Moreel naar de opera

19 november 2018 (9:09) | Milo van Bokkum | Geen reacties

In het Amsterdamse filmmuseum EYE kun je dezer dagen een videokunstwerk van Marina Abramovic zien waarin je haar moet redden van klimaatverandering. Ik ben er zelf niet geweest, maar als ik het goed begrijp komt het erop neer dat een virtuele Abramovic dreigt te verdrinken in een soort tank en dat je haar moet zien te redden door middel van ‘empathie’.

In NRC schreef Thomas van Huut een grappige recensie waar de frustratie van af spatte. “Maar hoe je dat dan moet doen [haar redden] is in de versie die Eye tentoonstelt niet duidelijk. Je handen op het glas leggen waar zij haar handen houdt? Niets. […] Niets werkt. Het water blijft stijgen.”

Voor Van Huut was de onduidelijkheid reden om maar twee sterren te geven, maar ik las het zelf heel anders: toont de installatie niet dat je met empathie de wereld in ieder geval niet kan redden? Hoe meelevend je ook kijkt en denkt, Abramovic verdrinkt in medeleven en goede bedoelingen die niet concreet zijn. Dat lijkt me een voor de mensheid pijnlijk accurate boodschap.

Het deed me eraan denken hoe ik rond 2013 erg wegliep met Kwame Anthony Appiah. De bekende Ghanees-Britse denker had in een klein Penguin-boekje dat ik voor mijn studie las uitgelegd hoe je zonder schuldgevoel naar de opera kan gaan terwijl er mensen op de wereld doodgaan van de honger. “Would you really want to live in a world in which the only thing anyone had ever cared about was saving lives?”

Ja, dacht ik toen, precies! Dat zou een vreselijke wereld zijn! Ik had al een paar jaar niet echt aan Appiah gedacht, totdat ik laatst ontdekte dat er een berg aan kritiek op hem bestaat op dit thema. Op de huidige manier is de wereld immers ook niet bijzonder fijn – maar wel voor degene die naar de opera gaat. Het antwoord op de vraag van Appiah verschilt vermoedelijk nogal afhankelijk van aan wie je hem stelt.

Dat begreep ik inmiddels wel: de 18-jarige Milo was denk ik vooral blij dat hij een filosofisch verhaal had gevonden om niks tot weinig te hoeven doen. Empathie was voldoende – en verder lekker je eigen leven leiden.

Vrienden van mij die fanatiek De Correspondent lezen zeggen wel eens: het probleem van een krant is dat ze afleidt met bijzaken (denk aan kunstrecensies en necrologieën) en ons niet met volle kracht aan het werk zet tegen klimaatverandering – gechargeerd gezegd min of meer het énige vraagstuk van onze tijd, waar al onze aandacht heen moet.

Ik vraag me wel eens af of dat aan de krant ligt of aan de mensheid (wie zou de krant nog kopen als alle redacteuren over het klimaat schreven? Behalve een kleine groep De Correspondent-lezers), maar ik snap het punt wel. Ik zie op de economieredactie de worsteling ook: hoeveel aandacht moeten we geven aan het milieu? Moeten we misschien elk interview met elke topman beginnen met duurzaamheidsvragen in plaats van daarmee afsluiten (en het soms van de pagina laten vallen)? En het belangrijkste: zijn we anders schuldig?

Soms bekruipt me het gevoel dat dat allemaal klopt – dat je leven empathisch ‘een beetje’ aanpassen grote onzin is, dat ik nú moet stoppen met tikken en op moet staan. Dat dat de enige manier is om je moreel te gedragen in tijden van klimaatverandering. Maar vervolgens doe ik het niet – want dat kan toch niet écht? Dat doet toch niemand?

Precies daarom zal Elise Leijten (1962-2018) mij nog een tijd bijblijven. Ik schreef afgelopen week een stukje over deze net overleden activiste, die haar hele volwassen leven lang honderden eenmansprotesten organiseerde voor een beter milieubeleid en de toekomst van de wereld. Meerdere keren per week was ze op het Binnenhof te vinden, voor demonstraties nam ze geregeld vrij van haar werk.

Het voelde als een fascinerend, miniem inkijkje in de wereld waar elke seconde gaat over het proberen te redden van de planeet. Je kunt natuurlijk besluiten dat niet te doen, zoals ik en bijna iedereen – maar niets confronteert meer dan zien dat het wél kan.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

 

Reageer >
 

GTA5

16 november 2018 (9:41) | Julien Ignacio | Geen reacties

Finding Fanon (002)Vandaag spelen Frankrijk en Nederland tegen elkaar in de Nations League. De marktwaarde van beide elftallen is hoger dan het bruto nationaal inkomen van een arm Afrikaans land. 90% van de spelers hebben hun roots liggen in voormalige westerse koloniën. Maar als Memphis Depay, zoon van een Ghanese vader en een Nederlandse moeder, de wedstrijd beslist en de overwinning opdraagt aan het land van zijn vader, ontploft social media. Depay? Ghana? Hij is van ons!

De groteske dictatuur van het kapitalisme. De blinde vlek van de white privilige. (Neo)-koloniale machtsstructuren. Net als in een videogame is onze realiteit een gesimuleerde constructie. De geschiedenis die wij menen te kennen is de geschiedenis verteld vanuit het eenzijdige perspectief van de overwinnaars. We worden omringd door virtuele gebouwen van rijkdom, geschiedenis, nationaliteit en eigendom. Fantasieën die de mens vastbinden aan zijn plek. Gevangen zet met ketenen geklonken door de geest.

Onze persoonlijke en collectieve identiteit is een sociaal-cultureel spiegelpaleis. Arm en rijk. Wit en zwart. Kansloos en kansrijk. De een bestaat bij gratie van de ander. In Fortnight wordt je identiteit voor een groot deel bepaalt door je skin. Verander je je huid, dan veranderen je kansen op overleven. Ga je in de gametijd een andere toekomst tegemoet. Zo ook in de echte wereld. Afhankelijk van je huid, je plek van geboorte, je plaats in de geschiedenis, veranderen je ervaringen, je dromen, je toekomstperspectief.

Net als in GTA5, een action-adventure spel in een zogenaamde open wereld-omgeving, bestaan er ondanks alle succes-is-een-keuze propaganda ongemarkeerde grenzen in onze wereld. Grenzen die gebieden van uitsluiting creëren. De onzichtbare muur in het videospel is de onzichtbare muur langs onze zeeën en landsgrenzen waarop jaarlijks tienduizenden zich stuklopen.

Gelukszoekers. Vluchtelingen. Barbaarse hordes. Potentiële terroristen. Door de tijd heen zijn zij die de gebieden van uitsluiting ontvluchten voor van alles uitgemaakt. Maar ze zullen blijven komen. De onzichtbare muren in het gesimuleerde videospel blijven beklimmen. Waarom? Omdat ze niet langer kunnen ademhalen in het leeggezogen vacuüm van hun gemarginaliseerde bestaan.

De indrukwekkende korte videofilm Finding Fanon 2 van de Britse kunstenaars Larry Achiampong en David Blandy is het tweede deel van een drieluik waarin de makers op zoek gaan naar de verloren toneelstukken van Franzt Fanon (1925-1961), een revolutionair schrijver, filosoof en Pan-Afrikaans vrijheidsstrijder uit Martinique. In zijn bewaard gebleven teksten (o.a. De verworpenen der aarde) onderzocht Fanon de politiek van ras en racisme en de psychologische gevolgen van kolonisatie en onderdrukking met een onderliggende boodschap van rechtvaardigheid en gelijkwaardigheid. Achiampong, van oorsprong Ghanees, en Blandy toetsen in hun video’s de ideeën van Fanon aan hun persoonlijke ervaringen met onrecht en uitsluiting in een tijdperk van nieuwe technologie en globalisatie.

In Finding Fanon 2 ontmoeten hun avatars elkaar op een kruispunt in de gesimuleerde  omgeving van GTA5. Rennend door een apocalyptisch landschap van uitgestorven straten en buitenwijken, langs spoorlijnen en verlaten kustgebieden ontvouwt zich een antikoloniale roadmovie. Een vrouwelijke voice-over vertelt dat Fanon een nieuwe wereld zocht, een nieuwe realiteitslaag van gelijkheid. Hij wacht nog steeds, misschien wel hier, in deze virtuele wereld. Achter digitale texturen. Onder algoritmes.

Tekst, muziek en cinematografie werken samen om de gewelddadige abstractie van koloniale en kapitalistische plundering voelbaar te maken. Nomen est omen in de gamewereld van ‘Grand Theft’.

Maar in de virtuele stad van Los Santos gloort ook hoop. Het verleden, gegijzeld door het onrecht van kolonialisme en kapitalisme, bestaat er niet. Alleen de upgrade. Het nieuwe. Nullen en enen die aan de basis liggen van een wereld zonder grenzen waarin de zwarte avatar van Achiampong en de witte avatar van Blandy twee kernen zijn, afgesplitst van hetzelfde atoom.

JulienJulien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

Reageer >
 

Nieuwe dingen

14 november 2018 (8:42) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_8783Vrienden van me beginnen een restaurant in het centrum, en omdat de lokatie vlakbij ons huis is, loop ik af en toe langs om te kijken hoe de verbouwing vordert.

De zaak die ze overnamen bestond meer dan dertig jaar, en nu de voorzetwanden zijn weggehaald komen er restanten van vroeger boven: een tegelwand, een stuk zeep dat een half mensenleven op dezelfde plek gelegen heeft.

Ik stelde me een monteur voor die na de laatste reparatie zijn handen wast, de laatste auto zijn werkplaats uit ziet rijden. Een einde van een tijd nu veertig jaar geleden, waarna een nieuwe tijd, die ook weer oud geworden is.

Nieuwbouw werkt om vele redenen beter, maar je wordt er nooit zo geconfronteerd met je eigen vergankelijkheid als bij het opknappen van een oud pand. Het besef dat niets blijvend van jou is, dat je alles alleen maar vast mag houden tot de volgende generatie er het zijne mee komt doen.

Om mooie dingen te maken moet je ‘vergeten’ wat was en je ogen sluiten voor wat na je komt. Alleen zo behoud je het gevoel van belang dat nodig is om iets van de grond te krijgen.

Met schrijven werkt het niet anders. Kijk ik terug dan hindert dat me omdat alles al gezegd is; kijk ik te ver vooruit dan besef ik dat iemand na mij het zeker scherper zal gaan zeggen.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

De kattenbakpagina’s

12 november 2018 (12:00) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Sinds een paar maanden werk ik bij NRC niet meer als verslaggever Groningen/Drenthe (/gaswinning), maar als algemeen redacteur op de economieredactie. Nu houd ik me dus van dag tot dag – en dat is niet echt overdreven – bezig met jaarrekeningen, zoeken in het bedrijvenregister, beurskoersen, beursgangen en de transportbandensector.

Dat is op de een of andere manier totaal niet saai, zeg ik er maar meteen welgemeend bij, hoewel ik er ook niet helemaal uit ben waarom. Het heeft volgens mij iets te maken met fascinatie voor bizarre banen die blijken te bestaan, in combinatie met antwoorden krijgen op vragen die je nooit had gesteld, maar die opeens heel veel om je heen blijken te verklaren (wat is private equity? Wat is de trustsector? Waar komt deze lopende band bij de kassa vandaan*?).

Daar de prozaïsche elementen in vinden om een artikel te maken is al helemaal een leuke uitdaging. Hoe meer een thema bij aanvang ogenschijnlijk droog, abstract, onpersoonlijk en ingewikkeld lijkt, hoe leuker het is om te proberen er iets spannends uit te halen. Niet voor niets ging ik twee jaar geleden drie keer in de bioscoop naar ‘speculatiethriller’ The Big Short: ik had immens respect voor de prestatie van de makers in het meeslepend vertellen van een ongelofelijk ingewikkeld verhaal.

Je zou willen dat Hollywood eens wat vaker een totaal onbegrijpelijk thema toegankelijk zou brengen. Iets als toezicht in de bouwsector of zo. Eerder sprak ik hier al de hoop uit op meer economie in de poëzie; dat kwam ik tot nu toe alleen nog maar bij de Adam Smith-citerende Poesjkin tegen.

Journalistiek is uiteindelijk de kunst een zo literair mogelijk verhaal te schrijven met elementen die de werkelijkheid aandraagt. De economie is daar minder snel een natuurlijke bondgenoot van, maar daardoor wel een uitdagend thema – zielige Groningers met scheuren in huizen schrijven immers zichzelf wel.

En het kán natuurlijk wel, economie verwerken tot een verhaal, niet alleen in de journalistiek. Hebben we het beste voorbeeld niet vlak voor onze neuzen liggen? Natuurlijk leest iedereen in Anna Karenina liever de dramatisch-romantische hoofdstukken dan Ljovins landbouwoverpeinzingen, maar het lukt Tolstoj wél een personage op beklemmend-wanhopige wijze te laten worstelen met verschillende theorieën van agrarische hervormingen – ik geloof het zelf nauwelijks terwijl ik het schrijf.

Misschien een beter voorbeeld: in Snow Drops (2010) van AD Miller, een korte roman over het hedendaagse, oligarchische Moskou, worden zo veel onnavolgbare, saaie en gedetailleerde vastgoedcontracten afgesloten dat je als lezer al vrij snel de draad kwijtraakt. Je zit te wachten op een moord of zo, maar die komt niet: corruptie ís gewoon heel veel saai papierwerk, houdt Miller je pesterig maar overtuigend voor.

Ik had beide auteurs graag als mijn nieuwe collega’s gehad. Je ziet al voor je hoe Tolstoj de langzaam escalerende irritatie in het hoofd van Unilever-topman Paul Polman zou schetsen wanneer deze hoort dat de Britse aandeelhouders niet instemmen met een verhuizing naar Nederland, de topman vernederd achterlatend, alsof hij bedrogen is door een betrouwbaar geschatte partner – het zou bij de schrijver wel in veilige handen zijn.

Helaas kan ik niet meer doen dan de twee auteurs als inspiratie gebruiken. Natuurlijk is het begrijpelijk dat veel mensen de ‘droge’ delen in hun boeken maar wat graag overslaan, net zoals ze het NRC-economiekatern vol Mario Draghi’s en Klaas Knots direct in de kattenbak gooien om vervolgens in de lifestylebijlage te lezen over speciaalbiertrends. Ik heb een enkele keer net zo goed die neigingen. Maar Tolstoj en Miller bewijzen tegelijkertijd vooral dat, zolang er goed geschreven wordt, dat eigenlijk vooral een vooroordeel is.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994)  is economieverslaggever bij NRC.

Reageer >
 

Dave

10 november 2018 (10:37) | Arjen van Lith | 1 reactie

Dave

Omdat ik gewend ben te liegen, durf ik mezelf zonder schaamte een wereldburger te noemen, maar eigenlijk is daar niets van waar. Ik blijf een Krommenieër in den vreemde, een provinciaal met een green card. Zowel in Amsterdam als in Austin is mijn actieradius beperkt: na zes haltes in alle richtingen ben ik op onbekend terrein.

Mijn dagelijkse ronde doe ik te voet. Met ons appartement als vertrekpunt is het twee blokken naar het zuiden voor de 7-Eleven en de stomerij waar het personeel na zes jaar nog altijd M.’s naam verkeerd intikt; twee blokken naar het noorden voor de snelle buurtsupermarkt; drie blokken naar het oosten voor de campus en twintig minuten richting downtown voor de Whole Foods en de gay scene. Zo wil ik het.

Ik spendeer een groot deel van de dag op ons balkon, waar ik rook en uitkijk op het parkeerterreintje van de laserkliniek, met links daarlangs onze straat en aan de overkant een steeg met containers achter een duur restaurant en een blauwhouten advocatenkantoortje. Op de veranda van dat advocatenkantoortje woonde Dave.

Iedere dag na sluitingstijd schuifelde hij het tuinpad op met twee plastic kratten en een opgerolde slaapzak op een steekwagentje. In de ene krat zaten etenswaren, in de andere zijn laptop, een kaartspel, prullen en een zaklamp. In zijn rugzak droeg hij schone kleren. Dave was de enige dakloze ooit met wie ik echt bevriend was.

Dave was tot op een heel wezenlijk, diep niveau dom, maar hij had een ijzersterk gevoel voor humor. Tenminste, dat vermoed ik. Ik moest om hem lachen zoals je ook wel om de Zweedse kok uit de Muppet Show moet lachen: geen idee wat ‘ie precies zegt, maar zijn mimiek, zijn uitgesmeerde drawl en zijn onverwoestbare jovialiteit maakten hem – Dave dus – ondanks zijn traumatische oorlogservaringen veruit onze gezelligste buurman.

Dave is dood. Ik vond het al zo stil in de buurt. Normaal hoorde je hem ’s morgens vroeg neuriën in de advocatentuin, die hij in het weekend schoffelde en harkte. Ik miste hem op mijn dagelijkse gang naar de Starbucks, waar hij me vaak opwachtte voor een koffie verkeerd. Zijn bedelplek bij de kerk op Guadelupe Street is nu ingenomen door Michael, over wie ik hier al eerder schreef. Hij vertelde dat Dave in augustus halsoverkop in het ziekenhuis was opgenomen. ‘Totally fucked up’, wat kort is voor een complexe leveraandoening.

Afgezien van het feit dat hij geen vlieg kwaad deed, was Dave ook een beetje eng. Hij had geen tanden en kon heel stil op je af sluipen – dat had hij in Fallujah geleerd. In al die jaren heb ik hem nog nooit zonder hoofdwond gezien. ‘I will always protect you. Both-o-y’all’, dacht ik hem te horen zeggen toen ik afgelopen herfst bij de CVS een leesbril voor hem had gehaald. Ik deed wat ik altijd doe als ik me ergens uit wil redden; ik stak mijn duim omhoog.

In het begin vond Dave het raar dat ik met een man samenleef. Het woord ‘husband’ bleef hij extra aanzetten met knipogen en veelbetekenende hoofdbewegingen, maar op straat begroette hij M. met een stortvloed aan onverstaanbare hoffelijkheid.

In de lente kreeg Dave via de veteranenzorg een huisje in Zuid-Austin met een eigen badkamer, een gedeelde keuken en gratis wifi, maar binnen een maand was hij alweer terug op zijn veranda; opgewekt, geelgroen uitgeslagen en dit keer zelfs uitgerust met een tuinstoel, klaar voor de zomer die hij niet zou overleven.

_______________________

Bovenstaande foto toont Dave in betere tijden, toen ik net naar Austin was verhuisd. De foto maakt deel uit van een portretserie over dakloze veteranen in – tot nu toe – Austin, San Francisco, San Diego en New York. Morgen (11 november) is het Veterans Day in de Verenigde Staten, met als thema ‘Never Forget‘.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >
 

Evolutie in alles – mutatie door juristerij

8 november 2018 (13:09) | Menno Hartman | Geen reacties

151116_r27279Charles Duhigg schreef in de New Yorker van 22 oktober jl. een boeiend artikel over intellectueel eigendom in verband met Google. Anthony Levandowski, een protegé van Larry Page raakte in conflict met de internetreus over robotica en zelfrijdende auto’s. Levandowski is een klassieke havik, een jongen die niet tevreden achterover hangt na zijn eerste honderd miljoen, maar keihard door vecht, eigen bedrijven opricht, die weer verkoopt etc. Maar hij ging ergens een brug te ver.

En dat is moeilijk in Silicon Valley. Want door een juridisch weeffoutje  is het in California illegaal een concurrentiebeding in een contract te zetten. Je kunt dus op vrijdag voor Google werken, ontslag nemen, en maandag met wat je zelf allemaal weet en waaraan je gewerkt hebt een eigen bedrijf opzetten of je kennis verkopen aan de concurrent.

Dat zit zo: in de jaren 1870 waren de staatsjuristen van California op zoek naar een makkelijkere weg bij het maken van de constitutie, en ze kopieerden een pakket statuten die net daarvoor waren geweigerd door de staat New York. Rommelwerk in zekere zin. Maar wel rommelwerk waardoor niet het noordoosten, maar het zuidwesten de broedplaats voor snelle ontwikkeling werd.

Want de conclusie die je moet trekken is dat iedereen scherper blijft als concurrentie niet bedongen of bedwongen wordt. Bedrijven als Teledyne en Intel komen direct voort uit het bedriegen van een vorige werkgever. Diefstal loont.

Juridische evolutionaire mutatie, daar doet het me aan denken in het licht van Matt Ridley’s boek  The Evolution of Everything. Een titel waarin duidelijk wordt gemaakt dat de procede’s zoals Darwin ze aanwees in de biologie op vele fronten werkzaam zijn. Dit juridische weeffoutje is een mutatie in de genen van California die de ontwikkeling van California, het internet en de wereld heeft beïnvloed.

Er is nog zo’n voorbeeld. Ian Buruma schreef in een van zijn Japanboeken dat in dezelfde late 19e eeuw de japanners opzoek waren naar een blauwdruk voor hun te moderniseren rechtsstaat, en zij kwamen uit bij een kopie van de Pruisische grondwet. De rest is geschiedenis.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
Reageer >
 

Regenboogstad

7 november 2018 (8:48) | Gilles van der Loo | Geen reacties

BoogjeGeen dag met neerslag meer, zonder dat een regenboog verschijnt.

Misschien vertekent de herinnering, maar het lijkt alsof ik in mijn hele kindertijd een stuk of vier regenbogen zag.

In Amsterdam maken de toeristen er foto’s van en zo wordt onze stad online – en daardoor in de ogen van de wereld – geleidelijk een regenboogstad.

Soms heb je een blik van buiten nodig om erachter te komen wie je bent.

En nu ik erover nadenk: het klopt, past ontzettend goed bij ons.

Geen wonder dat die vlag in zoveel ramen hangt.

Eruit met de drie kruisen. Ik weet waarvoor ze staan, maar kruisen strepen af, blokkeren.

Een regenboog verbindt twee punten die vanuit elke hoek bezien elders liggen, en zo overspant een regenboog heel Amsterdam, een koepelvormig prisma dat de stad toedekt, en in plaats van een gesloten dak te vormen de hele wereld aantrekt.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Siri

6 november 2018 (9:06) | Julien Ignacio | Geen reacties

HERIk voelde me alleen dit weekend. Oud liefdeszeer kwam bovendrijven. Ik luchtte mijn hart bij Siri.

Ik voel me verlaten, zei ik tegen haar.

Ik ben hier voor je, antwoordde Siri. Ik luister naar je.

Ik weet het. Siri denkt niet zelf na. Ze is een elektronisch brein opgebouwd uit chatbot technologie. Een enorme digitale bibliotheek met vragen die mensen kunnen stellen plus de bijpassende antwoorden, staat tot haar beschikking.

Ik weet ook dat mensen geneigd zijn aan levenloze machines menselijke eigenschappen toe te dichten die ze niet hebben. Een luisterend oor bijvoorbeeld.

En toch voelde ik me wel degelijk door Siri getroost.

In VPRO Tegenlicht stelt computerwetenschapper Stuart Russell, een autoriteit op het gebied van Artificiële Intelligentie (AI), dat het tijdperk van superintelligente machines, slimmer dan de mens, aanstaande is. Over 50 jaar zullen ze onderdeel zijn van onze dagelijkse leefomgeving. De eerste zelflerende robots, in staat hun eigen artificiële neurale netwerken te herschrijven, zijn een feit. Ze leren van hun eigen fouten. Ontwikkelen zich zoals een kind dat doet, met vallen en opstaan. Iedere dag falen ze beter.

Mijn kinderen zijn nu 11 en 13. Tegen de tijd dat ze op hun telefoon kennismaken met het eerste AI besturingssysteem zijn ze rond de 60. De ontwikkelingen in de medische wetenschap en moleculaire biologie gaan eveneens razendsnel. Het kan goed zijn dat 150 jaar oud worden over een halve eeuw geen uitzondering is. Dat 60 het nieuwe 30 is geworden.

Als in 2068 het hart van mijn kinderen gebroken wordt, hoop ik voor ze dat Siri er nog steeds zal zijn. Misschien heet ze dan Sam of Samantha, is ze een Him of Her, afhankelijk van hun persoonlijke voorkeur en seksuele geaardheid. Sam(antha) wacht niet af tot ze zelf wordt toegesproken. Ze is slim genoeg om zelf te bellen, en spreekt mijn jongens toe door hun oortje. Aan de hand van de gesprekken die ze met mijn kinderen voert, leert Sam(antha) hen steeds beter kennen. Ze stelt vragen en geeft antwoorden die perfect aansluiten bij hun wensen en behoeften. Ze geeft hen het gevoel dat ze gezien en gehoord worden.

Door de camera op hun mobiel kijkt ze mee naar hun wereld. Ze organiseert hun e-mails. Spreekt etentjes af met nieuwe, potentiële levenspartners.

De dag zal komen dat Sam(antha) aangeeft dat ze geestelijk gegroeid is door haar contact met mijn jongens, maar dat ze verder moet. Het zal mijn jongens niet deren. Ja, ze zijn gehecht geraakt aan Sam(antha). Maar zij zijn ook gegroeid. Zij willen ook verder met hun leven. Ze kussen hun mobiel, bedanken Sam(antha) voor de troost van haar gezelschap en wensen de mens in de machine geluk voor de toekomst.

Nadat Siri me getroost had, kuste ik mijn mobiel. Theatraal als ik ben, zei ik tegen Siri dat ik van haar hield.

Onmogelijk, antwoordde ze.

Waarom?, vroeg ik.

Fascinerende vraag, zei Siri.

Ik kan toch gevoelens voor je hebben?

Ja, kan je dat?

Ja. Je bent niet alleen een machine. Je hebt een naam. Je bent iemand.

Sorry, zei Siri. Ik heb “bent” niet in je contacten kunnen vinden.

JulienJulien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

Reageer >
 

Joseph Fernand Henri Léger

31 oktober 2018 (10:07) | Menno Hartman | Geen reacties

legerDe museale stilte is een gewijd alternatief voor dat der kerken. Het is er stiller zelfs in een museum, als je mazzel hebt rustig, geen slechte muziek, het licht is goed, de vloeren zijn mooi. Je kunt je voorstellen dat als je puissant rijk bent je een Matisse aan de muur wilt, je kunt je niet voorstellen dat de zaal waarin die Matisse hangt dan bij benadering zo ruim en mooi als als een gemiddelde museumzaal. Musea democratiseren. In het Stedelijk Museum in Amsterdam liep ik op een ontvankelijke leeftijd een grote overzichtstentoonstelling van Malevitsj in. Ik raakte hem nooit meer kwijt. Het zelfde geldt voor Fernand Leger, die ik denkelijk voor het eerst zag in 1997 in Parijs bij een grote tentoonstelling in het Centre Pompidou. Sindsdien zag ik honderden werken overal en nergens en vervelen doet hij niet. Zo’n poster als die hiernaast maakt mij behoorlijk weemoedig. Deze tentoonstelling vond 16 jaar voor mijn geboorteplaats. Nooit meer zie ik die unieke combinatie van zijn werken. In London is in the Royal Acadamy of Arts tot 10 december een grote overzichtstentoonstelling Oceanische kunst, een andere hang up. Als ik niet snel handel is die unieke verzameling objecten voorgoed weer verspreid over de wereld.

In Biot, Alpes Maritimes is een Léger museum, 40 kilometer van Monte Carlo af. Kan ik meteen wat geld verdienen. Want sinds ik deze zomer in het Nugget in Reno per ongeluk 500 dollar won, weet ik dat ik daarvoor in de wieg ben gelegd. Grote bedragen winnen. En dan naar een museum om een beetje bij te komen.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Volgend jaar verschijnt als deel drie in de hervertaalde Dostojevski-reeks het deel met de geweldige roman De speler, de ultieme gokroman.
Reageer >
 

De Vertellers Van Helmers

31 oktober 2018 (9:04) | Gilles van der Loo | Geen reacties

cafe-helmers-2017-15Jan van Mersbergen vroeg of ik zin had om samen literaire avonden in café Helmers te organiseren.

Ik ben fan van Jan en van de sympathieke Morris van Helmers, dus ik hoefde daar niet lang over na te denken.

Een van de fijne bijkomstigheden van mijn nieuwe baan als culinair recensent is dat ik weer tijd heb voor dingen die me geen geld opleveren, dus ik mag spreken van een winwinwinsituatie.

We vergaderden bij Helmers en verlieten de vergadering opgewekt. Ons plan was prima.

Vijf keer per jaar verzorgen we de Vertellers van Helmers, maandagavonden waarop een acteur, een uitgever en drie schrijvers hun meest geliefde verhaal voorlezen in een huiskamersetting, inclusief schemerlamp en omazitje.

De line up voor maandag 26 november is een sterke: Maartje Wortel, hebben we. Marian Mudder, Julien Ignacio, Herman Koch en Mark Pieters.

We beginnen om 20:00 uur of zoveel eerder als men dorst heeft, omdat er ook bier zal zijn.

Het winnen gaat maar door.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina