‘Een goede morgen met’ 3

29 mei 2015 (8:00) | Ad Zuiderent | Geen reacties

00:13:48

Reynaldo Hahn, À Chloris (1916); Phlippe Jaroussky, countertenor; Jerôme Ducros, piano.

00:16:47

Zijn ouders hadden elkaar leren kennen op de zangvereniging; het is dus maar de vraag of hij er zonder muziek wel was geweest. Veel meer dan zijn vader is zijn moeder een en al gezang gebleven: Johannes de Heer, Richard Tauber, het Pelgrimskoor uit Tannhäuser tijdens het ochtendprogramma ‘Moeders wil is wet’, alles zong of neuriede zij zachtjes mee: zij moet in muziek ‘tiefe tiefe Ewigkeit’ hebben gevonden. Muziekprogramma’s op de radio duurden hooguit een uur, zodat Tannhäuser voor hem jarenlang niets anders was dan het Pelgrimskoor. Waar de pelgrims vandaan kwamen, hij had het zich nooit afgevraagd. Het idee om een hele opera te beluisteren kwam niet in hem op. Daar kwam bij dat hij als scholier al, te vroeg dus om dit met eigen ervaringen te kunnen weerspreken, had gelezen dat Nietzsche het troebel-Dyonisische van Wagner graag inruilde voor de Apollinische helderheid van Bizet. Daar was hij erg van onder de indruk geweest. Omdat hij niet zou hebben geweten hoe hij Nietzsche juist op dit gebied moest weerspreken, besloot hij dat hij Tristan und Isolde en soortgelijke zwelgpartijen kon overslaan.

Dat was een tijdlang niet zo moeilijk, want toen hij ging studeren, was hij vooral benieuwd naar muziek die niet al met een aura van heiligheid was omgeven. In het Concertgebouw, waar meer kenners dan liefhebbers rondliepen, dacht hij, en waar tegelijk sociale verplichtingen de boventoon voerden en niet persoonlijke ervaringen, zag je hem niet. Wel – en daar heb ik hem leren kennen – bij de concerten van eigentijdse muziek op zaterdagmiddag in het Stedelijk Museum, bij die in het Sigma Centrum en soms in de huiskamersfeer van De Suite, plaatsen waar je het gevoel kreeg de geboorte van muziek bij te wonen, zoals tijdens een soloprogramma van Max Neuhaus waar even veel aan te zien bleek als te horen, zoals die heen en weer bewoog tussen een instrumentarium dat het traditionele slagwerk tot kinderspel degradeerde, of die keer dat wij Morton Feldman zo over een piano gebogen zagen zitten, zo op zoek naar het stilste geluid dat nog muziek genoemd kon worden, dat het leek of hij met zijn oren speelde in plaats van met zijn vingers.

Achteraf stelde hij vast dat dat er de oorzaak van moest zijn geweest dat het jaren had geduurd, voordat Wagner hem in zijn greep kreeg; maar toen dat eenmaal gebeurde, was het ook direct een stevige greep. Hij doelt op zijn eerste Götterdämmerung, in het Concertgebouw inmiddels, en hij weet nog steeds niet of het van de vermoeidheid kwam na meer dan vier uur aandachtig luisteren of doordat hij aan het slot ineens – rare historische omkering – een flard West Side Story meende te horen, maar voor het eerst van zijn leven bleek muziek hem tot tranen te kunnen roeren; ook hem. Misschien kwam het wel, dacht hij, door de onverwachte samenklanken. Maar waarom was dat dan nooit gebeurd in die kleinere zalen, waar hij toch ook zoveel bijzonders had gehoord? Was ontroering alleen mogelijk bij muziek die al een tijd bestond? Was het een kwestie van patina, van vergeefsheid ook, van het besef dat wat je hoort eigenlijk al niet meer mogelijk is, dat het een droom is uit het verleden? Zou de eigentijdse muziek nog niet dat stadium van vergeefsheid hebben bereikt?

Hoe het zij, sindsdien beperkte hij zich niet meer tot de hoogtepunten, maar is hij hele opera’s gaan beluisteren, waarbij hij verwonderd merkte hoeveel vooraankondigingen in Tannhäuser bijvoorbeeld het eigenlijke Pelgrimskoor bijna overbodig maakten: een voorspel dat intenser leek dan de ontlading.

Ik begrijp wel dat in een programma dat maar twee uur duurt, geen hele opera past, laat staan een van Wagner. Toch laat hij iets horen waarin de intensiteit en de complexiteit van Wagners werk en wat hij er zelf bij ervaart, tot hun recht komen. Hij zal hebben gedacht: als een slot, zoals dat van de Götterdämmerung, pas na uren luisteren kan worden begrepen en aangevoeld, dan moet ik maar een begin kiezen, een voorspel.

Ik herinner me het verhaal dat hij een keer, toen hij aan het eind van een lange vakantie net de Autoroute du soleil op gedraaid was, uit de kleine boxen in de deur iets had gehoord, van de weg af moest, een aire op – ‘alsof de gedempte sirene en het opvallend trage zwaailicht van een passerende politiemotor me daartoe dwongen’ – om te horen wat het was. Wagner? Wat dan? Het was muziek die hem, door het geluid van de auto, de wind en het andere verkeer heen had weten te raken, vertelde hij, ‘alsof ik de jonge Samuel was’, die in zijn droom door een onbekende stem wordt geroepen en dan niets anders weet te zeggen dan: ‘Spreek Heer, Uw knecht hoort.’ Hij was in de overtreffende trap van muzikale overgave terechtgekomen.

00:20:12

Richard Wagner, Parsifal, Vorspiel (1878); Berliner Philharmoniker olv Daniel Barenboim.

00:34:00

 

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Reageer >
 

Venture capitalists en de uitgeverij

28 mei 2015 (8:00) | Menno Hartman | Geen reacties

In het instructieve Economics The User’s Guide, van Ha-Joon Chang, wordt de lezer in een rustig vaartje door de geschiedenis van de economie gevoerd: van Adam Smith’s An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations (1776) tot hedendaags venture capitalism. In het eerste hoofdstuk van Smith boek legt hij aan de hand van een eenvoudig voorbeeld – een haarspeld –  uit dat specialisatie van werk tot optimalisatie van resultaat leidt. Wanneer je als mens elke fase van het maken van zo’n ding zelf moet doen werk je veel langzamer dan wanneer je maar 1 stukje doet.

Chang noteert de ontwikkeling van ‘een eigen bedrijf hebben waarvoor je aansprakelijk bent’, naar een bedrijf met beperkte aansprakelijkheid, zoals de VOC er een was, een van de eerste. Hij schrijft: ‘Smith was against the principle of limited liability. He argued that those who manage limited liability companies without owning them are ‘playing with other people’s money’ and thus won’t be as vigilant in their management as those who have to risk everything they have.’

Vigilant, alert. Toch is dat precies het woord dat in je opkomt als je leest over Marc Andreessen, een venture capitalist uit Silicon Valley. Zijn bedrijf Andreessen Horowitz doet eigenlijk precies dit: ze luisteren naar mensen met een plan en harken veel geld bij elkaar voor de financiering van dat plan en kopen zich in het zo te stichten bedrijf in. Maar ze hebben in hun opzet precies dezelfde overweging als Smith ook al had: een te starten bedrijf moet de starter ook als bedrijfsleider houden: alleen hij heeft de energie om er ook echt helemaal voor te gaan.

De vreemde parallel met akkerbouw drong zich op toen ik over dit vreemde bedrijf las: ze zaaien, en ze oogsten. Of met uitgeven: een plan faciliteren en hopen dat het werkt.  Indrukwekkend is wel hoe je je kunt trainen in proeven welk idee met een bom geld het kan gaan halen en welk niet. En wat blijft is een percentage bluf. Ook in de uitgeverij, denk ik.  Ik leerde het woord ‘logo shopping’ – veel dergelijke venture capitalists kopen zich in een laat stadium voor veel geld in in een geslaagd bedrijf (google, facebook) om hun logo in het portfolio te kunnen plaatsen. Ook dat zien we natuurlijk in de uitgeverij. Laten we eerlijk zijn, veel uitgevers sieren met wat anderen hebben opgekweekt. Joris Luyendijk is niet door Atlas/Contact bedacht, ik bedoel maar. (Maar wel door Podium.)

Uiteindelijk, meldt deze geldprofeet Andreessen, is het ook geluk hebben. Een kansspel, en dan sieren met de mooie namen . Net de uitgeverij dus.

 

Luisteren: Andreessen praat met Brian Grazer, ‘the super-producer behind half the movies and television you’ve watched in the last three-plus decades including Empire, 24, Parenthood, Arrested Development, Friday Night Lights, The DaVinci Code, 8 Mile, A Beautiful Mind, Apollo 13, Real Genius, Splash….

‘If there’s one business on planet earth that makes Silicon Valley look sober and level-headed it’s Hollywood’

 

——————-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt vandaag van non-fictie en ook van poëzie.

 

Reageer >
 

Dertig jaar Caffè Toscanini

27 mei 2015 (8:51) | Gilles van der Loo | Geen reacties

imagesAan het eind van de avonden verzamelden we de kaarsen van alle tafels op één dienblad, als verweesde sterren waarvan de planeten lang vertrokken waren. We haalden de blauwe kleden af, vouwden die tot stroken en zetten rondzwervende stoelen aan de kant. Alleen de stamtafel bij de keuken lieten we met rust. Later, onder het geleidelijk doven van al die sterren, maakten we de kas daar op.

