Modiano een Struldbrug

22 May 2013 (8:05) | Menno Hartman | Geen reacties

Jacques Prévert in mijmering verzonken

Man (Jacques Prévert) in mijmering verzonken, een herinnering zoekende?

Brugge is een dementievriendelijke stad. Nu is het verre van mij grappig te gaan doen over dementie, een kleinzoon zijnde van een grote, sterke man die op 83 jarige leeftijd al zijn haar en zijn spierkracht nog had, een formidabel postuur, maar nog 10 jaar door moest vrijwel zonder een enkele van zijn herinneringen. Een Struldbrug, zoals Jonathan Swift lang voor het munten van de ziekte dementie soortgelijke mensen beschrijft in Gulliver’s Travels: ‘They have no Remembrance of anything but what they learned and observed in their Youth and Middle age, and even that is very Imperfect. And for the Truth and Particulars of any Fact, it is safer to depend on common Traditions than upon their best Recollections.’

In Brugge zou winkelpersoneel getraind zijn beter om te kunnen gaan met mensen die de winkel betreden en vergeten zijn wat ze ook weer wilden kopen.

‘Toch heb ik niet gedroomd. Op straat betrap ik me er soms op dat ik die zin hardop uitspreek, alsof ik de stem van iemand anders hoor. Een toonloze stem. Er schieten me namen te binnen, gezichten, details. Niemand met wie ik erover kan praten. Er zijn vast wel een paar getuigen te vinden die nog in leven zijn. Maar die zijn waarschijnlijk alles vergeten. En uiteindelijk begin je je af te vragen of het wel getuigen zijn geweest.’

Ik ben zelf vergeten het hoeveelste boek van Modiano het is dat ik aan het lezen ben. Het gaat nu om Het gras van de nacht (vertaling Maarten Elzinga, uitgegeven door Querido) en ik weet ik niet goed meer of en hoe vaak ik de sensatie al had dat er iets niet helemaal klopt. Natuurlijk weten we dat Modiano op zoek is  naar de verloren tijd en dat hij daarmee in een goede Franse traditie staat. Maar de procedés waarmee Modiano zijn eeuwige herinneringen aan iets (wat? ) er gebeurde met iemand (wie?) en waar precies (ergens in Parijs) beginnen wat slijtageplekken te vertonen, maar misschien hoort dat er juist bij.

Waarom las ik ook al weer Modiano? Ik ben er aan gewend geraakt. Maar meer dan ooit lijkt het op de beschrijving van een mens in een stadium van beginnende dementie, je komt er eigenlijk niet goed achter wat de hoofdpersonages doen, wanneer precies en waartoe eigenlijk, pagina na pagina vult Modiano met verhullingen. Dat is misschien aantrekkelijk, ik las er niet voor niets reeds zoveel, maar de vrees groeit dat we naar niets op zoek zijn, dat het een kunstje is. Of mis ik iets? Zoals Thomas Kitwood, een Brits sociaal-psycholoog beschreef in zijn Dementia Reconsidered – waarin een pleidooi gehouden wordt voor het trachten iets te leren van mensen met dementie, eerder dan te proberen ze terug te halen onder de geestelijk gezonden: ‘Such people invite us to return to aspects of our being that are much older in evolutionary terms: more in tune with the body and its functions, closer to the life of instinct.’

Brengt Modiano ons dichter bij het leven en de functies van het lichaam, meer nabij het leven naar instinct? Ik vrees wel dat te leven in een Modianoroman mijn voorland is. Een zwart notitieboek met aantekeningen bij de hand, dwalend, door Brugge, Parijs, Amsterdam, of om het even welke stad. Wat deed ik hier ook al weer? Met wie? Wanneer precies?

 

(lees ook het fraaie stuk van Manet van Montfrans op Tirade over Modiano)



Reageer >
 

De toeschouwers van Calabrië

21 May 2013 (15:22) | Merijn de Boer | Geen reacties

14530408_125568061483Ik kijk naar de Giro d’Italia. Op het moment dat ik dit schrijf is er een kopgroep vooruit, met meer dan vijf minuten voorsprong op het peloton en nog 70 kilometer te gaan. Er zitten twee Nederlanders tussen: Wilco Kelderman en Pieter Weening. Van allebei heb ik nog nooit gehoord.
            Er was nog even sprake van dat er een Nederlander om een podiumplaats zou strijden. Robert Gesink stond aan het einde van de eerste week nog derde, maar kreeg afgelopen zaterdag een ‘inzinking’ en verloor daarmee vier minuten op Vincenzo Nibali, de leider in de roze trui. Gesink is niet alleen een pragmaticus maar ook welbespraakt. Aan een journalist van nusport.nl vertelde hij: ‘Succes komt niet op bestelling. Het is niet zoals bij de Chinees: doet u mij maar een ritzege en een top tien-klassering.’
            Dat ik op een dinsdagmiddag naar de Ronde van Italië zit te kijken, komt door Dino Buzzati (1906–1972). Nadat ik zijn boek De woestijn van de tartaren had geleden, over de jonge luitenant Drogo die wordt gestationeerd in een verlaten fort en daar zijn leven lang niet meer vandaan komt, wilde ik alles lezen wat er van Buzzati vertaald was.
            Ik las een verhalenbundel, De betoverde burger, die ik erg goed vond, en een andere roman, Een liefde, die me tegenviel. Ik stuitte ook op een verslag van Buzzati van de Ronde van Italië. Buzzati was verslaggever voor de Corriere della Sera en kreeg in 1949 opdracht om artikelen te schrijven over de Giro. Meer dan drie weken lang reisde hij mee met de wielerkaravaan en deed verslag van het duel om de eerste plaats tussen de grote renners uit die tijd, de Italianen Fausto Coppi en Gino Bartali. De eerste won uiteindelijk.
            Interessant aan Buzzati’s verslag is dat hij als een volslagen leek over het wielrennen schreef. In zijn derde artikel voor de krant biechtte hij op: ‘Door allerlei omstandigheden die waarschijnlijk te maken hebben met de grillen van het noodlot – en het zou zinloos zijn daar nu nog over te gaan zeuren – heeft de man die op dit ogenblik de kroniek van de Ronde van Italië schrijft nog nooit een wielerwedstrijd op de weg gezien.’ Buzzati was toen in Palermo, waar de Giro van start ging. Voorafgaand aan de wedstrijd liet hij zich onderrichten door ervaren sportjournalisten. Een van hen vertelde dat het vooral ging om het eten ’s avonds. Volgens hem was de Ronde van Italië voor een journalist niets anders dan ‘een gastronomische pelgrimstocht door Italië van restaurant naar restaurant’.
            De andere collega’s waren serieuzer en gaven hem een spoedcursus wielrennen. Buzzati bleef echter een leek, en gelukkig ook maar, want juist daarom is zijn verslag zo fascinerend. Een van zijn mooiste artikelen was zijn negende, geschreven in Salerno, op 24 mei, ’s nachts. Hij maakte er een brief van, gericht aan de twee renners die om de roze trui vochten: ‘Beste Coppi en weledele heer Bartali, degene die u aanspreekt is inzake wielrennen een complete onbenul; hij weet niets van derailleurs en verzetten, hij heeft geen duidelijk besef van de koerstactiek en de afgelopen dagen is het wel voorgekomen dat hij, temidden van al die experts, zulke onnozele vragen stelde dat het bijna aanstootgevend was.’ Op deze manier gaat hij nog anderhalve pagina verder, tot hij uiteindelijk uitkomt bij de vraag: ‘Hebben jullie toen jullie door Calabrië reden, de mensen die jullie opwachtten goed gezien? Herinneren jullie je die duizenden en duizenden gezichten die krampachtig naar jullie toegekeerd waren, ongeacht leeftijd of beroep, boeren, herders, moeders, metselaars, kleine meisjes, monniken, carabinieri, afgeleefde oudjes, burgemeesters, ambtenaren, straatvegers, leraren, en die onafzienbare drommen kinderen?’ De rest van het stuk gaat over hen, de toeschouwers van Calabrië.



Reageer >
 

Dear Bunny, Dear Vladimir‘I don’t feel you have got away with this’

20 May 2013 (10:21) | Martijn Knol, Uncategorized | Geen reacties

Vladimir Nabokov Het redacteurschap van Tirade heeft een round character van me gemaakt. Vroeger was ik vooral een meeloper… een watje… een jaknikker, slapjanus, slijmjurk… een ideale schoonzoon, zeg maar… een brave sukkel… nu ben ik, dankzij Tirade, veel harder… volwassener

Let op.

Tijdens redactievergaderingen bepalen we welke teksten Tirade accepteert en welke niet. Die uitkomsten moeten vervolgens aan de auteurs/inzenders worden meegedeeld.

Het is heerlijk om een (aankomend) schrijver te kunnen melden: ‘Wil je samen verder? Oe-hoe, oe-hoe.’

Maar afwijzen is de hel.

Daarom bedacht ik meteen op de eerste vergadering al iets heel slims:

‘We nemen gewoon alles op!’

De anderen legden uit dat Tirade daardoor, zelfs als we zouden overgaan op superdundruk, zo dik zou worden als een telefoonboek… Los van ‘t schuldgevoel jegens postbezorgers dat dat met zich mee zou brengen, zou het resulteren in een onbetaalbaar blad… en in een richtingloos blad… een onleesbaar blad.

Kiezen/selecteren:  dat is nou juist de taak van een redactie.

Oké. Fair enough.

Een ander, nog veel slimmer/eleganter plan dan:

‘We accepteren alle inzendingen, maar we komen onze beloftes gewoon niet na… Dus telkens als auteurs vragen: ‘wanneer verschijnt mijn tekst nou in Tirade?’ Dan zeggen we: ‘in ’t volgende nummer… in ’t volgende nummer… nee, in ’t volgende nummer… ’ Net zo lang tot ze het opgeven. Het groeiende leger ontevredenen dat je ermee creëert levert, nog afgezien van de administratieve last die het afhandelen van aanmaningen/herinneringen (lees: het afpoeieren) met zich meebrengt, ongetwijfeld een speciaal soort psychische druk op (alleen al de visioenen waarin de teleurgestelden op een nacht aan onze poorten staan te rammelen) maar daar leren we, neem ik aan, snel genoeg mee omgaan.’

Opnieuw keek ik tegen zes nee-schuddende hoofden aan (zeven als ik Gilles’ hond Otis meereken).

De conclusie die ik probeerde uit te stellen… de waarheid die ik voor me uitschoof: we moeten afwijzen… Afwijzen is onvermijdelijk…

Zelf heb ik nog nooit teleurstellingen te verwerken gehad, op geen enkel terrein, bij mij lukt altijd alles, maar ik heb van minder gefortuneerde fortuinlijke kennissen begrepen dat een teleurstelling echt iets vreselijks is.

Dus de eerste afwijsmail die ik moest versturen, daar deed ik een hele ochtend over… het voelde alsof ik een bom aan ’t afstellen was… bloedbad, burgerslachtoffers… Net voor ik op send moest drukken, werd ik zo misselijk en duizelig van schuldgevoel en angst dat ik mijn hele toetsenbord onderkotste – het kostte me een hele middag om met de achterkant van een theelepeltje de halfverteerde brokjes wortel tussen de toetsen vandaan te peuteren.

De tweede poging een afwijzing op te stellen leverde een bericht op waarin het ‘nee, sorry’ zo omzichtig was geformuleerd dat je vijf close reading sessies met een superloep moest houden om te vermoeden dat Tirade geen special ging wijden aan de beste tekst die de redactie ooit onder ogen had gekregen, maar dat integendeel, helaas…

Uiteindelijk (voor de rekenaars: poging drie) kreeg ik een eerlijk en ferm ‘nee’ uit mijn computer. Op het versturen volgde meteen, van opluchting, een hysterische lachkick… en meteen dáárop volgde een gigantische geestelijke terugslag…

Zo vrij naar Groucho Marx dat het eigenlijk zelfbedacht is: ik zou het niet pikken als ik door mij werd afgewezen.

