De mooiste meter

19 oktober 2017 (14:29) | Menno Hartman | Geen reacties

Washington-Square-a-New-YorkStukken die je fietst, wandelt of terwijl je in een auto of trein zit passeert, vormen voor mij een vreemde afwisseling van emoties. Het lijkt wel of per zeg vijftig meter je geheugen, je brein een andere kleur aan een stuk straat toekent. Een traject dat ik regelmatig afleg bestaat dus uit een veelheid, een lappendeken van stukken van vijftig meter die steeds een net andere mate van aangenaamheid bezitten. Hoe komt zoiets? Hoe kan het dat je een bepaalde bocht plezieriger vindt dan een andere, en dat dezelfde plek eigenlijk altijd ongeveer hetzelfde gevoel oproept? Mijn Wibautstraat vanaf het Amstelstation ziet er bijvoorbeeld zo uit: positief-negatief-positief-positief negatief – negatief- positief-positief- negatief -positief. Nu ben ik bij het Jonas Daniel Meijerplein aanbeland. Hoe kan het dat er onaangename stukken straat zijn waarvan je niet weet waarom ze dat zijn?

Ik denk dat de wereld waarin je je vaak begeeft, je stad een mentale kaart wordt. Eenmaal een heel vreselijk rotdag versterkt voelen worden door een rottige situatie in het verkeer op een bepaalde plek bijvoorbeeld,  zorgt ervoor dat je je misschien niet het onbeduidende voorval  herinnert, maar wel het gevoel dat daarbij hoorde. En dat gevoel blijft aan die plek hangen. Elk traject dat je zo aflegt is een veruitwendigd geheugen van gevoelens. Het kan een gedachte zijn, mooi of lelijk die een plaats is gaan kleuren, een voorval, een herinnering, een blik van iemand, een lied dat door je hoofd speelt, een schittering in een raam, de lichtval, een schaduw van de zon.  Maar het staat betrekkelijk vast daarna.

Zoals Dick Hillenius planten op reis meenam, in zijn tuin plantte en zo zijn tuin als een uitwendig geheugen kon zien – hij herinnerde zich immers bij het zien van een bepaalde plant de tocht die hij vier jaar terug in Spanje maakte –  zo wandelt iedereen ongemerkt door een wereld die hem door een verleden van kleine gevoelswisselingen dingen meedeelt die niet daarbuiten bestaan, maar slechts aangezet worden door het beeld van de buitenwereld.

Het is zoals Tijs Goldschmidt in De bijenchoreograaf schreef mogelijk een bij een dansje naar believen te laten doen door de strategische aanplant van bloemenvelden in de buurt – de bij geeft immers met zijn bewegingen aan zijn korfgenoten door waar de juiste honing te halen valt.

Zo zou een tocht door de stad denkbaar zijn met maximale positieve gevoelens, en een tocht met maximale negatieve gevoelens. Een hersenscan met oplichtende gebieden op afroep door een wandeling door je stad of dorp. En over de schoonheid van de tocht hoeft dat niets te zeggen.

Onderzoek naar hoe je omgeving inwerkt op je hersenen staat naar ik geloof nog in de kinderschoenen.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Zie vooral deze pagina van tekenaar Stefan Bleekrode voor informatie over de intrigerende afbeelding bij dit stukje.

 

Reageer >
 

Vrienden

17 oktober 2017 (21:50) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5375Boris was jarig. Aan een tafeltje bij het raam in Hoi Tin op de Zeedijk wachtten Arie en ik op de lange man met de rugtas. Boris is altijd laat, en na twintig gedeelde jaren kunnen we het nog steeds niet laten de vriendschap per sms op te zeggen als we weer eens op hem moeten wachten.

Hij reageert hier nooit op. We bestelden. Boris kwam binnen, zette zijn rugtas neer en veegde zijn haar uit zijn gezicht. Arie en hij zouden straks naar de film gaan, naar Blade Runner, en ik vroeg me af waarom ik daarvoor geen vrij genomen had.

Dat is mijn rol: degene die moet werken en grote delen van het feestje mist.

We worden ouder. Ik bedacht voor de zoveelste keer dat ik later niet mijn werk zou missen, maar juist dit soort dingen: samen naar de film.

Na meer dan vijf jaar is onze vriend Gijs er nog steeds heel erg niet als we samen een feestje hebben. Voor zijn dood waren we altijd met zijn vieren. Er zat een evenwicht in de relatie. We zijn een tafel met drie poten, nu.

Nieuwe vrienden hebben we, sterke banden met recentere mensen, maar het gemak waarmee wij samen kunnen zijn ken ik bij niemand anders.

De laatste tijd kijk ik op een andere manier naar ons. Alsof ik oud ben en terugdenk aan deze momenten. Zo waren weDit waren we voordat al die andere dingen ook nog gebeurden. 

“Have I ever told you how precariously balanced I feel?” schreef A.M. Homes. “As though my existence can be revoked at any moment.”