We dronken wijn, stonden om beurten op om een vork door een pan afgekoelde pasta te halen en pikten ansjovisjes uit de schaal die na het service was blijven staan. Was het mijn beurt om een rondje te halen, dan zette ik steeds Pino Danieles Dimmi cosa succede sulla terra op, waarbij ik – ook toen ik nog niets van de tekst begreep – keihard meezong. Ik nam aan dat Danieles muziek over voorbije of hopeloze liefde ging, en voorbije of hopeloze liefde vond ik mooi.

Romantisch als het schrijverschap mag lijken, kan het niet tippen aan mijn jaren in Toscanini. Als schrijver probeer je steeds een overtuigend leven vast te leggen, maar mezelf vond ik overtuigender, échter, toen ik nog vier avonden per week in Toscanini rende, zweette, lachte, dronk en zong.

Het verstrijken van de tijd is in niets zo voelbaar als in mijn relatie tot het mooiste restaurant van Amsterdam. In Toscanini werkte ik samen met mijn vriend Gijs en leerde ik Birre kennen, met wie ik er op een regenachtige maar onvergetelijke junizondag trouwde. De eerste keer dat onze zoon uit eten ging zaten we aan tafel 250, waar Nadim in minder dan een minuut een mergpijp met zuurdesemtoastjes en gremolata wegwerkte. Toen Gijs vermist werd, kwamen al zijn vrienden en collega’s in Toscanini samen om zijn verjaardag te vieren. Een maand later verscheen het voltallig personeel op de begrafenis.

Voordat ouder worden ons evenwichtig maakt lijkt het ons eerst te doen wankelen, en zo is er steeds meer twijfel mijn leven in geslopen. Sommige van mijn vrienden noemen dat vooruitgang, maar terwijl ik dit stukje schrijf mis ik mijn sloof en dienblad opeens vreselijk; mijn eindeloze, drukke en onbekommerde geouwehoer.

‘Dubbi non ho,’ zong Daniele op Dimmi cosa succede: twijfel heb ik niet. En ik, zonder te weten waarover het allemaal ging, zong zulke ware woorden hardop mee. Jaren later zou een ander lied van de Napolitaan mijn hart nog breken, op de begrafenis van Gijs:

 

Voglio il sole per asciugarmi

Voglio un’ora per ricordare

Allegria

 

Ik wil dat de zon me droogt

Een uur om terug te denken, wil ik

aan het geluk.

 

In januari van dit jaar overleed Pino Daniele aan een hartstilstand. Naast geëngageerde nummers schreef hij vooral over voorbije of hopeloze liefde. Over de kansloze wens dat alles mag blijven zoals het ooit was.

 

 

* Het citaat uit Alleria (Pino Daniele, 1980) is hier in het Italiaans weergegeven en niet in het Napolitaans. 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

 

Reageer >
 

Maandag

25 mei 2015 (11:22) | Martijn Knol | 2 reacties

Tirade 459 (juni 2015) wordt de laatste Tirade waarbij ik ben betrokken als redacteur. Na dertien papieren nummers, honderdvijftig blogposts, drieduizend tweets en vijf miljoen mailtjes is het tijd om me weer volledig te gaan wijden aan het schrijven.

Dank Tirade lezers, Tirade contribuanten, Tirade (gast)redacteurs en Tirade uitgevers voor twee en een half jaar literair geluk.

Tot ziens!

——–

Martijn Knol (1973) – schrijver.

SoundtrackCarry on (remix), Janne Schra.

2 reacties >
 

Bezinningseiland 4

24 mei 2015 (9:00) | Daphne Huisden | Geen reacties

Vorige week  Bezinningseiland 3. Vandaag Deel 4:

BunkerpadJasper staat al een half uur te grienen onder de douche. Mijn nieuwe beste vriend heeft een inzinking. Of een doorbraak. Ik kan het verschil niet horen. Heb jij weleens een huilende padvinder getroost, Alex? Ik heb het zojuist geprobeerd. Maar ik kwam niet ver.

Waakspin Irma stond voor zijn deur met over elkaar geslagen armen en haar meest onverzettelijke glimlach. Er hangt vandaag een walm van uiensoep om haar heen. Ik vermoed dat de pasta op is.

‘Kan ik iets voor je doen?’ vroeg ze. ‘Het ontbijt staat al klaar hoor. En Ludo wacht beneden op je.’

‘Ik hoorde Jasper,’ zei ik. ‘Hij lijkt nogal – ‘

‘Overstuur, ja!’ Irma knikte. ‘Daarom heb ik hem even onder de douche gezet. Jasper ondergaat een inzicht, dat gaat altijd gepaard met tranen.’ Ze wenkte me. Ik hield mijn adem in. ‘Hij komt eindelijk in het reine met de narcistische vlekken op zijn “zijn”.’

Ze kijken hier niet op een diagnose meer of minder. Bezinnen kun je kennelijk alleen als je iets mankeert.

‘Dat klinkt ernstig.’

