Hier

24 juli 2016 (7:35) | Bette Adriaanse | Geen reacties

Illustratie: Lara Tolman

HIER WAREN ER TWEE; een grote en een kleine.

Hier was regen en hier was een schuur. Er zat een gat in het dak van het schuurtje en de droge plek was net groot genoeg voor één persoon.

Jij moet de droge plek nemen, zei de grote. Jij bent klein.

Nee, zei de kleine, want ze hielden van elkaar.

De regen is verschrikkelijk, zei de grote. Het neemt langzaam bezit van je kleren, dan trekt het in je huid en in je lichaam, en als laatste gaat het in de botten en dat gaat er nooit meer uit. Ik kan er tegen, maar zo’n kleine als jij?

En zo gingen ze in de schuur. De regen kwam neer op de grote, langzaam ging het in de botten. Waarom is er niemand om mij te beschermen, denkt de grote, waarom is er geen grotere?

De kleine denkt aan de regen en is boos en bang. Boos omdat de grote in de regen ligt en de kleine droog en warm. Boos omdat er geen kleinere is, die in zijn bescherming kan liggen. En bang voor de regen waar hij te klein voor is, bang dat de grote weg zal gaan op een dag en de regen op hem neerkomt en in zijn botten gaat en dat hij er niet tegen kan, zoals de grote had gezegd. Ik zal altijd de kleine zijn, denkt hij.

 

Bette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties. Haar eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Reageer >
 

Heden vakantie

23 juli 2016 (0:04) | Arjen van Lith | Geen reacties

Volgende week is Arie er weer op zaterdag.

Reageer >
 

En toen was het stil

22 juli 2016 (10:54) | Marko van der Wal | Geen reacties

Vorige week was het een hard ontwaken. De wekker van mijn telefoon ging, de eerst mails kwamen binnen en ik drukte automatisch het bovenste bericht open. NRC Urgent, stond er. Dan weet je wel genoeg: óf de wereld staat in brand óf er is een popster overleden (Bowie, Prince). ‘Vrachtwagen rijdt in op menigte in Nice: tientallen doden,’ las ik als eerste. Erbij stond een foto van een met kogels doorzeefde vrachtwagencabine. Teletekstpagina 101 was weer gesplitst twee kaders – net zoals indertijd met Brussel, Parijs, MH17 – en het ‘gewone’ nieuws liet zich langzaamaan verdringen.

Onmiddellijk de radio aan. De eerste zender bleek – ik verbijf in een huis van francofielen – een Franse publieke omroep te zijn. Ik besefte dat ze daar al de hele nacht in touw waren, zonder dat het veel informatie had opgeleverd. ‘Ce que nous savons maintenant…’ frustrerend genoeg niet veel dus.

Bij vorige grote aanslagen in Europa buitelde iedereen, vooral op de social media, over elkaar heen van medeleven. We waren Charlie, waren Parijs, waren Brussel, en Ahmed, jood en homo. Profielfoto’s met bijbehorende vlaggen, banieren en buttons overal. Er kwamen breed gedragen gevoelens bovenborrelen die meteen over de hele linie moesten worden gedeeld. Met die massale beweging kwam tegelijk de tegenbeweging. Dan zeiden anderen dat je niet hypocriet mag zijn, dat je niet mag vergeten: de slachtoffers van Boko Haram, de aanslagen in het Midden-Oosten, en dat je óók solidair moet zijn met hen die vielen voor… vul maar in. Al deze stemmen, van welke zijde dan ook, kan je niet kritisch genoeg tegemoet treden, vind ik, maar dat is een ander punt.

De dag na de aanslag in Nice bleef het opvallend stil. Ik heb geen Je suis Nice (I am nice?) voorbij zien komen, terwijl dat bij vergelijkbare gebeurtenissen à la minute gebeurde. Van alle kanten worden we ingeprent ons onder geen beding te laten beïnvloeden door terrorisme. We moeten ons verzetten, al is het slechts door middel van een leus of door bij elkaar te komen om te zwijgen en marcheren. Toch is er iets veranderd, net zo keihard als mijn ontwaken vorige week, want ik dacht ook: daar héb je het weer. Op de social media was het kalm doordat we door verloop van tijd worden lamgeslagen, door aanslagen aan de ene kant én het ‘geen angst tonen!’ aan de andere kant. We raken murw, niet omdat we bang zijn maar omdat we er genoeg van hebben. Intussen roepen we al om het hardst om ons recht op een ouderwetse komkommertijd.

Het ergens níet over hebben is een vorm van verdediging net zo goed als een manier van rouwen, dat kan je niemand kwalijk nemen. Een stukje voor deze site kreeg ook ik vorige week niet uit mijn vingers, maar je mond houden zal op termijn geen optie zijn.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij bijna wekelijks voor tirade.nu.

Reageer >
 

Gelukkige relaties

20 juli 2016 (9:05) | Gilles van der Loo | Geen reacties

imgresMensen die niets van me gelezen hebben (en daarmee helaas in de meerderheid zijn) vragen me vaak waar ik over schrijf. Omdat ik nooit met een plan te water ga blijkt de betekenis of het thema van een verhaal pas achteraf, en is mijn guess in principe as good as theirs.

Maar dat is natuurlijk geen antwoord waarmee je wegkomt. Wat ik dus zeg, en inmiddels ben gaan geloven, is dat mijn werk over contact gaat. Het streven van mijn hoofdpersonen is om verandering te bewerkstelligen de vorm van contact die ze met een voor hen belangrijke ander hebben. Het kan zijn dat die ander overleden is, niet hetzelfde over de relatie denkt of anderszins onbereikbaar is, maar hier komt het altijd wel op neer: mijn hoofdpersonen hunkeren naar contact.

Alle boeken zijn autobiografisch. Ga niet tegen me in want je legt het af. Ik geloof in twijfel als uitgaanspunt (denk ik), maar hierin ben ik stellig.

Logisch zou zijn aan te nemen dat mijn terugkerend onderwerp wijst in de richting van een onvermogen bij mezelf om contact te maken. Maar ik heb lange en betekenisvolle relaties met mensen waarmee ik me echt verbonden voel en tegen wie ik open ben over wat me beweegt en wat er in mijn relaties met hen volgens mij gebeurt. Wat ik ook zie: de mate waarin ik contact uit de weg kan gaan. Er zijn mensen die me als afstandelijk en arrogant hebben ervaren, en hoewel ik jarenlang gezegd heb dat ik zoiets niet kon plaatsen, onderken ik het nu wel. Toch geloof ik dat ik bovengemiddeld zou scoren op een schaal die relationeel welbevinden zou kunnen heten.

Misschien is alle schrijven wel een poging tot contact, een poging je verstaanbaar te maken bij de lezer. Hoewel het nooit een goed idee is hem te doorbreken, gaat het natuurlijk altijd om die vierde wand; om wie daarachter zit. Dat is degene waartegen je echt praat.

Gisteren keek ik met B naar de Netflix-documentaire I Am Not Your Guru, waarin zelfhulpcoryfee Tony Robbins wordt gevolgd tijdens een van zijn happenings die A Date With Destiny heten: een zesdaagse retraite waarop Robbins twaalf uur per dag inwerkt op 2500 man in een auditorium in Miami. Hij rekent daar 5000 dollar per persoon voor.

Uiteraard hoopte ik op een Louis Theroux-achtig avondje genieten, maar al in de eerste minuten vervloog die hoop. Ja, Robbins woont in een villa met een infinity-pool en uitzicht op zee en laat zich rondrijden in een Cadillac Escalade (Tony Soprano had dezelfde wagen); zijn vrouw is plastisch bijgestuurd en het stel heeft zo’n klein terrierbeest dat in een Louis Vuittontas past, maar wat fascinerend is aan I Am Not Your Guru: ondanks alle uiterlijke kenmerken is Robbins vrij zeker geen charlatan.

Wat hij doet? En waarom hij er zo goed in is dat mensen van over de hele wereld zich in de schulden steken om hem te kunnen zien?

B, die al 10 jaar in de GGZ werkt en alle reden zou hebben om mensen als Robbins het nadeel van de twijfel te geven, zag het eerder dan ik: hij maakt contact.

‘Maar wat is dat dan?’ zei ik. ‘Contact maken? Ik bedoel: wat gebeurt er op zo’n moment?’

Probeer daar maar eens antwoord op te geven zonder je in raadsels of sprookjes uit te drukken. Hoewel ze zegt dat ze overal voor openstaat gelooft B niet in het metafysische, en dat maakt haar de aangewezen persoon om die vraag aan te stellen. Ze kwam er niet uit. Ik vond dat mooi. B is behandelaar bij een grote GGZ-instelling, maakt heel makkelijk contact en kon me niet vertellen wat contact nou eigenlijk is.

Ergens hoop ik dat het een mysterie blijft; dat contact een soort umami zal blijken: iets waarvan je de smaak niet kunt omschrijven, maar wat er onmiskenbaar is.

________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Dit najaar komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

 

Reageer >
 

Het eindeloze huis (2, slot)

17 juli 2016 (7:00) | Bette Adriaanse | Geen reacties

Vorige week publiceerden we deel 1 van dit verhaal.

3.

Het meisje stond er nu alleen voor. Het huis bestond uit zoveel kamers dat het waarschijnlijk de grootste op de planeet was geworden en de mensen in de dorpen aan de rand van de woestijn noemden het ‘Het Eindeloze Huis’. De moeder kwam in de eerste maanden af en toe terug om eten bij de muren te zetten en ‘Sorry’ te roepen, maar na een tijdje raakte ze ervan overtuigd dat het zinloos was; het kind zat opgesloten en moest gestorven zijn, zonder eten en drinken. Toch leek het huis nog steeds te groeien. Eens in de zoveel tijd verzamelden de bewoners van één of andere naburig dorp zich in een bus om naar het huis af te reizen en er foto’s van te maken. Maar de glazen muren weerspiegelden de wolken en het zand, dus het was moeilijk te vinden en als ze het vonden lukte niet om er een goede foto van te krijgen. Na een tijdje geloofden mensen niet echt meer dat het bestond en raakten ze er van overtuigd dat het een verhaal was geweest, zoals er zoveel verhalen waren, over mensen die dingen konden laten vliegen met hun ogen, mensen die vier benen en twee hoofden hadden, mensen die uit de dood waren opgestaan.

4.

Vele jaren later – zeventien jaren om precies te zijn– reed een jonge reisleider met zijn jeep tegen het huis aan. Hij was op weg naar de oase om te kijken of hij daar een kamp kon maken, voor de toeristen, die veel geld wilden betalen om in een tent in de woestijn te slapen. Hij reed langzaam en schampte het gebouw met de zijkant van zijn auto. Toen hij uitstapte om te kijken wat hij geraakt had, zag hij de contouren van het huis. Dit moest het Eindeloze Huis zijn, waar hij verhalen over had gehoord. Hij vroeg zich meteen af hoe hij hier een slaatje uit kon slaan, met de toeristen, maar die gedachten stokten toen er achter de glazen muur ineens een meisje verscheen. Het meisje had lang, ongeknipt haar, en een oude verschoten tuinbroek aan. Ze legde haar handen op het glas. Ze leek naar hem te lachen. Hij deed zijn handen ook op het glas. Toen draaide ze zich om en verdween uit het zicht. De dagen er na bleef de jonge man terugkomen en reed hij in zijn jeep om het huis heen, op zoek naar haar. Ze was in zijn gedachten blijven hangen. Niet omdat ze mooier was dan andere meisjes – hij had de mooiste toeristes in zijn tent gehad– maar zij was een droom, een mythe. Na weken zonder succes om het huis te hebben gereden, riep hij wanhopig tegen de spiegelende muren: ‘Laat me binnen. Ik wil de kamers zien. Ik wil jou zien. Laat me er in.’

5.

Die nacht werd de jongen wakker in zijn kamer. Het meisje van het Eindeloze Huis stond aan zijn bed. Naast haar stonden andere mensen, vreemde mensen, sommige in uniform, sommigen in balletkleding, anderen in gewone jassen en broeken.
‘Welkom,’ zei Elvira.
De jongen stond op en liep achter haar aan zijn kamer uit. Toen hij de deur van zijn kamer opendeed stond hij in een donkere gang, met eindeloos veel deuren.
‘Droom ik dit?’ vroeg hij aan het meisje.
‘Hoe bedoel je?’
‘Ben ik hier echt of droom ik dit?’
‘Ik snap niet wat je bedoelt,’ zei ze. Ze pakte hem bij zijn arm en leidde hem een grote zaal in. Ze dansten over de zwart-wit geblokte vloer terwijl een orkest de tune van een populaire serie speelde. Balletdansers in zwanenpakken speelden lusteloos een sterfscène na. Het meisje klemde zich aan hem vast terwijl ze door de bochten draaiden en trok haar voeten van de grond. Aan het einde van de dans hing ze als een aapje om zijn nek, haar benen om zijn middel geslagen.
‘Ik weet niet wie die mensen zijn,’ fluisterde ze in zijn oor over de andere dansers, die naar hen knikten en lachten. ‘Ik ben bang voor mijn eigen huis. Ik weet niet wie hier allemaal wonen.’
De jongen kreeg het benauwd van haar. Hij duwde haar van zich af en liep terug door de gang zijn kamer in, waar hij in bed ging liggen. Hij ging er van uit dat hij, net als in de verhalen, weer wakker zou worden in zijn eigen huis. Maar dat was niet zo. Hij sliep en werd wakker in zijn bed in zijn kamer, maar buiten zijn deur was nog steeds de lange gang van het Eindeloze Huis. Een vrouw zat in de hoek van de kamer met tikkende pennen een sjaal te breien. Ze knikte naar hem. Hij gilde lang en hard.

6.

‘Ik wil eruit!’ riep de jongen. Het meisje pakte zijn arm en leidde hem twee trappen af, door een lange gang en een ruimte waar het compleet donker was, naar een buitenwand van het gebouw.
‘Je bent er uit,’ zei ze. Ze wees naar buiten waar hij zichzelf zag staan, aan de andere kant van het glas. De jeep stond achter hem. In de verte hoorde hij zijn eigen stem ‘Elvira!’ roepen.
‘Ben ik hier of ben ik daar?’ vroeg hij.
‘Dat ligt er aan van welke kant je kijkt,’ zei ze, haar schouders ophalend.
Hij keek hoe de andere hij aan de buitenkant van het huis naar de jeep terugliep en de auto startte.
‘Welke ben ik?’ zei hij terwijl hij de auto nakeek. ‘Welke is echt?’ Hij greep haar bij haar schouder. De eindeloze gangen om hem heen leken dreigend ineens, hij hoorde in de verte een klagelijk geluid dat op huilen leek. Andere mensen staarden hem aan vanuit de kamers. ‘Kan ik hier uit?’
Ze lachte, maar antwoordde niet, en liep bij hem vandaan, liet haar handen langs de wanden glijden.

bettephoto-largefileBette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties.

Bette’s eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Reageer >
 

In Krommenie is alles rustig

16 juli 2016 (10:38) | Arjen van Lith | Geen reacties

Na de gruwelijke terreuraanslag in Nice en de (mislukte) “coup” in Turkije vragen veel lezers zich bezorgd af hoe de actuele situatie in de Zaanstreek is. Volg de laatste ontwikkelingen via de webcam hierboven.

________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor (De Harmonie) en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Urban swimming

14 juli 2016 (8:00) | Menno Hartman | 1 reactie

Philip Snijders, chroniqueurGerrit_Adriaensz__Berckheyde_De_bocht_van_de_Herengracht_(1671-1672) van de Westelijke Eilanden in Amsterdam heeft het in een van zijn boeken over een ‘dempie’ de naam van Amsterdammers daar woonachtig, voor kleine, van aaneengeslipt vuil samengestelde drijvende eilandjes. De grachten zijn in de loop van de geschiedenis idioot smerig geweest. Bijna alle Amsterdammers hebben nog meegemaakt dat de meeste woonboten loosden op de gracht. In de 17e en 18e eeuw was er betrekkelijk ontluisterend vieze industrie aan de gracht. Op huiselijke tafereeltjes uit de betoverende 17e eeuwse schilderkunst zie je bij lunchgerechten steevast een pul bier staan, heel wat beter dan water! In de 19e eeuw ontstond het idee vuil op te halen en zo de stad te ontlasten, Sarphati had dat lumineuze plan en verdiende dus wel dat er een park naar hem vernoemd werd. Ook in die tijd kon je op het Haarlemmerplein een emmer duinwater kopen voor 1 cent, vers drinkwater. De kwaliteit van het water was nog niet best, maar het bewustzijn van de risico’s steeg.

Later steeg ook de waterkwaliteit. En het is algemeen bekend dat Maxima een paar jaar terug meezwom in de eerste grachtenzwemtocht. Dat schijnt te gelden als een goed argument voor waterkwaliteit.

2016-07-13_161907Het beste argument is toch weer proefondervindelijk. Een paar maal per week zwem ik een rondje Prinseneiland. Urban Swimming. Zwemmen in de gracht geeft je een heel vreemd en onverwacht perspectief op een stukje van de  stad dat je dacht te kennen. Het is de wereld van de kades, beschoeiing, vegetatie aan de rand van water en land, planten die ik niet kende of vergeten was, de onderzijden van bruggen, het roest op schepen, de wereld onder piertjes die je van bovenaf niet ziet, de broedende eenden en waterhoentjes. 830 meter kade aan twee zijden. Het water stinkt niet, en is fris van temperatuur.

Hoe kan het dat het water zoveel schoner geworden is?  Hier en hier een uitgebreid antwoord. Het komt in het kort neer op betere riolering, minder lozing, zuivering. De grachten hoeven zelfs niet meer doorgespoeld, en dat bevordert de vegetatie. Vanaf dat het al een beetje beter gaat gaan dieren en planten namelijk meewerken: schoner water is meer licht, dan planten en dan vissen.

En dus loop ik tegenwoordig met een zwembroek aan uit mijn huis naar een steiger voor de plons. En denk steeds aan de Amsterdammers uit Snijders boeken die niet zouden kunnen geloven aan hogere waterkwaliteit.  Ik heb het ze ook zelf wel horen zeggen: ‘Tss, heb die pik geen centen voor het sportfondsenbad? Viespeuk.’

Bewaren

Bewaren

Bewaren

1 reactie >
 

kort

11 juli 2016 (10:28) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

joeDe verkoudheid hoorde ik wat dagen terug op natte kleddervoetjes aansluipen. Die kan ik hebben, dacht ik, waardoor mijn intussen middels zelfmedelijden compleet geantropomorfiseerde virus dacht: dat zullen we nog wel eens zien, en me subiet opzadelde met náást koorts, een epische loopneus die ook verstopt zat en een rilruggengraat, ook een stevig robbertje projectielbraken.

Inmiddels kan ik hier heel trots over vertellen en als ik dat doe sta ik erbij als een ouwe piraat die langs de rand van de platte aarde gevaren is, zijn bemanning gestorven in het ruim en een papegaai die bezeten was door Satan zelf als gezelschap. Trots lacht hij een door het zuur en zout gehavend gebit bloot en als je ‘m een bakkie pleur aanbiedt zegt-ie ‘nou doe maar niet, proeven doe ik het niet en mijn maag is nog wat zwakjes, doe maar een geraspt appeltje met kaneel, hoogstens een halfje hoor, misschien wat ijsblokjes ernaast om op te sabbelen tegen de verhoging en de schrale keel, merci.’

Dan snuit hij zijn neus in een zakdoekje dat uit een pakje komt waar met Balsam opstaat, maar dat is niet erg, hij kan toch niet lezen, zijn contactlenzen zijn niet op tijd bezorgd.

U begrijpt. Ik houd het kort.

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze schreef ook een roman: Onheilig (Querido).

Reageer >
 

Het eindeloze huis (1)

10 juli 2016 (10:36) | Bette Adriaanse | Geen reacties

1.

heteindelozehuis2-afb-betteadriaanseEen meisje werd geboren. Ze werd geboren in een klein huis in een dorp aan de woestijn. Net als de andere huizen in het dorp bestond dit huis maar uit één kamer, in ieder geval was dat zo aan het begin van dit verhaal. Na de eerste nacht van de baby was er namelijk een nieuwe deur in het huis verschenen, en achter die deur een nieuwe kamer. De nieuwe kamer was diep donkerrood met afgeronde hoeken en een laag plafond. Het was onmogelijk om de kamer binnen te gaan. Het was alsof er een onzichtbare muur in de deuropening zat.

Buiten verzamelden de mensen van het dorp zich om de uitbreiding van het huis te bekijken. De buitenmuren van de nieuwe kamer leken van een soort gespiegeld glas te zijn gemaakt, dat niet brak, hoe hard de dorpsbewoners er ook op ramden. De dorpsbewoners besloten de nieuwe kamer van het huis te negeren, want niemand snapte waarom en hoe het er gekomen was, en als je er lang over nadacht was het waarschijnlijker dat de kamer er eigenlijk helemaal niet was, dan dat het er wel was.

Maar zes maanden later, na een hete, droge zomernacht, gebeurde het weer. Een nieuwe kamer was aan het huis gegroeid. Deze nieuwe kamer zat op anderhalve meter boven de grond, en het was kleine, melkwitte ruimte. Toen de mensen uit het dorp de nieuwe kamer kwamen bekijken, nam een van de jongens de baby uit de wieg en hield haar voor de ruimte. De baby, Elvira genaamd, stak haar armpjes uit en raakte de binnenkant van de wanden van de kamer aan, wat geen van de dorpsbewoners gelukt was.

