Rotondekunst

20 augustus 2018 (8:51) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Fietsend over de Van Heemstraweg in het Gelderse Beuningen wist ik het opeens zeker: er bestaat weinig dat me meer het gevoel geeft in Nederland te zijn dan het rotondekunstwerk.

Bij de kruising met de Julianaweg trof ik op een warme zaterdagmiddag een soort kasteeltoren van buizen met een tiental metalen vlaggetjes op de top. Een paar honderd meter verderop volgden nog een paar omgevallen klassieke zuilen, als een nepruïne in een barokke paleistuin.

Beide kunstwerken waren, naar mijn mening althans, heel erg lelijk. Toch voelden ze fijn vertrouwd: hier had je weer dat typische symptoom van gemeentelijke horror vacui, van de noodzaak om iets te doen met het niemandsland dat het midden van een rotonde per definitie is. Het rotondekunstwerk is het publiekeruimteobject dat je het gevoel geeft dat heel Nederland uit hetzelfde hout is gesneden, wat helemaal geen onaangenaam gevoel is, maar een gevoel van thuis zijn.

Mijn persoonlijke favoriet is een exemplaar in Cadier en Keer in Zuid-Limburg (zie plaatje): een soort gekanteld gouden ei in caravanvorm met drie vormen erin op een klassieke zuil. In de regio werd na plaatsing van het beeld – een paar jaar terug – overwegend negatief gereageerd, toch groet het nog altijd de (licht verraste?) automobilisten die bij Maastricht het Maasdal uit klimmen.

In Beuningen speelde ik even met de vraag of ik ook rotondes kon bedenken waar de kunst zélf me aansprak. Ik denk van wel: in Amsterdam Sloten staat een soort tollende, scheve toren met konijnenoren. Het is mysterieus, konijnig en tegelijkertijd on-konijnig. Bovendien zit er wat dynamiek in doordat het gevaarte dreigt om te vallen. In Tilburg staat midden in een grote rotonde een typische doorzonwoning die rustig meecirkelt met de rotonde op een stuk rails.

De vraag wie al deze kunstwerken verzint en maakt kwam nooit echt bij me op, totdat ik een paar maanden geleden De Cultuurwetenschappers zag. Het programma van Omroep Brabant is zonder twijfel het beste wat ik ooit op een regionale omroep tegenkwam. De twee droogkloten Youri Dingemans en Kasper C. Jansen bezoeken er in hoog tempo verschillende kunstwerken in de openbare ruimte in grote Brabantse steden (die elke Nederlander echter opvallend bekend zullen lijken) en leveren daar cynisch commentaar op – maar pas nádat ze bouwjaar, naam van de kunstenaar en de ‘boodschap’ van het werk hebben opgelepeld (informatie waar ze volgens mij voor naar het archief zijn geweest).

Het fijne van de twee Brabanders is dat hun cynische, parodiërende houding eigenlijk een tegenovergesteld effect heeft: ze dwingen je om bij elk volgend kunstwerk dat je tegenkomt beter op te letten, er niet meer argeloos langs te rijden of te fietsen, maar te kíjken. Ze draaien de achtergrondmuziek die er altijd al was als het ware volledig open.

Zo droeg Omroep Brabant eraan bij dat ik de afgelopen weken, op reis in Rusland, moest denken dat we als Nederlanders best blij mogen zijn met onze grote collectie abstracte openbare kunst, hoe lelijk soms ook. In Rusland wordt de publieke ruimte in steden de afgelopen jaren opvallend actief opgefleurd met kunst – maar het zijn meestal stuk voor stuk merkwaardige realistische sprookjes- of romantaferelen, of over-the-top, ironieloze, metaforische uitbeeldingen, zoals twee enorme schoenen die een sigaret uitdrukken in Khabarovsk: de bevolking oproepend om niet te roken. Dan zet zelfs een kitscherige zuil op een rotonde nog meer aan het denken.

 

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >
 

Lief manuscript

15 augustus 2018 (9:35) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_7757Toen ik je schreef, lief manuscript, was het een andere tijd. Zo gaat dat vaker als ik ergens lang aan werk.

Ik tikte je laatste letter en printte je tweezijdig, met twee bladzijden op één kant om papier te besparen. Toch voelde je stevig, rijk.

Op de bank – niet aan tafel – om je vanuit een andere plek te bekijken, las ik je. Ik probeerde niet op kleinigheden te letten, maar deed het tóch, was al snel aan het doorhalen, opmerkingen in de kantlijn aan het zetten.

Het zal gevoeld hebben alsof ik niet meer om je gaf.