‘Dat is het ook,’ zei Irma. Ze staarde even dromerig in de verte. Jasper liet een onverstaanbaar gebrul horen. ‘Heel ernstig.. Maar zonder inzicht komen we niet tot groei. En zonder groei verdienen we geen certificaat.’

‘Krijgen we een certificaat?’

‘Zij die dat verdienen, worden door Ludo beloond met een certificaat ja.’

De spin keek me strak aan en stak haar hand naar me uit. Ik sprong naar achteren.

‘Je moet je echt beter insmeren, Raphael. Er zitten barsten in je cocon.’

Ik vraag me ernstig af of een droge huid voldoende is om een certificaat te verdienen. Ik vrees dat we ze zelf moeten maken.

Nu moet ik naar beneden, naar de vliegles. Ik ben benieuwd met wat voor aandoening ik terug kom.

***

Ludo zat inderdaad al op me te wachten. Hij droeg een verrekijker om zijn nek. Op zijn hoofd prijkte een platte pet. Zwijgend ging de coach me voor naar buiten. Als een spirituele boswachter stapte hij met zijn handen op zijn rug voor me uit. Ik volgde hem op gepaste afstand; ‘t Zonnegloor uit, het zandpad af, over de konijnenholen en dwars door de groene duinen. We wandelden in stilte tot we bij een rij verlaten bunkers kwamen. Daar wees hij me, nog altijd zonder iets te zeggen, op een smalle doorgang; een door bakstenen muren geflankeerd pad, dat steil de duinen in liep.

‘Ik dacht dat we het strand opgingen,’ zei ik.

‘Ach,’ zei Ludo. Hij schudde zijn hoofd en keek op zijn horloge. ‘Je hebt de stilte doorbroken. Wat.. jammer.’

De coach ging door zijn hurken en stak zijn handen in de grond, hij groef tussen de konijnenkeutels. De verrekijker sloeg tegen zijn knieën.

‘Hét strand,’ zei hij, terwijl hij langzaam overeind kwam en een met zand gevulde hand onder mijn neus hield. ‘Het strand is.. overal! Het is de weg naar het “alles”, de reis naar het “over-zicht” die telt. Begrijp je?’

Hij liet de zandkorrels door zijn vingers glijden. Er is niets zo vermoeiend als een wandeling maken met iemand die zich de schepper van het landschap waant, Alex.

We sloegen het bunkerpad in. Ludo – uiteraard – voorop. Ik vermoed dat hij alle ‘Nieuwe Lichten’ langs deze route leidt, al was het maar om het tempo te bepalen waarmee ze de weg naar “het alles” bewandelen.  We klommen brokkelige trappen op, struikelden over de onder het zand verstopte treden.

Bunker zeeToen kwamen we boven.

Het was een heldere dag. De zee rolde het verlaten strand op. Ludo legde hijgend zijn hand op mijn schouder. Zelfs de schepper heeft zijn aardse grenzen. Hij tuurde naar de kust. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht.

‘Zie je die zwarte stip?’ vroeg hij. ‘Zie je die vogel daar? Die zit daar altijd.’

Hij gaf me de verrekijker aan.  Langs de vloedlijn wandelde een kraai. Een bizar gezicht, Alex. Het beest hinkelde tegen de wind in, hupte over de schuimgolven, kraste tegen de zee – en leek zich kostelijk te vermaken.

‘Zie je hem nou?’ vroeg Ludo ongeduldig.

‘Die kraai?’

Hij trok de verrekijker uit mijn handen. ‘Jij wilt overal een naam aan geven! Een vogel, een kraai, wat maakt het uit? Je denkt in categorieën, Raphael. In hokjes. Zo.. beperkt. Zo.. bekrompen. Zo.. jammer.’

‘Maar het “is” een kraai!’ wierp ik tegen.

Ludo luisterde niet – de man is doof voor zijn eigen jargon. Hij ging voor me staan en spreidde zijn armen. ‘Je creëert een enorme.. af-stand tussen jou en de wereld om je heen, Raphael. Voel je dat niet?’

‘Misschien ben ik zo,’ mompelde ik.

‘Wanneer heb jij je voor het laatst “betrokken” gevoeld, hm?’ coachte hij door. ‘Wanneer ben je voor het laatst “verbonden” geweest met.. de wereld?’

‘Nou, vanochtend nog. Jasper-‘

De schepper legde zijn vinger op zijn lippen. Hij sloot zijn ogen en drukte zijn vingertoppen tegen zijn slapen. De diagnose kwam tot hem. ‘Ja,’ zei hij. ‘Ja, dat is het. Jij bent.. als die kraai.’

‘Ik dacht dat ik een rups was.’

Ludo sloeg zijn armen om me heen. De verrekijker drukte pijnlijk tegen mijn buik.

‘Sla je vleugels uit,’ fluisterde hij. ‘Laat zien dat het je kan schelen, hm? Laat zien dat je de vlucht wilt maken.’