Hoe ouder ik word, hoe meer die woorden kloppen. De blijdschap van nu is vooral een blij zijn dat het er allemaal nog is. Dat klinkt droevig, maar het gevoel wordt er ook dieper van.

Na de lunch keek ik ze na, mijn vrienden. Halverwege de middag kwamen de appjes binnen: Boris en Arie met cognac. Boris en Arie met popcorn en een 3-D bril.

Vandaag viert mijn zoon Nadim zijn zesde verjaardag. Er komen klasgenootjes naar ons huis en een paar uur lang zal de eerste vorm van vriendschap om me heen razen. Het soort vriendschap dat oneindig lijkt, waar nog geen afscheid in besloten ligt.

Hoe mooi ik dat ook vind: ik ben meer gaan houden van het soort vriendschap dat me blij, maar ook verdrietig maakt.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Ongewenste intimiteiten

14 oktober 2017 (9:38) | Arjen van Lith | Geen reacties

duif

Van heteromannen heb ik weinig verstand, maar ik kan me niet voorstellen dat ze het prettig vinden om te worden beschouwd als een lustobject in de Pak me! Pak me!-zin van het woord. Jammer is dat; ik gun hun zoveel meer dan een eenzijdig bestaan als veroveraar.

Zelf heb ik er geen enkele moeite mee. Ik stapte vroeger nooit op jongens af. Ik positioneerde me in goed licht op de dansvloer met mijn beste kant naar de bar, een lok over één oog, het andere wellend als in een manga in het schijnsel van de glitterbol/maan. Een aaibaar prooidiertje, maar toch ook heel verbaal.

Quasi-verlegen liet ik me meestal oppikken, maar ik nam die mannen wel altijd mee naar mijn eigen huis, waar ik de hockeystick zo nodig zelfs geblinddoekt nog kon vinden. Sinds een etentje in de provinciestad H. maakte ik daarop geen uitzonderingen. Sinds mijn negentiende.

Mijn eerste jaar sociologie heb ik voornamelijk pingpongend doorgebracht in de kelder van de Oudemanhuispoort, samen met mijn beste vriend D. die ik toen net ontmoet had, maar daar gaat het nu niet om. Het gaat nu om B., een asblonde kunstenaar met een plusbril die continu om onze tafel heen cirkelde. Vanwege zijn lange jas en vooruitgestoken nek had hij iets gierachtigs, maar artistiek gezien vond ik hem wel interessant. Het kan zijn dat ik toen heel even, in een reflex, per ongeluk mijn goeie kant naar hem heb toegedraaid.

Hij was wat ouder, op zich niks nieuws. Hij had me uitgenodigd om te komen eten in zijn atelier. Aan de ene muur hing alleen een olieverfschilderijtje op postzegelformaat en aan de andere een wandvullende fotoafdruk van een enkele haar. Van eerder werk – een grote installatie – had hij een keuken en badkamer getimmerd.

B. vertelde me dat hij eerder die dag naar België was gereden om duif te kopen. Twee stuks, speciaal voor ons, langzaam gegaard met erwtjes en foie gras. Zó langzaam gegaard, dat de laatste trein naar Amsterdam al vertrokken was toen hij ze voorzette.

Na het toetje begon B. steeds roofdierlijker aan me te zitten en duwde me naar een slaapbank achterin het atelier. Ik probeerde hem te ontwijken en bedoelde echt nee, maar ik was ook gedrogeerd met wijn en duif en hij had meer wil dan ik. Ik capituleerde. Pas nadat ik het over me heen had laten komen, belde ik mijn enige vriend met een auto om me op te halen.

Ik weet het nog steeds niet. Had ik het uitgelokt? Was dit gewoon het spel en had ik dat met open ogen meegespeeld? Was nee dan toch ja? Wond dat geworstel hem juist op? Mij niet. Ik werd er doodop van en dacht rond twee uur letterlijk: vooruit dan maar, dan hebben we het tenminste gehad. Hij was ruw, minder vanilla dan ik, maar dat is verder niet strafbaar.

Ik had toegegeven. Dat maakt het ingewikkeld.

B. had aan mijn haar getrokken en ik had hier en daar wat schrammen, maar een trauma heb ik er gelukkig niet aan overgehouden. Wel die hockeystick, en begrip voor alle vrouwen en mannen die er decennia over doen om te achterhalen wat er nou precies gebeurd is.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Een eigen leven

10 oktober 2017 (22:14) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5370Vorig jaar verscheen mijn eerste en hopelijk enige autobiografische roman Het Jasje van Luis Martín. Luis, een van de hoofdpersonen, was een grote inspirator voor mijn overleden vriend Gijs Thio en daardoor ook voor mij.