Wie was ik wel niet een aankomend auteur zo zwaar en diep teleur te stellen? Om mezelf te straffen liep ik de dichtstbijzijnde saloon in, sloeg een glas stuk op de rand van de bar en gebruikte één van de glasscherven om, dwars door mijn cowboylaarzen en spijkerbroek heen, van mijn enkel tot mijn heup, een dikke snee in mijn vlees te kerven. Dat zou me godverdomme leren aspirantschrijvers pijn te doen, stuk zongebraden coyote dat ik was!

‘Waar komt die saloon nou opeens vandaan?’

‘Ik kan beter vragen waar jij opeens vandaan komt, mafkees.’

‘…’

‘Ga maar eens kijken of ze nog iemand kunnen gebruiken in de winkel van Pirandello.’

Waar waren we?

Een tijdschrift moet afwijzen. Dat is vervelend. Voor iedereen. Maar gelukkig valt niet uit te sluiten dat we ons een enkele keer vergissen. Uit onvermogen. Of omdat we de taste nog niet hebben acquired om een specifieke inzending te waarderen.

Mocht je ooit/recentelijk een afwijzing van Tirade hebben moeten incasseren, en mocht je ervan overtuigd zijn dat we ons pijnlijk hebben vergist, denk dan alsjeblieft aan die briefwisseling van Vladimir Nabokov en Edmund Wilson. Toen de tweede het manuscript van de grootmeesterlijke roman Lolita, dat de eerste hem had toegestuurd, had gelezen schreef hij (op 30 november 1954):

I like it less than anything else of yours I have read. The short story that it grew out of was interesting, but I don’t think the subject can stand this very extended treatment. Nasty subjects may make fine books; but I don’t feel you have got away with this. It isn’t merely that the characters and the situation are repulsive in themselves, but that, presented on this scale, they seem quite unreal. The various goings-on and the climax at the end have, for me, the same fault as the climaxes of Bend Sinister and Laughter in the Dark: they become too absurd to be horrible or tragic, yet remain too unpleasant to be funny. I think, too, that in this book there is – what is unusual with you – too much background, decription of places, etc. This is one thing that makes me agree with Roger Straus in feeling that the second half drags. I agree with Mary [Mary McCarthy, M.K.] that the cleverness sometimes becomes tiresome, though I don’t think I agree with her about the ‘haziness’ (I have suggested a few minor corrections on the MS) I wish I could like the book better.’*

Einde citaat.

Hoe ver is je mond opengevallen?

Vergissen is meesterlijk, blijkbaar.

 (Je kunt je mond nu weer dichtdoen trouwens – is ook leuker voor je partner.)

Maar de regel laat zich niet falsificeren door de uitzondering:

Pijn en teleurstellingen blijven onvermijdelijk.

En dat spijt me.

Oprecht.

 

Tirade – kiest om te delen.

Soundtrack: ‘Darling, you got to let me know… Should I stay or should I go?

Volgende week: de beuk erin.

* The Nabokov-Wilson Letters 1940-1971, Edited by Simon Karlinsky, Harper & Row (1979;p.288).

Wilt u dat ik op deze plek één van uw producten of diensten subtiel onder de aandacht breng van de lezers van Tirade? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mijn literair agent, Paul Zeeprest. Gunstige tarieven! Positiviteitsgarantie!



Reageer >
 

Een soort strippoker

19 May 2013 (10:48) | Simone van Saarloos | 1 reactie

Vandaag ben ik jarig en ik wil dat we een spelletje doen. Het heet fenomenologische reductie en het lijkt op strippoker. De ware spelregels van Edmund Husserl zijn heel moeilijk, maar vandaag is het een feestje, dus doen we een light variant.

Stel je voor: je woont in het huis waar je nu in woont, maar op een andere plek. Ergens waar ze soms ook Duits of Vlaams
appelboompraten. Driehonderd meter verderop staat een huis dat op het jouwe lijkt en er wordt daar iets verkocht wat jij graag wilt hebben. Je hebt gewerkt en dus heb je voldoende geld en een paar uurtjes high in het weekend verdiend. Je groet de man of vrouw die in dat huis achter de toonbank staat wanneer je elkaar tegenkomt op straat. Toch mag je daar niets kopen. Dat bepaalt de wet. Want er loopt een onzichtbare grens tussen jouw huis en het huis waar ze verkopen, een grens die op een getekende kaart ligt vastgelegd, een grens die ervoor zorgt dat zij Nederlander zijn, jij Belg of Duitser.

Wanneer ik het woord ‘grens’ hoor knik ik hevig. Wanneer ik de ‘grenzen moeten dicht’ of ‘grensverdediging’ hoor, denk ik te begrijpen wat dat betekent. Maar grenzen zijn alleen acceptabel zolang ze abstract blijven, een woord van ver of een getekend stippellijntje. Wanneer iemand een grens trekt door de stad en deze vastlegt op een print-out van Google Maps, wanneer iemand een lijn zet door je straat, je achtertuin, je balkon of in je bed en zegt: u mag niet voorbij deze grens; voorbij deze lijn bent u geen volwaardig mens, wat doe je dan?* 

Tot zover het voorspel, de warming-up van de verbeelding. 

Husserl stelde zich een appelboom voor en vroeg zich af: wat blijft er over, op welke kern kom ik uit wanneer ik alle eigenschappen die niet alleen bij de appelboom horen, wegredeneer? Hout, rood, groen, groot – allemaal predicaten die ook van andere dingen (verschijningen) kunnen worden gezegd. Alleen het geheel van ‘appelboom’ is niet op iets anders van toepassing dan de appelboom.

Toch kun je de boom nooit in zijn geheel zien. Loop je er omheen, dan weet je nooit zeker of de andere kant op dat moment nog bestaat. Je mist altijd een deel van de werkelijkheid, maar kleurt deze zelf in. Niet het werkelijke object is voor Husserl van belang, maar de ervaring, aanblik en beleving ervan.

verjaardagstaartSchrijver Dimitri Verhulst wist deze week in Pauw & Witteman de kern van ‘de vluchteling’ aan te wijzen. Het ‘zijn verdomme wel mensen’, wierp hij Teeven en diens vluchtelingenbeleid in het gezicht. Op Twitter werd Verhulst gelauwerd voor zijn ‘intellectuele betoog’ waar Teeven toch niets van zou snappen. Verhulst verdient de veren, maar ‘intellectueel’ was zijn betoog niet. Integendeel, net als Husserl was hij niet op zoek naar een rationeel, beredenerende vorm van begrijpen, maar juist naar begrip dat direct uit de ervaring voortkomt – en het is precies die voorstelling van de werkelijkheid die Teeven vervaarlijk mist. 

 

De kaarten zijn geschud, de dobbelstenen geworpen.

De vluchteling, fenomenologisch gestript: zijn huis en land heeft hij al verloren. Ontneem hem nu zijn familie, zijn etniciteit, zijn werk, zijn sekse, zijn bezittingen, zijn verleden, zijn individualiteit en – oeps! – zijn waardigheid.

Nu u ontkleed: zonder huis, land, familie, etniciteit, werk, sekse, bezittingen, verleden, individualiteit en waardigheid. Wat blijft er van u over?

Precies. We zijn verdomme wel mensen.

Vandaag bepaal ik wat er gespeeld wordt, wanneer ik huilen mag – rechten voor één dag. Om 00 uur precies is dat, op afspraak, voorbij. Wie bewaakt die grens? Zet ik de klok telkens een uur achteruit, dan blijf ik eeuwig jarig.
Alleen Facebook verraadt dat er morgen drie anderen aan de beurt zijn.

Straks wordt er gezongen, iemand zet kaarsjes op de taart. Ik doe een wens en het is donker.

 

 

*(Garry Davis verscheurde zijn Amerikaanse paspoort en werd Wereldburger. Marjolijn van Heemstra maakte een voorstelling over deze man zonder grenzen, deze week nog te zien)

 



1 reactie >
 

Moby

18 May 2013 (13:41) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘Waarom is bijna iedere stoere, gezonde knaap met een stoere, gezonde ziel in zijn bast er wel een tijdje wild van om naar zee te gaan?’ vraagt Ismaël zich af in het eerste hoofdstuk van Moby Dick.* Mijn hoofd staat er vandaag niet naar om daarover te filosoferen, maar gelukkig geeft Ismaël zelf een antwoord op die vraag: ruige jongens missen instinctief het water, want alleen daarin weerspiegelt zich hun ruwheid en ‘het niet te pakken spook dat leven heet’. Voor alle figuren in Moby Dick is het zilte nat de onontbeerlijke voorwaarde van het bestaan. Ik hoop dat collega Merijn tijdens zijn zeiltocht over de Noordzee iets van die ‘sleutel tot alles’ heeft mogen proeven – windkracht zes heeft daar ongetwijfeld aan bijgedragen.

Moby Dick is een van mijn lievelingsboeken. In mijn exemplaar zit nog steeds het zand van het strand waar ik het voor het eerst las. Het is een boek voor de lange adem: kapitein Achabs zoektocht naar de witte walvis wordt voortdurend onderbroken door uitweidingen over walvisvangst en zeilen. Dat verklaart wellicht waarom ik zoveel mensen ken die in Moby Dick gestrand zijn, maar wat mij betreft maken die vele digressies het verhaal over de jacht alleen maar spannender. Melville neemt gerust de ruimte om een catalogus van walvissoorten op te nemen. Passages waarin aan dek de pleuris uitbreekt door bijvoorbeeld een plotselinge storm geeft hij meestal verbatim weer. Voor overgehaalde landrotten (‘gaffel het tuig!’) is dat uiterst leerzaam.

Na de verhalen van Biesheuvel, die uiteraard doordrenkt zijn met Melvilliaanse wendingen, is het lezen van Moby Dick een logische stap. Het integraal opgenomen Toen wij uit Rotterdam vertrokken in ‘Storm op zee’ is slechts een geval van beheerste gekheid in vergelijking met hoofdstuk 40 van Moby Dick, waarin de voltallige bemanning een voor een aan het woord komt als ware het een toneelstuk. En dat in een storm op volle zee. Het hoofdstuk begint ook met een lied, dat ik hier (uiteraard) in zijn geheel weergeef:

HARPOENIERS EN MATROZEN
Vaarwel en tot weerziens, Spaanse liefjes!
Vaarwel en tot weerziens, liefjes uit Spanje!
De kapitein heeft bevolen…

EERSTE MATROOS UIT NANTUCKET
Hé jongens, niet zo sentimenteel; dat is slecht voor de spijsvertering! Neem een opkikker, doe als ik! (Hij zingt en iedereen valt in.)
De kapitein stond op het dek,
Een kijker in zijn hand,
En tuurde of hij zo’n heerschap zag,
Ze spoten bij ieder strand.
Hé jongens, de ton in de sloepen,
En houdt de brassen bemand,
Dan pakken we wel zo’n fijn geval,
Kom aan, hand over hand!
Koppen op, rug recht, laat de moed nooit zakken,
Want de harpoenier gaat de walvis pakken!

