wilde ik een beeld bij hebben. Als ik door de deur was gegaan, was het mogelijk opgevallen.

Toen ik klein was, was ik bevriend met een jongen die op daken klom, en ik was altijd een beetje jaloers op hem. Tot hij door het dak van een schoolgebouw zakte en een week lang een schoolplein moest vegen. Er stond een berichtje over hem in de lokale krant. Ik voelde me schuldig omdat ik er alleen maar bij was geweest en met mijn onhandige ledematen niet in staat was geweest om met mijn maten op dat dak te staan.

Het uitzicht vanaf onze tuin is behoorlijk slecht. Je ziet een fabriekspijp van een fabriek die niet meer in gebruik is en een lantaarnpaal die ik een tijd heb aangezien voor de maan. Het voornaamste wat er te zien is zijn schuttingen en muren, deuren en plantenbakken, tuinstoelen en tegels. Je ziet pas meer als je er moeite voor doet. Dat had mijn vriend van vijftien jaar geleden al door.

‘Ik ben een goed mens,’ hoor ik voor de derde keer als ik weer op de grond sta. Ik weet niet of ik een goed mens ben, maar ik hou er wel van om mijn gebreken te compenseren door fysiek bezig te zijn. De tuin moet worden opgeruimd. Terwijl ik een soort modderige schimmel uit een vuilnisbak spoel, besef ik dat ik er vanuit ga dat die persoon die zichzelf aanduidde als “goed mens” niet helemaal goed bij zijn of haar hoofd moet zijn. Niemand zegt zoiets over zichzelf. Ik zweet en probeer er niet meer aan te denken. Ik trek een vuilnisbak van de voortuin naar de achtertuin en probeer zoveel mogelijk geluid te horen. De wortels van het onkruid kraken. Ik veeg zand hardhandig van de ene naar de andere tegel. De zon gaat onder en het enige wat ik wil is op de garage klimmen om het beter te kunnen zien.

—-

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.
Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463
 
bestel
 
 
voorpagina