Ik legde je weg; liet je rusten om je als geheel op me in te laten werken. Ik merkte dat ik niet meer de persoon ben die je schreef.

Maar alle  boeken zijn momentopnamen.

De vraag is of ze een goede weerspiegeling zijn van hun tijd. Ik heb het niet over het actuele, maar over de levensfase waarin ze geschreven zijn. Een boek moet de ‘ziel’ van de schrijver van dat moment laten zien.

We hebben nog een weg te gaan, jij en ik. We zullen terugmoeten naar jouw tijd om te schuiven, te stellen, kleine delen te vervangen. Maar we komen er wel, lief manuscript. Ik laat je niet alleen.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceert hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Bergen

8 augustus 2018 (9:49) | Gilles van der Loo | Geen reacties

3986ed50-b1a3-43b1-beac-79f67702636eWe reden Nederland weer in en werden overvallen door de dorheid van alles. Het grasland van Brabant had de kleur en korrel van een Bastognekoek gekregen. B en ik kwamen uit de bergen en de droogte was twee weken aan ons voorbijgegaan.

Voor het Hollandsch Landschap heb ik nooit liefde gevoeld. Het is te aangeharkt, te plat en verdacht.

Verdacht omdat het mooi kan lijken, maar achter die vaart met wilgen en dat populierenbosje ligt altijd een bedrijventerrein. In Nederland wordt geld verdiend en geld betaalt voor een heel bepaald soort schoonheid.

Wie van verval houdt, van achterstalligheid en een met rust gelaten landschap komt in mijn geboorteland niet aan zijn trekken.

Toch werd me iets duidelijk bij het zien van al die creperende velden, de bomen die ver voor hun tijd de herfst in gingen: tot vandaag had ik de tumescentie van mijn land voor lief genomen.

Haal het vocht uit onze bodem en dan valt op hoe rijk hij was. Alsof de bolling van de aarde hier – ter compensatie van een gebrek aan bergen – sterker is. Alsof er druk op zit.

Misschien dat Nederlanders daarom zulke bedrijvige fuckers zijn. Met elke stap veren ze terug omhoog, winnen ze snelheid en voor je het weet ligt het beton er, waarna de Hornbach, Carglass en de Intratuin.

foto: Bart van Dam

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceert hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Coupésonnetten

6 augustus 2018 (15:37) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Op het moment dat dit stukje verschijnt zit ik ergens in Siberië in een treincoupé aan een tiental jongeren wat te vertellen over de dichter Poesjkin en zijn verzenroman Jevgeni Onegin. Mijn bijbaantje als Oost-Europees reisleider voor een klein jongerenreisbureautje hield tot nog toe niet veel in – misschien dat ik twee keer per jaar een paar dagen in het nabije oosten te vinden was -, tot mijn ‘baas’ eind vorig jaar met de Trans-Siberië expres op de proppen kwam.

Om het geheel zo informatief mogelijk te maken besloot hij om elke volledige treindag in te richten met een handvol coupécolleges over allerhande Russische onderwerpen, gehouden door de twee reisleiders – ons tweeën dus. Niet dat we per se genoeg kennis bezaten om die uren vol te kletsen over onder andere Stalin, Lenin, Russische literatuur en de geschiedenis van de spoorlijn (die we, ik beken, allebei nog nooit eerder gereden hebben). Ik heb me dan ook nogal moeten inlezen de afgelopen maanden en bovendien de dag voor vertrek nog een fors aantal Wikipedia-pagina’s uitgeprint om aan boord te bestuderen.

Eén Onegin-strofe zette ik vast van tevoren in het reisprogramma, misschien wel mijn favoriete uit de 389 speciale sonnetten die het boek kent:

De passie voor geluid regeerde
ons leven, maar zelfs het idee
ontbrak hem; wát wij ook probeerden
hij wist van jambe noch trochee.
Homerus? Plautus? Saaie heren!
Hij kon ze méér dan compenseren
met Adam Smith. Hij leerder daar
waar naties rijk door worden, waar
zij van bestaan. Hij kon vertellen
als econoom die ermee leeft
dat, als een staat produkten heeft,
hij ’t zonder goudvoorraad kan stellen.
Jevgeni’s vader – onverstand! –
verhypotheekte al zijn land

Dit is ergens aan het begin van het eerste hoofdstuk. Ik vind het leuk dat Poesjkin, bijna helemaal aan de start van zijn roman, al direct inzet op pure economie (en een beetje het hedendaagse, grondstofgedreven Rusland lijkt te voorspellen): het toont de veelheid aan onderwerpen die hij in verzen in het boek behandelt. Zulke ontmoetingen tussen poëzie en andere vakgebieden kom je maar zelden tegen. Economische theorieën herschreven in metrum – van mij mag het vaker.

