Living somehow outside and above it all

28 July 2014 (9:59) | Martijn Knol | Geen reacties

1)  Elektriciteit

kbtrktII‘Ja, mag ik?’

‘Liever niet… je bent een weekje te vroeg, Poes.’

‘Hè, katverdamme, heb ik toch weer verkeerd op de kalender gekeken. Nou, tot volgende week dan maar.’

‘Tot volgende week, Poes.’

 

2)  Thuis

Tot mijn vrolijke verrassing attendeerden een paar lezers me erop dat ik de stukjes van veertien dagen geleden, Afscheid, over Maryam en Özgür, en van vorige week, Achmed, over Maryam en Achmed, in 2011 al publiceerde op mijn blog (juni en oktober 2011). Oké, dat is waar. Maar de tekstjes bevallen me nog steeds en het leek me leuk om ze ook met de lezers van Tirade te delen. Bovendien is Achmed, geloof ik, één van de vele ‘voorstudies’ voor het verhaal Thuis dat in Tirade 445 verscheen. Vergelijk de jas van de zus van Maryam bijvoorbeeld met de wanten van de moeder van Nathalie. Tegenwoordig draagt mijn buurmeisje Maryam (haar echte naam) trouwens een hoofddoek, haar vriendin Özgür (niet haar echte naam) draagt haar haar los. Voor buitenspelen hebben ze geen tijd meer.

3)  Liefdesbrief – een microsprookje

Eugenia was verliefd op Álvaro. En Álvaro was verliefd op Eugenia. Maar hij was ook verliefd op Lisa, zijn vrouw. En hij hield van haar. Lisa raakte in verwachting – en kreeg een miskraam. Zodra Eugenia dat hoorde, ging ze naar de stad om babykleertjes en een grote envelop te kopen en reed met haar auto naar een honderdvijftig kilometer verderop gelegen dorp om daar haar cadeau voor de vrouw van Álvaro te posten. Toen Álvaro de volgende dag, iets na het middaguur, naar huis ging om wat te eten en te kijken hoe het met zijn vrouw was, zat die, samen met een vriendin, juist aan de keukentafel de post door te nemen. Rekeningen, folders, een kaart en de grote, bolstaande envelop met geprinte adressticker. Er stond geen afzender op. Verbaasd trok Lisa een rompertje uit de envelop. Álvaro nam het van haar aan, bekeek voor- en achterkant en bracht het kleine kledingstuk voorzichtig naar zijn gezicht. Hij snoof en herkende de amandelgeur die in het weefsel hing – de handcrème van Eugenia.

4)  An insect on a dead thing – zelfportret als toerist

Ieder jaar beland ik wel een paar keer in het buitenland, net als jij waarschijnlijk. Soms om iets te bekijken of om iets op te zoeken. Maar meestal alleen om ergens een beetje rond te hangen. De gemengde emoties die het recreatief reizen met zich meebrengt zijn prachtig verwoord door David Foster Wallace, in Consider the Lobster (2005;p.240). Misschien leuk om zijn bespiegeling even over te tikken, zo in de vakantieperiode… momentje… zo… Voor ‘intranational’ en ‘American’ gewoon ‘internationaal’ en ‘Europees’ lezen. Noot 6. In medias res:

My personal experience has not been that traveling around the country is broadening or relaxing, or that radical changes in place and context have a salutary effect, but rather that intranational tourism is radically constricting, and humbling in the hardest way – hostile to my fantasy of being a true individual, of living somehow outside and above it all (…) To be a mass tourist, for me, is to become a pure late-date American: alien, ignorant, greedy for something you cannot ever have, disappointed in a way you can never admit. It is to spoil, by way of sheer ontology, the very unspoiledness you are there to experience. It is to impose yourself on places that in all non-economic ways would be better, realer, without you. It is, in lines and gridlock and transaction after transaction, to confront a dimension of yourself that is as inescapable as it is painful: as a tourist you become economically significant but existentially loathsome, an insect on a dead thing.’

Gegronde zelfhaat.

5)    Het geweldige van zoetheid – een droom

Er wordt weer gediscussieerd over ethiek en literatuur. Lijkt mij wel zinnig. Het thema dringt zelfs door tot mijn dromen: Manon Uphoff en ik drinken koffie in het Louis Hartlooper Complex (Utrecht). Het kwaad moet bestreden worden, zeker, maar wij hebben besloten het goede een handje te helpen. We gaan een literair kookboek maken met taartrecepten – werktitel: De zoetheid van geweld Het geweldige van zoetheid – waarin we onder het motto ‘wie zoet doet, zoet ontmoet’ niet alleen de allerbeste taartrecepten verzamelen, maar ook herinneringen ophalen aan de mooiste, beslissende ‘taartmomenten’ in ons leven en in de NED-LIT. Voor het voorwoord vragen we Anton Dautzenberg. Of Abel. Manon verdeelt de taken: ik moet de hele dag bij haar in de keuken staan (schort om, m’n haar in een dikke staart) om recepten te proberen en taarten te fotograferen en Manon doet dan de research en schrijft teksten waarin ze de recepten in cultuurfilosofische/ethische/literaire context plaatst. Voor het proeven van de taarten nodigen we vrienden en collega’s uit. Voordat de droom me kan vertellen of de wereld aantoonbaar beter wordt van ons humanistische taartenboek word ik wakker van de regen.

Nou, dat was ’t. Tapas op de maandag. Viel best mee hè? Om met Kakhiel te spreken:

Doei.

Tirade – verscheidenheid in verscheidenheid.

Soundtrack: Vulcano – een beetje vanne dit, een beetje vanne dat/een beetje vanne zus, een beetje zo/een beetje vanne hier, een beetje vanne daar/dan is het wel weer piekfijn voor elkaar.

Volgende week: ‘Hé Poes… waar was je nou? Je bent een week te laat!’ + Rainer Werner Fassbinders Nabokovverfilming is weer in roulatie. En meer.

Foto bovenaan: Utrecht, zomer 2011.

Reageer >
 

De Kakapo en het engagement

27 July 2014 (9:41) | Shira Keller | Geen reacties

kakapoEngagement. Het woord duidt, volgens het Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek (hou je vast) ‘op de zelfopgelegde verplichting van de kunstenaar zich met zijn werk in dienst te stellen van een politiek, sociaal, religieus of moreel ideaal en zo mee te werken aan de verandering van de samenleving om dat ideaal te verwezenlijken.’ Vorige week riep schrijver Abdelkader Benali zijn collega’s ertoe op. Nederlandse auteurs zouden zich ‘en masse uit wat voor engagement ook teruggetrokken’ hebben.  

Benali doelt in zijn oproep heel expliciet op politieke stellingname; hij vraagt zijn vakbroeders ‘daadwerkelijk positie te kiezen’. Zelf geeft hij uiteraard het goede voorbeeld: opgetogen bedrijft hij al ‘twietend’ z’n engagement door de Israëliërs te omschrijven als ‘triggerhappy jeugd die zich een vrolijke weg knalt door families met achterlating dood en verderf’, en daarnaast facebookt hij af en toe gniffelend ergens een bom op te willen gooien. Of dit geëngageer werkelijk te maken heeft met nobele idealen of toch vooral, een tikje minder nobel, ten doel heeft zichzelf in de kijker te spelen, laat ik even in het midden. Ook ga ik even niet in op het minimale verschil tussen de twiet van een opgewonden Benali en die van mijn buurvrouw. 

Iets anders. Afgelopen week bekeek ik een anderhalf uur durende Ted Talk van schrijver Douglas Adams (vooral bekend van The hitchhiker’s Guide to the Galaxy), naar aanleiding van zijn boek Last Chance to See. Boek en Talk gaan over zijn trip rond de wereld om een glimp van een serie bijna-uitgestorven dieren op te vangen. Zo vertelt hij over zijn eerste oogcontact met het vingerdier (Aye-Aye lemur). Het vingerdier is een uiterst schattig beestje dat ooit ‘s werelds Dominante Opperdier was, maar geleidelijk aan door een andere diersoort werd verdrongen, een ‘veel intelligenter, competitiever, agressiever [dier], intens geïnteresseerd in alle dingen die je kunt doen met twijgjes.’ (Juist: de aap.) Het vingerdier stierf overal uit, behalve op Madagascar, want dat was een tijdje voor de verwekking van de eerste aap een eiland geworden, dus daar kon Aapmans niet komen. Tot 1500 jaar geleden dan, want door ‘opzienbarende ontwikkelingen in de twijgtechnologie’ bouwde de aap een boot. Met als gevolg, uiteraard, het vrijwel volledig uitsterven van het vingerdier. 

Adams neemt ons mee naar het eiland Komodo, waar de overal elders uitgestorven Komodovaraan regeert, naar de Galapagoseilanden met hun blauwvoetige Jan van Gent, naar China waar de Yangtze rivierdolfijn door geluidsvervuiling het leven zuur wordt gemaakt (intussen is de soort uitgestorven, SK), en naar Nieuw-Zeeland, waar hij ons kennis laat maken met een groene veerbaal, een soort kruising tussen een parkiet en een kip: de Kakapo. 

In Nieuw-Zeeland, zo vertelt Adams, leefden oorspronkelijk geen dieren. De enigen die het eiland alsnog konden bereiken, waren de gevleugelden – bijvoorbeeld vogels, bijvoorbeeld de Kakapo. Nu beviel het de Kakapo zo goed daar, dat hij het vliegen verleerde. Dat was toch al nergens goed voor, er waren immers geen natuurlijke vijanden te bekennen, dus gemoedelijk hupten de Kakapo’s vleugellam door het zorgeloze leven. Tot – het laat zich raden – de twijgspecialisten met hun bootjes op het eiland stuitten. Ras nam de Kakapopopulatie af (van honderdduizenden naar een stuk of veertig), wat niet bepaald werd gecompenseerd door hun merkwaardige voortplantingstraditie (heb je even tijd, bekijk dan in ieder geval Adams’ hilarische beschrijving van dat voortplantingsritueel), die er bij gebrek aan natuurlijke vijanden op berekend was vooral niet al te doeltreffend te zijn. Zich snel voort te planten ‘would be an inkakapo thing to do’. 

Dan, tot slot van zijn vermakelijke bijna-uitgestorven-dieren-speech, maakt Adams de brug naar ons mensen, twijgexperts, ooit op evolutionaire basis begonnen dingen te ‘maken’, tools, hulpmiddelen, maar daar, toen de existentiële nood tot nog geavanceerdere twijgconstructies afnam, niet mee zijn opgehouden, sterker nog: onze productie groeit en groeit. Zoals de Kakapo niet opgehouden is zich op miraculeus inefficiënte wijze voort te planten, ook niet toen de omstandigheden duidelijk om een ingreep vroegen, zo bleef de Mens bouwen, een wereld propvol superdeluxe tools stond hem voor ogen. En zo ontstonden daar: eierprikkers, parkeerautomaten, 3-in-1 wastabletten, magnetische boekenleggers, rugmassagestokken, iPads, ov-chipkaarten, snorfietsen, wimperkrullers (, passagiersvliegtuigen, luchtdoelraketten). 

Of we er de wereld mee kapotmaken? Welnee!, stelt Adams gerust, ‘met de wereld gaat het prima. De wereld heeft vijf periodes van massa-extinctie meegemaakt. We hoeven de wereld niet te redden, die is groot genoeg om op zichzelf te passen.’ Adams maakt een pauze. ‘Maar wat we ons wel af zouden kunnen vragen, is of de aarde in staat zal zijn onze aanwezigheid nog veel langer te verdragen.’ In de Tedzaal kun je een twijgje horen vallen. 

(Associatie met de Thule-trilogie van Thea Beckman, gelezen toen ik een jaar of twaalf was. Volkomen off topic, maar wat geeft dat. Beckman schetst de wereld na de Derde Wereldoorlog, die startte met een conflict tussen een paar naties en escaleerde toen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie elkaar vrijwel tegelijkertijd met nucleaire wapens begonnen te bestoken, wat een natuurramp tot gevolg had en de uitroeiing van vrijwel de gehele wereldbevolking. Het verhaal speelt zich af op Groenland, waar na de Grote Ramp het ijs is gesmolten. Om oorlogen in de toekomst te voorkomen, wordt het land – Beckman was een hardnekkig feministe – geregeerd door vrouwen; zonder legers, zonder wapens.) 

Dan nu, tot slot van mijn laatste Tiradeblog, richt ik het woord tot meneer Benali: ik ben het niet met u eens, gewoon pertinent niet. Het is niet zonder meer de taak van de schrijver om partij te kiezen, zijn ongenoegen in provocerende, ongenuanceerde, onbeargumenteerde twiets het net op te slingeren en daarmee olie op het toch al zo woekerende vuur te gooien. Het is niet mijn ambitie me als een kip zonder kop in de politieke ren te begeven (al was het maar omdat ik van politiek geen fluit verstand heb), niet om een scheidslijn te trekken tussen de Zielige Slachtoffers en de Psychopaten, de Good Guys en de Bad Boys. Wat ik dan wel nastreef? Vergeef me als het zoetsappig klinkt, wellicht is het naïef, maar ik hoop het oprecht. Ik hoop oprecht dat ik er als schrijver in zal slagen, al was het maar bij een kleine groep lezers, het besef te wekken dat we allemaal diezelfde aap zijn. Rus, Palestijn, Amerikaan, Israëliër, Amsterdammer, schrijver, soldaat, kind, schoolmeisje, leraar of president. Allemaal schipbreukelingen op hetzelfde rotte bootje. Genoeg engagement? 

Als u vindt van niet zie ik uw bom wel weer tegemoet. 

 

 

(Overigens ben ik van mening dat eenieder De Zondvloed van Jeroen Brouwers dient te lezen.)

______________________________________________________________________ 


 search
Dit was Shira Kellers laatste zondagblog. Tirade dankt haar voor de geweldige bijdragen. 

 

 

 

 

Reageer >
 

Marit Witteveen

24 July 2014 (10:17) | Gilles van der Loo | 1 reactie

1175657_1375657732664596_235909324_nElke vrijdag van de afgelopen zeven jaar probeerde ik minstens een paar minuten met Marit te trainen.

Marit was drie koppen kleiner dan ik. Ze woog ongeveer de helft. Haar aikido was goed en werd steeds beter. Ze praatte weinig, maar toonde inzet, intelligentie, geduld, zachtheid en humor. Ik vroeg me vaak af wie ze was als ze niet op de mat stond. 

Er is iets vreemd innigs aan aikido. Het gaat om het aanvoelen van de ander, om ruimte voor de ander maken en die dan weer innemen. Je geeft elkaar de gelegenheid om te slagen of falen en daarvan te leren. Het gaat over het harmoniseren van intentie en opheffen van conflict; inzien dat je tegenstander geen tegenstander hoeft te zijn. Hij is net als jij, maar wil alleen iets anders. Ik hoor vaak dat men onze stijl op dans vindt lijken, en daar ben ik het wel mee eens. 

De machinale hardheid waarmee iemand van de tegenwoordige naar de verleden tijd gedwongen kan worden is misschien wel het meest ondraaglijke aspect van het leven. Ik kende Marit niet buiten de mat, maar niets kan meer haaks op haar persoon gestaan hebben. 

Omdat ze zo klein van stuk was en zo serieus kon kijken, kreeg ik vaak de neiging haar te knuffelen. Ik ben heel blij dat ik dat de laatste keer ook echt gedaan heb. 

 

 

Marit Witteveen overleed afgelopen donderdag, samen met haar ouders. Haar broer Freek was dit jaar voor het eerst niet mee op vakantie. 

1 reactie >
 

Correcties

23 July 2014 (6:28) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

Vorige week lag voor de zoveelste keer een dikke envelop van mijn uitgever op mijn deurmat. Toch weer mijn hele manuscript, vermoedde ik toen ik hem opraapte. En inderdaad, uit de envelop kwam mijn manuscript, met daarin duizelingwekkend veel gestreep met potlood en rode pen. De definitieve versie had ik een tijdje terug ingeleverd. Althans, dat dacht ik. Het moest alleen nog langs de persklaarmaker.

‘Natuurlijk zullen we je alle veranderingen voorleggen’, zei mijn redacteur. Ik was in de naïeve veronderstelling dat dat een kort lijstje zou worden. Maar op de meeste van de 180 bladzijden staan tussen de 25 en 50 correcties. De afgelopen zomerse dagen lagen mijn vrienden dus op het strand terwijl ik aan mijn manuscript zwoegde.

Een groot probleem in mijn manuscript is spreektaal. Mijn personages hebben weinig tot geen verheven gedachten. Het zijn geen gepijnigde kunstenaars of vastgelopen schrijvers. Het zijn ambtenaars, boze pubers en roddelige buren. Ze zitten vol woede en vooroordelen en denken aan weinig anders dan zichzelf. Ergens vind ik het niet passend om hen al te mooie volzinnen te laten uitspreken. Maar ik heb al eerder gemerkt dat ik daarmee op weerstand stuit. Een politieagent zei in eerdere versies: de een heb zijn koffie nu eenmaal sterker dan de ander. Die zin heb ik al lang geleden geofferd, nadat iedereen die hem ooit onder ogen kreeg ervan gruwelde. Een passant in het verhaal gebruikt het woord kankermongooltje. Dat is al door mijn eigen redacteur en nu ook door de persklaarmaker verbeterd in kankermongool. En ik kijk ernaar en ik kijk er nog een keer naar, maar zie niet waarom dat beter is. Mijn Marokkaanse probleemjongere zegt kankerhomootje, kankermongooltje. Waarom dat geen mooi Nederlands is, is me een raadsel.

De anonieme corrector is de afgelopen dagen in mijn hoofd een transformatie ondergaan. In de tropische hitte verwerd ze eerst tot een gebochelde schooljuffrouw die me op de vingers sloeg met een liniaal. Maar voortploeterend door de eindeloze stroom correcties (de daling van de temperatuur hielp ook), heb ik haar een beetje leren kennen. En, zo leerde John Steinbeck mij ooit, waar mensen elkaar beter leren kennen, kan vijandigheid niet anders dan verdwijnen. Mijn corrector moet een vrouw zijn, meen ik uit sommige opmerkingen op te maken. Ze is een paar jaar ouder dan ik, want stelt voor het woord diens te gebruiken. Ze rookt, schrijft ze. Ze heeft een koelkast en geen ijskast. Ze vindt pik een mooier woord dan lul. Ze vindt mijn grapjes niet leuk, want ze schrijft in de kantlijn dat iemand keihard bevruchten een “beetje een onhandige woordcombinatie” is.

En (begin je zin nooit met en) wat moet er nog veel gebeuren aan mijn manuscript. Er zitten spelfouten in, zoveel meer dan ik dacht. En erger: ik blijk een aantal constructies consequent verkeerd te gebruiken. Het meisje waar iedereen van houdt, moet zijn: het meisje van wie iedereen houdt. ‘Hoi’, zegt hij en steekt zijn hand uit, moet zijn: ‘Hoi’, zegt hij en hij steekt zijn hand uit. Anders is het ongrammaticaal, schrijft de corrector streng in de kantlijn. Bah ongrammaticaal, dat moeten we niet hebben. Toch twijfel ik als ik door het manuscript loop. Is het echt fout?

Natuurlijk zou het jammer zijn om mijn lezer af te stoten met lelijk taalgebruik. Want taalfouten kunnen hard aankomen, weet ik. Taal zit diep geworteld in onze identiteit. Wie lichtvaardig daarmee omspringt, schopt tegen onze ziel. Ding dong ding! Alle reizigers worden verzocht uit te stappen in Leiden. Van zulke omroepberichten krimpen bepaalde treinreizigers in elkaar van ellende. Wordt verzocht, wordt verzocht!, willen die schreeuwen. Anderen vinden het een prima zin. Zo verloedert onze taal. Althans, volgens een (lezende?) elite die bepaalt wat de standaard is.

Zelf vind ik taalverandering mooi. Verandering geeft onze taal die complexe diepgang die het (hem, haar) zo veelzijdig maakt. Taal is geordende chaos, even onvoorspelbaar als grillig, zo ontstaan uit een vergeten verleden. Ooit was de verleden tijd van lachen loech. Er moet dus een tijd geweest zijn dat lachte de nekharen van schooljuffen overeind bracht. Tegenwoordig is ook het voltooid deelwoord gelachen op de schop. Glimgelachen, nee: geglimlacht (gezweefvliegd? Gestofzuigd?). Nog een paar generaties afwachten en we zeggen gelacht (gevliegd, gezuigd). Zo werd schoen ooit van meervoud-van-schoe, tot enkelvoud-van-schoenen. Want nieuwe generaties zijn de taalkundige avant-garde. Ze interpreteren anders, (ze) voeren nieuwe woorden in, (ze) lappen regels aan hun laars. Het lijkt me geen toeval dat de Jeugd van Tegenwoordig een stel taalkundige grootmeesters is. Althans, dat vind ik.

Baby now waarom waarom waarom ben jij zo stil?
Ben ik vergeten boodschappen te halen?
Of de rekenings betalen?

(uit: Het Mysterie van de Koude Schouder, De Jeugd van Tegenwoordig).

Reageer >
 

Carolina Trujillo zondagse gastblogger Tirade augustus 2014

23 July 2014 (6:02) | Martijn Knol | Geen reacties

Carolina Trujillo 1970Ze zit nu nog lekker te chillen in haar hangmat. Maar volgende maand gaat Carolina Trujillo je vanaf deze plek iedere zondag een draai – of een aai – om je oren geven.

Nieuwsfeit: Carolina Trujillo is in augustus onze zondagse gastblogster.  Waarschijnlijk gaat Carolina niet alleen voor ons schrijven, maar ook tekenen.

Aanstaande zondag, 27 juli, mogen we nog een post brengen van onze juli-blogster, Shira Keller, en op zondag 3 augustus plaatsen we de eerste gastbijdrage van Carolina.

Carolina Trujillo

Romancière, scenariste en guerilladochter Carolina Trujillo (1970) publiceerde tot nog toe vier romans. Één in het Spaans – De exilios, maremotos y lechuzas (1991) – en drie in het Nederlands: De bastaard van Mal Abrigo (2002),  De terugkeer van Lupe Garcia (2009) en, dit voorjaar, De zangbreker (2014). Carolina Trujillo is afgestudeerd aan de Amsterdamse Filmacademie.

Voor haar Spaanstalige debuut, De exilios, ontving Trujillo de Argentijnse Colihue Romanprijs. Haar Nederlandse debuut, De bastaard van Mal Abrigo, werd bekroond met de Marten Toonder/Geertjan Lubberhuizenprijs 2002. En haar roman De terugkeer van Lupe García werd genomineerd voor de Literatuurprijs van een Grote Boekhandelketen en won de BNG Nieuwe Literatuur Prijs 2010.

Meer informatie over Carolina Trujillo’s jongste roman, De zangbreker, vind je hier

Achtergrondinterviews met de auteur lees je bij Vrij Nederland en beluister je via de website van de VPRO.

Tirade – relaxed.

Reageer >
 

Serendipiteit

22 July 2014 (6:28) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘…en die kaas werd per ongeluk ontdekt door een of andere graaf – gebeurt vrij vaak, dat er zomaar iets ontdekt wordt.’

‘Daar is zelfs een woord voor.’

‘O ja?’

‘Serendipiteit. Het doen van een onvermoede ontdekking. Er is ook een film die zo heet, Serendipity, maar dat is een romcom…’

‘Waar komt dat woord vandaan?’

‘Geen idee, maar het klinkt niet echt Grieksig.’

Het woord serendipiteit zelf berust op een toevalligheid. Een andere graaf, Horace Walpole, muntte de term in een van zijn brieven aan zijn goede vriend Horace Mann in 1754. Als twee toevalligheden elkaar toen niet hadden gekruist, was Walpole er niet op gekomen dit woord te noteren. De graaf had om te beginnen van Mann een portret cadeau gekregen van Bianca Cappello, die in de zestiende eeuw trouwde met Francisco I de’ Medici en zo de groothertogin van Toscane werd. Het schilderij liet hij voorzien van een lijst met aan de ene kant het familiewapen van de Cappello’s en aan de andere kant dat van de Medici. Toen ontdekte hij dat er nog een ander wapen van de Cappello’s in omloop was: ‘in an old book of Venetian arms, there are two coats of Capello, who from their name bear a hat; on one of them is added a fleur-de-lis on a blue ball, which I am persuaded was given to the family by the Great Duke, in consideration of this alliance; the Medicis, you know, bore such a badge at the top of their own arms.’

Op zichzelf was dat geen belangwekkende ontdekking, want verschillende familiewapens versmolten nu eenmaal soms wanneer er huwelijken werden gesloten. Walpole hechtte echter bijzondere waarde aan het feit dat hij plotseling op dat wapen was gestuit, omdat hem dat wel vaker overkwam, en hij nu dan een benaming voor dat fenomeen had gevonden. Een beetje rommelig legde hij uit: ‘This discovery I made by a talisman, which Mr. Chute calls the Sortes Walpolianae (walpoliaanse toevalligheden, MW), by which I find every thing I want, ‘à point nommé’, whenever I dip for it. This discovery, indeed, is almost of that kind which I call Serendipity, a very expressive word, which, as I have nothing better to tell you, I shall endeavour to explain to you: you will understand it better by the derivation than by the definition.’

De tweede toevalligheid was dat Walpole net een sprookje had gelezen, getiteld ‘De drie prinsessen van Serendip’, dat heette een vertaling van een oud Perzisch verhaal te zijn. Serendip was de Perzische en Arabische benaming voor Sri Lanka. De prinsessen doen tijdens hun reizen voortdurend ontdekkingen die ze niet hadden voorzien, per toeval, maar vooral door hun gezond verstand te gebruiken. Het voorbeeld dat Walpole in zijn brief gaf is een ontdekking die berust op het juist afleiden van informatie (die hij overigens foutief overnam). Ter illustratie van de onverwachte ontdekking – penicilline, champagne, teflon – deugt de passage uit het sprookje eigenlijk niet: ‘one of them discovered that a mule blind of the right eye had travelled the same road lately, because the grass was eaten only on the left side, where it was worse than on the right – now do you understand Serendipity?’

Reageer >
 

Achmed

21 July 2014 (8:46) | Martijn Knol | Geen reacties

Maryam zit op de bagagedrager van een kinderfiets. Ondanks de warmte draagt ze de donkerblauwe jas van haar grote zus. In haar armen een spinnende lapjeskat.

‘Deze is van mij,’ zegt ze als ik langs de fietsenrekken loop. Met één hand aait ze de kat over de kop.

‘Wauw,’ zeg ik. ‘Wat een mooi dier.’

Maryam knikt.

‘Als katten blij zijn, dan spinnen ze,’ zegt ze.

‘Dan is deze kat vast heel blij.’

We luisteren een tijdje naar het snorren. Maryam kijkt me trots aan. Ik ben natuurlijk niet zo flauw om te zeggen dat ik nog nooit een lapjeskat heb gezien die zo ontzettend op de lapjeskat van buurvrouw Ellen lijkt als de lapjeskat van Maryam.

‘Hoe heet ie eigenlijk?’

‘Wie?’

‘Je kat.’

‘…’

‘Heb je ‘m al een naam gegeven?’

‘Ja.’

‘Hoe heet ie dan?’

‘Achmed.’

Einde.

Tiradehoe korter, hoe beter.

Soundtrack (uit de openstaande ramen van Maryams oudste zus Hannou): Myriam Fares – Ghmorni

Volgende week: ‘Toeristen zijn schooiers.’ – een citaat. Plus: microfictie. En meer.

 

Reageer >
 

‘Is ‘t eigenlijk autobiografisch?’

20 July 2014 (6:50) | Shira Keller | Geen reacties

Kees ‘t Hart snuffelt wat in zijn boekenkast, trekt er het Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders uit tevoorschijn en laat de bladzijdes onder zijn duim door schieten tot hij bij de ‘n’ is aangekomen – je weet nooit. Bladert wat terug naar waar het lemma zou – ‘wel pótverdriedubbeltjes!’ ‘t Hart huppelt met zijn psychische stoornissenhandboek een rondje door de kamer, werpt een verraste blik in de spiegel. ‘Nou moe, Kees, daar staat het!’ De verrukking neemt toe wanneer hij het lijstje criteria doorneemt. Opgetogen neemt hij plaats aan de werktafel, waar hij triomfantelijk de eerste twee zinnen van zijn artikel typt: ‘Romans zijn selfies. Romanschrijven komt voort uit narcisme.’

Ik ontmoette Kees ‘t Hart vlak voor een radio-uitzending waarin we allebei geïnterviewd zouden worden. Hij kwam op me over als een aimabele man; zachte, doorleefde ogen achter een speels, rond brilletje. Hij was zo vriendelijk me op kalme wijze aan de praat te houden om mijn zenuwen te temperen. Reden van mijn nervositeit: die ene vraag, die nooit niet gesteld wordt, waarop ik nog altijd geen eenduidig antwoord weet, ik ga ervan stotteren en stamelen, en op de radio is dat verdomd hinderlijk: ‘is dat boekje van u nu eigenlijk autobiografisch?’ Nee, is het antwoord, dit is niet mijn levensverhaal, maar ook ja: al mijn personages zijn afsplitsingen van mijzelf. Gê-nant! De calvinist in mij woelt en sputtert. Waarom zou men dat willen lezen? Getuigt het niet van ziekelijke ijdelheid zo’n zelfportret de wereld in te sturen, van verwerpelijk narcisme? Nu, laat Kees ‘t Hart daar toevallig afgelopen week een artikel over hebben geschreven. Gretig begin ik het te lezen, in de hoop bij een volgend interview net zo kalm en vredig op mijn beurt te zullen wachten als hij.

Na zijn baldadige openingszinnen vervolgt ‘t Hart zijn stuk met een joviale opsomming van auteurs die in hun werk ‘zelf prominent aanwezig [zijn]‘. Dat het hier autobiografieën betreft is heel vanzelfsprekend: ‘Grote man in Nederland op narcistisch gebied was uiteraard Simon Vestdijk.’ ‘De Tandeloze Tijd van A.F.Th. van der Heijden is uiteraard een nieuwe mijlpaal.’ Mochten de nog levenden onder de opgesomden zich tegen deze betiteling willen weren, kan ook dit ter bevestiging worden aangevoerd, want – ‘t Hart wijst tevreden op z’n Manual – ‘narcisten doen graag net of ze het niet zijn.’ Wie hij niet noemt in zijn opsomming is Kees ‘t Hart, schrijver van onder meer tien romans, waarvan hij er enkele volledig baseerde op episodes uit zijn eigen leven, waaronder De krokodil van Manhattan, waarin de held luistert naar de naam Kees ‘t Hart. Nee, ‘t Hart zit hier als essayist en zichzelf als schrijver opvoeren zou maar gaan rieken naar ijdeltuiterij.

Het komt weleens voor, zo piekert ‘t Hart, advocaat van de duivel, dat een hoofdpersonage wel erg weinig gelijkenis met de auteur vertoont… Bezorgd neemt hij de criteria in het handboek nog eens door – geldt de diagnose dan toch niet voor iedere penvoerder? Och, nee, uiteraard! In dat geval is er sprake van een ‘wraakneming: op je vader, je oom, of een vriendin.’ Waarbij ‘je dus toch weer de narcist uithangt.’ ‘t Hart is niet voor één gat te vangen.

Criterium drie in de psychische stoornissengids: de narcist ‘believes that he or she is “special”’. Hé, laat dat nu ook gelden voor de hoofdfiguren van die verwaande schrijvertjes! Meneer ‘t Hart wordt er een beetje moe van, hij hoeft maar een willekeurig werkje open te slaan of hij slaat al aan het zuchten en geeuwen: ‘Centrum van de plot is de een of andere held, die zich bijzonder voelt.’ We horen zijn verveeld geblaas nog net niet uit het blaadje opklinken. De essayist specificeert: ‘seksueel aantrekkelijk bijvoorbeeld, of juist helemaal niet.’ Nee, doet u ‘t Hart maar een personage dat hoogst normaal is en maak hem in godsnaam niet te aantrekkelijk, noch onaantrekkelijk. Pedanterige aanstelleritis, die ‘bijzondere’ personages.

Nog zo’n wijsheid uit ‘t afwijkingenboek: de narcist ‘beschikt over een gering scala van emoties’. Nog een hele prestatie dat de auteur er desalniettemin af en toe in slaagt iets los te maken bij zijn lezer. Mócht zo’n kouwe schrijfkikker dan toch eens blijk geven van enig temperament, dan is dat wanneer deze uit de slof schiet, ‘woedend op in [zijn] ogen slechte kritieken’, want als het narcistengebroed érgens allergisch voor is, dan is het kritiek. Zelf kan hij (de recensent) daarover meepraten, want hij heeft ‘nog nooit een brief of e-mail van een schrijver [ontvangen] waarin hij (de schrijver, SK) [hem] (de recensent, SK) gelijk gaf over een [negatieve, SK] recensie.’ Hier steekt de deugniet de hand groothartig in eigen schrijversboezem: ‘Zelf schreef ik zo’n brief trouwens ook nog niet.

De pikante conclusie van het stuk: alle schrijvers zijn narcisten, die hun beroep uitoefenen met geen ander doel dan zichzelf ‘in het centrum van de belangstelling’ te plaatsen. De schrijver: exhibitionist. De lezer: een voyeur, die zich ‘maar al te graag door de belevenissen van de Ander laat meeslepen’.

Gelaten leg ik het blad terzijde. Ik heb er geen moeite mee mezelf als narcist te bestempelen, maar het lukt me niet me te herkennen in de schrijver, noch in de lezer, die ‘t Hart portretteert. Wanneer ik een boek goed vind, gaat het niet over de Ander, zoals ‘t Hart veronderstelt, niet over de schrijver. Een goed boek gaat, altijd, (oh Vanitas!), over mij. Hoe preciezer en waarachtiger de auteur zijn personages vormgeeft – autobiografisch voor mijn part – hoe helderder de spiegel.

Elders in hetzelfde weekblad lees ik even later een interview van Anne Branbergen met Italiaans filmregisseur Ettore Scola (bekend van o.a. Una giornata particolare). Narcisme is het overkoepelend thema van de uitgave, dus ook Scola wordt met de materie geconfronteerd. ‘Nee,’ zegt deze resoluut, ‘de autobiografie als zodanig interesseert me niet.’ De interviewster doet een poging de man uit de tent te lokken, maar van defensiviteit is in zijn antwoorden geen sprake. ‘Het is in mijn beroep onmogelijk niet autobiografisch te zijn,’ legt hij uit, ‘maar wat mij betreft moet het wel een universele autobiografie zijn.’

Ettore Scola heeft één zin nodig om het stuk van ‘t Hart te ontzenuwen. Want dit is waar het om draait. Ik, narcist, wens niet te lezen over een ijdele schrijver, en nee, ik wens ook niet te schrijven over mijzelf. Maar door afsplitsingen van mijzelf te portretteren (of van mijn vader, of mijn oom, of een vriendin), en er is geen andere methode!, poog ik iets te fabriceren dat ‘echt’ is, zo waarachtig dat het de potentie heeft te raken aan het universele.

‘Ik wilde altijd,’ zegt Scola, en dankbaar prent ik de quote in mijn geheugen voor een volgend interview, ‘de autobiografie van de toeschouwer maken.’

Reageer >
 

uit het Tirade-vakantiedoeboek (bij extreme hitte)

18 July 2014 (20:26) | Lieke Marsman | Geen reacties

quizvraag: 

je gaat op reis 
a) om de wereld niet te hoeven zien
b) om meer van de wereld te zien
c) om de wereld te laten zien dat je iemand bent die op reis gaat 

verzin een vakantiemetafoor mbt tot omgang met mensen die beter is dan het voorbeeld.
het voorbeeld:
als iemand iets liefs tegen je zegt, dan is het alsof ze je een zwemband toewerpen.
als je iets liefs tegen jezelf zegt, dan ben je bezig met borstcrawl voor gevorderden.  

plak hier een sticker van jezelf in zwemkleding, zoals je jezelf het liefste zou zien. 
plak hier een sticker van je geliefde in zwemkleding, precies zoals hij of zij is. je hoeft niets te veranderen. 

probleem: het is zo heet dat je eigenlijk niet wil eten. oplossing: zorg dat je eten ruikt. wist je dat geuren zich in de zomer gemakkelijker verspreiden omdat een hogere temperatuur de ruimte tussen de moleculen uitzet? 

verzin meer van dit soort onzinfeitjes.

speel het volgende spel: wie het eerste een zeemeeuw ziet poepen.

klaverjassen, dammen, triomino’s, reismonopoly, auto-abc, zit-tikkertje, jokeren/ezelen.   

blijf binnen of zoekt de koelte van loof op. in geval van dennebos: daar zijn altijd wel koele plekjes te vinden. en ook een onbegroeide heuvel heeft een schaduwzijde. 

zoek een gedicht met het woord zomer in de eerste regel. wij beginnen:

In summer, I remember where I’m from and why
my knees smell like yellow onions—
why you, Erin, are standing in my living room
straddling your brother’s outgrown Huffy—
you want me back in the cul-de-sac badlands.
(lees verder: Erin with the feathered hair – Karyna McGlynn

zet de koelkast op de laagste stand.
en de vriezer.
en die van de buren (extra punten).
wacht tot het nacht wordt.
kom in beweging.
loop langzaam je straat uit.
(de camping af/het bungalowpark uit/het bos in/richting een weiland.)
blijf staan bij de eerste brug die je tegenkomt.
als het al heel lang niet regende, ontstaat daar een doorwaadbare plaats.

Reageer >
 

Het geluk (2)

17 July 2014 (10:03) | Gilles van der Loo | 1 reactie

DSC_0967“Verdriet [gevoeld op gelukkige momenten] is het besef van de tijdelijkheid van het geluk,” schreef mijn broer* in reactie op mijn vorige column. Ik ben het met hem eens.

Gisterenavond, terwijl ik vanuit mijn stamcafé naar huis liep door de stroopzwoele Amsterdamse nacht en me vergaapte aan grachten die ik al duizend keer gezien heb, kwamen de woorden: Ik was er. Ik ben er geweest om het te zien in me op. Er vallen me wel vaker zinnen in, en over het algemeen maak ik daar geen notitie van. ”Nothing good gets away,” schreef John Steinbeck in een brief aan zijn zoon**.

Met met mijn hevigste geluksgevoel gaat altijd het besef gepaard dat wat ik op dat moment meemaak nooit meer terug zal komen. Zo’n gewaarwording laat zich niet dwingen: op mijn bruiloft was het er bijvoorbeeld niet. Op een gewone dinsdag in Venetië weer wel. Het grote wonder is dat ik een foto van dat moment heb. Hij staat bovenaan dit stukje.

Liefste Birre en Nadim. Ik was er, die middag in Sant’ Elena. Ik heb jullie gezien.

Na er een week over na te hebben gedacht, vind ik het niet vreemd meer dat ik aan Birre moet vragen of ik gelukkig ben. Ze is tenslotte degene die me toen, op een van mijn gelukkigste momenten, gezien heeft.

Het antwoord op de vraag of de vallende boom geluid maakt als er niemand is om het te horen, is nee.

 

* Pim was oorspronkelijk Birres broer. Niemand lijkt ermee te zitten dat ik hem heb opgeëist.

** Whitman zei het eerder, maar niet in reactie op een brief van zijn zoon die zijn advies vroeg over de liefde. 

 

1 reactie >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014
 
Nr.452 Nr.453 Nr.454
 
bestel
 
voorpagina