Hij liet me los. ‘En misschien,’ knipoogde hij, ‘misschien verdien je dán zelfs een certificaat.’

Toen schudde de schepper mijn hand. ‘Ik laat je achter met dit inzicht. Ik zie je straks bij Creatief Confronteren.’

Ik wachtte tot hij uit het zicht verdwenen was voor ik een sigaret opstak.

Ik ben een jammerlijke kraai aan de vloedlijn, Alex. Ik vroeg me af of ik moest gaan huilen.

***

Over het Creatief Confronteren kan ik kort zijn, broer: meer ecoline, meer innerlijk geknutsel, meer gefreubel in de marge. Claudia heeft promotie gemaakt. Ze deelde glimmend van trots  de grasshotjes uit. Jasper stond er beteuterd naast, zijn ogen nog steeds dik van zijn inzicht. Hij is de treurigste smiley die je ooit zag. Ik wilde nog iets opbeurends tegen hem zeggen, maar Irma escorteerde hem naar de ‘stiltehoek’. Narcisme schijnt besmettelijk te zijn.

Om me heen forceerde Ludo de ene doorbraak na de andere. Er werden grenzen verlegd, inzichten uitgedeeld, blokkades overwonnen; er werd over schaduwen gesprongen dat het een lieve lust was – maar ik voel nog altijd niets, Alex. Ja, opluchting. Morgenochtend mag ik naar huis. Ik heb een rups met een snavel voor je gekleid.

Er stond inderdaad uiensoep op het menu. Ik heb het raam opengezet tegen de lucht. Het Bezinningsweekend loopt op z’n einde. Ik geloof niet dat ik iets wijzer ben geworden. Ik geloof dat ik me nog nooit zo lang dommer heb voorgedaan dan ik ben. Een nieuw record. Ik verwacht een certificaat, dat snap je. Ik denk dat..

Irma staat weer op mijn deur te bonken.

Jasper is weg.

———————

Daphne Huisden auteursportret

Daphne Huisden (1988) debuteerde in 2010 met de roman Alles is altijd fictie, die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede roman, Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan een nieuwe roman.

Portret D.H.: Salih Kilic.

Volgende week: Bezinningseiland 5 (slot).

Reageer >
 

Geweld

23 mei 2015 (11:05) | Wytske Versteeg | 1 reactie

actionman 191In Istanbul ontmoette ik Laura Restrepo, een Colombiaanse schrijfster van wereldwijd vertaalde boeken. Restrepo was in het verleden journaliste, onderhandelaar met de M-19 guerilla’s, door doodsbedreigingen gedwongen om naar Mexico te vluchten en haar werk is getekend door het geweld in haar land.

“Er is geen ruimte in de Latijns-Amerikaanse literatuur”, zei ze, “voor verhalen over een rustig leven, voor intimiteit, voor normaliteit – want wat normaal is hebben we al lang al afgeleerd. Denk niet aan onze situatie als iets uit het verleden; zie het als de toekomst voor de mensheid.”

“De belangrijkste boodschap van Escobar was niet drugs. Het was dood. Iedereen die in de weg stond werd vermoord en alle Colombianen dragen deze ingewikkelde boodschap binnenin zich, dat leven niet beter is dan dood. Wie begrijpt dat in de Westerse landen, in de VN?

In deze hoek van de wereld kun je niemand ervan overtuigen dat veiligheid, zekerheid, overal bang voor zijn, evenveel waard is als geweld. Want geweld is een motor. Wie niet veel uit zijn leven kan halen, haalt veel uit geweld.

Geweld maakt leven moeilijk, onmogelijk, maar zorgt daarmee ook voor een sterk leven; er is geen tweede kans. Daarom is om geweld uit te bannen de belofte van veiligheid, van zekerheid ook niet genoeg. Het enige dat wel werkt is er een andere passie tegenover plaatsen – een passie die even sterk is als geweld.”

Dat laatste is, lijkt mij, precies wat wij tegenwoordig haast niet meer kunnen – ergens, waar dan ook, gepassioneerd in geloven.

 

IMG_0499Wytske Versteeg (1983) schreef Dit is geen dakloze, De Wezenlozen & Boy. Haar 3e roman, Quarantaine, verschijnt deze herfst.

 

 

1 reactie >
 

Kennismaking met de polderjihadist

23 mei 2015 (9:05) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

ongeloofwaardigIk las deze week Ongeloofwaardig, van Nikki Sterkenburg, over Dennis Abdelkarim Honing, een Nederlandse bekeerling die snuffelde aan het wereldje van de radicale islam, en die daar volgens eigen zeggen “van terugkwam”. Dennis was een tijdje terug hét gezicht van de polderjihadisten; ik heb dat even gemist, maar gelukkig heb ik hem nu alsnog leren kennen. Het boek werkt bij mij gek genoeg op de lachspieren. Dennis is een kwajongen met een klein hartje, een Ciske de Rat met djellaba en baard. Dol op zijn pa, die hem niet kon beschermen tegen zijn alcoholistische moeder. Zichzelf enorm overschreeuwend in zijn zoektocht naar aandacht. En bovendien gezegend met een enorme geldingsdrang. Dennis wil overtroeven. In slechtheid, daarna in vroomheid, later in mildheid.