Terwijl de dorpsbewoners onder elkaar begonnen te fluisteren ‘de baby heeft er iets mee te maken’ begon de moeder te huilen. Ze trok de baby naar zich toe en joeg iedereen de deur uit. Na overleg op het tuinpad kwamen de dorpsbewoners tot een conclusie: de baby heeft de kamers de wereld in gedroomd. ‘De beste oplossing,’ schreeuwden ze door de voordeur naar de moeder, ‘is om de baby naar een ander dorp te brengen en hen er mee op te schepen.’

De moeder wilde hier niet van horen en weigerde iedereen toegang tot haar huis. Vanaf dat moment leefden de moeder en de baby samen, buitengesloten door de mensen in het dorp. De enige die nog op bezoek kwam was de oma van de kleine Elvira, die in de hoek van de kamer op een stoel met haar breinaalden zat te tikken, sjaals en dekentjes voor de kleine te maken. Weken en maanden en jaren gingen voorbij en er ontstond steeds vaker een kamer, op een gegeven moment kwam er elke week wel een nieuwe kamer bij. De mensen in het dorp probeerden het te negeren, maar het huis groeide steeds dichter naar hun huizen toe, en toen één van de nieuwe kamers een kippenren verpletterde kwamen ze met een grote hijskraan en tilden het huis op met de moeder en het kind er in en reden het vier dagen de woestijn in, waar ze het achterlieten.

2.

De moeder bleef in het huis met het kind Elvira. Dicht bij het huis was een oase, een beschut stuk vruchtbare grond aan een riviertje, waar ze een groentetuintje aanlegde, en waar rondtrekkende handelaars vaak hun kamp opsloegen. Van de handelaars kreeg de moeder meel en vlees, in ruil daarvoor mochten ze het huis zien, en wees ze hen de wonderlijke kamers aan. Zo ging het een tijd goed. Het meisje groeide op tot een lief kind, die veel kletste, uren naar balletshows op de kleine zwart-wit televisie in de woonkamer keek (ze hadden een schotel) en haar moeder hielp met het maken van deeg. Ze kwam alleen niet graag het huis uit, en toen ze te groot werd om op te pakken weigerde ze het huis nog te verlaten. Toen het kind begon te lopen gebeurde het vaak dat ze in de nieuwe gangen en kamers van het huis verdween, waar haar moeder haar niet kon volgen, en pas na lange tijd weer tevoorschijn kwam.

Intussen werd het huis alleen maar groter. Het was moeilijk om van buiten de omtrek te zien, omdat de muren van hetzelfde glas gemaakt waren als die van de eerste kamer, en de omgeving weerspiegelden. Van de buitenkant was alleen nog de voordeur van het oorspronkelijke huis zichtbaar. Er waren eindeloze gangen, verdiepingen, en hele nieuwe vleugels aan het huis gegroeid. De moeder kon zweren dat ze soms geluiden uit de kamers hoorde komen, en af en toe stond er een deur open en dacht de moeder dat ze een schim door de gangen zag bewegen. Het meisje vertelde vreemde verhalen als ze terug kwam van een tocht door de nieuwe kamers. Ze beschreef mensen die de moeder nooit ontmoet had, en gebeurtenissen die onmogelijk zouden moeten zijn.

Op een nacht, toen het meisje weer dagenlang vermist was geweest in één van de vleugels van het huis en de moeder wanhopig haar naam door de deuren schreeuwde, zag ze in de gang een oude vrouw lopen. De vrouw keek opzij, en de moeder herkende de oma die ze hadden achtergelaten in het dorp. Ze hield breipennen vast, die ze ritmisch tegen elkaar liet tikken. Toen de oma de moeder zag, stak ze haar armen naar haar uit en liep ze naar haar toe. Gillend gooide de moeder de deur dicht en schreeuwde dat ze weg wilde uit dit helse huis.

Die nacht werd de moeder wakker van een geluid. Toen ze haar ogen opende zag ze bij de voordeur een nieuwe vloer uit de grond schuiven. Ze sprong op uit het bed en rende door de deur naar buiten. Een nieuwe kamer groeide uit de voorkant van het huis, die de voordeur voor altijd afsloot.

(volgende week zondag deel 2)

bettephoto-largefileBette Adriaanse (Amsterdam, 1984) is schrijver en kunstenaar. Ze heeft Beeld en Taal gestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam en een Master in Creative Writing aan de Universiteit van Oxford behaald. Ze werkt in verschillende media; ze schrijft verhalen en romans en maakt tekeningen en installaties.
Bette’s eerste roman Rus Like Everyone Else is in Amerika en Engeland gepubliceerd door Unnamed Press. De roman verschijnt in het Nederlands bij Uitgeverij Cossee.

Reageer >
 

Voorbeschouwing

9 juli 2016 (18:37) | Arjen van Lith | Geen reacties

Beeld-column-Voorbeschouwing-9-juli-2016

Als je vroeger wilde voetballen in Krommenie, kon je kiezen uit de Krommenieër Voetbal Vereniging (KVV), of het katholieke GVO, kort voor Gestaag Volharden Overwint of God Voetbalt Ook. Mijn meeste klasgenootjes speelden bij GVO, maar na de kijkdag koos ik liever voor tennis.

Ik kon het toen nog niet benoemen, maar iets zei me dat ik me niet welkom zou voelen in de voetballerij, waar in de kleedkamers de niet te verdrijven geur hing van zweetsokken, bloed en urine – een zoutmetalen bouquet dat ik instinctief associeerde met doodsangst.

De doucheruimtes van GVO, opgebouwd uit kale blokken gasbeton die in de loop der jaren waren overwoekerd door wijdvertakte, zwarte schimmelsporen, deden me denken aan de holocaust, die óók heel veel jonge homootjes de dood in heeft gejaagd. Op de vloer lag een laag van modder, haar en bebloed verband en de deur van de wc lag uit zijn beslag. Ik zag mezelf al liggen, half over het toilet met mijn tanden uit m’n bek en bloed uit mijn anus. Hoe goed ik ook zou leren voetballen; dat type agressie zou nooit stoppen.

Het verbaast me niets dat homoseksualiteit in het voetbal niet lijkt te bestaan. Natuurlijke selectie: ons frêle gestel is nu eenmaal beter geschikt voor schoonspringen of ritmische gymnastiek. Voor de enkeling die er wél op is gebouwd en openlijk voor zijn geaardheid uitkomt, loopt het vaak slecht af. De Britse – pardon, Engelse – voetballer Justin Fashanu werd sinds zijn coming-out voortdurend lastiggevallen door collega’s, trainers, fans en de pers, totdat hij zich in 1998 in een verlaten opslagloods verhing.

Al jaren gaan er geruchten dat Christiano Ronaldo, de geëpileerde sluipwesp van Portugal, stiekem een gay sluipwesp is. Dat zijn zoontje in een vruchtbaarheidskliniek gekweekt zou zijn. Dat hij de bottom van Badr Hari is. Op aanraden van vrienden heb ik daarom de ego-documentaire Ronaldo (2015) frame voor frame bestudeerd, en inderdaad: in een terugkerend jeugdfragment dribbelt de kleine Ronaldo aandoenlijk nichterig richting het doel en wacht na zijn goal koket tot zijn teamgenootjes hem bespringen. Afgezien van de relatie met zijn moeder, die te clichématig is om hier te behandelen, speelt geen enkele vrouw een rol van betekenis in de film. Zijn trainingsbroekje is beduidend korter én strakker dan de seksloze slobberbermuda’s van zijn teamgenoten en in het vliegtuig schalt hij als een opgeföhnde musicalnicht mee met Stay van Rihanna. Allemaal circumstantial evidence, maar toch.

Volgens Paul Onkenhout, de Twaalfde Man van De Volkskrant, schuilt de wortel van de haat die Ronaldo oproept deels in homofobie. Ik denk dat hij daar best eens gelijk in kan hebben. Ronaldo brengt moderne, westerse, hoogopgeleide mannen tot razernij, niet omdat ze achterlijk zijn en homoseksualiteit niet accepteren, maar omdat alleen al de gedachte aan verliezen van een homo voor een heteroman ondraaglijk is. Maar niet voor mij. Ik schreeuw morgenavond, slechts gekleed in scheenbeschermers en mijn minstverhullende gymbroekje, mijn keel schor voor Christiano Ronaldo, als een juichende in de woestijn.

__________________

Arjen van Lith is freelance journalist en schrijver. Hij debuteerde bij De Harmonie met de verhalenbundel Mijn Snor. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin (Texas), waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462
 
bestel
 
 
voorpagina