De charme van Onegin-sonnetten ligt voor mij verder bijna volledig in de laatste twee regels. Als een boek dat tot aan de laatste pagina niet altijd even boeiend is, maar dan toch gered wordt door een goede ontknoping, ontpoppen de gedichtjes zich keer op keer tot ironisch getinte mini-verhaaltjes met een rijmende kwinkslag die meestal raak is. Het schudt je letterlijk weer wakker: klaar om het volgende sonnet in te gaan.

De versvorm lijkt nooit écht te zijn gaan leven in het westen, in de zin dat wij bij sonnet volgens mij meestal aan iets anders denken. Bijkomend gevolg: wie in Poesjkin-metrum schrijft, refereert aan Poesjkin – daarvoor heeft er de afgelopen 260 jaar niet genoeg loskoppeling tussen auteur en versvorm plaatsgevonden. Ook in Rusland niet.

Dat doet er niets aan af dat het leuk kan zijn om te zoeken naar de auteurs die met het genre aan de slag gingen. Nabokov schreef een duizend pagina’s tellend commentaar over Jevgeni Onegin, naast een beruchte letterlijke vertaling die al het metrum achterwege laat (perfect dus voor wie Russisch wil studeren!).

Het commentaar is bijna een kunstwerk an sich; eigenlijk mijn favoriete werk van de émigré-auteur. Het is in ieder geval een stuk leesbaarder dan zijn commentaarroman Bleek vuur. Zoals Nabokov ook zijn roman De gave laat eindigen met een Poesjkin-sonnet, vergezelde hij ook zijn vertaling zelf met een sonnet over het vertalen, wat hij dan weer niet in sonnetten deed.

Toch is dit alles nog bij lange na niet zo bizar als de onderneming van Vikram Seth (van oorsprong econoom!), die met The Golden Gate óók een hele roman (en inhoudsopgave) schreef in 590 Onegin-sonnetten – maar dan in het Engels, gesitueerd in het San Francisco van de jaren 80. Seth had Jevgeni Onegin naar eigen zeggen in een boekwinkeltje zien liggen tijdens zijn eindeloze promotieonderzoek en was geïnspireerd geraakt. Beide boeken hebben wat thematische overeenkomsten, zoals een paar lusteloze hoofdpersonages en een flinterdun verhaal, maar voelen toch vooral extreem anders.

Hoewel er ook wel kritiek op het boek is geweest vond ik het zelf een aangenaam desoriënterende leeservaring, die verder naar maar weinig talen is vertaald, ontdekte ik achteraf. Nederlands zit er wél bij, door Paul van den Hout.

Wat denk ik wel? Die vreemde strofen
die versvorm met haar vrouwelijk rijm –
dat zijn we toch allang te boven?
Geen lezer valt toch meer in zwijm
bij ’t weke metrum van Onegin
in deze stoere tijd van Reagan?
Gezwijmel en gezwollen taal,
gerijmel en bombast, banaal!
Maar ík denk niets, als ze eens wisten…
Daar evenwel zelfs geen geleerd,
kritisch traktaat de wormen weert,
straks, laat ik mij zo gauw niet kisten.
Leuk als het lukt, zo niet, tant pis,
dan baat ook geen apologie.

Ik benieuwd hoe de coupé zal oordelen – maar ik zal wel een goed woordje doen, Vikram.

 

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >
 

Verrassend actueel

27 juli 2018 (6:37) | Machiel Jansen | Geen reacties

Ik las dat de Gogols Dode zielen, onlangs opnieuw vertaald, nog verrassend actueel is. En iemand vroeg zich af: ‘Hoe actueel is Edith Wharton?’ en gaf meteen het antwoord: ‘Zeer.’ Op de radio werd gezegd dat Shakespeare nog altijd verrassend actueel is.

Ik vertrouw de opmerking hoe actueel een oud boek is niet. Het klinkt alsof niets het actuele kan overtreffen. Zo wordt het idee gevoed dat het heden veel interessanter is dan het verleden, dat onze tijd voorrang heeft op andere tijden en wat zich nu, op dit moment in ons leven afspeelt van het allergrootste belang is. Mijn probleem met het verrassende actuele is dat ik de actualiteit vaak helemaal niet zo boeiend vind. Ik vind het dan ook lastig en vaak onmogelijk om in ‘verrassend actueel’ een aanbeveling te zien.

Ik lees momenteel een boek dat op de schaal van Verrassend Actueel erg laag staat aangeschreven: The world of Odysseus, geschreven door Moses Finley. Ik kocht het (Pelican Pocket) voor iets meer dan een euro. Zo goedkoop kan een boek zijn dat niet actueel is.

Finley’s boek is een klassieker in de literatuur over Homerus. Het verscheen in 1954 en maakte onder classici het een en ander los. Bij Finley vind je geen taalkundig geneuzel (hij had een hekel aan filologie), geen dieptepsychologie, geen spectaculaire theorieën of aannames maar in plaats daarvan een frisse kijk op een oude tekst. Finley beschrijft glashelder en erg toegankelijk hoe de wereld van Odysseus er ongeveer moet hebben uitgezien. Hij doet dat nuchter en voor zover ik kan beoordelen behoorlijk overtuigend. (Zie hier een mooie recensie van Pieter Steinz.)

Het resultaat is dat je Homerus anders gaat lezen. In plaats dat je het leest als een tijdloos verhaal met universele waarden, krijg je oog voor de vreemde en vergankelijke kanten van het verhaal. Dan merk je dat ook in moreel opzicht die oude wereld behoorlijk ver van onze wereld afstaat en hoe hard het leven geweest moet zijn. Mary Beard wees er bijvoorbeeld onlangs nog op hoe fundamenteel vrouwonvriendelijk de wereld van Odysseus was.

Mij viel nog iets anders op. Ik luisterde naar de Podcast Caliphate van de New York Times over de verschrikkingen van IS. Tijdens het luisteren moest ik een aantal keer aan de Ilias en Odyssee denken. Ik zag beelden van een paar jaar geleden weer voor me uit Irak waar lijken achter rijdende wagens hingen. Zoals Hectors lijk achter het paard van Achilles werd voortgetrokken, bedacht ik. Caliphate besteed ook aandacht aan de verschrikkingen van de door IS tot slaaf gemaakte Yezidi-vrouwen. In de Ilias wordt uitgebreid ruzie gemaakt om een tot slaaf gemaakte vrouw. (Finley beschrijft ook hoe normaal het was bij een verovering de mannen te doden en de vrouwen tot slaaf te nemen.) En dan de manier waarop Odysseus bij zijn thuiskomst wraak neemt…

Voor mij maakte Homerus niets duidelijk over het actuele nieuws rond IS. Het was andersom: IS maakte iets duidelijk over Homerus. Het hardste en onverteerbaarste uit de Ilias en Odyssee komt op zo’n moment naar boven drijven. Een mogelijke reactie is het boek op morele gronden af te wijzen en het weg te leggen. Dat is niet mijn reactie. Lezen bestaat voor mij nu juist uit het reiken naar iets wat buiten jezelf ligt. En moreel ongemak hoort daar soms bij. Dat de wereld van Odysseus voor mij actueel werd door IS, was geen aanbeveling voor Homerus. Of vreemd genoeg misschien toch ook weer wel.

 

Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

 

Reageer >
 

Utopie, uitgestrektheid, leegte

23 juli 2018 (8:33) | Milo van Bokkum | Geen reacties

‘Pavel begint het bed voor mij op te maken. Russen rijden veel met nachttreinen, zegt hij. Daardoor zijn ze goed in bedden opmaken.’

Niet alleen schreef Joris van Casteren met de non-fictieroman Het been in de IJssel mijn favoriete Duitslandboek – er komt geen LIDL in voor, maar je voelt dat iedereen daar z’n eten heeft gehaald – , hij heeft ook een fijn oog voor Rusland. In Mensen op Mars gaat Van Casteren langs bij een aantal vrijwilligers die graag naar Mars willen, waaronder in Rusland.

De bedobservatie die hij daar maakt voelde pijnlijk herkenbaar. De eerste keer dat ik in een Russische nachttrein reisde, in september 2014, van Sint-Petersburg naar Moskou, probeerde ik klungelig mijn laken over het bijgeleverde matrasje te spannen. Dat ging zo slecht dat de – ik gok tachtigjarige – vrouw tegenover mij zich genoodzaakt zag in te grijpen: dit kon zo niet. Met een vriendelijke lach nam ze mijn bovenbed onder handen en werkte alles in een paar seconden af.

Later zouden andere Russen me ook nog vaak helpen met het opmaken van deze bedjes, altijd uit eigen beweging. Vandaag vertrek ik op de Transsiberië Express; wellicht dat ik het daar eindelijk een keer zelf goed leer.

Valt er nog iets nieuws te zeggen over zo’n reis? Iets dramatisch-romantisch schrijven over de grote afstand, het leven aan boord, de grootsheid van de spoorlijn en de eindeloosheid van de Siberische taigawouden is een optie, maar volgens mij heeft iedereen daar wel een redelijk beeld bij.

Voor in de coupé heb ik Van Casterens Lelystad – een boek over de jeugd van de auteur dat er misschien wel het beste in slaagt om de Grote Flevolandse Roman* te zijn, ook al is óók dit boek non-fictie. Ik fantaseer graag dat Van Casteren van Rusland houdt (wat hij doet) omdat utopie, uitgestrektheid, leegte en steden genoemd naar mannen (Lelygrad, iemand?) er al sinds zijn kindertijd bijhoren in zijn leven, maar dat voert waarschijnlijk te ver.

Desalniettemin lijkt het boek een opvallend goede compagnon voor een reis naar Siberië. Ook die regio kwam na een soort kolonisatie de afgelopen eeuw pas goed en wel op gang, met steden die soms strak gepland werden en vervolgens bevolkt met pioniers – het ‘Amerikaanse’ stratenpatroon van Novosibirsk kun je niet vergelijken met het van oorsprong middeleeuwse gekronkel van Moskou.

Ook niet echt met de geforceerde bloemkoolwijken van Lelystad, trouwens. Maar wel met de mondriaanisch rechte wegen in de rest van de polder. Op een brandende zomerdag in 2012 kwam ik op mijn stadsfiets min of meer per ongeluk terecht op de dertig kilometer lange Vogelweg, zonder eten en drinken bij me te hebben. Het gevoel toen ik het tankstation aan het einde bereikte zal niet veel anders zijn dan het over twee weken per trein binnenkachelen van Vladivostok, gok ik. Waarna ik snel nog even het ongetwijfeld door mijzelf onberispelijk opgemaakte treinbedje afhaal.

*De sterke geografische ‘Gründung’ van Van Casterens boeken houdt me sowieso bezig. Het vorig jaar verschenen, dunne Een botsing op het spoor is naar mijn mening niet per se een heel bijzonder verhaal, maar het werkt wél goed als kroniek van de mysterieuze, sterk on-Nederlandse heuvelregio ten zuidoosten van Nijmegen en haar licht van het land afgezonderde bewoners.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >
 

Klein landschap (5)

20 juli 2018 (16:29) | Wilbert Cornelissen | Geen reacties

Cornelissen, Tirade-blog (5), IMG_1606

Dan is er nog een landschap dat onvermijdelijk is, altijd aanwezig maar niet zichtbaar. Kun je dan wel van een landschap spreken? Het is een landschap in een landschap. Er is ook wel eens een andere naam voor bedacht: soundscape. Dat is de wereld van het geluid. Ik hou ervan als stilte, als bladergeruis, als muziek, als stem, maar zij kan me ook vreselijk op de zenuwen werken.

Ik woon in zo’n typisch Amsterdams woonblok, akoestisch gezien meer een echobak. Geluidsgolven gaan heen en weer. Je hoort de geluidsversterking niet want die is er meteen. Ben ik opeens zoveel beter gaan horen? Alsof in de wereld van zichtbare dingen alles twee keer zo groot is geworden. Ik ben de geluidsdwerg die daarvan getuige moet zijn.

En dan is er iets met het oor dat het wezenlijk anders maakt dan het oog. Je hebt niet zoiets als oogleden. Eigenlijk kun je je oren niet sluiten. Ik kan de gehoorgangen dichtstoppen met vochtig gemaakte propjes, altijd mijn eerste noodoplossing, maar dat is zelden afdoende.

Het is zomer en mijn mobiliteit is beperkt, dus ik blijf ook liever thuis. Visueel is hier alles onder controle maar wat geluiden betreft ben ik zo kwetsbaar als wat. Er is een bouwplaatsje in een beganegrond-étage. Lawaai komt in vele vormen, een ervan is bouwlawaai. Ik beschouw dit maar als een soort natuurgeluid, onafwendbaar en bij de orde van de dingen horend. Boren, hameren, frezen, heien, en het daarbij horende geroep en geschreeuw. Wordt er dan nog een transistorradio aangezet dan wordt een grens overschreden. Het oerwoud van de bouwplaats verandert in een ordinaire kermis. Wat te doen? Een trein van emoties rijdt door me heen. Ergernis, woede, verontwaardiging… Hoe daar verder uiting aan te geven? Moet ik er überhaupt uiting aan geven? Ik wil alleen maar dat het lawaai ophoudt. Ik loop naar de bouwplaats aan de Pieter de Hooghstraat. De voordeur staat open. Gelukkig zie ik meteen een van de bouwlieden. Vreemd genoeg heeft hij oordempers op zijn  hoofd. Ik vraag hem of ‘het ietsjes zachter mag’. Voor alle duidelijkheid, dat is een understatement.