Het begon allemaal in de Doggershoek, een jeugdgevangenis waar Dennis terecht kwam, omdat hij “tegen een Turk had gezegd dat hij een tasje van een oude vrouw moest stelen”. Anderen zaten daar omdat ze een moord hadden gepleegd, of een “beveiliger met kogels doorzeefd”. Dennis kwam er relatief onschuldig binnen (al geeft hij toe dat hij fouten heeft gemaakt, tasjes roven, al deed hij het niet zelf, vindt hij niet oké). Dennis legde in de Doggershoek een wietplantage aan (de cipier had zoiets nog nooit gezien). Maar belangrijker: Dennis raakte er onder de indruk van zijn islamitische medegevangenen die, hoe bad-ass ze ook waren, altijd met veel respect over hun geloof spraken. Hij verdiepte zich in de islam, en die beviel hem. Dennis: “Je krijgt (in Nederland) nog een boete voor fietsen zonder licht, maar er was geen wet die verbood dat mijn moeder alcoholist was. Nederland heeft alleen wetten voor op straat, maar de islam durft mensen aan te spreken op wat er in hun koelkast staat en hoe ze met hun familie moeten omgaan. Dat waardeerde ik.” Dennis hield vervolgens als enige van de hele Doggershoek de hele ramadan vol. En bekeerde zich kort na zijn vrijlating in een moskee in Haarlem. Dat was een mooi ritueel. Dennis herhaalde Arabische zinnen “vrij soepel” en werd daarna “door Marokkaanse opaatjes geknuffeld”. Vervolgens begon een lange zoektocht naar een moskee die hem beviel (te politiek, te weinig politiek, “hoge mate van simplisme”) En voor hij het wist behoorde hij tot een salafistische terreurcel, voor wie “de AIVD in het begin even een oogje dichtkneep”. Toch voelt Dennis zich uiteindelijk ook hier niet thuis. Geen muziek luisteren, bijvoorbeeld, bevalt hem niets. Muziek zou leiden tot onzedelijk gedrag, maar Dennis heeft nog nooit “een vrouw met haar kont zien schudden op een stuk van Bach”. Verder ergert Dennis zich aan het geloof in Djinns (“pertinente onzin”). Hij vindt theologische geschillen “gekift op de vierkante centimeter van het niveau van kinderen die ruzie krijgen in de poppenhoek”. Ook werken de salafisten volgens hem hypocriet samen met organisaties die mensenrechten hoog hebben zitten, en die heus niet zouden “staan springen als wij de sharia in zouden voeren”. Het eindigt ermee (ik wil het natuurlijk niet verklappen, maar ja, het staat op de kaft) dat Dennis wordt geëxcommuniceerd. Al had hij kort daarvoor zelf al geconcludeerd dat zijn geloof niet echt diep zat. Hij was teleurgesteld in de islam, in wat er gebeurt in Syrië, in het toestaan van slavernij, in het openlijke geweld.

Ik vind Ongeloofwaardig een heerlijk boek, dat voor mij valt onder irritainment. Het ergert me en bekruipt me: jongen jongen, denk ik, rustig nou toch, denk na, zoek hulp, praat met een psycholoog, waar ben je mee bezig? Ik ben dol op onsympathieke hoofdpersonages, dat wel. Maar deze is echt, en tegelijk bij vlagen zo dol dat het als fictie ongeloofwaardig (hee is dat niet de titel!) zou zijn. Als non-fictie is het misschien wel geslaagd, al vraag ik me af in hoeverre Dennis representatief is voor de jihadist. Als ze allemaal zoals Dennis zijn, hoef je in elk geval niet erg bang voor ze te zijn. Het geeft te denken: hebben ze niet gewoon een aai over de bol nodig? Iemand die ze aan tafel zet, en vraagt: lieve jongen, op wie ben je nou zo boos? Misschien is de les die we kunnen leren van Dennis Honing: we moeten wat meer liefde geven aan onze ontspoorde jeugd in detentie. Een dikke zoen, een knuffel, misschien is dat uiteindelijk toch wat ze nodig hebben.

Reageer >
 

‘Een goede morgen met’ 2

22 mei 2015 (8:00) | Ad Zuiderent | Geen reacties

00:04:24

Guus Janssen, Estampie voor blokfluitkwartet en virginaal; Guus Janssen, virginaal; blokfluitkwartet Brisk.

00:11:09

Er werd bij hem thuis heel wat gezongen, bij het harmonium eerst, maar dat schijnt al gauw, wegens weigerachtige broers (‘Daar gaan wij nooit op spelen!’), te zijn ingeruild voor een piano. Ook de radio gaf vaak aanleiding tot op zijn minst meehummen. Zijn vader was van de mannenkoren, de Mastreechter Staar, vooral als die traag, met lage stem en stroeve dynamiek De twaalf rovers zong. Hij heeft mij wel eens laten horen, met de ironie van de imitator natuurlijk, hoe hij als puber meedeed, de diepte van zijn eigen bas proberend. Kon hij ook, was niets aan.

Met meer overtuiging zong hij mee met Les Compagnons de la Chanson en Edith Piaf, Les Trois Cloches, waarin een van de mannen door het geneurie van zijn negen compagnons zo wordt opgestuwd dat ze een menselijke piramide van geluid vormen. Stemmen die ver omhoog gaan, hij moet het een klein wonder hebben gevonden; de top van de piramide bleef voor hem, met zijn lage stem, buiten bereik.

Misschien komt het door dat diepe verlangen naar iets onbereikbaar hoogs dat hij de laatste tijd, altijd als we een countertenor horen, als in een reflex vraagt of ik wel besef hoe bijzonder dat is. Dat de stem van een vrouw hoog reikt, is normaal; vrouwen naderen vaak moeiteloos de perfectie. Maar o, de vergeefsheid van een hoog zingende mannenstem, de kier tussen bereik en perfectie van deze stem.

Dat zal de reden zijn waarom hij van het lied À Chloris van Reynaldo Hahn geen vrouwelijke uitvoering heeft gekozen. Nog maar kort geleden had hij, vertelde hij mij, voor het eerst, voor het eerst bewust tenminste, een recital van Franse liederen uit de eerste helft van de twintigste eeuw gehoord. Iemand die vóór hem zat, had telkens blij herkennend geknikt als de zangeres een volgend lied aankondigde, maar voor hem was het allemaal nieuw. En van Reynaldo Hahn had hij wel eens vaag gehoord, maar hij had nooit geweten dat die zoiets prachtigs had geschreven als À Chloris, een liefdeslied, intiem en extatisch tegelijk, dat klonk – dat verbaasde hem nog het meest – alsof hij het zijn hele leven al kende. In het kleine zaaltje in hun vakantiedorp, met zeventig toehoorders propvol, was hij even helemaal van de kaart geraakt door dat heldere lied en zijn ogenschijnlijk simpele begeleiding.

Hij was thuis direct op internet op zoek gegaan naar de noten, vond ze, merkte dat zijn vingers ze aankonden, en een dag of wat later had hij in een andere kamer vrouw en dochter in tranen aangetroffen. Ging dat zo makkelijk? Ze huilden weliswaar om iets anders dan de muziek, zeiden zij, maar hij vertelde dat het wel zijn spel was geweest dat hen tot ontlading had gebracht.

Later was dat nog een keer gebeurd, met dezelfde muziek, en nog steeds alleen met de pianopartij. Ik was er toevallig zelf getuige van dat zijn acht jaar oude kleindochter onder het spelen zo geconcentreerd zat te tekenen dat ze niets leek te horen, maar dat wij, toen hij uitgespeeld was, ineens hoorden: ‘Wat was dat mooi.’ Ook bij haar zag je een traan, zonder andere oorzaak dan de muziek zelf. ‘Wil je het nog een keer spelen?’ Dat was toch, zei hij, het bijzondere van musiceren: dat je er jezelf en anderen bedroefd en gelukkig tegelijk mee kon maken, dat je dat kon bereiken door met de vijf vingers van de ene hand een bloemenkrans van versieringen te vlechten en met niet meer dan duim en pink van de andere een sokkel neer te zetten van eenvoudige octaven. De zangstem, de geliefde die met de bloemenkrans om op de sokkel zou moeten staan, liet zich er moeiteloos bij denken.

00:13:48

Reynaldo Hahn, À Chloris (1916); Phlippe Jaroussky, countertenor; Jerôme Ducros, piano.

00:16:47

—————————————————————————————————————————–

adzuiderent Ad Zuiderent (1944) is dichter, schrijver en criticus. Hij publiceerde onder meer de biografie van Gerrit Krol, Van Korreweg naar Korreweg. Zijn laatste dichtbundel is We konden alle kanten op (2011). Tot voor kort schreef hij over muziek voor de website Muziekvan.nu en vervangt Marko van der Wal op de vrijdag.

Reageer >
 

De dromenwever

21 mei 2015 (0:10) | Menno Hartman | Geen reacties

Omdat het leven een beperkte duur heeft zoeken veel mensen verlenging. Je kunt dan denken aan een parallel bestaan. Reizen kan dat effect teweegbrengen. Als je ver reist, leer je een wereld kennen die nieuw voor je is. Eenmaal thuis heb je je herinnering, maar je hebt ook een bewustzijn van dat het leven daar, in Greymouth, Nieuw Zeeland bijvoorbeeld, gewoon doorgaat. Je hebt dan twee levens tot je beschikking, dat waar je bent en het leven dat je je nu voor kunt stellen. (Erg saai parallel leven overigens, Greymouth)  Toch een goede reden om te reizen. Kinderen krijgen kan ook een parallel bestaan opleveren: mensen herleven hun jeugd een beetje door naar hun kinderen te kijken. En verder hebben kinderen – gelukkig voor ze –een bestaan waar de ouders niet bij aanwezig zijn, maar waar die ouders wel over nadenken: een nieuw wereld naast die je al had. Lezen werkt ook zo, schrijven ook.  In vijftig romans leef je vijftig extra levens.

In de zeer goede feel good movie About Time hebben de mannelijke leden van het gezin de mogelijkheid in de tijd te reizen. Bill Nighy vertelt zijn zoon dat op zijn 18e verjaardag. Zelf, meldt hij, heeft hij de extra tijd die dat opleverde vooral gebruikt om te lezen, alles, twee tot drie keer, Vooral Dickens. Feel good kunstenaar Richard Curtis maakt er echt wat van in deze film. Het is een van de weinige filmlevens, waar ik zo in zou stappen.

Droom vannacht: het boek
de zee, de zee
het vlot

(Chr. J. van Geel)

MV5BMTA1ODUzMDA3NzFeQTJeQWpwZ15BbWU3MDgxMTYxNTk@._V1_SX214_AL_Lectuur van Douwe Draaisma De dromenwever heeft mij een nieuw parallel bestaan gebracht. Ik heb mijn dromen meestal genegeerd of als curiositeit onmiddellijk weer vergeten, maar door kennis te nemen van het vreemde fenomeen dat we ’s nachts niet zomaar ‘uitgaan’, maar per nacht 5 keer door eenzelfde cyclus bewegen – eerst in ongeveer vier fasen afbouwen van de hersenactiviteit, dan de REM-slaap, dan weer in vier fasen naar bijna bewustzijn en dat 5 maal – wekt toch interesse. In die REMslaap gebeurt het. Ene J.A. Hobson heeft een geloofwaardige theorie: in de hersenstam gaan betrekkelijk willekeurige hersencellen opflitsen, dit spreidt zich door de hersenen heen uit. Het brein doet verder wat het overdag ook doet: een min of meer acceptabel verhaal maken van de impulsen en indrukken die het binnenkrijgt. Zie daar de droom.

Droom van de overwoekerde snelweg

De vanen van de netels wapperen, smal spoor
wie fietst trekt schoenen aan, in korte schokjes wind
doen varens, gras, onstuitbaar kruid, beton vergaan.

Het horen slaan van tennisballen achter hagen
wekt mij, het rinkelen van kopjes en van glazen
op nikkelen bladen rondgedragen door de tuin.

(Chr. J. van Geel)

Het lichaam heeft geleerd dat het veilig is tijdens dit droomdeel van de slaap, de REMslaap, de musculatuur volledig te blokkeren. De vreemde paradoxale  situatie doet zich dan voor dat wanneer je ’s nachts geestelijk bijna net zo actief bent als overdag, je lichaam volledig out is.

Gewezen op je droombestaan ga je proberen waar te nemen of je droomt, ze bijhouden zoals Frederik van Eeden deed in zijn droomboek. (‘Ik zag in den laten slaap na een uur wakker liggen een gebergte, een bergwand, zeer mooi en scherp.’) En mijn God, wat een parallel leven heb ook ik er opeens bij! Als je een nacht of 10 je dromen opschrijft heb je een reeks absurde verhalen geschreven waarvan althans ik niet wist dat ik ze in me had.

——————-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en minder van vliegen, of uitsluitend in een droom.

 

Reageer >
 

Wie leeft

20 mei 2015 (8:05) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_0201

 

 

 

 

 

“Wie leeft hoeft niet te schrijven,” zegt mijn collega Wytske in een prachtig essay voor ons volgende nummer. Ze zegt er ook dat je scherpe observaties alleen van een afstand kunt doen.

Het ligt voor de hand dan te denken aan de schrijver die afstand tot haar object neemt. Gisteren kocht ik Julian Barnes’ Levels of Life. Ik ben makkelijk te vangen met eerste zinnen, en als het raak is sta ik al snel een half uur in de boekhandel te lezen.

“You put together two things that have not been put together before. And the world is changed…”  

Dat Levels of Life gaat over Barnes’ rouw om zijn partner Pat Kavanagh, die in 2008 overleed, wordt pas na vier hoofdstukken duidelijk. De onomkeerbaarheid die besloten ligt in dat begin komt onder een verschrikkelijke spanning te staan.

Afstand is belangrijk om goed te kunnen beschrijven wat je ziet, maar het verlangen om die afstand te overbruggen is waarom ik schrijf.

 

________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015
 
Nr.457 Nr.458
 
bestel
 
 
voorpagina