Ik heb Luis nooit ontmoet en beschikte over geen enkel hard feit toen ik begon te schrijven, maar bouwde mijn personage op uit alles wat Gijs me met de jaren over hem heeft verteld. Toen ik in Madrid was om Martíns dochter toestemming te vragen voor het gebruik van haar vaders naam en mijn versie van hem beschreef, bleek die heel aardig te kloppen met de echte Luis Martín Murillo.

Maar mijn Luis was van een andere soort: hij was niet echt.

Kunstenaar Floris Tilanus maakte voor Van Oorschot het mooie boekje Zoals het is, en is deze dagen bezig met een enorme tekening op de afgetimmerde gevel van een winkelpand in de Utrechtsestraat. Gisterenavond aten Elena en hij bij ons. Toen we hun natte jassen hadden aangenomen zei Floris dat hij nog een immaterieel cadeautje voor me had.

Met een lange wijsvinger bladerde hij door zijn telefoon en liet me zien hoe ver hij met het schuttingproject was. Een aantal panden en een stoep stonden er al, de trambaan liep nog een witte leegte in. Het deed iets met me om een deel van mijn stad door Floris getekend te zien. De straat was dezelfde, maar díeper, ergens. Floris had aan het beeld een eigen warmte toegevoegd.

Ik dacht aan echte plekken en personen; aan wat een schrijver of tekenaar van ze maakt. Minder dan echt, maar ook méér dan dat.

‘Kijk eens naar dat bordje,’ zei Floris, en zette zijn nagel op het scherm.

Luis Martín, stond er. Spaanse delicatessen.

Laura’s Martín was die van Gijs geworden, die van Gijs werd de mijne en nu had Floris hem een winkeltje in Amsterdam gegeven. Soms moet je mensen even knuffelen.

Zie je wel, dacht ik, Luis Martín Murillo, dat je bestaat.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Vliegeniers

10 oktober 2017 (6:30) | Pieter Kranenborg | Geen reacties

De agent schraapte zijn keel.

Vier uur vijftien, bureau Amberlecht, zei de agent tegen het opnameapparaat, dat midden op tafel stond. Verhoring van Helen Nietstemaren en Jan Nietstemaren. Halverwege het verhoor zal Karel Lievemeier uitgenodigd worden om de ruimte te betreden en deel te nemen. Helen Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, zei Helen.

Jan Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, mompelde Jan.

Dan kunnen we beginnen, zei de agent vrolijk. Mevrouw Nietstemaren, klopt het dat u het vuur aangestoken heeft?

Ja, dat klopt, zei Helen. En het spijt me van de schuur van de buurman.

Meneer Lievemeier, bedoelt u, zei de agent, wijzend naar het opnameapparaat.

Ja, sorry. Maar ik wil graag uitleggen hoe het gebeurd is.

Gaat uw gang.

Ik weet dat er niets meer van te zien is, want het is natuurlijk allemaal verbrand. En Jan liet het aan niemand zien, dus niemand wist het. Maar hij bouwde een vliegtuig in onze schuur.

Klopt dat, meneer Nietstemaren?

Jan knikte.

De agent wees naar het opnameapparaat.

Ja, zei Jan, dat klopt.

Jan was iemand tegengekomen, op het strand, een vliegenier uit Noorwegen. Hij bezat een bos, toch Jan?

Dat had hij geërfd, zei Jan.

Ja, dat had die Noor geërfd. Zijn grootvader had een bosbouwbedrijf opgericht, dat door zijn vader uitgebouwd was, tot een van de grootste houtleveranciers van Noorwegen.

Klopt, zei Jan.

© Mike Sandlin

Maar die Noor, die moest daar niets van hebben, die wilde dat bedrijf niet overnemen. Zijn familie was daar heel boos over, maar hij trok zich er niets van aan. Hij liet een stukje van het bos kappen, en op de open plek die zo ontstond bouwde hij, met het hout dat daar gestaan had, een vliegtuig. Toen dat af was, liet hij een rechte strook kappen in het bos, als landingsbaan, en toen is hij met zijn vliegtuig opgestegen en weggevlogen. Dat was ongeveer een jaar geleden. Hij vloog over de Noordzee en landde op het strandje bij Wendelgum, net toen Jan de hond aan het uitlaten was, toch Jan?

Hij zei dat hij niet van plan was terug te gaan, zei Jan. Hij ging verder, hij zou wel zien. Hij had heel weinig geld.

En toen is het dus allemaal begonnen, zei Helen.

Wat een prachtig verhaal, zei de agent. Iemand die leeft voor schoonheid en vrijheid, hè, en de materiële zaken afwijst.

Jan knikte instemmend.

Goh, zei de agent.

Moet ik het verhaal niet afmaken? vroeg Helen verontwaardigd.

Ja, excuus mevrouw, gaat u door.

Vanaf die dag was Jan helemaal in de ban van die Noor. Ik werd er gek van. Jan is nu woedend op me, hè, maar normaal kan hij lange verhalen houden hoor. Die geschiedenis van die erfenis en de ruzie met de familie heb ik tig keer moeten aanhoren, daarom kan ik het zo precies navertellen. Nou, voordat ik het wist was hij alle troep uit de schuur aan het ruimen en begon hij karrenvol hout en metaal naar binnen te rijden. Ik ga een vliegtuig bouwen, zei hij! We maakten geen wandelingen over het strand meer, we lazen niet meer samen de krant. Soms kwam Jan niet eens mee om te eten. Ik eet wel in de schuur, zei hij dan.

Een stilte.

Ik werd er zo ongelukkig van, zei Helen, met een snik in haar stem. Daarom heb ik het gedaan.

Je had het recht niet, zei Jan nors.

En wat is dat precies, wat u gedaan heeft? vroeg de agent.

Op een avond was Jan weer de hond aan het uitlaten op het strand. Toen heb ik een zak takken en oude kranten overgegoten met wodka. En die heb ik in het vliegtuig gelegd en in brand gestoken. Ik had er genoeg van. Ik deed het met opzet, dat beken ik. Maar niet dat van de schuur van de buurman…

Ja, zei de agent. Want, even voor de duidelijkheid, zei hij tegen het opnameapparaat, de schuur van buurman Lievemeier is ook tot de grond toe afgebrand, toen het vuur oversloeg. Daar zullen we zo verder over praten. Ik wil eerst van u beiden weten wat er gebeurde toen u thuis kwam, meneer Nietstemaren.

Ik kwam thuis en opeens was het weg, zei Jan. Ik heb het niet eens zien gebeuren. Dat vind ik het ergste. Er ligt nu een groot, stinkend zwart gat naast ons huis. Alsof het vliegtuig er nooit was.

Maar u hield zich verder kalm? vroeg de agent.

Ja. Maar ik ben woedend. Ik moet verdomme kunnen doen wat ik wil. Helen had niet het recht mijn vliegtuig in brand te steken, zei Jan, luider nu.

Ach, ja, alles gaat voorbij, hè? zei de agent.

Wat zegt u nou? zei Jan.

Alles gaat voorbij! Dingen veranderen, vliegtuigen verbranden, zei de agent, en hij ging losjes achterover zitten.

Daar gaat het niet om, zei Jan. Het gaat om wat er hier gebeurd is.

Ach ja, zei de agent, u komt er samen wel uit. Weet u, hij ging voorover zitten en keek Helen en Jan allebei even aan, u zou u eens moeten verdiepen in de oude Japanners. Die hebben hier veel interessants over geschreven. De schoonheid van het leven ligt volgens hen in haar vergankelijkheid. Het afbranden van uw vliegtuig zouden zij als iets waardevols hebben beschouwd.

Jan probeerde te protesteren, maar kwam niet uit zijn woorden.

Maar dan is er nog de kwestie van de heer Lievemeier, zei de agent, want het afbranden van zijn schuur zou volgens het recht toch een misdrijf genoemd kunnen worden waar u, mevrouw Nietstemaren, technisch gezien schuld aan heeft. Ik zal hem even binnenlaten. Hij stond op, liep naar de deur, en riep via een luikje Karel Lievemeier naar binnen.

Een moment later zaten Karel en de agent aan tafel.

Nou, Karel, zei de agent. Het blijft fascinerend, hè?

Ja, zeg dat wel, zei Karel. Je wordt toch weer geconfronteerd met je eigen eindigheid.

En je kersenboom, staat die er eigenlijk nog? vroeg de agent.

Afgebrand, zei Karel.

Goh, zei de agent.

Mag ik u even onderbreken, zei Helen, moeten we niet doorgaan met het verhoor?

Oké, goed, zei de agent, ik vraag dit voor de procedure: meneer Lievemeier, dient u een aanklacht in tegen mevrouw Nietstemaren?

Oh, nee, zei Karel. Dit hoort bij het leven, hè.

Dat maakt het nog niet goed, zei Jan geërgerd.

Ik kan me wel steeds door tegenslagen droevig laten maken, maar waarom zou ik dat doen? vroeg Karel.

Ik heb ze al verteld over de oude Japanners, zei de agent. Als meer mensen zouden beseffen dat vergankelijkheid het leven mooi maakt, zou ik hier minder vaak zitten.

Ik snap niets van dit verhoor, zei Helen.

Uw man twijfelde nog over of hij u zou aanklagen, zei de agent. Vandaar. Het leek me goed dit eerst allemaal even besproken te hebben. Dat ik suggereerde dat Karel u misschien wel wilde aanklagen, is misschien niet zo netjes, maar het maakte dit verhoor mogelijk en dus onze gezamenlijke reflectie. Dus, meneer Nietstemaren, klaagt u uw vrouw aan?

Jan aarzelde.

Iedereen wachtte op zijn antwoord.

Die Noor is neergestort, flapte Helen eruit.

De drie mannen keken haar verbaasd aan.

© William Hook

Dat denk ik, tenminste, zei Helen. Er was een paar weken geleden een Noor neergestort voor de kust van Frankrijk, in een zelfgebouwd vliegtuig. Jan leest de krant niet meer, dus die heeft dat niet meegekregen, maar het is echt waar.

Jan keek haar aan, hij raakte zichtbaar steeds meer in de war.

Hmm, zei de agent. Ik dacht dat u het vliegtuig in brand stak omdat u de liefde van uw man miste, maar nu is het opeens om hem te behoeden voor een ongeluk?

Nou, ja, allebei, stamelde Helen. Het was misschien een beetje egoïstisch, maar ook een beetje voor hem.

Maar ongelukken gebeuren, hè, zei Karel.

De agent knikte instemmend. Het kan zomaar gebeuren. Daar moet je je bewust van zijn, maar niet door laten tegenhouden. Al had uw man zich te pletter gevlogen tijdens het najagen van zijn vrijheidsdroom, dan was de keus om op te stijgen nog steeds de juiste geweest. Het heeft geen zin om angstvallig in onze huizen te zitten wachten tot iemand ons komt vertellen dat alles veilig is, hè, dat gaat niet gebeuren.

Stel je voor! zei Karel lachend.

Dus, meneer Nietstemaren, vroeg de agent, klaagt u uw vrouw aan?

Hij keek Jan indringend aan.

Nee, zei Jan resoluut. Hij stond op en liep de ruimte uit.

Helen ging achter hem aan. Ze volgde Jan het bureau door, terwijl hij met snelle passen naar de uitgang liep.

Eenmaal buiten stond de lucht in brand met het blauwe vuur van de vroege avond. Het licht leek eerder afkomstig van de hemel dan van de zon, alsof de lucht een groot stuk gekleurd papier was gewikkeld rond een reusachtige lamp. Onder dat licht reden ze over de landweg terug naar huis, in hun eigen gedachten verzonken.

Toen ze het zijweggetje naar hun erf insloegen, zei Helen: Dat van die Noor was niet waar. Ik deed het voor mezelf.

Wist ik wel, zei Jan. Ik heb nog contact met hem.

Hij parkeerde de auto voor het huis. Ze stapten niet uit. Een tijdje keken ze naar het zwarte gat dat naast het huis lag en dat de invallende duisternis van de avond naar zich toe leek te trekken, zwijgend naast elkaar gezeten in de auto, terwijl de grote lamp boven hen zachtjes gedimd werd.

Toen draaide Jan zich om en keek Helen aan.

Zal ik dan maar een nieuwe bouwen? vroeg hij, met het spoor van een glimlach. Voor twee personen?

 

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre, en werd ook op de website van deBuren gepubliceerd.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Afgelopen mei verscheen bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. Zie ook https://pieterkranenborg.wordpress.com/

Reageer >
 

Marfa

7 oktober 2017 (7:32) | Arjen van Lith | Geen reacties

marfa

In het grote cartoonboek van The New Yorker staat een tekening van een man en vrouw in de woestijn. Hij smeekt om water, zij om moisturizer. Ik moet daar even aan denken als ik onze koffer inpak voor een weekendtripje naar Marfa, een kunstenaarsenclave in West-Texas.

In Marfa staan veel werken van de minimalistische kistenbouwer Donald Judd (1928-1994), die daar woonde en werkte. Ik ben fan. Het uitgestrekte, verdorde landschap leent zich uitstekend voor zijn strenge vormen, maar misschien nog wel beter voor een langzame verdrogingsdood in de woestijn.

Natuurlijk heb ik water ingepakt, gallons vol, al zijn die vooral voor M., want die moet voortdurend natgehouden worden. Voor mezelf heb ik vochtige doekjes ingeslagen, een flacon CVS Ultra Sheer Broad Spectrum Sunscreen factor 50, een tube aloë vera*, voedende nachtcrème, oogdruppels, vochtinbrengende lippenbalsem, handcrème en een bandana – een boerenzakdoek – die ik in geval van oververhitting net als Thelma & Louise bij een afgelegen tankstation in een bak smeltend ijswater kan dopen, mijn oksels mee kan opfrissen en om m’n nek kan knopen. Je kunt hem ook voor je neus en mond binden als er plotseling een zandstorm opsteekt, of strak om je hoofd om opkomende doemscenario’s al bij de hersenschors af te knellen. Bij eventuele schotwonden is een bandana een prima noodverband. Het verschil tussen leven of sterven in de woestijn, zo suggereert de geraadpleegde literatuur, hangt in heel veel gevallen af van een bandana. Ik heb een rode ingepakt. Klassiek, past overal bij.

De oktoberzon is onverbiddelijk in de Texaanse woestijn. Je moet iets op je hoofd dragen. M. heeft een echte cowboyhoed; hij versmelt straks moeiteloos met zijn omgeving. Ik heb alleen een honkbalpet met de tekst Make Donald Drumpf Again, dus is het goed mogelijk dat ik al dood ben als u dit leest.

We gaan op pad met onze vriendin S. en haar nieuwe vriendje, beiden hindoes uit India en gemakkelijk aan te zien voor Pakistaanse jihadisten of Mexicaanse verkrachters. Tel daar twee witte homo’s bij op, zet het hele gezelschap in een gloednieuwe Prius op het Texaanse platteland en je hebt de ultieme schietschijf voor de plaatselijke deplorables.

Fragmenten uit Nocturnal Animals schieten door mijn hoofd als ik het snoer van mijn telefoonoplader oprol. In grote delen van de woestijn is er geen bereik. Die film zou heel anders zijn afgelopen als de hoofdpersoon flink wat cash bij zich had gehad, dus ren ik nog even snel naar de Chase om alvast ons eigen losgeld te pinnen. Vierhonderd dollar, honderd per persoon. Meer kan ik me niet veroorloven.

Geen enkele voorbereiding neutraliseert het naakte feit dat mijn overlevingskansen drastisch afnemen buiten de bebouwde kom, daar ben ik me van bewust. Ik wil er gewoon zeker van zijn dat ik er alles aan gedaan heb.

___________________

* Eigenlijk niet nodig. Aloë vera – verkoelend en herstellend – groeit hier in Texas in ‘t wild. Afgelopen jaar schuimde ik midden in de nacht, gewapend met een tuinschaar, de voortuinen in de buurt af voor vriend A., die niet kon slapen omdat hij zijn nek had verbrand.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

In oppositie met de geschiedenis – André Kertész

5 oktober 2017 (11:57) | Menno Hartman | Geen reacties

sunbathingJohn Berger schrijft in Understanding a Photograph over bijgaande foto van André Kertész: ‘the double meaning of the word missile (signifying both letter and rocket) is revealing. It is no coincedence that among the sixty photographs in the book, no less than twelve show readers on balconies and the roofs of buildings, wich are like launch pads.’

De lezer is volgens Berger in beweging, elk lezen houdt een verplaatsing in. In de schitterende overzichtstentoonstelling van het werk van André Kertész in het FOAM, te zien tot 10 januari 2018) volgen we zijn fotografie biografisch, van toen hij nog in Hongarije woonde, via zijn eerste exile-bestemming waar hij heel gelukkig was: Parijs, naar zijn langste ‘buitenland’, waar hij maar met moeite wende: New York.

Berger heeft veel over André Kertész geschreven. In een essay ‘a popular use of photograpy’ gaat hij in op de foto ‘A Red Hussar Leaving, june 1919, Budapest’.

Hij schrijft: ‘The opposition exists in the parting look between the man and the woman. This look is not directed towards the viewer. We witness0140_1_lg it as the older soldier with the moustache and the woman with the shawl do. The exclusivety of this look is further emphasized by the boy in mothers arms; he is watching his father, and yet he is excluded from their look.

De fotografie van Kertész leent zich goed voor nadenken over waarom de foto werkt. In beide bijgaande foto’s is dat dus een opening naar een verte die op de foto zelf niet zichtbaar is. Het boek en de vervoering die het boek teweegbrengt in de ‘On reading’ foto, en de gedachten die met het afscheid gepaard gaan en de onzekerheid over de toekomst aan de ene kant, en het denkelijk minder bezwaarde verleden aan de andere zijde van dit moment op de foto uit juni 1919.

Berger zegt dat we naar een oppositie kijken, niet die van deze mensen onderling, maar naar hun wederzijdse oppositie tegen de geschiedenis, ze zijn tegen wat hen uiteen zal drijven, en deze blik bevestigt dat ze het daar over eens zijn. Veel van Kertész’ werk is te zien als een oppositie tegen de geschiedenis. Misschien is veel grote fotografie wel al zodanig te benaderen. Voor een omslag voor onze vertaling van Uwe Johnson’s Een jaar uit het leven van Gesine Cresspahl zocht ik gisteren naar foto’s uit de Praagse Lente, 1968. Deze reeks van de Magnum fotograaf Joseph Koudelka toont precies hetzelfde: oppositie tegen de geschiedenis. En deze foto’s gemaakt tijdens het neerslaan van het referendum in Catalonië tonen ook weer hetzelfde. Ongeloof en onwil te moeten accepteren wat de geschiedenis met je doet, vastgelegd in een blik.

Het hangen aan het moment, in oppositie met de geschiedenis die een ongewenste kant opgaat.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

Zie hier heel veel lezende mensen van Kertész uit On Reading.

Reageer >
 

Merel

3 oktober 2017 (21:45) | Gilles van der Loo | 3 reacties

IMG_4040Ik bracht mijn zoon naar school. We sloegen af ter hoogte van het Van Oldenbarneveltplein en ik zag een merel zitten aan de voet van een boom.

Het beestje zat daar zo stil vlakbij de drukke weg. Iets in zijn houding deed me stoppen. Nadim bokte op de stang, wilde vooruit, naar school, rondrennen.

‘Waarom stop je?’

‘Die merel,’ zei ik. ‘Ik denk dat hij is aangereden.’

De vogel liet zich oppakken – dan weet je al dat ze het niet lang gaan maken – en nu zag ik dat zijn rechteroog verdikt was, zijn koppie vreemd afgekant.

Een klein overspannen hart roffelde in mijn hand en een rilling trok over zijn veren. Ik houd van merels, hoor geen vogel liever fluiten. Hun lied is melancholisch, droef en warm tegelijk zoals de loopjes in de nocturnes van Chopin.

‘Lief,’ zei ik tegen Nadim, en besefte hoe paradoxaal dit was. ‘Kijk maar even niet.’

Ik klemde het koppie in mijn ene hand en het dunne nekje in mijn andere, voelde het hartje versnellen. ‘Hij is gewond. Ik moet hem dood maken.’

Voor ik het niet meer zou kunnen gaf ik een ruk aan de iele wervels tot er iets knakte. Het trillen in de veren werd heviger en verstilde heel geleidelijk. Toen ik de vogel neerlegde bewoog hij licht.

‘Hij leeft nog!’ riep Nadim, en ik dacht: Lieve jongen. Nee.

Het laatste stukje fietsen was hij stil en zwaar als zand. Ik parkeerde, tilde Nadim van de stang en vroeg of hij over de merel wilde praten. Hij wilde niet. In de klas, wachtend op de bel, zat hij landerig bij me op schoot. Ik mompelde nog in zijn oor dat het soms beter is een diertje uit zijn lijden te verlossen, en vroeg me af of dat wel waar was.

Wanneer het moeilijk wordt leggen we onze kinderen de dingen uit zoals ze ooit aan óns zijn uitgelegd. We pakken terug op oude woorden als we geen eigen woorden te bieden hebben.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

3 reacties >
 

Jamie

30 september 2017 (6:16) | Arjen van Lith | Geen reacties

hartje

Jamie is heel anders dan de andere daklozen in Austin. Jamie is doof. En geil. Eerder deze week liep ik hem tegen het lijf op Guadelupe Street, vlakbij de campus. Eigenlijk botste hij min of meer tegen mij op toen ik Café Medici verliet met een koffie verkeerd en een breakfast taco in mijn hand.

I’m hungry’, schreef hij in een kladblokje dat hij uit zijn achterzak haalde. Hij had zijn jeans afgescheurd tot hotpants en de onderkant van zijn T-shirt opgeknoopt tot een geïmproviseerd topje. Met dezelfde zwarte stift waarmee hij in zijn schriftje krabbelde had hij zonnestraaltjes rond zijn navel getekend. De wijde boord van zijn shirt was afgezakt over een knokig schoudertje dat hij koket optrok en naar me toedraaide. Hij was mager, maar niet té mager, dacht ik en bood hem mijn taco aan.

Een vriend van me raakt opgewonden van jongens met een kunst- of gipsbeen. Zelf heb ik dat met doven. In eerder werk schreef ik al lyrisch over een puber in Krommenie met een gehoorchip op zijn achterhoofd, maar die was goed doorvoed en all-in verzekerd. Kleine Jamie, die op zijn hakken hoog boven me uittorende, schuimde in doodse stilte de stegen van Austin af, verhuurde zijn haarloze lichaam aan allerlei ongure truckchauffeurs en sliep in portieken. Allemaal slecht voor je, ik weet het, maar het maakte hem alleen maar geiler.

Ondanks het doorgaans vluchtige karakter van dit soort ontmoetingen bleef Jamie nog even achter me aan zwikken op zijn pumps. Ouder dan 22 kan hij niet geweest zijn: een verdroogde, maar volle bos blonde krullen, zijn gebit nagenoeg intact en relatief wit oogwit voor een straathoertje met een drugsprobleem. Half over zijn wang liep een veeg lichtroze lipstick, maar nergens een spoor van baardgroei te bekennen.

Driftig bladerde hij terug in zijn schrijfblokje en liet me ‘I’m Jamie’ zien. Ik schudde zijn hand en zei ‘I’m Adrian’, want van Arjen raken zelfs horende Amerikanen in de war. ‘Do you need any money?’ vroeg ik nogal stompzinnig – het wond me op dat hij steeds naar mijn mond moest kijken vanwege het liplezen. Ik vroeg me af hoeveel een hete douche wel niet zou schelen, maar M. zag me al aankomen; die heeft een minder groot hart voor kansarmen dan ik.

Een streng religieus plattelandsmilieu, seksueel misbruik achter de gymzaal, oogverblindend androgyn, wreed verstoten en ook nog eens doof. Misschien vulde ik te veel in, maar hoeveel geef je daarvoor? Wat is een redelijk bedrag? Ik wist dat ik ergens tussen een royale aalmoes en de prijs van een pijpbeurt in moest zitten om Jamie niet op verkeerde gedachten te brengen. Verder wilde ik hem graag compenseren voor het feit dat ik hem in een ander leven, onder andere hygiënische randvoorwaarden zonder aarzeling zou hebben besprongen. Voor gederfde inkomsten, zeg maar.

You’re very beautiful’, zei ik om het in ieder geval vermeld te hebben. Meteen was ik opgelucht dat Jamie niet kon horen hoe creepy ik klonk. Hij lachte maar wilde niet op de foto. In een plotselinge haast graaide ik alles wat ik had bij elkaar – tien dollar in losse biljetten plus wat muntjes – en terwijl ik hem het geld gaf, tekende hij snel een hartje op mijn hand.

Die was ik voorlopig niet meer.

_______________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Help, een brief!

29 september 2017 (9:15) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘Er zijn vast miljoenen mensen over de hele wereld die nooit een liefdesbrief krijgen… Ik zou hun voorman kunnen zijn,’ aldus Charlie Brown. In de tweede helft van de vorige eeuw klonk dat een stuk zuurder dan vandaag de dag. wie krijgt er nou nog een liefdesbrief? Daarvoor is het app’je in de plaats gekomen, als je geluk hebt met tekst, maar de meesten zullen het moeten doen met enkel een hartje <3. E-mail lijkt me niet geschikt voor zulke epistels, al was het maar omdat ze niet te parfumeren zijn, ik noem maar wat – of zou sexting de liefdesverklaring van deze tijd zijn?

In mijn volwassen leven stond de teller van verstuurde brieven lang op 1. Ik stuurde ooit een brief (geen liefdes-) aan een vriendin die net verhuisd was, maar het antwoord kwam in de vorm van een lange telefonade, zodat onze voorgenomen correspondentie een vroege dood stierf. Sinds kort zijn er zomaar twee brieven bijgekomen. En er komt nog antwoord ook, waardoor zich de vraag aandient: hoe nu verder?

Met die paar brieven aan epistolaire ervaring kan ik wel wat hulp gebruiken. Oefening om mijn gedachten op papier (of het scherm) te zetten heb ik, naar ik hoop, niet meer nodig, maar het vinden van een onderwerp dat het waard is om briefpapier en inkt aan te spenderen is een ander verhaal. Hier op het blog klik ik op de knop ‘publiceren’ in de wetenschap dat ik alles nog kan aanpassen of terugtrekken, terwijl de brievenbus onverbiddelijk is. Niet dat dat me beangstigt, al word ik me des te meer bewust van wat ik schrijf. Tegenstrijdig genoeg, want in principe is er maar één lezer aan wie ik schrijf, geen buitenwacht.

Ik heb veel brieven gelezen van anderen, zij het uitsluitend in boekvorm gepubliceerde. Oudjes hoor. De didactische brieven van Seneca, de banter van Petrarca, de wisseling van Abelardus en Héloïse – alles met het idee dat er niets mooiers bestaat dan dat. Maar er is nog veel meer moois: de brieven van August Willemsen, bijvoorbeeld. Toen ik me onlangs aan het schrijven van een brief zette, veranderde van het een op het andere moment ook mijn leesgedrag. Op het nachtkastje liggen nu weer de brieven van Marian Plug en Willemsen, die pak ‘m beet een halve eeuw beslaat. Ik heb de brieven van Kellendonk en het brievenboek van Ilja Pfeijffer, hoe doorgecomponeerd ook, uit de kast gehaald om eens te kijken hoe ze het doen, en wat ze eigenlijk allemaal schrijven en met wie ze dat delen.

Ongemerkt schreef ik over de jaren ontelbare ‘brieven aan mezelf’, zo zou ik ze althans kunnen noemen, alle aantekeningen, dagboekachtige notities en verhaalgelijkende schrijfseltjes. Het verschil is alleen dat ik die pennenvruchten verder als doodgeboren beschouw omdat ze voor niemand in de buitenwereld zijn bestemd, zelfs niet voor één ander paar ogen. De uitdaging zit nu juist in de vraag hoe ik mijn wederwaardigheden en wetenswaardigheden voor de ander interssant kan maken en daarbij misschien ook voor mezelf. Wat kan je ook vinden op Wikipedia en waar heb je mijn krabbels voor nodig? Ik richt me om te beginnen op mijn herinneringen, ervaringen en gevoelens (voor zover niet op internet beschikbaar). Het intieme medium dicteert dat welhaast, want een brief schrijven betekent nu eenmaal tijd maken en aandacht schenken, in tegenstelling tot alle digitale vormen die er zijn om communicatie te versnellen. De pen vertraagt het schrijfproces juist, zodat er uit de grote grabbelton bovendrijft wat er echt toe doet: het unieke en intieme.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466 Nr.467 Nr.468
 
bestel
 
 
voorpagina