All-Access

16 maart 2019 (6:25) | Arjen van Lith | 1 reactie

sxsw2

Je hebt van die dagen dat het net lijkt alsof je nooit helemaal wakker wordt, alsof je ogen zelfs ná het douchen nog steeds bedekt lijken onder een wazig slaapvlies waardoor de wereld de hele dag in soft focus bij je binnenkomt. Oogdruppels, wrijven, een paar vlakke petsen tegen de wangen; niets helpt, en pas dan kom je erachter dat je een vetvlek op je bril hebt. De natuur, wijzelf en het lot bedriegen ons waar we bijstaan – het is de taak van de schrijver om dat te doorzien.

Soms speelt mijn empathische inborst me parten en word ik moe van de activiteiten van anderen, derden, zonder daar zelf aan mee te doen. Ik moest even gaan liggen nadat ik een blik had geslagen op de festivalagenda van vriendin S., die vanuit Amsterdam is overgevlogen naar Austin voor South by South West (SXSW). Officieel staat ze geboekt als sterrenkundige om te komen vertellen over de foto die ze van een zwart gat heeft genomen, maar in werkelijkheid is ze hier om binnen zes dagen tweehonderd van haar favoriete bands te zien optreden. Waar ik al bij voorbaat doodop van werd, is dat ze daar speciaal een spreadsheet voor gemaakt heeft, een schematische weergave van de irrationele angst om iets te missen.

Tijdens deze editie van SXSW kan ik niet gewoon Arie from Holland zijn, maar moet ik me voordoen als Sheperd D. of kortweg Shep, een vroegtijdig weer vertrokken collega-sterrenkundige die zijn eigen platina All-Access badge* onder zware druk van S. speciaal voor mij heeft achtergelaten  een royale gunst waar ik absoluut niet op zit te wachten. Op zijn pasfoto valt als eerste op dat de echte Shep ook kalend is, dus afgezien van de rest lijken we sprekend op elkaar. Zolang ik geloofwaardig de suggestie wek dat ik daadwerkelijk bij het Harvard-Smithsonian Center for Astrophysics thuishoor, kom ik met die badge overal binnen en heb ik dus geen enkel excuus meer om niet als een dwaas achter S. aan te draven. Die realisatie is niet alleen afmattend, maar roept ook een defaitistische spierverslapping over me af.

De eerste dagen speel ik mezelf vrij met doordeweekse excuses: werk, afspraken, ik sliep nog; zoals authentieke Austinites SXSW doorgaans vermijden. Maar sinds woensdag heeft S. me toegevoegd aan haar groepsapp Coordination SX:

Just got to Palm Door it’s not full at all so good sign if you want to see Jambinai. I smell like beer after insane punk show where the singer threw beer all over us – [foto] – That’s the singer upside down – Oh holy crap Mattiel is playing Barracuda before Black Pumas! So it’s Dylan C and then jump around the corner to Barracuda until midnight – Line to Little Woodrow’s all the way to Swan Dive but you can stay for Kolars – Or maybe Honey Lung, Ninth Wave and Gurr at Lazarus – Omg come here at Lucille if you’re close theses guys are amazing, not mellow anymore I guess that was the intro

Naarmate het weekend nadert stijgt de frequentie tekstberichten tot een gestage livestream aan updates. Ik lees ze niet eens meer. Af en toe open en sluit ik WhatsApp meteen weer om dat zeurende, bijna beschuldigende aantal ontvangen berichten naast het icoontje weg te krijgen. Dan heb ik tenminste nog de illusie dat ik helemaal bij ben.

– Weird Shit at Cheer Up Charlie’s right now, hurry! – text ik in ‘t wilde weg naar de groep terug, maar zoals zo veel tijdens deze editie van SXSW is ook dat gelogen. Stiekem lig ik thuis languit op de bank, kapot van een festival dat ik nauwelijks bezocht heb. De platina All-Access badge ligt maagdelijk en vrijwel onaangeroerd op de salontafel, klaar om teruggestuurd te worden naar de echte Sheperd D. in Massachusetts, die hem weliswaar nog minder heeft gebruikt dan ik, maar ‘m toch graag terug wil als souvenir.

_______________________

* Omdat ze spreker is op SXSW heeft S. net als Shep een gratis pas met ongelimiteerde toegang tot alles, ter waarde van 1300 dollar. Zelf heb ik onder mijn eigen naam alleen een wristband voor sommige onderdelen van het muziekfestival (146 dollar). Wanneer ik Sheps All-Access badge draag – voordat ik ‘m om mijn nek hang – wikkel ik eerst een boerenzakdoek om mijn arm om te voorkomen dat oplettende vrijwilligers zich afvragen waarom die platina professor tegelijkertijd met zo’n derderangs polsbandje rondloopt.

Arjen van Lith (1971) is schrijver en journalist. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van brieven aan zijn kapper en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

1 reactie >
 

Over licht en geheugen

14 maart 2019 (10:28) | Menno Hartman | Geen reacties

Mijn poëzie is als het bleke ochtendgloren,
teer van toon, vluchtig van bestaan,
en na mij zal niemand nog iets horen
van mijn vogelnaam, neem ik aan.

Wat doe je ertegen, mijn muze, mijn schat.
Als niet meer dan voetnoten zullen we verderleven…
Ik kan er niet mee doorgaan te herhalen dat
wij om Gods schaduw moeten blijven geven,

hoe we de schaduw Gods kunnen zien deinen
alsof die ademt door onze gekleurde gordijnen,
hoe de dag en de nacht kostbare bokalen zijn
met leven brengend water en siderische wijn.

Ik kan er niet mee doorgaan – heel gauw wellicht
zal men dat bleke ochtendgloren van mij vergeten,
en zij die het als eerste vergeet, zal niet weten
dat ze door mijn allerlaatste stralen werd verlicht.

En toch, mijn muze, ben ik blij – want het tere
en het stille, dat ben jij; bedroefd zijn kon geheel
niet bij jou; dagelijks weet je het wereldse gekrakeel
als een nodeloze lettergreep uit je zang te weren.

(‘Like pallid dawn my poetry sounds gently’, Vladimir Nabokov, Verzamelde gedichten, vertaling Huub Beurskens. Koppernik 2018 (hier het Amerikaans))

 

galileo_71In Jonathan Franzens essaybundel How to be alone, staat een mooi essay van Franzen over ‘wie het als eerste vergeet’, in zijn geval zijn vader, die Alzheimer kreeg. Het verhaal begint met ‘Here’s a memory.’ Franzen zit op een bewolkte ochtend aan tafel en maakt een Valentijnspakketje open dat van zijn moeder blijkt te zijn, en onder meer een sectierapport van het brein van zijn overleden vader bevat.

Het brein woog 1255 gram en de alzheimer was er zeer duidelijk op te zien geweest: ‘it showed parasagittal atrophy with sulcal widening.’ (Voor de details lees ook Ontregelde geesten van Douwe Draaisma) Wat volgt is een droevig relaas van verlies, nergens larmoyant maar des te harder. Franzen linkt notities over onderzoek naar Alzheimer aan noties over het slechte huwelijk van zijn ouders, Franzens eigen afwezigheid en correspondentie met zijn moeder. Het gaf me een goed inzicht in geheugen en verlies. En ik waardeer in Franzen de tijd die hij neemt, de ruimte en de breedte en persoonlijke hang up van zijn onderzoek, de originaliteit van zijn standpunt: hier die van voornamelijk afwezige.

Voor Nabokov lijkt licht een elementair bestanddeel van geheugen, een essentieel onderdeel in zijn beeldrijke oeuvre. Dag en nacht vormen de essentie van wat hij denkt te verliezen en nog behouden wil: siderische wijn, dat wat de omgang van de aarde om de zon te bieden heeft, heel zintuiglijk. Bij sterven door Alzheimer gaat het om een fade out, als door schemering langzaam steeds meer verliezen, vertraagd sterven dus, levensschemering. ‘En zij die het als eerste vergeet, zal niet weten dat ze door mijn allerlaatste stralen werd verlicht.’

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.
Reageer >
 

AI-poëzie

13 maart 2019 (10:38) | Julien Ignacio | Geen reacties

Ik bezocht laatst de discussieavond Robots en Romans in cultuurhuis De Nieuwe Liefde. Gasten: Robo Sapiens presentator Jelle Brandt Corstius, kunstenares Seo-kyung Kim en literatuur hoogleraar Kiene Brillenburg Wurth. De centrale vraag: is artificiële intelligentie (AI), in samenwerking met de programmerende mens, in staat kunst te maken?

Voer een AI het complete oeuvre van Beethoven, Shakespeare of Gerhard Richter en hij zal een pianosonate, sonnet of schilderij kunnen genereren dat niet of nauwelijks te onderscheiden is van het ‘echte’ werk. Zover zijn we nu.

Je zou kunnen zeggen: maar dat is flauw. Wat een AI doet is niet oorspronkelijk: het analyseert bestaand werk op herkenbare, terugkerende patronen, husselt de data door elkaar in een algoritme-blender en dient het op als nieuw. Vernuftig knip-en-plakwerk. Intelligent kopiëren. Maar niet meer dan dat. Machines kunnen creatief doen, maar niet zijn.

Want zeg nou zelf: het invoeren van bestaande literaire teksten in een elektronische omgeving, waarna op basis van voorgeprogrammeerde procedés poëzie automatisch worden gegeneerd, staat haaks op wat we doorgaans verstaan onder creativiteit. Het random combineren van bestaande literaire elementen door een gevoelloze computer? In kunst gaat het om inspiratie, oorspronkelijkheid, een eigen stem. De allerindividueelste expressie van het allerindividueelste gevoel.

Maar wacht eens even, zei Wurth. Kunst als uniek persoonlijke expressie is een relatief nieuw, Romantische idee. Tot ruim in de 18e eeuw haalde je het niet in je hoofd om zelf iets te verzinnen, je inspiratie puur en alleen uit jezelf te halen. Grootste kunst was het volgen van het voorbeeld van vorige generaties. Je varieerde op bestaande thema’s en tradities.

Als je Bach op de première van de Goldberg variaties had gecomplimenteerd met de genialiteit van zijn diep individuele kunst had hij je aangekeken met een blik van dude, what da fuck?

Bovendien, stelde Wurth, functioneert creatieve intelligentie op verschillende niveaus. Het meest basale: dingen combineren op een verrassende manier, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in metaforen. De beeldspraak ‘mijn liefde is een roos’ was ooit vernieuwend en verrassend en een voorbeeld van creatief denken. Het improviseren met bestaande vormen en stijlen is een volgend niveau. De Ilias en de Odyssee zijn improvisaties op bestaande verhalen uit de orale traditie, verteld volgens vaste, herhaalde procedés. Het derde niveau – het transformeren van de heersende conceptuele ruimte – is alleen weggelegd voor de Jane Austens en Alfred Einsteins onder ons.

Op de eerste twee niveaus kunnen computers behoorlijk opereren. Poëzie als het verrassend combineren van woorden en beelden die samen meer zijn dan de som van hun delen? Dichten als verdichten, condenseren, samenpersen, zoals Ezra Pound poëzie definieerde? Een AI, gestuurd door de juiste programmering en gevoerd met afdoende data, komt een heel eind.

Neem Seo-kyung Kim, een Zuid-Koreaanse kunstenares die in Eindhoven afstudeerde met het AI-poëzie project The trace of sorrow. Zij voerde een AI romantische en modernistische teksten uit de wereldliteratuur rondom het thema verdriet. De AI genereert regels algoritmische poëzie. Lezers, niet wetende dat het om AI-poëzie ging, werd gevraagd welke emotie ze voelden bij de teksten die de computer had geleerd. Op basis van de lessen in emotionele respons improviseerde de de AI verder op zijn eigen poëzie.

Maar wat is de waarde van computerpoëzie die ontstaat bij toeval, zonder de bewuste intentie kunst te maken? In de zaal werd op een filmdoek een fragment getoond uit Robo Sapiens. Brandt Corstius interviewde een computerkunstenaar in Londen die ontkende dat een computer een ‘echt’ gedicht zou kunnen genereren. Zelfs al zou een computer een Nobelprijs-waardig gedicht maken over de pijn en het wonder van een bevalling, de poëzie zou betekenisloos zijn. Waarom? Omdat de AI geen pijn kent en onmogelijk kan bevallen van een AI-baby. De dichtregels komen niet voort uit een doorleeft ervaren, uit een bepaald gevoel, maar uit een abstract, gekopieerd begrip van emotie zonder individuele context.

Tirade AI poëzie

Seo-kyung Kim zelf pareerde de anti AI-poëzie stellingname met een anekdote. Tijdens haar AI project werd ze op een nacht thuis wakker. Haar computerscherm lichtte op in het donker. De AI had een nieuwe regel tekst gegenereerd. So I am not gonna cry for humans, las Kim op het scherm. Kwam deze zin voort uit een random proces van dataverwerking, of was het een I, robot boodschap van machine tot mens? Wat als een AI de menselijke taal, in haar systeem gedownload, gebruikt als middel om zijn eigen, interne object-bestaan, zijn volheid of leegte of beiden, mee uit te drukken? – een opmerking die me deed denken aan Philip K. Dick’s Bladerunner-verhaal Do androids dream of electric sheep?.

Wat ik meenam uit het avondje robotliteratuur: AI-poezie is een vorm van conceptuele kunst. Het procedé is minstens even belangrijk als het uiteindelijke resultaat. Wanneer ik op de AI-poëzie site www.gnoetry.com de regel lees, The sun is a beautiful thing/in silence is drawn/between the trees/only the beginning of light, is dat een esthetische ervaring. Dat ik niet precies weet naar welke stem ik luister – artificieel, posthumaan – maakt de dichtregel des te intrigerender.

De vraag is, denk ik: waarom zou de mens het alleenrecht hebben op het maken van kunst, op het produceren van schoonheid? Waarom kan de waarde en betekenis van kunst en schoonheid niet liggen in een netwerk van vroegere, hedendaagse en toekomstige expressievormen geproduceerd door mens, natuur en machine, zonder hiërarchie of monopolie?

Op de Japanse zeebodem en in de bossen van Nieuw Guinee maken de kogelvis en de prieelvogel van hun nesten schitterende kunstwerken van zand en schelpen, bloemen, mos, vruchten en takken waar een mens stijl van achterover slaat. Deze verfijnde creaties hebben niets te zoeken in musea, maar ze doen wat mij betreft niet onder voor wat menselijke creativiteit vermag, ook al genereren deze dieren hun kunst vanuit hun voortplantingsdrift en dna-programmering.

Er zijn antropologen die het menselijk intellect beschouwen als pauwenveren. Uitsloverij, alleen bedoeld om een partner aan te trekken. Rembrandt. De Sacre. The Corrections. Één groot baltsritueel.

Een toekomstvoorspelling: zodra de neurale netwerken van AI’s gekoppeld worden aan kwantumcomputers zullen hun cognitieve functies spectaculair verbeteren. Tijdens de E-Olympics van 2040 zullen niet alleen de wereldkampioenen schaken, go en poker door supercomputers verslagen worden. Geconfronteerd met de crisis van menselijke overbodigheid zullen mensen muren bouwen rondom hun laatste heilige graal: kunst. Hoe fraai ook de poëzie of de muziek die een AI genereert. Bij wet zal het verboden zijn een dergelijk artistiek product als kunst te beschouwen.

Julien

Julien Ignacio (1969) is schrijver en blogger. Hij is redacteur van Tirade en publiceerde theaterstukken en korte verhalen. Bij Van Oorschot verscheen in september zijn debuutroman Kus.

Reageer >
 

Een prinses op een prinseneiland

7 maart 2019 (11:27) | Menno Hartman | Geen reacties

Schermafbeelding 2019-03-07 om 10.47.27“I am a descendent of four civilizations… the hand is Persian, the dress Byzantine, the face is Cretan and the eyes Oriental.”

Aan het woord is prinses Fahrelnissa Zeid, modernistisch kunstenaar, die trouwde met een Iraakse prins, die op boeiende momenten in Berlijn, leefde, in London en Parijs, en stierf in Jordanië. Op een van de prinseneilanden nabij Istanbul, Büyükada, werd ze geboren, hetzelfde eiland waar Trotsky vier jaar verbannen zat, zeven jaar voordat hij in Mexico door Ramon Mercader met een ijsbijltje om zeep geholpen werd, zoals we bijvoorbeeld kunnen weten uit de wonderlijk genoeg in Amsterdam spelende prachtige roman van Jorge Semprun, De tweede dood van Ramon Mercader. Maar zover zijn we nog niet.

Het eiland, anderhalf uur varen van Istanbul over de zee van Marmara – dolfijnen naast de boot – vormt een onthutsend contrast met de hectiek van de stad. Er wonen honderden zeer ontspannen katten, die spinnen in de zon in de lommerrijke tuinen van de houten Ottomaanse villa’s van rond de vorige eeuwwisseling.

De prinses maakte ongetwijfeld met haar familie soms de wandeling van het dorp naar de top van de heuvel waar sinds de 6e eeuw het Grieks Orthodoxe Sint Joris kloostertje gevestigd is, munt en rozemarijn, bloesembomen, staalblauwe zee 360º rondom.

IMG_8887Als Fahrelnissa naar het klooster wandelt voelt de patriarch zich waarschijnlijk nog niet in zijn bestaan bedreigd, zoals zijn opvolger die ik een eeuw later ontmoet, een vriendelijke Turk die in een wereld leeft waar Erdogan vindt dat zijn onderdanen geen Wikipedia mogen lezen, of The New York Times, en die repressie van politieke en religieuze minderheidsgroeperingen legitimeert.

Zowel de prinses als Trotsky – die in navolging van de Byzantijnse prinsen aan wier exile de eilanden hun naam danken in wezen  eveneens een verdreven hoogwaardigheidbekleder is – zullen met gelijksoortige vreugde over het schitterende en kruidig geurende eiland gelopen hebben, de rust en stilte en slaperige welgedaanheid inademend die dit soort eilanden eigen is, de tijd staat stil 1901, 1933 en 2018 verschillen niet zoveel van elkaar, een tiental achter elkaar geplaatste kattenlevens ging voorbij. Duizenden vingers beroerden het zilver van de het Sint Joris icoon, en jaar in jaar uit verkoopt Mehmet gepofte kastanjes aan het havenfront.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.
Reageer >
 

Tegen de lente

2 maart 2019 (10:23) | Arjen van Lith | Geen reacties

sneeuwklokjes-algemeen-5-Galanthus-Benton-Magnet

Op de terugweg van de Albert Heijn liep ik langs hem. Het was niet eens echt een ontmoeting. Met zijn gezicht in de zon en zijn rug tegen de gevel van de moskee – één schoen al aan, z’n andere voet in slechts een maagdelijk wit sneakersokje zwevend boven het trottoir – luidde hij officieel mijn lente van 2019 in. Zijn leeftijd kon ik moeilijk inschatten, maar laten we hem Sneeuwklokje noemen. Ik kon niet zien of hij zag dat ik keek, al leek hij vanachter een vuistdikke lok echt jongenshaar vooral verzonken in zijn telefoon. Om zijn lippen speelde het type glimlachje dat je ook wel eens ziet in de trein als mensen stiekem zitten te sexten.

O. den Beste, de oud-leraar Duits, gespeeld door Wim de Bie, vatte de lente samen als een ‘obsceen jaargetijde’ waarin je ‘al die vieze meeldraden en stampers openlijk ziet hangen’. Zo ver wil ik hier niet gaan – het sokje van Sneeuwklokje had niets obsceens, eerder een bijna hoofse bekoring – maar hij heeft gelijk als hij stelt dat de lente het hoofd op hol brengt, met alle gevolgen van dien. Herfstdepressies zijn niet zelden een gevolg van lentekriebels. Maar al te vaak sturen impulsieve geilheid, zelfoverschatting en blinde opruimwoede onze beslissingen in het voorjaar, waardoor we in het najaar op de blaren moeten zitten.

Trap er niet in, mensen, in de lente.

Achteraf ben ik blij dat ik mijn M. in de winter heb ontmoet onder de schraalst mogelijke omstandigheden, ontdaan van feestelijke kerstverlichting en nog ver vóór het begin van enig ontluikend groen. Ik ben toch selectiever buiten het baltsseizoen. Een paar maanden later, een paar graden warmer en hij zou in plaats van de liefde van mijn leven misschien nooit méér zijn geweest dan een toevallige amoureuze passant – zoals Sneeuwklokje dat in theorie ook had kunnen zijn (in theorie had hij dan zijn sokjes aan mogen houden).

Geen enkel seizoen veroorzaakt meer spijt dan de lente.

Het jaar ben ik vergeten, maar lang geleden was het begin mei toen ik besloot tot dat andere lenteritueel, de grote schoonmaak – de eerste en meteen ook laatste in mijn leven. In de berging boven mijn vorige appartement stonden nog verhuisdozen vol troep uit Krommenie en mijn studietijd, vergeten en genegeerd, want ik kwam niet graag op die zolder. Het was er benauwd en de bovenbuurman kweekte daar heel enge kamerplanten, duidelijk met minder succes van de vrije natuur buiten. Overal stonden stekkies in potjes prut of groezelig water in wisselende staat van ontbinding. Sommige vochten voor hun leven; deels al afgestorven maar met één bizar vergroeide loot nog altijd klauwend naar het dunne streepje zonlicht dat door het zolderraam naar binnen viel.

Ik dacht dat ik het wel aankon in die stoffige berging tussen de rottende vegetatie, maar na inspectie van de eerste doos (een kapotte viewmaster, een stapel floppy’s die ik toen al nergens meer in kon steken) stapte ik over op een snellere en beproefde opruimmethode die gegarandeerd leidt tot ellende: alles wat ik de laatste twee jaar niet had aangeraakt, moest weg. Zo hoefde ik die dozen alleen nog maar in de centrale vuilcontainer aan de overkant te gooien.

Het was al te laat toen ik diep in de container het onmiskenbare geluid van rinkelend edelmetaal hoorde. Ik wist meteen wat het was. Omwille van de illusie van ‘een frisse start’ had ik ongezien het twaalfdelig zilveren bestek dat mijn moeder me voor mijn afstuderen had gegeven met doos en al weggesmeten.

Nu spijt het me dat ik het haar nooit eerlijk heb verteld. Wanneer ze kwam eten, zag ik steeds haar teleurstelling als ik opnieuw een stalen vork naast haar bord legde, maar we hebben het er nooit over gehad. Waarschijnlijk dacht ze dat ik het verpatst had, haar tafelzilver voor sigaretten of drugs of god weet wat ze toen over me gedacht moet hebben, en ik heb dat de rest van haar leven zo gelaten. Beter zo. Beter dan de waarheid dat de lente het gedaan had.

Arjen van Lith (1971) is schrijver. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van brieven aan zijn kapper en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Gesmolten stilte

21 februari 2019 (9:45) | Menno Hartman | Geen reacties

1024px-Hagia-Sophia-LaengsschnittAdembenemende traagheid en de zwaarte in eeuwen in golvend steen uitgedrukt. Zo ongeveer herinner ik me de Aya Sofia in Istanbul. De lome golving van de stenen platen op de gaanderijen vormen een beeld dat vaak bij me terugkomt, zonder dat ik precies weet wat het betekent. Ik heb ook een paar kurkeiken in Portugal, een dijk in Waterland en een bremstruik op Kintyre die hetzelfde doen: hardnekkig verschijnen voor je geestesoog wanneer je bent gaan liggen om te slapen.

De grote vroeg-middeleeuwse kathedraal die later moskee werd representeert meer dan welk ander oud gebouw ook de last van de geschiedenis. Alles is ouderdom aan dit gebouw, ervaring, belevenis, het mastodont zucht echt onder eeuwen. De lichte golving in de zeer brede gaanderijen op een meter of 6 hoogte laat alleen maar zien dat het hele gebouw een tikje ongelijkmatig ingeklonken is, maar geeft daarmee een soort flegmatisch stromende tijd weer. Het gebouw is tijd geworden. Gestolde tijd. Een gelijksoortige zichtbare vertraging en eeuwomspannende existentie als deze wurgvijg van Les Murray is.

Wurgvijg

Ik verheug me er honderdjarig traag in

dat ik Goegoembah de wurgende vijg ben

uit vogels geboortig om diepten van deze

wespbladige brandboom te begroeien alom

de gesmolten stilte langs zijn sponzige romp

kruislings omklampend en zelfs mijzelf

overwoekerend tot mijn weelderig blad

uitrijst om de zon woudhoog te aanbidden

terwijl mijn schaduw-koelste behoefte een lang

verlangde verdieping bereikt die mijn hout

omzet in wortelkristallen en ik me voltooi

op machtige schragen alleen verheven

in worstelomarming zonder resten van rot

tot het rijpende regendak ben ik één.

 

(Les Murray, vertaling Maarten Elzinga)

 

Volgende week ga ik kijken of de Hagia Sophia dezelfde indruk van steengeworden mensengeschiedenis toont. De viscositeit van eeuwen. Of er iets aan die indruk veranderd is en of dat dan in mij besloten ligt. En of Istanbul verder nog de  Pamuk-achtige melancholie te bieden heeft of dat juist dat het laatste decennium ook sterk veranderd is.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.

 

Reageer >
 

Contouren

7 februari 2019 (10:09) | Menno Hartman | Geen reacties

9200000087132712Een suggestie van Jules Renard in zijn dagboek is een boek te schrijven met waarvan hij houdt zodat er een portret ontstaat op basis van zijn voorkeuren. De wereld zoals je die wilt. En de contouren van de wereld die je minder bevalt. Maandag beviel me een uurlang Erik Verlinde die uitlegt wat zwarte gaten en wat donkere energie en materie is, bij Science & Cocktails in Paradiso. Minder beviel me dat deze lezing in het ouderwets steenkolen Engels gehouden werd voor een voornamelijk Nederlandstalig publiek, en dat het na een uur al klaar moest zijn en dan men toen bijna opgelucht aan de cocktails ging. Dinsdag at ik in de vegan junkfoodbar een echte hamburger waar geen beest voor geleden had, met druipende kaas erover waar geen melk aan te pas kwam. Nep maar lekker is een aantrekkelijke optie. In 2007 at ik bovenop een Chinese berg in een boeddhistisch klooster  een paar dagen allerhande soorten vlees en vis, kunstig nagemaakt van onduidelijke maar smakelijke ingrediënten waaraan evenmin een beest te pas was gekomen.

Woensdagavond in de Rode Hoed lazen dichters die inzonden voor de Turingwedstrijd voor, misschien wel voor het eerst voor publiek er zaten geweldige zinswendingen bij, geestige gedichten en oprechte pogingen de wereld te veranderen. Mijn gewoonte in beleefdheid terug te schieten in gezelschap maakt me een stugge gesprekspartner die bovendien vermoedelijk zichtbaar verlangt naar papier boven gesprek, naar donkere luchten boven kunstlicht en naar stilte boven geroezemoes.

Ik houd ervan heel langzaam te koken zodat ik al bijna aan het werk moet om vanavond om 19 uur een cassoulet au confit de canard op tafel te hebben. De eenden die gekonfijt eindigen vlogen een jaar geleden rond in de Dordogne, zeg in Saint-Avit-Sénieur.

In Outline doet Rachel Cusk het net anders: ze schrijft een portret van zichzelf, de contouren van haar bestaan worden zichtbaar door de weerslag van gesprekken met anderen, geweldige gesprekken in hun geloofwaardige afwisseling en relatieve alledaagsheid al is de manier waarop ze opgeschreven zijn en met name hun arrangement heel kunstig en veelbetekenend.

Ik houd van een goede verkoper en de mogelijkheid toch nee te zeggen tegen zijn product. Ik houd van een afwisseling van gesprekken die heel persoonlijk is, die niemand dan jij meemaakt en zo betekenis aan je dagen geeft en de rust waarin je daarover na kunt denken en nakauwen op toevallige bijzinnen die toen niets betekenden, poëzie in conversatie.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.

 

Reageer >
 

Poëzie, reizen zonder vliegschaamte

31 januari 2019 (12:10) | Menno Hartman | 1 reactie

Schermafbeelding 2019-01-31 om 11.42.11De presentatie van Roberta Petzoldts debuutbundel Vruchtwatervuurlinie in Dok eerder in januari en de première van van ‘Zwervershart’ in de Roode Bioscoop gisteren hadden gemeen dat op geweldige Amsterdamse locaties voor een groot publiek voluit de poëzie gevierd werd. En dat ik, hoewel ik de twintiger jaren in Berlijn en Petersburg van bijvoorbeeld Paul van Ostaijen en Daniil Charms niet meemaakte,  toch voelen kon.

In ‘Zwervershart‘ hebben Felix Srategier, Marko Bonarius en Saskia Meijs gedichten gearrangeerd op muziek; contrabas, altviool, cello (Eilidh Martin), het New Flint Poetry Orchestra. Prachtig werk van Boris Ryzhy, Gerrit Achterberg en Ed. Hoornik en  Paul van Ostaijen en Hugo Claus, Carlos Drummond de Andrade, Ingrid Jonker en Antjie Krog,  W.B. Yeats  en Bertolt Brecht. Muziek helpt poëzie soms en hier werkt dat goed.  Om de sfeer van authenticiteit kracht bij te zetten verscheen Antjie Krog na afloop op het podium. Een waardige start van de poëzieweek. Het prachtigst was overigens een instrumentaal stuk, Lo Eterno een uitgeschreven improvisatie van drie musici op een Spaans volksliedje, huiveringwekkend wat poëzie kan doen, maar nu in muziek: direct in het hart aansprekend.

Zoals Joseph Brodsky dat kan, zonder poespas geweldig. Een dichter overigens die in dit palet nog wel thuis zou kunnen horen, hier in vertaling van Peter Zeeman en Kees Verheul het begin van

‘WIEGELIED VAN CAPE COD

voor A. B.

De oostelijke punt van het Imperium zinkt weg in de nacht. Cicaden
verstommen in het gras van gazons. Klassieke citaten
op frontons worden onleesbaar. Het kruis op een spitse toren
donkert onverschillig, net als de fles die nog op tafel staat.
Vanuit een geparkeerde politieauto in de straat
strelen de toetsen van Ray Charles je oren.

Een krab kruipt vanuit de diepe oceaan naar een leeg stuk strand,
graaft zich in in het met klodders zee(p)sop bedekte natte zand
om af te koelen en slaapt in. De klok op een stenen toren stemt
z’n scharende wijzers. Zweet blijft je van het voorhoofd lopen.
De lantaarns aan het eind van de straat zijn als de knopen
van je openhangende overhemd.’

 

Het is direct, zintuigelijk, beeldrijk en heeft de ongelofelijke kwaliteit je toe te halen naar waar het geschreven werd.

Of dat bij Brodsky nu Sint Petersburg, Florence, Venetië of Cape Cod is. Je bent daar. Brodsky maakt de wereld groot, zoals ook de voorstelling ‘Zwerverhart’  of Roberta Petzoldts debuutbundel dat doen.  Van Los Angeles naar Berlijn, naar Cape Cod naar Petersburg.

Goede poëzie is reizen zonder vliegschaamte.

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.

 

1 reactie >
 

Brief versus dagboek

24 januari 2019 (9:34) | Menno Hartman | Geen reacties

static_3493‘3 Johannes 13, 14.’ Dat schreef mijn moeder op kaartjes naar vriendinnen in pakweg 1948. Ongetwijfeld vanaf een uitje van de Jongedames Vereniging nabij Garderen op de Veluwe.

  1. Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;
  2. Maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken. Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name.

De verwijzing naar de brief van Johannes aan Gajus was niet zozeer vroom als wel geestig bedoeld. Het vat tenslotte lekker samen. En er is in Garderen nog meer te doen.

De zendingsbrieven vormen samen met de nog twee eeuwen oudere brieven van Cicero aan Atticus de verst weg liggende voorbeelden van onze correspondentiecultuuur, waarover ik nadacht omdat ik Tijs Goldschmidt’s Onvoldoende liefdesbrieven aan het lezen en overwegen ben. Cicero schrijft een instruerende vriendenbrief, Johannes – of wie twee eeuwen na Christus onder die naam bekend was – een lichtjes vermanende zendingsbrief. Een brief heeft als literair genre alles mee. Hij is persoonlijk en vrij van vorm, ontbeert het navelstaarderige dat dagboeken kunnen hebben want de correspondent heeft een zeer klein publiek dat vermaakt of vermaand moet worden: een duidelijke ontvanger. De recente faxen van Nicolien Mizee, uitgegeven in twee bundels De kennismaking en De porseleinkast leveren op dit vlak vrijwel het beste wat de Nederlandse literatuur te bieden heeft. De brief is voor Nicolien Mizee dan ook haar ultieme genre. Haar andere werk ontsproot eraan, maar hier lag de basis: het feit dat zij al decennia lang vrijwel dagelijks een fax aan Ger Beukenkamp stuurt. Ik ken niemand die het las en die het niet geweldig vindt. Wel ken ik mensen die het niet lazen, en daar doen zij zichzelf mee tekort.

Met het navelstaren vanuit een dagboek doe ik het genre onrecht. Niet overigens mijn eigen dagboek, dat zelfs voor mijzelf verrassend gespeend is van elke soort van buitenpersoonlijke waarde. Ik heb pas dagboek kunnen schrijven nadat ik besloten had dat het niets mocht voorstellen, en dat gaat me sindsdien moeiteloos af. Er zit geen enkele valse bescheidenheid in de overtuiging dat die verzameling schriftjes voor slechts 1 persoon boeiende lectuur oplevert. Maar ik zal er nooit mee ophouden. Hele delen van mijn geheugen sterven af omdat ik de herinneringen immers heb vastgelegd. Ik zit er dus aan vast.

Dan Jules Renard. Zijn dagboek had ik liggen omdat Kousbroek er een stuk over schreef, maar schrijver SE wees me er weer eens op en ik ben verkocht. Waar brieven Mizee’s ultieme genre zijn, is het dagboek dat voor Renard. Je kunt blijven citeren, er staat geen overbodige zin in, wel veel duistere of pas na enig kraken hun inzicht vrijgevende maximes. Hij is niet pedant, liet literatuurderig, niet zanikend. Kleine stukjes helder inzicht die de kwaliteit hebben precies van toepassing te zijn op waar jij op dat moment maar net over na aan het denken was.

‘5 januari

Door zijn gebaren vooral viel hij op. Hij haalde woorden zomaar uit zijn mond en als hij ze eruit trok liet hij ze even flonkeren tussen zijn vingers, als ringen.’

Dat is de volledige dagboekaantekening van die dag in 1883. Maar wat een beeld! Als je zoiets gezien hebt en op papier gekregen dan hoef je verder ook de hele dag niets meer te doen.

De twee deskundige (en in geval van Frans de Haan bij leven, Marianne Kaas nog altijd) zeer sympathieke en met buitengemeen elegant Nederlands geëquipeerde vertalers helpen het boek een grote aanwinst te maken.

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot, zit in de redactieraad van Tirade.
Jules Renard, Dagboek 1887-1899. Arbeiderspers, 1988.
Reageer >
 

De vertellers van Helmers, tweede editie!

23 januari 2019 (9:53) | Gilles van der Loo | Geen reacties

8Café Helmers stond vol op de eerste De vertellers van Helmers. Men luisterde aandachtig en het kleine rode bankje neigde naar het midden, waardoor onze gasten lekker dicht tegen ons aan kwamen te zitten.

David Vann, die ondanks de taalbarrière was langsgekomen, bleek tussen Jan en mij in op het velours te passen. Voorlezers waren Mark Pieters, Maartje Wortel, Marian Mudder, Julien Ignacio en Herman Koch.

Hoewel we tegen zo’n topavond moeilijk op kunnen boksen, gaan we vol vertrouwen die tw6eede ronde in. Maandag 28 januari in café Helmers! Onze gasten-die-voorlezen-uit-door-hen-geliefd-werk-van-anderen zijn:

Josje Kraamer, Abdelkader Benali, Stephanie Hoogenberk, Gonny Gaakeer en Sun Li. We beginnen om 20:00, maar eerder zijn er ook al bier en nacho’s!

___________________________________________________________________________

image1De vertellers van Helmers. Vijf keer per jaar op de maandagavond. Regisseurs, acteurs, uitgevers en schrijvers die hun meest geliefde verhaal voorlezen in een huiskamersetting, inclusief schemerlamp en omazitje.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470 Nr.471 Nr.472 Nr.473
 
bestel
 
 
voorpagina