Trans-Siberische spoorlijn – Karel voor gevorderden

12 december 2019 (7:00) | Menno Hartman | Geen reacties

Irkutsk in 1996, handel langs het spoor

Irkoetsk in 1996, handel langs het spoor

De samensteller van het boek Karel van het Reve voor gevorderden zei me dat als ik het niet kende ik Siberisch Dagboek (voorjaar 1966) eens moest lezen. In 1966 reist Karel voor de Volkskrant van Moskou naar Chabarovsk. Het stuk blijkt een exponent van een aantal befaamde Karelmethodes: Rusland bespreken vanuit zijn eigen ervaringen, met enorme maatschappelijke en literaire belezenheid achter de hand, met een zeer heldere argumentatie vooroordelen of propaganda te lijf gaand. Dikwijls belandt hij in discussies over het kapitalistisch versus het communistische economisch systeem. Die discussies zijn hilarisch – om Karel van het Reve moet je overigens zeker twee keer per bladzijde heel hard lachen – gortdroog en geestig als hij is.  In Irkoetsk kan hij geen fotorolletje kopen. Zijn gids vertelt hem dat er zoveel foto-amateurs zijn dat alle fotorolletjes op zijn, Karel vertelt haar dat er in 1900 in Irkoetsk minder mensen woonden en wel 5 fotowinkels waren, en dat Nederland ook veel foto-amateurs heeft, maar dat je rolletjes kunt kopen op elke straathoek. En toch blijft Van het Reve  heel vriendelijk tegen zijn gidsen.

Karel van het Reve voor gevorderdenHet is een fascinerende reis. Voor mij misschien extra boeiend omdat ik precies 30 jaar later dezelfde reis maakte. In 1996 reed ik met de trein van Moskou naar Beijing. Zeven dagen en acht nachten, 7.621 km. In het Rusland waardoor ik reed was de plan-economie nog nauwelijks een issue, oligarchen waren bezig grote stukken staatsbedrijven voor een appel en een ei op te kopen om van de verkoop later miljardair te worden. Dat zag ik niet, ik zag alleen berkenbos (waar Karel uitsluitend dennenbos zag, dit blijft vreemd) en het enorme Bajkalmeer waar ook Karel van onder de indruk is. En bij mij was het iets vroeger in het jaar en dus kouder. De kou van Novosibirsk of Krasnojarsk zal ik niet snel vergeten, ze dringt diep in je botten door. Karel zag veel meer dan ik, natuurlijk. Hij sprak de taal en had een enorme kennis van land en een doorleefde kennis van het communistische gedachtegoed.

Het is een opluchting weer Karel te lezen, wie is er vandaag zo geestig, zo slim en zo belezen? Ik ken ze helaas niet. Door Siberisch Dagboek haalde ik mijn eigen dagboek er ook weer bij. Gedeelde eendeneieren, 100 verloren potjes schaak, een postcommunistische restauratiewagendame die steeds net voordat je binnenkomt de deur op slot doet en op de gewijzigde tijdszone wijst die steeds slechts in haar voordeel uitgelegd wordt. Ik heb me – om later te onthullen literaire redenen voorgenomen volgend jaar per trein naar Tarusa te reizen. Ik zal zeer zeker een deel Karel van het Reve meenemen.

In mijn dagboek ook nog de mooie scène waarin een Russisch treinbovenstel op een ander onderstel wordt geplaatst. Rusland heeft een afwijkende railbreedte. Ook hoe dat komt weet Karel. Het heeft met de Amerikaanse schilder Whistler te maken. Echt waar, lees maar in dit prachtboek.

—-

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot. Hier ook een stukje over treinreizen.

Reageer >
 

Een perfectionistisch mens

11 december 2019 (8:26) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5895We zaten op een koud terras en Sarah dronk haar koffie verkeerd zoals ze alles lijkt te drinken: langzaam.

Ik kom uit de horeca, drink en eet snel. Zo gauw die koffie voor mijn neus staat gaat er in mijn hoofd een timer lopen, waardoor ik zonder proeven weet wanneer hij te koud gaat zijn. Zo lopen er ook timers voor mijn werkschema, voor het buikspek dat in de pekel ligt, en voor alle andere bederfelijke waar in huis.

Terwijl we praatten vroeg ik me af op hoeveel terreinen zich dat vertaalt, traag eten en drinken; hoe het moet voelen om geen timers te hebben lopen. Zou je je dan minder bewust zijn van het verstrijken van de tijd? Sarah vroeg of ik een perfectionist was.

‘Eentje die zich daar voortdurend tegen verzet,’ zei ik.

Ik ben punctueel en probeer juist vaak te laat te komen omdat ik er niet tegen kan overgeleverd te zijn aan mijn persoonlijkheid. Hoe dwars ik ook in de omgang kan zijn, ik ben altijd dwarser tegen mezelf. Ik werk er nog aan een keer mijn buikspek te vergeten.

‘Dat is metaperfectionisme,’ zei Sarah, en zwaaide naar een bekende. ‘De ergste vorm.’

Ik dacht over een antwoord en dronk de laatste slok van mijn koffie. Hij was nog warm, en ook dat stoorde me opeens.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Tijd winnen

9 december 2019 (9:56) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

16 VondelDus ik kwam een oude vrouw tegen, ’s avonds laat terwijl ik eigenlijk naar huis wilde. Ik noemde haar Jeanne. In werkelijkheid was hij een man. Hij heette Piet en had een ferme handdruk. Ik kwam hem tegen in de zomer van 2019 en we aten een ijsje. Het bejaardenhuis waar hij woonde wordt inmiddels afgebroken. Of grondig gerenoveerd, dat is me niet helemaal duidelijk. Piet is in elk geval verhuisd. Of misschien al overleden.

Ik gebruikte hem als metafoor voor menselijk onvermogen (toe maar), net zoals ik-figuur Jeanne uit mijn debuutroman Schemerland. In werkelijkheid zat zij precies dertig jaar eerder eenzaam in haar Parijse appartement, aan haar leunstoel vastgebonden met een laken. In mijn fantasie zei Jeanne: ‘Het leven is een pijp kaneel, ieder likt eraan en krijgt z’n deel.’ Vondel op z’n Bargoens. Het origineel luidt: De wereld is een speeltoneel, elk speelt zijn rol en krijgt zijn deel.

Joost van den Vondel schreef die regels in 1637 ter gelegenheid van de opening van de Amsterdamse Schouwburg aan de Keizersgracht. De dichtregels werden in de poort gebeiteld. De schouwburg brandde af, de poort bleef behouden. Vondel moet inspiratie hebben opgedaan bij Shakespeare, die omstreeks 1599 de melancholische Jacques in As you like it (Act II, scene 7) liet verzuchten:

All the world’s a stage,

And all the men and women merely players;

They have their exits and their entrances,

And one man in his time plays many parts (…)

Leest iemand nu eigenlijk nog Vondel? Ooit was hij de meest besproken Nederlandse dichter, nu slechts naamgever van een restaurant, park of plantsoen. Hij schreef zijn beroemdste toneelstuk Gijsbrecht van Amstel in 1637 ter gelegenheid van de opening van diezelfde Amsterdamse schouwburg. De eerste opvoering was op 3 januari 1638. Vanaf 1641 werd het stuk als kerstspel opgevoerd, later weer verschoven naar 3 januari. Het was een traditie die standhield tot Aktie Tomaat er 50 jaar geleden een einde aan maakte.

Vondel schreef ook gelegenheidsgedichten. Vele spotverzen, zegezangen en hekeldichten vloeiden uit zijn pen. Die woorden alleen al! Hij schreef veel, werd stokoud en overleefde al zijn kinderen en kleinkinderen (op 1 kleinzoon na). Zoveel levenservaring leidt tot gortdroge humor. Zijn laatste werk zou zijn eigen grafschrift zijn geweest:

Hier leit Vondel zonder rouw
Hy is gestorven van de kouw

 Dat is nergens een metafoor voor, vermoed ik. Hij had het in zijn laatste levensjaren gewoon altijd koud. Dan nu één van Vondels mooiste dichtregels, uit Gijsbrecht van Amstel (5e bedrijf, vers 1600):

Een krijghsman wint genoegh, al wint hy niet dan tijd.

Oftewel: tijd winnen is de wereld winnen. In een gevecht kan extra tijd het verschil uitmaken tussen leven en dood. Krijgt de tegenstander net een lekke band. Of breekt precies op tijd een onweer los. En wat is de hedendaagse gezondheidzorg anders dan kennis vergaren en daarmee tijd kopen? Tijd is goud, geen vanzelfsprekendheid. Dat is een prachtig motto, misschien ook voor Jeanne en Piet.

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

Reageer >
 

De lucht, zonder helicopters

4 december 2019 (8:08) | Gilles van der Loo | Geen reacties

imagesB nam me mee naar het IDFA. Het was een verrassing, en zoals die dingen gaan in een gezin met kinderen, had ik me niet kunnen oriënteren op wát we gingen zien.

Misschien is het beter zo, een mens kan zich dan niet wapenen tegen wat er over hem heen gaat komen, en dat is toch de bedoeling van documentaires: dat het leven van anderen onverdund bij je binnenkomt.

De film was For Sama van Waad al-Kateab, met regie van Waad zelf en Edward Watts.

Waad is journaliste en inwoner van Aleppo. Samen met haar man Hamza (arts) draait ze het enige noodhospitaal voordat de laatste bewoners worden geëvacueerd. De film heet Voor Sama omdat Waads dochter Sama heet, wat hemel betekent.

We volgen het bestaan van het stel, de bombardementen, het leven en de dood in het ziekenhuis, waar op het zwaarste moment van de strijd driehonderd gewonden per dag worden binnengebracht. Hoewel ik er zeker van ben dat we maar een fractie van de gruwelijkheden te zien kregen, was dat meer dan genoeg.

De kijker blijft zitten met de vraag waar wij waren, toen dit allemaal gebeurde. Waarom de wereld niets deed.

Maar de documentaire gaat verder dan dat. De voice over van Waad, gericht aan haar dochter die tijdens de belegering van de stad nog moet leren lopen: het gegeven van een moeder die zich onder die omstandigheden de grote vragen stelt. Over haar leven, dat van haar dochter. De tijd waarin haar kind geboren is.

Er komt een moment dat Waad en Hamza naar Turkije kunnen vluchten, maar ze kiezen ervoor met hun kind terug te keren naar het stukgeschoten hart van de strijd. Een bevriend stel dat ook besloot in Aleppo te blijven expliciteert hun reden: ze willen hun kinderen leren dat je de mensen en plek waarmee je je verbonden voelt niet kunt achterlaten in hun donkerste tijd.

De zaal was stil, leek tien graden warmer dan voor aanvang van de film. De zaal huilde.

Gebroken liepen we naar buiten, waar de zon scheen op het IJ, de hemel leeg was op de wolken na. Áls er een helicopter was geweest dan was die van een hulpdienst, betaald door een regering die in dienst staat van haar burgers. Sama’s helicopters droegen bommen.

We namen de pont en het water waste mijn gedachten, bleekte het duister van Aleppo.

Er waren dingen die gebeuren moesten, kinderen te halen.

Het leven ging door.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Dirk

2 december 2019 (9:35) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

15 fietspad (1)

Midden op het fietspad zit een oude vrouw in een rolstoel, bewegingsloos. Ik aarzel, kijk om me heen. Niemand te bekennen behalve deze stille dame. Het is koud. Het is een lange dag geweest. Ik wil naar huis.

 

‘Mevrouw?’

Adem wolkt uit mijn mond. Ze reageert niet. Ik leg een hand op haar schouder en schud. Geleerd op de BHV-cursus. Ze veert op en kijkt beschuldigend. Alsof ik haar drie kwartier heb laten wachten.

‘Mevrouw, kan ik u helpen?’

Het blijft stil.

‘Kan ik u misschien naar huis brengen?

‘Ja, ja kind. Dat is fijn. Daar, over de brug.’

Ze wijst. Ik zet mijn fiets op slot en duw de rolstoel de stoep op.

‘Ja ja, naar links en dan weer links’.

Ik zet er flink de pas in. Na een minuut of tien slaat de twijfel toe.

‘Waar woont u precies?’

‘Nee, nee. Ik moet naar Dirk’.

‘Dirk?’

‘De Dirk’

Ik schrik. Ze bedoelt de supermarkt. Dat is nog een heel stuk verder. Ik vloek aan de binnenkant van mijn mond. Ja hoor, hang ik de barmhartige Samaritaan uit. Wat nu? Een ijzige windvlaag jaagt door de straat. Een tram raast rommelend voorbij. Ze mompelt iets onverstaanbaars, ik buig naar voren.

‘Ja ja, ieder mens loopt beschadigingen op.’

Hoor ik dat goed?

 

Een puistenpuber blokkeert de ingang van de winkel en tikt op zijn horloge. Tien uur.

Zij draait de stoel en zegt opgewekt: ‘Dan gaan we naar die blauwe. Appie is ook een leuke mannennaam.’

Ik grijp de handvaten. Niks geen andere winkel, kom op zeg. We moeten terug naar de plek waar ik haar vond. Daar is ze in elk geval op eigen kracht gekomen.

 

‘Kind,’ zegt ze, ‘je bent steeds achter me. Zo kan ik je niet zien.’

Ze heeft gelijk. Ik stop, loop om de stoel heen en stel mezelf voor.

Zij antwoordt kortaf: ‘Jeanne, oud maar nog steeds een beetje mens.’

Ondanks mezelf en de situatie glimlach ik. We passeren volle vrijdagavondcafés. Uit de huizen gloeit warm licht.

‘Wil je warme chocomel? Ik heb geld hoor.’

Ze neemt Irish Coffee en praat alsof ze een achterstand van jaren heeft.

‘Ik ben onzichtbaar. Niemand identificeert zich met mijn klein gebleven vrouwenleven. Geen film of roman kiest mijn perspectief. Het leven is een pijp kaneel; ieder likt er aan en krijgt z’n deel.’

In mijn fantasie zegt ze dat echt.

Ik wijs op een slagroomdruiper, zij likt haar glas af.

Ze zegt: ‘De waarde van een mensenleven openbaart zich aan het einde. En ik zie nu dat ik het allemaal verkeerd gedaan heb. Van mijn huwelijk tot de opwarming van de aarde.’

Ik denk: ze woont natuurlijk in dat bejaardenhuis aan het begin van het fietspad. We hadden precies de andere kant op gemoeten. En dat is dan de metafoor: ze had de andere kant op moeten gaan. Kom je nu achter.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

Reageer >
 

Wij troffen u niet thuis…

28 november 2019 (11:07) | Menno Hartman | 1 reactie

Schermafbeelding 2019-11-28 om 10.54.31Wanneer je het gevoel hebt dat je een lullig leven hebt, moet je eens naar de bioscoop gaan. In Ken Loach’s nieuw realistisch drama Sorry we missed you vecht een gezin tegen de terreur van te weinig tijd en te weinig geld. Hij gaat voor een pakketbezorger werken die keihard uitsluitend naar resultaat kijkt. Om het überhaupt te kunnen moet hij een bus kopen. Zijn vrouw levert voor die aanschaf haar autootje in: ze gaat voortaan met het openbaar vervoer naar een grote hoeveelheid mensen die hulpbehoevend zijn en in te weinig tijd thuis verzorgd moeten worden. Intussen managet ze per telefoon hun ontsporende zoon, en jongere dochtertje: ‘eten staat in een bakje in de ijskast, niet wachten tot ik thuis ben, huiswerk maken en gaan slapen, niet op je telefoon.’ Hetzelfde dochtertje doet om 12 uur ‘s nachts voor haar in slaap gesukkelde ouders de tv uit en ruimt de pizzaresten weg.

Een nieuwe dag.

Ken Loach draait zijn heel gewone mensen steeds harder de duimschroeven aan: alles gaat mis. En waarom? Hardwerkende mensen met goede bedoelingen zouden moeten kunnen overleven, maar redden dat nauwelijks. Op de poster vrijwel het enige gelukkige moment in de film. Dochter gaat een dagje mee. Daags erna zegt de pakkettenbaas dat er geklaagd is, en dat dat niet mag. Eenvoudig geluk verboden.

Een zwerver

in memoriam Gaston Couté

Hij ging van jaar tot jaar al minder vragen
als laatste schuilplaats voor den dood;
een heel klein huis, gezien de woningnood
met bloemen in den tuin en beukenhagen.

Daarna een kamer in een buitenwijk
met uitzicht op een vaart of op een akker.
Ook uit dien droom riep hem het leven wakker,
‘t was nog te veel, te redeloos, te rijk.

Bleek dit ook ijdel, deze hoop verloren,
restte hem nog het allerlaatst gebed:
te sterven waar hij werd geboren,
de zolderkamer en het ijzren bed.

Er zijn ten slotte nog de hospitalen
waar men de armzaalgste zwervers binnenlaat.
Maar zelfs dien prijs kon ‘t lot hem niet betalen…
Men vond hem dood, een morgen, langs de straat.

Jan van Nijlen

 

 

 

Vol goede moed maar weer verder. Gelukkig zit het weer een beetje mee. ;-)

IMG_6285

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Gaston Couté is een chansonnier die beroerd aan zijn einde kwam. ‘La fin de sa vie allait lui être difficile : la tuberculose, l’absinthe, la privation… Il meurt vingt-quatre heures après avoir été conduit à l’hôpital Lariboisière. Hier een chanson door hem gezongen.

1 reactie >
 

Dorp, bladzijde 1

27 november 2019 (10:25) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DorpIn het begin was er het dorp en het dorp was een wereld. Een vorm van thuis die aan je kleinste veren trok, je dwong er te vertragen, te cirkelen, te dalen.

Aan de westkant van de dijk lagen groene akkers en sloten die de hemel spiegelden, de scherpe lijn van de horizon viel samen met duinen, waarachter de zee.

Wie er een snavel voor had kon geteerde palen ruiken, wier en vette vis, maar de sloten bij het dorp zaten vol modderige voorntjes, en omdat die beesten geen donder zagen was het als jagen in een regenplas.

Ik bleef, sliep en ontwaakte, volgde het draaien van de zon en de sloten voedden me door een winter, een lente, een zomer heen. De herfst kwam weer en ik bleef. Wat ze jaren noemen verstreek.

Een weg van staal en kiezels werd aangelegd en sneed de landerijen ten zuiden van het dorp af; in het oosten naderde de stad. Vanaf mijn tak, die als een spriet begon maar dikker werd en steeds hoger kwam te liggen, keek ik naar de bouw van een terrein van vuur en rook.

Het water in de sloten werd bitter en er zat veel minder vis; bij oostenwind stikte je zowat in de lucht van het terrein, maar mijn tak ging verder de hoogte in en ik sliep en waakte, viste, bleef. De soortgenoten die mijn boom aandeden leken niet gevoelig voor het dorp, en ik merkte dat ik hen steeds minder goed verstond.

Wat ik te vertellen had ging over het dorp en de mensen die er woonden, maar mensen leken hen niet te interesseren. Ze vingen moddervisjes uit mijn sloot, pikten er wat lusteloos aan en vlogen weer op.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Een bijzonder weerbarstige bovenlip

25 november 2019 (9:07) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

14 Charlotte BronteDe dagen worden korter en donkerder. Tijd voor een nieuwe verfilming van Jane Eyre, wat mij betreft. De roman die Charlotte Brontë (onder het pseudoniem Currer Bell) in 1847 schreef wordt zeker elke 10 jaar opnieuw bewerkt voor film of televisie. In Nederland heb ik nog geen adaptatie voor theater gezien, daar moest ik maar eens werk van maken. Maar film verzamelt makkelijker, dus niet getreurd. En bij alle verzamelingen geldt: hoe meer, hoe leuker.

De hoofdvraag is uiteraard hoe Jane gespeeld wordt. Is zij speelbal van het lot, zoals Zelah Clarke in de BBC-miniserie in de regie van Julian Amyes uit 1983? Of wordt ze neergezet als een pittige vrouw die ondanks haar slechte perspectieven weet wat ze waard is, zoals in mijn voorlopige favoriet uit 2006 (ook van de BBC). In deze versie, geschreven door Sandy Welch en geregisseerd door Susannah White, speelt Ruth Wilson een bijzonder weerbarstige, bijna boze Jane. Die bovenlip! Alleen al voor de mond van Wilson is deze versie het bekijken waard.

Maar mijn ware guilty pleasure ligt in analyse van de structuur. Hoe zijn de scènes gerangschikt, waar ligt de nadruk? Brontë laat Jane als ik-figuur regelmatig van invoelend naar vertellend schakelen. Hoe zijn die beschrijvende delen in beeld gebracht? Hoe is omgegaan met Janes jeugdherinneringen aan het pleeggezin van tante Reed en de kostschool Lowood?

Tweede op mijn lijst favorieten staat de versie van Robert Stevenson uit 1944. De bewerking van Aldous Huxley maakt ruim baan voor die  jeugdherinneringen. Hier zijn de scènes in de wrede kostschool tussen de kleine Jane (Peggy Ann Garner) en Helen (een piepjonge Elizabeth Taylor) sleutelmomenten. De meeste adaptaties raffelen de jeugdherinneringen af. Of laten ze zelfs helemaal weg. Het is inderdaad weerbarstig materiaal, want het haalt de vaart uit het liefdesverhaal. Toch zijn het juist de jeugdherinneringen die het personage van Jane diepgang geven.

Dat brengt me op House of Cards. Heeft even niks met literatuur of jeugdherinneringen te maken, maar des te meer met adaptatie en structuur van fictie. De Amerikaanse Netflixserie startte in 2013 en is een remake van de BCC-serie uit 1990 (ook op Netflix te zien). Bekijk eens de eerste twee afleveringen van de originele Britse versie en daarna de eerste minuut van de Amerikaanse remake.

In het Britse origineel speelt Ian Richardson een bijna toneelmatige en indrukwekkend subtiele politicus. En ook Diane Fletcher als zijn echtgenote heeft een bijzonder weerbarstige bovenlip. Pas halverwege de serie realiseerde ik me dat ik zat te kijken naar een hedendaagse versie van het machtsbeluste, verdorven echtpaar Macbeth. De remake heeft daar slechts 1 scène voor nodig. De Amerikanen verwerpen doelbewust een gouden toneelregel: ‘no play without delay’.

Moraal van het verhaal: elke tijd verdient z’n  eigen adaptatie. En het huiswerk voor de komende donkere dagen is niet de volgende ‘original’ binge-watchen maar nieuwe versies van oude, overbekende verhalen herkauwen. Leve de weerbarstigheid!

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Reageer >
 

Een wereld aan verhalen

20 november 2019 (8:54) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3255Het duurde even voordat ik doorkreeg dat je nooit moet zeggen dat schrijven je makkelijk af gaat. Weinig lijkt in de literaire wereld meer irritatie te wekken.

Tien jaar geleden zei ik aan de lopende band van dat soort dingen. Niet om op te scheppen over mijn vruchtbaarheid, maar omdat het echt zo voelde. Er is tijd nodig om door te krijgen wat dit werk precies van je vraagt.

Het schrijft zichzelf.

Ik hoef alleen maar op te schrijven wat mijn personages denken en doen. 

Ik heb meer verhalen in me dan ik schrijven kan.

Ik was een kleuter met een kartonnen zwaard die zich opwindt over de minimumleeftijd voor soldaten. Toch kan ik het de beginner niet kwalijk nemen dat hij dit soort dingen zegt. Laat er alsjeblieft een periode in je carrière zijn dat je het zo ervaart. De keerzijde komt toch wel.

De romantiek van het schrijverschap bestaat alleen aan de buitenkant. Vroeger leefden we in harde armoede, tegenwoordig hebben we er drie banen bij om niet in armoede te hoeven leven. Geen erkenning zal ooit genoeg zijn.

We doen het omdat we ons slecht voelen als we het niet doen. Omdat we ons geweldig voelen als het lukt en een verhaal – voor heel even – zichzelf lijkt te schrijven. Of juist helemaal niet, maar na dagen schaven in de buurt komt van wat we voor ogen hadden.

Na verloop van tijd kunnen we niets anders meer. Schrijven maakt je ongeschikt voor werken in teamverband, onder een baas en onder tijdsdruk. Uiteindelijk maakt het je – dat geloof ik echt – ongeschikt voor alles behalve het eigen werk.

Slim is anders. Gezond is ook anders.

Er kleeft noodlottigheid aan het schrijven, en dat is onmiskenbaar romantisch.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Niemand wist wat het was

18 november 2019 (8:10) | Berthe Spoelstra | Geen reacties

All-focusNiemand wist wat het was, emergence. Dat was niet erg, want we waren bijeengekomen om het te bespreken. Afgelopen week was ik te gast bij het Institute for Advanced Study (UvA) omdat ik geïnteresseerd  ben in zwermgedrag van vogels.

Samen met zeven fellows van IAS zat ik in een kring. Alle andere medewerkers waren al naar huis en de bewaker kwam vragen of er nog studenten aanwezig waren. Er viel een stilte. Hij herhaalde: ‘Ik zie popcorn. Zijn er ook studenten?’

We hadden via YouTube gekeken naar een college van Francis Heylighen (tijdens het 7e Elsi symposium over comparative emergence, januari 2019). Heylighen is cyberneticus en zijn onderzoek richt zich op complexe, zelforganiserende systemen. In het college zet hij uiteen dat emergentie weliswaar complex is, maar met de juiste woorden en redenaties toch eenvoudig begrepen kan worden. Dat viel tegen.

De gedachte dat emergentie een holistische term is ging nog wel. Het geheel is meer dan de som der delen, of zoals Heylighen zegt: het systeem heeft eigenschappen die niet zijn terug te voeren op de afzonderlijke onderdelen. Emergentie is dus ‘meer’. Zo bekeken is taal een sequentie van vele opeenvolgende emergentietjes, die met elkaar interacteren en samen een steeds complexer systeem vormen.

Toen het filmpje was afgelopen zei de filosoof dat het problematisch is dat emergentie ontstaat in een black box, onttrokken aan ieders waarneming. Wat je niet kunt waarnemen, kun je niet bestuderen, beaamde de natuurkundige. Erger nog, zei de filosoof: dat bestaat misschien gewoon helemaal niet.

De bioloog ruilde de bak zoete popcorn met de viroloog tegen de zoute. Ik probeerde de discussie bij te benen. Dus ‘het geheel’ is een netwerk aan elkaar gekoppelde systemen, waarbij er cumulatief maar onzichtbaar een meerwaarde ontstaat. Emergente kwaliteit vloeit spontaan voort uit het aaneenschakelen van elementen, tot er complexe systemen ontstaan die niet vooraf uitgedacht zijn noch centraal geregisseerd. Het is spontaan, maar niet vrij. En daar begreep ik het niet meer.

De stedenbouwkundige las mijn gedachten en zei dat ze de uitleg van Heylighen erg lineair vond. Ze zei: dus emergentie is het gevolg van een vaststaand, stabiel en serieel patroon van actie en reactie to the max? Ik verslikte me in de popcorn. Hoezo vaststaand? Wat doet ‘het systeem’ dan met de afwijking? En met de dissident? Kan emergentie subjectief zijn? Als betekenis emergent is, is schoonheid dat dan ook?

En toen kwam die bewaker.

Hij keek de kring rond en zei opgewekt: ‘Ik stel een tamelijk simpele vraag, hoor. Is een van jullie student?’ Wij keken elkaar vertwijfeld aan. Kennelijk voelden wij ons student. Waarom was dat van belang? Buiten was het inmiddels donker geworden, een tram kwam rinkelend tot stilstand voor een fietstoerist die in de rails was geraakt. Kennelijk was het allemaal niet zo eenvoudig. Geamuseerd keek de bewaker ons om beurten aan, wij schudden het hoofd. Nee, we waren geen studenten en de popcorn was op. Soms is het ook buiten de black box al moeilijk genoeg.

 

Berthe Spoelstra (1969) is dramaturg van Frascati Theater. Recent kwam haar debuutroman Schemerland uit (Van Oorschot 2019). Voor Tirade schrijft ze over theater en literatuur.

foto: Bas de Brouwer

 

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
 
Nr.474/475 Nr.476
 
 
voorpagina