Misschien is waanzin de oplossing voor het raadsel van de aantrekkingskracht der zeeën. Op een schip heersen de grillen van de kapitein, daar kan geen matroos aan ontkomen. Er zit dus niets anders op dan mee te gaan in de onstuitbare tunnelvisie van de leidsman, het punt aan de horizon, Engeland, de witte walvis – wat het ook is. Wild zijn van de zee komt voort uit een verlangen naar ongestrafte bandeloosheid en het bezweren van angst, waar de hoge baren zich uitstekend voor lenen. In de woorden van Ismaël (begin hoofdstuk 41):

Ik, Ismaël, was een van die mannen; mijn kreten waren opgestegen met de andere, mijn eed was gelast aan de hunne, en ik schreeuwde harder en hamerde en beklonk mijn eed heftiger omdat ik inwendig bang was. Ik voelde een wild, duister medeleven; Achabs onblusbare vete leek de mijne. Met gespitste oren luisterde ik naar de geschiedenis van dat moorddadige monster tegen wie ik en alle anderen onze eed van geweld en wraak hadden gezworen.

 

* Vertaling van Barber van de Pol.



Reageer >
 

Een uitgestelde brief

17 May 2013 (11:05) | Lieke Marsman | Geen reacties

Lieve David,

Inmiddels meer dan drie en een half jaar geleden schreef je me deze brief op dit blog, onze vriendschap was nog maar net begonnen. Ik heb nooit geantwoord, althans niet in deze vorm. Nu doe ik het alsnog. Er is zoveel gebeurd.

Ik schrijf dit vanuit de trein terug uit Berlijn, de stad waar je een tijdje woonde toen we wat minder contact hadden. Een ding waar ik zojuist over nadacht is dat we tegenwoordig veel opener zijn dan we waren, en daarom denk ik dat je het meeste van wat er de afgelopen tijd in mij om is gegaan wel weet. Het voelt dan ook gek om je dit te schrijven, omdat we elkaar dagelijks spreken – is er nog iets te zeggen? – maar soms is het goed om terug te blikken, de balans op te maken; dat doe ik de laatste weken erg vaak.

Zijn er nog meer feesten geweest? Ja. Soms ben ik bang dat het er teveel waren, dat we in onze eindeloze luidruchtige zoektocht naar liefde en veiligheid onze vlucht hebben gezocht in drank en te laat opblijven – niet zozeer om het nu, wat met jou altijd een prettige plek is om te verblijven, te vergeten, maar om onze verwachtingen voor de toekomst een tijdje te vergeten. Ik weet wel dat we allebei eigenlijk gewoon een gezin en een kind willen (niet voor niets vragen we elkaar drie keer per dag ten huwelijk), en hoewel wij de eersten zijn om nog terwijl we vertederd naar een peuter kijken te roepen dat dat Sad is, vind ik dit eigenlijk een van onze mooiste en puurste verlangens. Vaker echter denk ik dat het er precies genoeg waren, onze feesten, dat ze er waren op de momenten dat wij ze nodig hadden, en dat alles simpelweg een stuk minder zwaar wordt als je zo hard om jezelf kunt lachen dat de gin-tonic op verschillende plaatsen je gezicht uit spuit.

 Jij gaf mij een citaat van Sylvia Plath. Ik geef jou nu dit citaat van Susan Sontag dat ik sinds het begin van het jaar als toegangscherm voor mijn telefoon gebruik, en hoewel ik het je vast al eens stuurde, hier is het opnieuw: 

“I feel a sense of mastery, amid all the pain and anguish at being abandoned. A breakthrough of intelligence like this — perceptions not only verbalized, but spun into a long, searching, open-ended discourse — makes me know I’m alive and growing. It’s almost as great a source of vitality– of feeling palpably the sense of life in me — as being in love. I feel once again, and I rejoice, that I’m not busy dying — I’m still busy being born.”* 

Dat is hoe het voor ons is, of hoe ik wil dat het voor ons gaat zijn. We zijn nogal wat bang geweest de afgelopen drie jaren (het lijkt me evident dat wij aan de niet-coole versie van bindingsangst, namelijk verlatingsangst, lijden), maar als ik bedenk hoe we ondanks al die paniekaanvallen en mislukte liefdes enkel minder en minder cynisch zijn geworden (hoewel kritischer), dan kan ik alleen maar zeggen: but jesus, what brave losers we are.  Als ik jouw beschrijving lees van hoe wij drie jaar geleden waren en mijn eigen beelden daar bij oproep, dan denk ik dat het nu een stuk beter met ons gaat. Ik zie ons nog zitten op jouw zolderkamer: snobbistisch. Wantrouwend. Zacht gekookte eieren misschien, maar toch ook dat: arrogant. In ieder geval niet bereid om iets of iemand werkelijk toe te laten.

De trein rijdt verder, Hannover op drie uur. Toen ik 19 was wilde ik misschien nog de wereld in verdwijnen, nu voel ik die behoefte veel minder. Ik ben bovendien een slecht reiziger die snel heimwee heeft: hoewel het heel fijn en nuttig is om zo nu en dan een paar dagen je eigen leven te verlaten om eenzaam door een vreemde stad te zwerven, levert dit afstand nemen van je leven ook een confrontatie op met de hiaten die daar in zijn ontstaan. Ik wil dan doorgaans zo snel mogelijk terug om die krampachtig op te vullen.

Daarin lijk ik niet op jou. Jij hebt het de laatste tijd steeds vaker over weg willen gaan, elders opnieuw beginnen. Ik houd van die  mogelijkheid, maar het is een uiterste uitweg die ik eigenlijk niet denk ooit in te zullen slaan. Het is het sterkste maar ook het zwakste wat een mens kan doen. Opnieuw beginnen: sterk. Het oude achterlaten: sterk en zwak. Doen alsof het oude nooit gebeurd is: zwak. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.

Ik denk aan het Louis Nanet feest, zomerse fietstochten naar Holysloot, barbecuen bij mijn ouders, dronken worden in Limburg, de gouden boekenuil, onze mislukte vakantie, vreselijk boos op je zijn maar je vergeven, ochtenden lang over het Waterlooplein struinen, naakt mijn huisgenoot toezingen, tegen elkaar liegen, dat doorhebben, overal USB-sticks met jouw muziek er op vinden, zingend gehaktballen draaien, poëzieavonden waarop mensen denken dat we geliefden zijn, me daar heimelijk trots over voelen, je filmambities, mijn sportsweater met jouw parfum er op, foto’s maken bij min veertien, de medogenloze manier waarop we ons kunnen schamen, honderd keer roti eten, vijftig keer indonesisch, het hondje van je vader…

Ik vind het ontroerend hoe je steevast mijn gitaar pakt en willekeurig over de snaren slaat terwijl je de klanken van een Griekse volkszanger nabootst. Ik vind je mooi als je in een rommelige kamer zes documentaires uit een verhuisdoos trekt, die je allemaal aan het huilen hebben gemaakt. Ik vind je lief als je teveel bent, als je met een tas vol boodschappen op iemands stoep staat en de deur blijft dicht – ik hoop dat je nooit een andere manier zult leren. Ik hou van je als je zegt dat je mijn broer bent en blijft. Ik wilde eigenlijk maar zeggen: niet weggaan.


Het liefste,
Lieke

*Susan Sontag (ed. David Rieff) – As Consciousness is Harnessed to Flesh: Journals and Notebooks, 1964-1980, Penguin Books, p. 274

 



Reageer >
 

De vriendschap

16 May 2013 (9:36) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3065Mijn vriend Arie vraagt met enige regelmaat waar zijn column blijft. Meestal verpakt hij de vraag subtiel.

Gil, zegt hij dan, je weet dat ik je enige écht interessante vriend ben. Waarom schrijf je nooit over mij?

Afgelopen maandag was hij jarig. Ik belde hem op terwijl ik met een map vol werk over de Constantijn Huygensstraat fietste, met Otis de hond op een drafje langszij.

‘Duitser!’ riep Arie. Ik zal altijd De Duitser blijven vanwege een kaartavond tien jaar geleden, waarop Arie vond dat ik te weinig risico nam en niet genoeg blufte. Dat ik inmiddels een snor draag helpt ook niet. ’Ik zit te monteren. Wacht even, dan stap ik naar buiten.’

Arie maakt programma’s voor de televisie. Als hij niet in Amerika is, zit hij ergens in een donker hol te monteren. De geluiden van aansteker, vlam en de ontbranding van zijn sigaret drongen door het windgeruis en het verkeerslawaai. Otis wilde stoppen om te piesen; ik stapte af en liet de leiband vieren. 

‘Ik bel om je te feliciteren,’ zei ik. ‘En dan zal ik nu een lied voor je zingen.’

‘Doe maar niet.’

‘Lang zal je lév-’

‘Doe maar niet. Het is beter voor iedereen als je niet zingt.’

Er kwam een jonge vrouw met een mottig teefje voorbij. Otis draaide rondjes om het hondje en verstrikte zijn riem in de hare. De jonge vrouw en ik deden de dans met de wenkbrauwen en het ophalen van de schouders. We lieten onze riemen vallen, gaven elkaar de anders riem aan. Ondertussen tetterde Arie verder over het item dat hij aan het maken was. Het begon te regenen: druppels die als ragfijne draden aan de lage hemel leken te hangen. 

Daar, in de regen op de Constantijn Huygensstraat, niet eens half naar Aries verhaal luisterend, werd ik overvallen door hoe vreselijk veel er veranderd is, de laatste jaren. Door hoe makkelijk het is om elkaar steeds minder te zien. Door waaraan we allemaal voorrang denken te moeten geven boven de vriendschap.

Ik dacht aan het gruwelijke ongeluk dat een goede kennis en zijn vrouw afgelopen weekend overkwam. Te gruwelijk om hier op te schrijven. Ik dacht aan mijn vrienden Arie, Boris en Gijs. Aan de drukke jongens die we samen waren; de moeie (en in het geval van Gijs dode) mannen die we geworden zijn.

‘Arie,’ zei ik. ‘Elkaar is alles wat we hebben.’ 

‘Wat zeg je?’

Ik had een afspraak, vanavond. Een al verzette, die al heel lang met rood in mijn agenda stond. Ze zouden het maar moeten begrijpen. Mijn wekker-in-peutervorm zou morgen weer om half zes gaan. Ik kreeg al koppijn bij het idee. 

‘Ik vroeg hoe laat ik vanavond bij je ga zijn.’

‘Neem je worst mee?’

‘Natuurlijk.’

‘Dan lijkt een uur of acht me prima.’

‘Vriendje, ik zal eens kijken wat ik kan doen.’



Reageer >
 

Drempelvrees

15 May 2013 (9:41) | Menno Hartman | Geen reacties

De handen van Dinu Lupatti

De handen van Dinu Lipatti op een Bechstein

‘The piano ain’t got no wrong notes’ zei Thelonious Monk al. Donderdag kocht ik een C. Bechstein piano. De Rolls Royce onder de piano’s,  zei mijn zwager, die wel heel goed pianospelen kan. Hij was meegegaan om ons te behoeden voor een totale miskoop.  Toen ik vroeg hoe hij speelde zei hij: ‘te grote schoenen’. Ik kon me er ook in al mijn onbekendheid met het instrument iets bij voorstellen. De Bechstein is gebouwd in 1900, zoals je kunt nazoeken op de site Wie alt is mein Bechstein. Een ouderdom die doet mijmeren over de reizen die de piano heeft afgelegd, de mensen die er in al die jaren op speelde. Het instrument is nooit gereviseerd, tot op de draad versleten, maar de klank is goed, romantisch. Toen mijn zwager een kwartiertje gespeeld had zei hij: ‘hoor je, hij komt er weer in, de klank groeit’.

Sinds het plan postvatte om gewoon vanuit het niets een piano te kopen en iets nieuw te leren zie, hoor en lees ik overal van alles over piano’s, pianospel  en -composities. In Jan Brokkens boek met de geweldige titel Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin drijft de lezer een betrekkelijk onbekende wereld in van de muziekgeschiedenis van de Nederlandse Antillen, en dan met name Curaçao. In 1999 werd in de Heilige Kruiskerk in Warschau een mis opgedragen om de honderdvijftigste sterfdag van Fryderyk Franciszek Chopin (1810-1849)  te herdenken. Er waren vertegenwoordigers van vele landen, een paar Fransen, redelijk wat Polen en paar Italianen, maar waarom waren er elf Antillianen, vroeg Brokken zich af toen hij een berichtje erover in de Süddeutsche Zeitung las. Het was het begin van een jarenlange zoektocht naar het antwoord. Het voerde hem langs de fascinerende geschiedenis van bijvoorbeeld de nu redelijk vergeten Louis Moreau Gottschalk (1829 – 1869), een Amerikaanse componist en pianovirtuoos die het Zuiden van de Verenigde Staten intensief bereisde, de Caraïben en ook Zuid-Amerika. Een geweldig kleurrijke figuur deze Gottschalk. Deze en andere musici die Brokken in het boek bespreekt, brachten Europese muziek in Caraïbische sferen en pasten de muziek aan: de standaard Poolse dansen werden in gewijzigde tempi typische Creoolse muziek. Creools in de betekenis van: vermengde culturen. Precies waarom de Caraïben zo interessant zijn, je vindt er cultuuruitingen (en mensen)  die gedeeltelijk lokaal Indiaans zijn, gedeeltelijk Afrikaans, Europees.  

Voor het werk van Jan Brokken voel ik nu hetzelfde als met betrekking tot mijn aanstaande kennismaking met de piano: drempelvrees. Ik weet dat als dit boek mij voldoende bevalt (ben nu halverwege) ik elke letter van de man zal gaan lezen. Die onderdompeling, daar schrik ik ook wat voor terug. De essentie van de fascinatie van Antillianen voor met name de mazurka’s van Chopin zou volgens Brokken er mede in liggen dat zij in hem zijn cultuurdiversiteit, cultuurvermenging herkenden. Chopin  had een Franse vader, die in Polen belandde, maar zijn zoon nooit Frans leerde spreken. Hij leerde de kinderen van zijn broodheren Frans en sprak thuis met Fryderyk Pools. Chopin is nooit van zijn zwaar Pools accent afgekomen. Vervolgens is hij – zelf eenmaal in Frankrijk beland – nooit meer teruggekeerd naar Polen. De Poolse dans maakt hij in Frankrijk salonfähig, en wereldwijd werd zijn cultuurvermenging erkend. Hij heeft zijn culturele verdeeldheid wel op een werkelijke ongelooflijke manier vormgegeven. Hij is begraven in Parijs, maar liet zijn hart uitsnijden en naar Polen brengen.

In het Stedelijk Museum draait de prachtige film Nummer veertien, home van Guido van der Werve.  Van der Werve legde ruim 1.500 kilometer af in een duizelingwekkende triatlon dwars door Europa. Hij rende, fietste en zwom de volledige afstand van het hart van Frédéric Chopin naar diens lichaam, filmde zijn prestatie en het landschap en componeerde er muziek bij. Voor deze film kniel ik dan weer op mijn beurt.

In de jaren ’40 nam Dinu Lupatti veel Chopin op, op een Bechstein, misschien wel op een Bechstein uit 1900, vervaardigd in Berlijn. Die toen nog niet voelde als te grote schoenen.



Reageer >
 

Brommer op zee

14 May 2013 (10:12) | Merijn de Boer | 2 reacties

Biesheuvel Zeeverhalen HRESAfgelopen weekend zeilde ik de Noordzee over. Niet gehinderd door enige zeilkennis of -ervaring. Maar gelukkig wisten mijn bootgenoten wat ze moesten doen. Ter voorbereiding had ik de Zeeverhalen van Biesheuvel gelezen, zodat ik niet helemáál onwetend de zee opging. Dit bleek een nuttige bezigheid, want bijvoorbeeld in het verhaal ‘Storm op zee’ geeft Biesheuvel een overzicht van de schaal van Beaufort. Hierdoor wist ik dat we na een verandering van de wind in een ‘stijve bries’ terechtkwamen. Biesheuvel: ‘Grotere golven beginnen zich te vormen. De brekende koppen doen overal grote witte schuimplekken ontstaan. Opwaaiend schuim komt vrij veelvuldig voor. De windsnelheid is nu ongeveer 25 tot 27 knopen.’ Van een ontspannen zeiltochtje was geen sprake meer.
          
Sowieso stond de overtocht behoorlijk in het teken van Biesheuvel. Er waren namelijk maar twee cd’s aan boord. Op de een was met stift geschreven: ‘Feel good IV’. Op de ander stonden verhalen van Biesheuvel, door de schrijver zelf ingesproken. Als we even geen zin hadden in ‘Feel good IV’, en als we gehypnotiseerd dreigden te worden door het eentonige geblaas van de wind en het ritmische ruisen van de zee, zetten we Biesheuvel op. Over het hele schip waren boxen verspreid, waardoor het feitelijk onmogelijk was om, als deze cd opstond, enige handeling te verrichten zonder dat Biesheuvel daarbij was.
          Op een gegeven moment ging ik ‘s nachts naar de wc,
 terwijl buiten windkracht zes de boot trachtte te molesteren en het grootste deel van de bemanning (al of niet brakend) in hun diagonale bed heen en weer rolde. De afspraak was dat we binnen en zittend zouden plassen, want mikken is lastig bij windkracht zes. Van het dek af was geen optie, want dan was de kans groot dat ik terug naar IJmuiden zou moeten zwemmen.
          Meteen nadat ik was afgedaald in de kajuit, werd ik tegen de keukenkastjes gesmeten. Ter bescherming tegen de kou had ik veertien kledingstukken aan: drie paar sokken, twee broeken, boxershort, drie T-shirts, drie truien, een jas en ten slotte een jollenbroek, een overall voor zeilers. Warm had ik het trouwens totaal niet. De wind blies overal doorheen. Om die rare jollenbroek uit te krijgen, moest ik eerst twee truien en de jas over mijn hoofd trekken.
En dat terwijl ik telkens naar de andere kant van de kajuit werd geslingerd. Toen ik daar dan eindelijk in was geslaagd, toen ik minuten later op de wc zat, terwijl de open deur tegen de muur kletterde en ik me moest vasthouden om niet terug naar de keukenkastjes te worden gegooid, klonk in die veel te kleine ruimte, midden in de nacht en midden op zee, de stem van Biesheuvel: ‘Toen ik achttien was was Sjaan zestien en had ze wonderlijk mooie benen. Mooie benen had Sjaan, ja Sjaan had mooie benen en ik kon er geen genoeg van krijgen…’ Het was behoorlijk vervreemdend. De schrijver sprak rustig verder terwijl ik de wc uit werd gelanceerd. 
            Toen ik boven op het dek weer plaatsnam achter het stuur (de automatische piloot stond aan) moest ik denken aan Biesheuvels beroemde verhaal ‘Brommer op zee’. Het gaat over de jongen Isaäc, ‘een aardige maar een beetje vreemde jongen’, die ‘s nachts op het achterdek van een schip staat. Vanuit de verte ziet hij een lichtje naderen en hoewel hij aanvankelijk denkt dat het ‘een wegloevend schip’ is, blijkt het een brommer te zijn die naar hem toe komt. De rest van het verhaal gaat over het gesprek tussen Isaäc en deze brommerbestuurder, die via de touwladder, ‘hop!’, het dek op rijdt. Biesheuvel: ‘De zintuigen kunnen ons bedriegen. Er zijn filosofen die beweren dat alles wat is, inbeelding is en het tegendeel valt ook niét te bewijzen.’
            Wat me tijdens deze oversteek nog het meest verbaasde was hoe druk, ook midden in de nacht, de Noordzee is. Voortdurend waren we bezig om andere schepen te ontwijken, ook al konden we ze soms alleen nog maar op de radar ontdekken. Overal waren kleine lichtjes te zien: van ferry’s, cruiseschepen, olieplatforms en vrachtboten. Terwijl ik koulijdend achter het vanzelf draaiende stuur zat en staarde naar al die lichtjes in de verte, kon ik goed begrijpen hoe deze zelfde lichtjes de fantasie van Biesheuvel hadden geprikkeld. Soms veranderde zo’n lichtje aan de horizon binnen een kwartier tijd in een reusachtige tanker. Andere lichtjes konden ineens verdwijnen, terwijl ze even daarvoor nog hadden gediend als oriëntatiepunt. Hoe meer ik naar die verplaatsende lichtjes keek, hoe psychedelischer het allemaal werd. Ik begon er bijna rekening mee te houden dat een van die lichtjes een brommer zou blijken te zijn.



2 reacties >
 

Servicenummer – een ZKT

13 May 2013 (8:53) | Martijn Knol | 1 reactie

‘Afdeling Onoplosbare Problemen Met Patricia Waarmee Kan Ik U Van Dienst Zijn?’

‘Bzzz, bzzz, bzzz.’

‘Nee, het spijt me… daar kan ik u niet mee helpen.’

‘Bzzz, bzzz, bzzz.’

‘Nee, ook niet, mijnheer, dat is een No-Reply account.’

‘Bzzz, bzzz, bzzz?’

‘Dat kan ik u echt niet vertellen.’

‘Bzzz, bzzz, bzz!’

‘Nee: daarom is ons nummer namelijk afgeschermd.’

‘Bzzz!, Bzz!, Bzzz!’

‘Ook niet.’

‘…’

‘Kan ik misschien nog iets anders voor u betekenen?’

‘Bzzz!!!’

‘Dan moet ik dit gesprek nu beëindigen.’

‘BZZZ!!! BZZZ!!!’

‘Toch wens ik u een prettige dag mijnheer.’

 

Volgende week: eindelijk die meest onthutsende brief uit de recente literatuurgeschiedenis.

 

‘Wat is een ZKT?’

‘Een Zeer Korte Tekst.’

‘Is dat niet hetzelfde als wat die opa uit Klein Dochteren maakt?’

‘Nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!, nee!… dát zijn ZKV’s. Dit is iets Heel Anders!’

‘Ja, dat dacht ik al, ik wilde het alleen even controleren.’

 

Tirade – we schudden het zo uit onze mouw.

 

‘Je bent de soundtrack vergeten.’

Do you want to go to the plage* with me?

‘Ik dacht dat je ’t nooit zou vragen.’

‘Meen je dat? Of probeer je me gewoon in bed te lullen?’

 

duimpje723 mensen vinden dit leuk.  Dus jij moet het ook leuk vinden.

 

Ach, wat ontzettend jammer… ’t begon zo vrolijk en luchtig en nou gaat ’t toch weer kritisch eindigen… Het laatste woord is vandaag aan Vance Packard (The Hidden Persuaders, 1960/1957;p.196):

They [the psycho-persuaders of today, MK] are mostly decent, likeable people, products of our relentlessly progressive era. Most of them want to control us just a little bit, in order to sell us some product we may find useful or disseminate with us a viewpoint that may be entirely worthy. But when you are manipulating, where do you stop? Who is to fix the point at which manipulative attempts become socially undesirable?

Misschien kunnen je facebookvriendjes je helpen de antwoorden op Vance’s vragen te formuleren? Gebruik in ieder geval de begrippen ‘relaties’ en ‘instrumentele relaties’. Veel succes!

 * Over onoplosbare problemen gesproken: hoe cursiveer je een woord dat al cursief staat? Deze keer bracht het woordenboek een ‘narrow escape’: ‘plage’ is al zo ingeburgerd in het Engels (alleen te gebruiken in de context van ‘mondaine badplaats’) dat nadere cursivering niet aan de orde blijkt. Toch even stevig in spanning gezeten!



1 reactie >