In het binnenhof bevinden zich de tuinen. We hebben er ook een. In de loop der tijd is daar niet zoveel aan veranderd. Af en toe wordt er wat gesnoeid, iets gebouwd of afgebroken, maar bij de buren is dat een heel ander verhaal. Om de twee jaar wordt de tuin daar wel verbouwd. Laatste trend is de ‘extended living room’. De sfeer is kitscherig in de zin dat de tuin zo uit een catalogus gelicht lijkt te zijn. Nu is er een keukenblok met barbecue geplaatst. Nouveaux riches? Je moet je geld ergens aan besteden. Tuingezelschappen zijn altijd een aangename aanblik. Een menselijke samenscholing op z’n liefelijkst. Opmerkelijk is de ontwikkeling van het volumeniveau. De hoeveelheid alcohol die wordt verorberd is terug te horen. Aangeschoten spreek je luider, je lacht ongeremder, – en dat klinkt door. En dan is er het hoekpand met zijn rookterrasje. In de grote villa mag blijkbaar zelf niet gerookt worden. Dus de rokers verzamelen zich in de achtertuin. Ik probeer me gerust te stellen met een opmerking van de wijkagent. De Algemene plaatselijke verordening in Amsterdam schrijft voor dat het om tien uur ’s avonds stil moet zijn. In andere gemeenten is dat anders, daar moet het om tien uur rustig zijn en om elf uur stil. Ik word hier in de rol van ordehandhaver geduwd.

Ik heb het over een klein landschap terwijl ik de hele binnenhof beschrijf. Dat is waar geluid goed in is, van ver komen en zich ophopen rond mijn oor. Rond mijn oren verzamelt zich het grootste landschap. En ik kan mij er niet voor afsluiten. En het ergste is dat geluid, vooral in de vorm van taal, heel dicht bij het denken staat. De stemmen verhinderen dat er afzonderlijke woorden in mij opkomen. Ze lopen door mijn denken heen.

—-

Wilbert Cornelissen is dichter, danser en denker. Zojuist verscheen Elke dag een/Proefsleuven, uitsneden uit tien jaar elke dag een gedicht schrijven.

Reageer >
 

Klokken – het raadsel van de tijd mechanisch opgelost

19 juli 2018 (10:48) | Menno Hartman | Geen reacties

2ef2726c-d6f4-4dfe-8cb7-8f13b285e968In de jaren ’80 waren er op scholen vaak acties voor Afrika, of andere gebieden waarvan sommige mensen toen nog dachten dat ze op wat paternalistische bilaterale hulp zaten te wachten. Ik heb nota bene Negerzoenen verkocht voor Malawi, in een actie waarin iedereen een tientje kreeg om daar meer geld van te maken. Goede manier om ondernemerschap aan te wakkeren overigens, ik had op zeker moment een halve garage vol dozen Buys negerzoenen. Ik herinner me rond een dergelijke actie iets wat een ‘Amerikaanse veiling’ heette: Je riep het bedrag dat je er méer voor over had dan de laatste bieding, en dat bedrag werd ook onmiddellijk geïnd. Zo was de opbrengst heel redelijk, en had iedereen meebetaald aan het uiteindelijke bedrag en had je de kans op een fiets voor twee gulden.

Op een veiling kocht ik eens een lot met koffers die niet opgehaald werden op Schiphol. We verdeelden ze onder schrijvers die op basis van de inhoud van die koffers een leven moesten reconstrueren, het leverde wat mij betreft een van de aardigste Tirade themanummers op.

In Hermans De heilige van horlogerie windt de hoofdpersoon in 297 zalen 1473 klokken op, een filosofische bezigheid. In The Blind Watchmaker van Richard Dawkins is het uurwerk een zinnebeeld van de gecompliceerde wereld die te ingewikkeld is om door een albestierder te worden gemaakt, in Carson McCullers’ Clock wihout hands, is de niet zichtbaar veranderende tijd een aanklacht tegen de trage maatschappelijke vooruitgang en gebrek aan integratie in het Amerikaanse Zuiden.

Maar mijn fascinatie met klokken is eerder esthetisch dan mechanisch, al verlang ik ernaar in een goed geschreven handleiding te lezen hoe een horloge precies werkt. Ik ben sinds kort verslingerd (no pun intended) aan catawiki horlogeveilingen. De prachtigste vintage horloges aangeboden door bijvoorbeeld iemand uit Italië, waarop je kunt bieden. De psychologie van het wanneer bieden kan je goed bezighouden. De veiling heeft een aantal kavels waarop je bod kunt uitbrengen en heeft een beperkte tijdsduur. Met een onzichtbaar automatisch bod kun je tegenstanders de moed ontnemen door te bieden, maar uiteindelijk gaat het er toch om hoeveel je er precies voor over hebt. Als je niet oppast ga je op zeker moment – terwijl de klok van de veiling aftelt – wensen overboden te worden, omdat je teveel biedingen hebt uitstaan, en elk bod is bindend. Als je een kavel ‘wint’, daalt er confetti van je scherm neer. Ja er is over nagedacht. Want vreemd genoeg dat kinderachtige effect wil je steeds opnieuw ervaren. Bieden is verslavend als gokken. Ook het aspect van gevaar (teveel geld uitgeven) werkt mee in het verslavingsmechanisme.

Wanneer je een oud horloge koopt, heb je een werkende machine van bijvoorbeeld 80 jaar oud, zoals deze Octo, uit Zwitserland, vermoedelijk van voor de Tweede Wereldoorlog. Een horloge waarover ik vrijwel niets kan terugvinden, bijvoorbeeld niet waarom je hem helemaal los uit zijn vatting moet kunnen drukken met een eenvoudige handeling? Maar een object dat mij mateloos fascineert door zijn verleden, de kwestie wie er wanneer mee rondgelopen heeft en het gemak waarmee dit oud mechanische instrument nog moeiteloos werkt. Het obligate raadsel van de tijd op tweeërlei wijze verenigd en aanschouwelijk gemaakt in een klein object van 28 gram.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, reist nu tot 27 augustus door de VS, dus tot die tijd  even geen nieuwe blogs.
Reageer >
 

Overhuizen

18 juli 2018 (9:45) | Gilles van der Loo | Geen reacties

999AC31A-8BEA-4785-B786-D474D9A439D6Afgelopen woensdag trof je hier geen blog van mij. We waren net verhuisd en dat leek een goed excuus om mezelf vrij te geven.

Van verhuizingen wordt gezegd dat ze tot de meest stresserende gebeurtenissen in een mensenleven horen. Geen idee wie daarop gekomen is en of het klopt, maar laten we aannemen van wel.

Mijn vraag is dan: zijn in dit onderzoek vluchtelingen meegenomen en mensen die om een andere reden gedwongen waren te vertrekken? Uithuiszettingen, echtscheidingen, werkloosheid?

Weinig keuzes die je zelf kunt maken schudden de kaarten zozeer. Een partner, kinderen, je werk en waar je woont: beslissingen waarna de wereld een tijdje nieuw lijkt; alles mogelijk.

Ik ben om die reden gék op verhuizen, maar had mijn wens al tien jaar geparkeerd omdat ik de diepte van B’s wortels ken.

Sinds onze dochter er is begreep B ook wel dat we ons zouden moeten verplaatsen, en om het haar makkelijker te maken vond ik het onmogelijke: een huis dat honderd meter van B’s geboorteplek staat, aan een nog fijnere straat ligt dan waar we woonden en een nog fijner uitzicht heeft. Als kers op de taart zitten we ook nu dicht genoeg bij Nadims school om hem in zijn klasje te laten blijven.

Toch: in de afgelopen 13 jaar samen stonden B en ik nog nooit zo ánders in een situatie. Alleen Paramaribo kwam in de buurt, toen we moesten kiezen of we in Noord of in Flora gingen wonen. Ik koos voor Flora en drukte die beslissing door terwijl dat niet is hoe onze relatie werkt, maar we werden heel gelukkig in de Marijkestraat.

Door te verhuizen sla je een pad in dat tot een nieuwe situatie leidt en die situatie kan uiteindelijk minder fijn blijken dan de oude. Er is roekeloosheid nodig om een bedrijf te beginnen, kinderen te maken, te trouwen, te verhuizen. Een zeker ogen dicht en gaan. 

Op die momenten, al zeg ik het zelf, blink ik uit. Het is het domme in me, dat zich soms jaren niet kan laten zien.

Nu we op ons nieuwe adres zitten is het wachten tot B’s hart ook meeverhuist. Het klopt wat stilletjes in een van de verhuisdozen op onze nieuwe slaapkamer, en zal een dezer dagen hopelijk een kijkje komen nemen – eerst door de handgreep van de doos en daarna door de kartonnen flappen echt naar buiten – beginnen te wennen aan de ruimte, aan hoe haar slagen klinken op een nieuwe plek.

Omdat ik manisch ben weet ik zeker dat het goed komt. Het is het domme in me dat ik bijna was vergeten, maar waarvan ik zoveel houd.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceert hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Oradea – een vrij kitscherig bloemenboeket?

16 juli 2018 (14:59) | Milo van Bokkum | 2 reacties

paleis oradeaIn een poging wat nuance aan te brengen bij een naar zijn mening eenzijdig artikel over Oost-Europa in de Groene Amsterdammer twitterde een vriend van mij dat de Roemeense stad Oradea misschien wel “Europa’s art-nouveau-hoofdstad” is. Hij had in de reportage vooral clichébeelden gezien van grijze flats en kapotte wegen, en wilde even duidelijk maken dat er ook genoeg moois te zien was achter het voormalige IJzeren Gordijn.

Ik onderdrukte een glimlach (zeldzaam tijdens een bezoek aan Twitter). Geen stad in Europa heeft mij ooit zo verrast als Oradea, in een uithoek van noordwest-Roemenië aan de Hongaarse grens. In de zomer van 2016 maakte ik speciaal een omweg met trage Roemeense treinen om de art-nouveau-architectuur te zien, een planningsbeslissing die een goede gok bleek. De door precies genoeg mensen bevolkte Piata Unirii in de avondzon won het met gemak van Europese klassiekers als de Brusselse Grand Place of de Praagse Staromestske Namesti.

Later zou ik nog vaak vrienden naar allerhande art-nouveau-steden slepen. Op de een of andere manier liggen die meestal niet echt op je route; het zijn vaak secundaire provinciestadjes die er in uitblinken en waar je dus ook enige moeite voor moet doen: Subotica in Noord-Servië, Alesund in Noordwest-Noorwegen, Nancy in Frankrijk en dus Oradea. Steden waarvan het soms lijkt alsof ze rond 1900 bijna volledig geclaimd zijn door de architecten van deze stroming, vaak zonder dat er al al te veel indrukwekkends gebouwd was in andere stijlen. (Of de stad werd gewoon herbouwd na een forse brand, zoals in Alesund).

In april, toen ik met een vriendin waarvan ik wist dat ze vooral van modernisme houdt voor het huis van Victor Horta in Brussel stond, brak ik me het hoofd over wáárom art nouveau mij zo trekt. Ik vroeg me af hoe mijn reisgenoot het gebouw zou ervaren. Waarschijnlijk als een vrij kitscherig bloemenboeket, dacht ik.

Ik snap dat wel. De stijl vereist niet veel doordenken van de kijker; het is op een bepaalde manier niet móeilijk om mooi te vinden en daarmee wellicht minder interessant. Het zijn stillevens op gevels, vol drama en versieringen.

Maar toch: voor het Bauhaus-gebouw in Dessau, zo ongeveer de antithese van art nouveau, zei een vriend van mij ooit dat hij de hype niet begreep: het waren gewoon heel veel ramen. Waren we daar nou voor omgefietst?

Hoewel ik ook wel van wat modernisme houd, snap ik de kern van zijn punt óók maar al te goed. Op een art-nouveau-gevel gebéuren dingen; het is vaak het spannendste gebouw in de straat. Je weet wat je kan verwachten, toch blijf je kijken naar de schreeuwende hoofden en de openkrullende bloemknoppen, elke keer weer een nieuwe variatie op hetzelfde thema, maar in ieder geval altijd met die fijn geromantiseerde, rokerige, fin-de-siècle-sfeer. Je weet wel dat het soms wat overdreven is, dat er daarna nog veel meer verfijnds is gebeurd in de architectuur en dat je er vandaag de dag moeilijk mee weg zou komen, maar je laat het je lekker overkomen, want eigenlijk is het gewoon genieten, en hier mag het, alsof het een beginzin is van een Couperus-roman.

In een donker, koud klaslokaaltje aan de rand van het centrum van Sint-Petersburg draaide mijn Russische architectuurprofessor geregeld drie uur lang dia’s af met foto’s van de zwierigste gebouwen uit de stad, onverstaanbaar mompelend van onder zijn Dostojevski-baard. Het waren de enige colleges waarvan ik nooit wilde dat ze afgelopen waren.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

 

2 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina