Ramboetan

22 oktober 2014 (4:22) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0224Het ramboetanseizoen is voorbij. Ik kan het moeilijk accepteren en sla ze in wanneer ik ze maar zie. Javaanse Surinamers verkopen de vruchtjes nog overal langs de weg, maar weten zelf ook dat het einde nadert.

Een verse lychee heeft frisheid bovenop het weeë zoet, iets wat je meestal niet meer terugvindt tegen de tijd dat ze in Nederland aankomen. De ramboetan (en alleen de dagverse) is veel meer dan dat: een sappig, friszoet genot van een zuurtje in zachtstekelig en bijna cyclaamkleurig vel, dat aan Nadim meteen de benaming egelballetje ontlokte.

Op de eerste dag in Paramaribo was het raak, en sindsdien heb ik een standing order bij de mevrouw op de markt. Als ze lekker zijn: 3 bossen voor Gil.

Suriname en haar klimaat maken het onmogelijk je lang zorgen over dingen te maken. Wat er ook aan de hand is (een afgekeurd manuscript, problemen op kantoor), als ik met een tas vol egelballen naar huis sjok, glijdt het door de barsten in het asfalt de rode aarde in.

Geloof me, ik doe mijn best om mijn zorgen te koesteren en aan te wakkeren met alle neurotiek die ik in me heb, maar het gaat gewoon niet. System override. Als een goedaardig virus dringt dit land je poriën binnen, waarna het je bloedbaan insluipt en fluitend in de weer gaat aan je binnenste. Die knoppen kunnen wel om, zegt het. En dat daar heb je ook niet nodig. Wat hangen die besognes hier rond? Hop, buiten met die bende. 

Vergeten is gemakkelijk, hier. Zo gaven we een vriend een lift door de stad, een Surinamer die ooit zijn land verliet vanwege Bouterse en de zijnen en hier terugkwam met het oog op verzet. Hij vertelde ons dat Bouterse op dit moment waarschijnlijk de beste persoon is om Suriname te leiden.

‘Ik ben de jaren ’80 niet vergeten,’ zei hij. ‘Maar Bouterse is wie de mensen willen en hij doet tegenwoordig een hoop goed.’

‘Maar moreel gezien, dan?’

Onze vriend glimlachte en tikte mijn arm aan. ‘Ga hier rechts. We zijn vlakbij. Wat ik zeg: Bouterse is wie de mensen willen.’

Ik sloeg af, stak mijn vrije hand in de tas met ramboetans die tussen ons in stond en dacht na over mijn volgende vraag. Ik zou respectvol aandringen, me vastbijten, uiteindelijk écht antwoord van hem krijgen.

‘Daar is het,’ zei hij, en wees naar een kleine ijswinkel met een roestig klimrek ernaast. Ik parkeerde, trok mijn sleutel uit het contact en zette de gepelde ramboetan tussen mijn tanden. Terwijl we uitstapten om softijs voor Nadim te kopen overviel het me opeens weer in al zijn hevigheid: dat het seizoen bijna was afgelopen.

 

Reageer >
 

Leve onze Marine

21 oktober 2014 (12:46) | Marko van der Wal | Geen reacties

Vandaag ging mijn ochtend heen met het zoeken naar een gedicht. Mij werd onlangs voorgelezen uit Gerard Reves ‘Brief uit Huize Algra’ (in: Nader tot U) en toevallig lees ik zelf sinds kort regelmatig voor, in het kader van de culturele verbreding en verdieping. Vanwege die samenloop van omstandigheden herinnerde ik mij het gedicht ‘Leve onze Marine’ uit dezelfde bundel, dat een behoorlijke indruk maakte toen ik voor het eerst las. Het was destijds zelfs zo’n sensatie – een effect dat het ook nu nog niet mist – dat ik me voornam ook zo te schrijven, maar bij gebrek aan talent heb ik me toen toegelegd op het vertalen van precies dat gedicht. De vertaling had een omzwerving gemaakt op internet, waar ze was terechtgekomen op verschillende blogs, waaronder die van Reve-kenner Huub Mous, en via een omweg naar de moederschoot was teruggekeerd. Ik vond haar uiteindelijk in de krochten van mijn computer; het doet mij dan ook genoegen mijn kleine jeugdzonde hier zonder méér op te nemen. Eerst het oorspronkelijke gedicht van Reven en dan mijn versie in het Fries.

Leve onze Marine

Per trein op weg naar huis, zoek ik vergetelheid in bier,
maar kan, wat komen moet, niet meer bezweren:
reeds na twee haltes stapt hij in, tenger matroos, met stoute billen,
verlegen maar brutaal. Met oortjes. Donkerblond.
Wanneer ik ooit nog rijk word gaat hij elke dag
met mij de stad in om van mij te drinken wat hij wil:
‘dit is mijn bloed’.
En elke mooie hoer die hij wil hebben wordt door mij betaald:
‘dit is mijn lichaam’.
Ik zou zo graag erbij zijn, schat, maar niet als jij je schaamt:
dan hoeft het niet, en zal ik je nooit zien,
verborgen naakt in trui en broek, verheven ruiter,
aanbeden Dier, lief Broertje van me.

Libje ús Marine

Mei de trein ûnderweis nei hûs, sykje ik ferjitnis yn bier,
mar kin wat komme moat, net mear beswarre:
al nei twa halten stapt er yn, himpen matroas, mei stoute billen,
ferlegen mar bretaal. Mei earkes. Donkerljocht.
Wannear’t ik ea noch ryk wurd, gjit er else dei
mei my yn’e stêd om fan my te drinken wat er wol:
‘dit is myn bloed’.
En else moaie hoer dy’t er hawwe wol, wurdt troch my betelle:
‘dit is myn lichem’.
Ik soe d’r sa graach by wêze, skat, mar net as do dy skammest:
dan hoecht it net, en sil ik dy nea sjen,
ferburgen neaken yn trui en broek, ferheven ruter,
oanbidde Dier, leaf Broerke fan my.

Reageer >
 

Fictie/Non-Fictie

20 oktober 2014 (9:59) | Martijn Knol | Geen reacties

Abbe‘Hé, kijk… Maarten Baas… Yo, Maarten, wat ben je aan ’t doen?’

‘O, ik zit een beetje te tikken… tijdens de Dutch Design Week schrijf ik iedere dag een kleine column voor het Eindhovens Dagblad.’

‘Huh? Kun je dat ook?’

‘Wat?’

‘Schrijven. Je bent toch ontwerper?’

‘Vormgeven is toch vormgeven? Eerst krijg je een idee en daarna kijk je in welk medium je ’t uitwerkt.’

‘O, ja. Natuurlijk!’

‘Maar volgens mij is ‘r wel een groot verschil tussen fictie en non-fictie. Ik bedoel: zo’n stukje schrijven over mijn eigen leven lukt me nog wel, maar als ze mij zouden vragen om allerlei dingen te verzinnen: dat zou ik nooit kunnen.’

‘Ach, dat verschil tussen fictie en non-fictie moet je niet overdrijven hoor: op mijn boeken staat ‘roman’, maar alles wat ik schrijf is 100% autobiografisch.’

‘Hahaha!’

‘Hahaha!’

‘Zo, nu ga ik weer verder als je ’t niet erg vindt.’

‘Wacht ff… kun je de lezers van Tirade kort uitleggen wat de Week van het Ontwerp eigenlijk behelst? Wat is er zoal te zien en te doen?’

‘Heb je een computer?’

‘Ja.’

‘Heb je google?’

‘Ja.’

‘Zoek ‘t dan lekker zelf op.’

‘Hahaha!’

‘Nee, wacht… misschien is ‘t wel sympathiek om een linkje te maken naar de mensen van Kazerne, die zijn deze week net open gegaan.’

‘Doe ik. Maar stuur mij dan je eerste column door. Zet ik die op de Tirade-blog.’

Affiche AbbeHet schoentje van Jet

Door: Maarten Baas

De zon straalt, een strakblauwe hemel. De terrassen zitten vol. Af en toe het geronk van helikopters waarmee politici, filmsterren en popzangers naar Eindhoven worden gevlogen.

Iets te laat loop ik het van Abbe binnen voor de opening van Sense/ Nonsense. De crew staat me zenuwachtig op te wachten; een suppoost sleurt me naar de zaal met mijn stukken.

Aan het geroezemoes hoor ik dat de delegatie van hoogwaardigheidsbekleders (Neelie Kroes, Thomas Widdershoven) en celebrities (Hans Klok, Paul Haenen) nadert. Minister Jet Bussemaker loopt voorop. Ze ziet er prachtig uit. Een hemelsblauw rokje, blouse met roezelkraag en paarse hakschoenen.

Op het moment dat de minister – stralend – met uitgestrekte hand op me af komt, breekt de hak van haar rechterschoen. Ze verzwikt haar enkel. Ik zie hare excellentie bijna omvallen, spring naar voren en weet haar op tijd op te vangen. Opgeluchte oh’s en ah’s gaan door de zaal. Burgemeester Van Gijzel zet een applausje in. Jet en ik schieten in de lach. Met die verzwikte enkel kan ze niet verder lopen. Ik draag haar naar zaal 5 – ze is zo licht als een schoolmeisje – en til haar in de Slow Car van Jurgen Bey. In het elektrische wagentje vervolgt de minister haar bezichtiging.

Glunderend rijdt ze langs stukken van Tord Boontje, Atelier NL en Wim T. Schippers.

Aan het einde van de middag draag ik de minister de lift in. Haar helikopter staat al te wachten op het dakterras van het van Abbe. ‘”Nou”, zegt Jet met een knipoog, “designers zijn een stuk nuttiger dan ik had gedacht”.’ Zwierig draait haar helikopter de schemering in. Terug in mijn zaal zie ik het muiltje van Jet liggen. Ik steek het in mijn binnenzak. Voor het slapengaan, zet ik de schoen op een lege plank van mijn Billy.

Morgen: De Witte Dame.

Van maandag 20 tot en met zaterdag 25 oktober schrijft Maarten Baas iedere dag een kleine column voor het Eindhovens Dagblad. Dit is de eerste uit de reeks. De volgende afleveringen zullen niet op deze blog verschijnen, wel in de papieren en digitale editie van het E.D. Bovendien kun je de columns lezen via Blendle.

—————

Volgende week: (Eindelijk!) De LINDA Questionnaire. En meer. Kiekjes hierboven: M.K.

Reageer >
 

Elandenjacht en gevechtsvliegtuigen

19 oktober 2014 (0:29) | Jannah Loontjens | Geen reacties

fotoDoorgaans als ik in Zweden ben om mijn familie te bezoeken, doe ik niet veel meer dan door het bos wandelen, wat lezen en zittend op een rots voor me uit staren. Maar nu is de tijd van de elandenjacht net begonnen en dat betekent dat we op onze hoede moeten zijn. Deze jacht is geen elitesport of een bezigheid van een kleine groep fanatici, de elandenjacht is er voor iedereen; mensen van alle bevolkingsgroepen, leeftijden en milieus doen er aan mee. Het is een traditie waar kinderen mee opgroeien, het journaal opent ermee. In sommige streken in noord Zweden verdelen ze het jaar in de tijd ‘voor’ en ‘na’ de elandenjacht.

Op het eerste gezicht lijkt alles hetzelfde, het is stil in het bos en de jagers houden zich goed verborgen. We waagden ons op een wandeling, maar bleven toch wat angstvallig op de grindwegen. Het is een griezelig gevoel dat je beloerd wordt en dat er uit het niets kogels langs je hoofd kunnen suizen. Elk jaar worden er wel een paar mensen per ongeluk geraakt. Een keer was een man door een kogel getroffen die eerst door een eland heen was gegaan. Zowel de eland als de man waren dood.

We liepen ongeveer een halfuur door het dichte bos waar mijn vader woont en waar je normaal gesproken geen ziel tegenkomt. Onderweg ontdekte ik een jager die in camouflagepak met geweer over de schouder een jachtpost opklom (zie foto). De vrouw die in het eerstvolgende huis woont, zag ons aankomen en riep me verschrikt toe dat ik in mijn bruinen lederen jasje voor een dier aangezien kon worden. Ze schieten namelijk niet alleen op elanden, maar ook op reetjes, vossen, hazen en wilde zwijnen. Een groot dier kan op driehonderd meter afstand dodelijk geraakt worden. Lokale bewoners die zich in de jachttijd het bos in wagen, dragen over hun jassen felgekleurde vestjes, of binden oranje linten rond een pet of muts.

Behalve de jacht is er nog iets dat de vredige sfeer in het bos verstoort: gedender van overvliegende gevechtsvliegtuigen. Sinds de instabiliteit in de Oekraïne laten de Russen hun militaire vliegtuigen vlak langs de Zweedse landsgrens vliegen, waarop de Zweden met vergelijkbaar machtsvertoon reageren. Nu gaat de vliegroute richting de grens boven de Oostzee net over het bos waar het huis van mijn vader staat.

De Russen laten hun vliegtuigen soms op slechts enkele meters afstand langs de Zweedse straaljagers scheren. Niemand weet in hoeverre ze hier de opdracht toe krijgen. Het zou goed kunnen dat de piloten jonge militairen zijn die stoer willen doen en showen hoe goed ze kunnen vliegen. Soms kan dat soort waaghalzerij, kleine stommiteiten of persoonlijke inschattingsfouten grote politieke gevolgen hebben. Stel je voor dat een Russisch toestel een Zweedse straaljager raakt.

Sven-Erik belde vandaag naar mijn vader, hij heeft met de jagers contact gehad en vanmiddag zullen ze ten zuiden van ons huis niet meer jagen. We kunnen dus veilig het bos in. Toch voel ik me er niet gerust op. Genieten van het ruisen van de bomen, het meditatieve mijmeren en de onbekommerde gedachte dat ik wel eens eland of hert tegen zou kunnen komen, is er dit keer niet bij. Schichtig loop ik tussen de bomen, angstig voor mannen in camouflagepakken met geweren, voorbereid op het donderende geraas van overvliegende gevechtsvliegtuigen. Aan de wereld ontsnappen kun je niet.

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

Reageer >
 

Koningsspelen

18 oktober 2014 (8:45) | Anne-Marieke Samson | 1 reactie

le roiKoning Ouf, uit de opera L’Étoile van Emmanuel Chabrier (nog tot 26 oktober te zien!), viert elk jaar zijn verjaardag met de publieke executie van een onderdaan. Op de dagen voorafgaand aan zijn verjaardag is het volk op zijn hoede. Men weet immers: de koning zwerft incognito door het land op zoek naar een slachtoffer. Laat je dus niet verleiden tot uitspraken over de regering, weet het volk, want dat kan je duur komen te staan dezer dagen: wie de koning schoffeert staat een dag later op het schavot (of eigenlijk op een soort bizar martelwerktuig, waarover ik niet zal uitweiden). Straatventer Lazuli laat zich op een slecht moment een beetje gaan en verkoopt de vermomde koning een klap voor zijn kop. De koning tilt zijn hoed op, waaronder de kroon vandaan komt (c’est moi, le roi!) en binnen een mum van tijd staat het volk klaar om mee te kunnen genieten van de openbare executie.

Het zal je maar gebeuren, dacht ik gisteren in het roodfluwelen gestoelde van het Muziektheater*. Een gestoorde gek als koning, vind ik nog tot daar aan toe, want wie een monarch wil, zal er een keer een krijgen. Maar Kafkaëske toestanden en niemand die het voor je opneemt; dat vind ik angstaanjagend. Dan denk ik aan Lucia de Berk. Weliswaar is ze niet publiekelijk geëxecuteerd. Wel publiekelijk te schande gemaakt. Ik heb haar boek nog niet gelezen, (want ik lees maar weinig non-fictie, volgens Menno komt dat met de jaren). Toch heb ik al vaak gegruweld van wat haar moet zijn overkomen.

Ik probeerde me het wel eens voor te stellen. Dat op een dag de zaalarts je bij zich roept, na een harde werkdag waarbij een patiënt is overleden: ‘He Luus’, zegt hij, ‘er gaan wel erg veel mensen dood om jou heen.’ En ja, wat zeg je op zoiets terug? Je stamelt iets van: ‘Ja, ehmm, het zijn heftige weken geweest, inderdaad.’ En als je fronsend wegloopt, denk je: ‘Wat heeft die dan?’. Iedereen gaat op zijn eigen manier om met de hoge werkdruk in het ziekenhuis, weet je, en je laat het van je afglijden. Maar als je maandag op je werk komt, word je bij de directeur geroepen. Je wordt ontslagen, en er zal aangifte worden gedaan. Je vertrekt verbijsterd naar huis. Wordt een paar dagen later opgeroepen bij de politie. De media krijgen er lucht van, en plotseling word je in de kranten als een heks beschreven als een meedogenloze moordenares die weerloze slachtoffers vergiftigde.  Je wordt gearresteerd. En dan huur je toch maar een advocaat in. ‘Als ze het gaan onderzoeken zal vanzelf wel blijken dat ik niets heb gedaan’, leg je dan nog optimistisch uit aan die advocaat. Maar als vervolgens een toxicoloog gif aantreft in een van je vermeende slachtoffers, en als een stelletje wiskundigen zich via kansberekening gaat bemoeien met je zaak en concludeert dat de kans dat dit toevallig is een op zoveelmiljoen is, begin je je te realiseren dat dit wel eens heel slecht af zou kunnen lopen. ‘Heb je echt niets gedaan?’, vraagt ook je advocaat steeds vaker. Waarschijnlijk ga je jezelf die vraag zelfs stellen na een tijdje.

Ook rondom militair Marco Kroon hebben we zo’n toestand meegemaakt. De militair met willemsorde voor uitzonderlijke moed, die in zijn kroeg vol drugs en wapens werd gearresteerd. Vechtersbazen zijn die soldaten toch, dachten we massaal. Potsierlijk. Maar hij werd toch vrijgesproken, geloof ik. Of gedeeltelijk. In elk geval hoefde hij die willemsorde niet in te leveren. Maar de aandacht voor Marco was tegen die weer een beetje verstreken. En vandaag in het nieuws lees ik opeens dat piloot Poch wellicht toch niet zo schuldig is als we eerder allemaal hebben aangenomen. Er zou een complotje gaande zijn, (iets met het koningshuis)**. Nu vermoed ik dat over dergelijke complottheorieën de laatste steen wellicht niet boven zal komen (een complottheorie laat zich namelijk lastig bewijzen of weerleggen). Het bewijs dat Poch dodenvluchten uitvoerde, zou vooral zitten in de verklaringen van collega-piloten van Transavia. En zijn collega’s zijn het er onderling niet over eens of Poch wel echt ooit tijdens een dinertje gezegd heeft dodenvluchten uit te hebben gevoerd. Ondertussen zit hij al vijf jaar vast in een Argentijnse cel.

Of ben ik nu te goedgelovig, en is hier de advocaat van de duivel aan het woord? Ik vind het maar lastig en ben blij dat onze koning zijn verjaardag gewoon wil vieren met vrolijk sportende onderdanen.

 

* Het Muziektheater is ondertussen door tussenkomst van een consultancybedrijf omgedoopt tot “de Nationale Opera en Ballet”, een slecht congruerende titel, die bovendien verwarrend is, want een ballet is toch geen naam voor een gebouw.

**NRC: “Hij zei me dat er in het onderzoek tegen Poch hogere belangen speelden die ik (een ex-transavia-topman) me niet voor kon stellen. Ik vroeg (…) of hij doelde op de relatie van deze man met het Koninklijk Huis, een gerucht dat toen al in bredere kring werd gehoord. Hierop gaf hij geen antwoord, maar uit zijn lichaamstaal maakte ik op dat ik gelijk had”

 

1 reactie >
 

Marc Poorter: De weemoed van Modiano

17 oktober 2014 (10:29) | Gast | Geen reacties

Het was begin jaren tachtig. Ik was een jaar of vijftien en lid van een boekenclub. Omdat ik een keer geen bestelling deed, kreeg ik de kwartaalkeuze van de club toegestuurd. Zo’n boek mocht je niet terugsturen, het werd je letterlijk de strot ingeduwd. Op de cover van de kwartaalkeuze prijkte een tekening van een man met een lange schaduw die door een mistige straat keek, daaronder de titel: De straat van de donkere winkels. De auteur was de mij toen onbekende schrijver Patrick Modiano.

Met tegenzin begon ik het op een avond te lezen, ik had er nu eenmaal voor betaald. Na een paar hoofdstukken raakte ik in de ban van het verhaal over een man die aan geheugenverlies leed. De man ging op zoek naar zijn verleden en ontmoette mensen met wie hij ooit contact had in nachtclubs in Parijs, waar hij ontdekte dat zij hem al bijna vergeten waren. Een enkeling herkende hem vaag, de meesten schudden onverschillig hun schouders. De hoofdpersoon bleek een figurant te zijn in de levens van mensen die in de jaren vijftig in het Parijse nachtleven rondhingen.

In één nacht las ik het boek uit. Ik herinner mij dat het gesneeuwd had en ik de volgende morgen in de schemer langs de donkere flatgebouwen in mijn wijk liep. Er bekroop mij een onbekend gevoel, iets wat ik nog niet eerder had meegemaakt in mijn leven. Jaren later begreep ik wat het was: weemoed.

Het was niet eens zo’n bijzondere roman. Er worden vele boeken geschreven over mensen die op zoek gaan naar hun verleden, en de sporen van gebeurtenissen uit hun jeugd proberen te achterhalen. Modiano gebruikte de zoektocht van de hoofdpersoon echter als decor van het thema dat later zijn handelsmerk zou worden: het verstrijken van de tijd en het verloren gaan van de herinnering aan mensen met wie wij ooit contact hadden. Die ochtend na het lezen van de roman werd ik mij er plotseling van bewust dat het verstrijken van tijd verdrietig maakt. Ik weet nog dat ik op de hoek van een straat stond, naast een telefooncel met een dikke laag sneeuw erop. Oké, krakende sneeuw onder je voeten, ochtendschemer, donkere huizen, stilte, het waren de omstandigheden die hielpen om dit euforische gevoel te versterken, maar toch, de volgende morgen zou het op die plek anders zijn. De regen spoelde de sneeuw weg en met de sneeuw verdween het magische moment voor eeuwig. Soms, als ik in de buurt van mijn ouderlijk huis ben, ga ik op die plek staan. De telefooncel is weg, de huizen zijn nog net als toen. Als ik mijn ogen sluit ben ik weer even de jongen die ik toen was, die zich dankzij Modiano bewust werd van het voorbijgaan van alle dingen.

Weemoed werd mijn tweede natuur, ook al leverde het mij niet meer op dan het leiden van een intens leven, waarin iedere minuut ertoe deed. Ik beleefde mijn momenten in de sfeer van afscheid. Bij mijn ouders thuis, als er op zondagmiddag visite was, mijn vader een vrolijke dronk had en mijn moeder uit een glaasje advocaat met slagroom lepelde, lette ik op de salontafel waar de bakjes met chips lagen. Met de visite verdwenen de dingen van de tafel,  met het kantelen van de zondagavond naar de werkweek, de vrolijke stemming in huis. Op elke maandagmorgen, onder het kale licht van de plafondlamp, zag ik de salontafel die de vrolijkheid van de dag ervoor symboliseerde, en ik treurde om wat voorbij was.

Terug naar Modiano. Ik heb veel aan hem te danken, ook al raakte ik mijn interesse in de loop der jaren langzaam kwijt. Andere schrijvers riepen om aandacht en de romans van Modiano leken soms een herhaling van zijn obsessie voor de duistere figuren die niets anders deden dan ronddwalen door het nachtelijk Parijs. Pas met de roman Dora Bruder was mijn liefde voor Modiano weer helemaal terug. Een verhaal over één slachtoffer van de Jodenvervolging, waarin de schrijver met slechts één enkele aanwijzing over het bestaan van de hoofdpersoon op zoek gaat naar haar identiteit. Door iets eenvoudigs te nemen – een opsporingsbericht in een oude krant over een meisje dat van huis is weggelopen – benoemt Modiano iets groots. Het is een universele techniek in de literatuur: iets verkleinen waardoor het groot wordt. De onbeduidende Dora staat symbool voor alle anonieme levens die in de oorlog genomen zijn. Aan het eind van de roman, als Modiano bij gebrek aan feiten niet weet hoe het Dora is vergaan, schrijft hij:

“Ik zal nooit weten hoe ze haar dagen doorbracht, waar ze zich verborgen hield en in wiens gezelschap ze zich bevond, die winter toen ze de eerste keer was weggelopen en de enkele weken in het voorjaar toen ze opnieuw was ontsnapt. Dat is haar geheim. Een armzalig en kostbaar geheim dat de beulen, de verordeningen, de zogenaamde bezettingsautoriteiten, het huis van bewaring, de kazernes, de kampen, de Geschiedenis, de tijd – alles wat ons bezoedelt en vernietigd – haar nooit meer zullen kunnen ontfutselen.”

Dit is Modiano. Hij schuwt het theatrale niet, maar het hindert geen moment, in de compositie van zijn roman is het een prachtige finale.

Op een website bekeek ik live de bekendmaking van de Nobelprijs voor de literatuur. Ik kon het Zweeds niet volgen, maar ik ving zijn naam op. Daarna las de man het in het Engels voor, en weer die naam. Ik kreeg er koude rillingen van. In de uren daarna merkte ik dat velen nog nooit van hem gehoord hadden. Dat zal nu vast gaan veranderen, er zullen duizenden herdrukken van zijn romans verkocht worden.

En de schrijver zelf? Ik hoorde een telefoongesprek waarin een journalist hem vroeg waar hij was toen hij het nieuws hoorde. ‘Ik wandelde door Parijs,’ was zijn antwoord. Een stotterende, verlegen man die maar één uur per dag schijnt te schrijven, meer kan hij niet opbrengen. Het is voor hem zwaar om grote gedachten om te zetten in taal, zei hij een keer. Ik ben het daar helemaal mee eens.

—-

Marc Poorter debuteerde in 2013 met de roman De waarheid en het koninkrijk (Prometheus). De roman ontving lovende recensies en kreeg veel aandacht in de media. Naast het geven van schrijfcursussen werkt Poorter op dit moment aan zijn tweede roman, die in het voorjaar van 2015 verschijnt.

Reageer >
 

Antwoorden op LINDA.

15 oktober 2014 (2:12) | Gilles van der Loo | Geen reacties

imgresHet magazine LINDA. interviewde onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geeft ook Gilles hieronder antwoord op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, de drukproef die aan de redactie was toegezonden werd mij afhandig gemaakt door collega Marko van der Wal, die had kunnen weten dat het (na het lezen van tien bladzijden) moeten afstaan van wat een heel goede roman lijkt te zijn verschrikkelijk is. Verschrikkelijk. Ik heb weken niet aan een ander boek kunnen beginnen.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Omdat dit steeds verandert ga ik hier antwoorden door het boek te noemen dat ik het langst het mooist gevonden heb. In the Heart of The Country, van Coetzee. Of nee: John Bergers To the Wedding. Fuck, nee: The Insult van Rupert Thomson. Nee, niet. Anthony Doerr: The Shell Collector. Wacht. Nee, wacht. Giovanni’s Room. Of toch The Closed GardenDer Golem? Pilgrim? Le temps d’un soupir? Ames grises

Lieve LINDA. Ik kan het niet. Te moeilijk.

En waarom? Echt?

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Mijn moeder zegt dat mijn eerste verhalen coproducties waren. Samen met mijn vader smeedde ik tussen mijn derde en negende een heel oeuvre waarin hoofdrollen voor onze huisdieren waren weggelegd.

Waar laat jij je door inspireren?
Ik geloof dat ik alles wat me overkomt onderbewust opsla en dat mijn ‘pen’ later als een soort ouija-glas de letters opschrijft die me worden ‘doorgegeven’. Nee, echt. En ik merk ik dat ik bij thuiskomst van een verre reis vaak schrijf in de sfeer van het land dat ik bezocht heb.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Iedereen. De beginnende lezer raad ik Hier sneeuwt het nooit aan. Voor de gevorderden: Het laatste kind. Voor elk wat wils, dus.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Ik denk aan beauty, wellness of verre reizen. Maar koken spreekt me ook aan. Ja, misschien wel over koken. De Surinaamse keuken, lijkt me een goede. Daar zit alles in, mits je een beetje suiker en MSG weglaat uit de receptuur. 

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een foto die een lezeres mailde van mijn bundel, liggend op haar blote benen, die op hun beurt weer in het gras lagen. Het was een bibliotheekexemplaar van Hier sneeuwt het nooit (wat altijd bijzonder is). Ze schreef: ‘DANK je. Dank je, dank je, dat je DIT hebt geschreven.*

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Oh, beauty is al geweest. Wat jammer.

Ik voel me niet vaak mooi. Maar dat is natuurlijk de vraag niet. Ik voel me – geloof ik – op mijn mooist als ik geniet, en voor heel even niet bezig ben met hoe ik overkom. Op mijn lelijkst voel ik me als ik kleren moet kopen in om het even welke winkel.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf vijf dagen per week van 09:00 tot 12:30 aan mijn eettafel, die LEEG moet zijn op een laptop, schrijfblok, vulpotlood, espresso en de resten van iets zoets na.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Ik verdien alleen de boter met het schrijven. Beleg en brood worden anders gefinancierd. Zo run ik een psychodiagnostiekbureau, redigeer ik tekst voor anderen, kook en cater ik, en heb ik een vrouw met een stabiel inkomen. Samen redden we het wel.

 

 

* Geen woord gelogen.

Reageer >
 

Vragen van LINDA.

14 oktober 2014 (12:06) | Marko van der Wal | Geen reacties

Voor zijn website interviewde het magazine LINDA. onlangs onze blogger Anne-Marieke Samson. Bij wijze van solidariteitsbetuiging geef ik hieronder ook antwoord (of geen antwoord) op de vragen die haar werden voorgelegd.

Deel 1

Kun je ons in één zin vertellen waar De val van Jakob Duikelman over gaat?
Nee, maar laat ik een poging wagen. Jakob Duikelman is een ambtenaar die zichzelf op ondoordachte wijze klem zet in het leven en tegelijkertijd door toedoen van anderen nog dieper in de penarie raakt.

Wat is het mooiste boek wat je ooit hebt gelezen en waarom?
Moby-Dick. Omdat het een opera op papier is, waar je een soundtrack naar keuze bij kan denken. Van Bach tot Radiohead, want Melville heeft zo goed als de hele wereld in dit boek gestopt. In het eerste hoofdstuk vraagt Ishmael zich af: ‘Why is almost every robust healthy boy with a robust healthy soul in him, at some time or other crazy to go to sea?’ – de rest van Moby-Dick laat zien waarom de zee letterlijk waanzinnig aantrekkelijk kan zijn.

Hoe ben je begonnen met schrijven?
Door lussen te oefenen in een schriftje geloof ik.

Waar laat jij je door inspireren?
Er zijn een paar mensen om me heen die mij inspireren zonder dat ze dat zelf weten, waaronder ook een paar antivoorbeelden. Verder de geijkte inspiratiebronnen muziek en literatuur.

Wie moet jouw boek absoluut lezen?
Mijn hoogstpersoonlijke binnenwereldroman Het huilen van Simba, over een jongen met een quarter-life crisis op het randje van de verdoemenis, is een must-read voor iedereen die denkt dat ie een weergaloos interessant groots maar heel zwaar leven heeft. Het kan namelijk nog veel erger.

Deel 2

Als jij hoofdredacteur van LINDA. was, welk thema zou de volgende LINDA. dan hebben?
Als redacteur van Tirade zou ik zeggen: geen. En als het toch moet dan graag op een zo verhuld mogelijke manier. Bij literaire tijdschriften kom je veel te veel onzinnige thema’s tegen. Geen hond die een tijdschrift wil lezen waar heel groot GEREEDSCHAP op staat of VERGEVING, dat doe je de abonnees uit fatsoen gewoon niet aan. Maar misschien zou er eens een nummer gemaakt kunnen worden met CHANTAGE als thema, met iets over vrouwelijke witteboordencriminelen en een coververhaal over torteldoffers die elkaar het leven zuur maken door stalking.

Welke reactie op je boek is je het meest bijgebleven?
Een lezer die me had herkend van de auteursfoto sprak me aan met de opmerking dat hij zelf Simba heette en zich erg in de hoofdpersoon van mijn boek herkende. Hij vroeg wat niemand eerder had durven vragen: of ik de imaginaire dochter van Martijn Knol écht heb doodgeschoten toen ze een beker karnemelk over me heen kieperde in het vierde hoofdstuk. Nee, zei ik, maar in al mijn personages zit wel iets van mezelf.

Het thema van LINDA.meiden is beauty. Wanneer voel jij je op je mooist? En wanneer op je lelijkst?
Daar heb je weer zo’n uitgekauwd thema. Ik pas.

Heb jij een schrijfritueel?
Ik schrijf bij voorkeur thuis, tikkend op mijn laptop, met een aantekeningenboekje voor mijn neus. Het tijdstip maakt niet veel uit. Als daad van ironie ga ik wel eens bij de zzp’ers in de koffiebar om de hoek zitten, waar ik dan niets uit mijn vingers krijg, net als de anderen.

Verdien je je brood met schrijven? Wat doe je nog meer?
Facebook valt mij regelmatig lastig met aanbiedingen voor traineeships in de financiële sector – dat doet mij wel eens twijfelen aan mijn inkomsten uit de letteren.

Reageer >
 

Van de redacteur – twee boekentips voor Henk P.

13 oktober 2014 (10:19) | Martijn Knol | Geen reacties

Neoliberalism has brought out the worst in us.’ – Paul Verhaeghe, The Guardian, 29 september 2014.

MartijnKnolAllesKanKapotWereldbibliotheekHey Henk,

Hoe gaat ‘t met jou? Met mij gaat ‘t goed!

Ik zat/zit opeens te denken… die nobele Henk bezorgt nu al jaren onvermoeibaar het pleit van de NED-LIT, de LIT en de CULT in ‘t algemeen, maar wie promoot nu eens een boekske aan zijn adres? Een veronderstelde lacune waarin ik graag voorzie.

Uit waardering voor al jouw inspanningen doe ik jou in dit schrijven twee tips aan de hand. Één gloednieuwe titel. En één moderne klassieker. Het eerste/tweede nonfictie. Het tweede/eerste fictie.

Ik ga mijn keuzes niet toelichten. Testimonia zijn passé – het internet bezwijkt eronder. En het was al zo’n onwaarachtig genre. Bovendien: wat zou ik boeken gaan zitten aanprijzen? Ik ben schrijver, geen copywriter of vertegenwoordiger, toch? Ik neem aan dat mijn naam aanbeveling genoeg is voor je.

Loop een boekwinkel in en je ziet tot welke ellende de misvatting dat lezers overtuigd – of erger: ‘verleid’ – moeten worden heeft geleid. Hysterische blurbs, kitscherige omslagen, zwaar gephotoshopte auteursportretten. Noem me een romanticus, maar in mijn meest extatische buien ben ik soms geneigd het boek als meer dan een louter economische factor te beschouwen – als een manier om wezenlijk contact te maken met andere mensen.

Ach, sorry… terwijl ik de jpg’s in deze missive zit te plakken, zie ik pas dat mijn beide Tip/Top boeken uit het fonds van Uitgeverij Wereldbibliotheek komen! De uitgeverij die ook mijn werk publiceert. Sterker nog… nu zie ik pas dat ik één van de twee boeken zelf geschreven heb, hahaha! Wat stom dat me dat niet eerder is opgevallen! Wat gênant eigenlijk! Wat onbescheiden! Nou ja… het gekkenhuis van de literatuur heeft vele kamers, moet je maar denken.

de rechter die geen ontzag hadHeel erg origineel zijn mijn aanbevelingen, jouw referentiekader inschattende, niet. Hugo Röling’s De rechter die geen ontzag had is je natuurlijk al lang aangeraden door je eigen auteur Kees van B. en mijn eigen romans, verhalen en blogstukken worden zo onvermoeibaar gepromoot door Weekblad Pers Groep arrangeur/auteur Hanneke van Hussel dat je er langs de één of andere weg al lang over gehoord moet hebben. Ik breng je oud nieuws, ik verdoe je tijd.

Ik ga je mijn twee Tip-boeken niet cadeau doen of laten toesturen. Je moet ze zelf kopen – ik denk dat je mijn uitgever en zijn auteurs dat beetje omzet wel gunt. Zelf ben ik een groot voorstander van zelfstandige boekhandels. Maar als je de titels liever verwerft bij een ketenboekhandel of webwinkel: dat is natuurlijk niet verboden. Zolang je de boeken maar niet steelt.

Nou, Henk, ik ga weer wat doen… schrijf me vooral niet terug, want dat valt sowieso verkeerd. Voor je ‘t weet komt mijn personage De Staart de voordeur aan de Van Miereveldstraat intrappen om je knieschijven kapot te schieten en je je eigen ballen op te laten vreten. Dat moeten we niet willen!

Veel plezier met de teksten die ik je heb aangeraden – en het allerbeste voor jou en voor die fijne toko van je.

Dag hoor,

Martijn

————-

Volgende week: Via Gewande naar het Van Abbe en Kazerne – tien dagen keten met Maarten Baas.

Reageer >
 

‘Je bent onzichtbaar’

12 oktober 2014 (0:24) | Jannah Loontjens | Geen reacties

fotoHet prettigste aan mijn ‘writer in residence’-plek hier aan het NIAS zijn de wandelingen van het ene gebouw naar het andere. Terwijl ik thuis in de ledige momenten van het schrijven naar de keuken loop, in de koelkast of uit het raam staar, loop ik hier van het ene gebouw naar het andere, over gras, onder bomen, langs een groene sloot met eend. Soms zie ik een nerveus eekhoorntje. In het ene gebouw heb ik een slaapkamer met douche, in het andere een werkkamer. Die werkkamer is naar mijn smaak nogal donker, voor het raam niets dan gebladerte. Toen ik een keer vroeg of ik misschien naar een kamer met meer daglicht zou kunnen verhuizen, werd mij duidelijk gemaakt dat dit niet de bedoeling was. ‘Marcel Möring, Tommy Wieringa en Thomas Rosenboom zaten hier. Dit is de schrijverskamer.’ Hij keek me aan. ‘Rosenboom was wel dol op chili con carne,’ voegde hij er aan toe. ‘Ah, vandaar die bedompte lucht,’ speelde ik het spel mee. Hij lachte. ‘Ja, precies, precies!’

Alle aanwezigen hier worden ‘fellows’ genoemd en van alle fellows wordt verwacht dat ze zoveel mogelijk aanwezig zijn, dat ze aan de gezamenlijke lunches deelnemen en lezingen bezoeken van de andere fellows. Ik ben hier beslist niet elke dag, dus als ik er ben, doe ik mijn best om mijn aanwezigheid zichtbaar te maken. Ik schuif mijn naambordje bij de receptie op ‘aanwezig’, vraag een boek aan in de bibliotheek, meld dat de douchekop in mijn studio lekt en ben stipt op tijd voor de gezamenlijke warme lunch.

Als ik weer terugkeer in de duistere schrijverskamer, check ik als eerste mijn mail (slechte gewoonte). Naast mijn inbox meldt een zin: ‘Je bent onzichtbaar.’ Ik kijk er even naar. Onzichtbaar. Nu heb ik net mijn best gedaan mijn aanwezigheid hier kenbaar te maken, meldt mijn mail dat ik ‘onzichtbaar’ ben. Wat zijn we toch in een rare tijd aanbeland; een tijd waarin je jezelf op alle mogelijke manieren zichtbaar maakt voor de wereld. Alsof je langzaam zou verdampen en in stoom zou opgaan als je niet online bereikbaar bent. Ooit was er een tijd waarin er moed voor nodig was om voor een onbekend publiek zichtbaar te zijn. Vandaag de dag is er moed voor nodig om onzichtbaar te durven zijn.

Goed, als je werkelijk je eigen lichaam niet meer kunt waarnemen, dan kun je je afvragen of je nog wel bestaat. (Oké, ik zal dit keer Heidegger erbuiten laten, al is de  verleiding groot.)  Maar we weten allemaal dat online zichtbaarheid weinig zegt over je daadwerkelijke toestand. Ook valse identiteiten of fake-personen kunnen online een leven hebben. Ergens is het gek dat we er dan toch zoveel belang aan hechten, aan die virtuele aanwezigheid, aan die illusie die we voor onszelf creëren en die bevestigd wordt als we zien dat anderen kunnen zien dat we er zijn. Mijn mail stelt me met onderstreepte woorden voor zichtbaar te worden. Ik kan er op klikken en de wereld zal zien dat ik er ben. Zichtbaar. Onzichtbaar. Hier zit ik. Heus, ik ben misschien wat doorschijnend, maar ik besta nog.  Goh, wat is mijn werkkamer ineens knus. Niemand weet dat ik hier fijn onzichtbaar zit te zijn, in deze bedompte schrijverskamer, verscholen achter struiken en takken waaraan ook in oktober nog vet en groen en donker dicht loof.

 

 

__________________________________________________________________

Jannah LoontjensJannah Loontjens is romancière, dichteres, critica, essayiste en filosofe. Onlangs verscheen haar roman Misschien wel niet.

 

 

 

 

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014
 
Nr.452 Nr.453 Nr.454 Nr.455
 
bestel
 
 
voorpagina