Helemaal het einde

26 september 2018 (9:02) | Gilles van der Loo | Geen reacties

9e349e58-f609-4bbe-a25f-9044eac93d42Ik heb nog nooit een deadline gemist. Als ze me niet wórden opgelegd, leg ik ze mezelf op en haal ze op de bladzijde, op de letter.

Vorige maand benaderde iemand me voor een verhaal. Ik vroeg wanneer het stuk af moest zijn en stelde mijn eigen deadline drie dagen voor die datum. In een paar dagen schreef ik een kortverhaal dat – al zeg ik het zelf – goed was.

Het kwam in me op dat het de moeite waard zou kunnen zijn om meer deadlines op me te nemen.

Bij mijn eerste bundel voelde ik dat de verhalen stuk voor stuk een zeggingskracht hadden, een noodzaak. De tijd waarin ik werkte was een zware: allerhande shit in mijn directe omgeving en een slecht slapend kind; ik tikte in de halfuurtjes die me door de dagen en nachten heen geschonken werden.

Misschien is de kernachtigheid van die verhalen, hun noodzaak, ook een gevolg geweest van het schrijven onder die druk.

Natuurlijk is de inhoud van de teksten gevoed door de periode waarin ik ze schreef, maar ik geloof dat de stuwing erachter door een krapte in de tijd gegeven is. Een mooi experiment, denk ik, om te kijken of zoiets ook werkt als ik de druk zelf aanbreng.

Zouden we nog kunst maken als we eeuwig leefden? Is het ook in de grote lijn een einde dat stuwt?

Rennen nu het kan, lopen nu het kan, schrijven tot het niet meer gaat.

Je hoort nog van me.

*Beeld: R. Garage

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Nescio nu

25 september 2018 (12:34) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Getogen in Amsterdam-Oost kwam ik veel te laat aan bij Nescio. Al m’n hele leven fiets ik langs de flatjes bij het Oosterpark bekleed met citaten uit Uitvreter, Titaantjes, Dichtertje, maar nooit had ik de klik gemaakt om eens te kijken waar dat eigenlijk vandaan komt. Óók niet nadat ik een paar jaar geleden van mijn oma een prachtige eerste druk erfde. Misschien dat de titels van toch niet erg inspirerend klonken; ik weet het niet.

Achteraf gezien pakte dat goed uit. Het lezen van de verhaaltjes afgelopen week was één grote herinnering aan het feit dat er nog van alles te ontdekken valt. Dat schrijvers die je jarenlang min of meer uit een soort onbewuste, ongegronde desinteresse afschrijft, bij het lezen toch briljant kunnen zijn. Dat stemt hoopvol voor de rest van het leven.

Los van het verhaal (en de heerlijke toon) putte ik groot plezier uit Nescio’s tussen-de-regels-door-obsessie met de grote hoeveelheid verplaatsingen in zulke kleine verhaaltjes. In De Uitvreter (40 pagina’s) kan het bijna niet anders of hij breekt een record: ik telde Amsterdam, Numansdorp, Rotterdam, Veere, ‘Friesland’, Charleroi, Brussel, Marchienne-au-Pont, Parijs, Wijk bij Duurstede, Zierikzee, Etten-Leur, Middelburg, Zaltbommel én Nijmegen.

Je krijgt het gevoel dat Nescio dan wel leuk zijn verhaal vertelt, maar ondertussen in zijn achterhoofd (of misschien bewuster dan dat) constant bezig is met de locatie van alle zaken, om die plekken vervolgens in een paar zinnetjes te vangen. Het boek staat rotsvast in verbinding met het land – dat Nescio terug-eerde door op de talloze locaties uit zijn verhalen monumentjes op te richten of straten en bruggen te vernoemen.

Waar kan ik mijn karakters nu weer eens heensturen? Friesland! En weg is Japi, met de sneltrein. Gewoon, zegt-i, “omdat ik er zin in heb”.

Ik verdenk de uitgever van Nescio’s Engelse vertaling er al langer van een titel te hebben gezocht die expats in de hoofdstad, op zoek naar wat integrerende literatuur, zou moeten trekken: Amsterdam Stories. Dat lijkt me geen goede keuze, maar Netherlands/Dutch Stories bekt ook niet echt lekker.

Je zou willen dat Nescio zijn creatieve kijk op het land, wellicht met een gastbijdrage van A.F.Th. van der Heijden, in een essaybundel of zo had uitgewerkt. Een boek vol met omschrijvingen van de liggingen van steden, van de loop van rivieren. Waarin Rotterdam ge-na-de-loos wordt afgebroken – zoals Nescio op het einde nog even snel doet.

En waarin Nijmegen, zo duidelijk een muze van de schrijver, langzaam steeds verder “on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen, boomen boven boomen” (Nescio) uit de Waal oprijst, de stroom die eigenlijk te breed is voor de stad (Van der Heijden).

In Dichtertje weten Dora en Ee pas definitief welke verboden gevoelens ze voor elkaar hebben als ze samen in Lent van het stadspanorama hebben genoten, “met vele roode daken en ergens een kerk, groot, als een teken voor God om z’n stad te herkennen” – hoe kan het ook anders, denk je al lezende.

 

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >
 

Weer samen

22 september 2018 (9:50) | Arjen van Lith | Geen reacties

‘En? Fijn om weer bij je man te zijn?’ texten vrienden en familie sinds ik in Texas ben gearriveerd. ‘Heerlijk’, text ik dan gemakshalve terug, want het is ondoenlijk om het hele aggregaat van liefdevolle alledaagsheden in onze omgang beknopt te beschrijven. Het zijn er te veel.

De afgelopen maand was M. alweer aan het werk op de universiteit in Austin en ik zat nog in Amsterdam; lang genoeg van elkaar gescheiden om ervan te genieten en tegelijkertijd uit te kijken naar onze hereniging. Nu, vier dagen na mijn aankomst, keren de gebruikelijke ongemakken terug – beurse plekken op m’n rechterflank van het gedwongen lepeltjelepeltje slapen – maar die verbleken bij een allesverwarmend gevoel van vertedering, vooral door kleine, bijna terloopse uitingen van aandacht en liefde, zoals in het bovenstaande filmpje.

Op het eerste gezicht valt er weinig te zien: M. geeft me zonder morsen een ochtendristretto. Maar wat me oneindig ontroert is het gebaar dat hij maakt nadat hij het kopje heeft neergezet. M. serveert geen koffie; hij presenteert het alsof het een zeldzaamheid is. En inderdaad, hij komt bijna nooit in de keuken.

M.’s gebaar is in wezen onnodig en sowieso te groot voor de bewezen dienst. Ik ben getroffen door zijn vlotte uitvoering: efficiënt maar niet afgeraffeld en met een mengeling van zowel trots als bescheidenheid – een ornament zonder franje. Daaraan kun je zien dat hij zelfspot heeft.

[Klik hier om het filmpje in slow motion te bekijken.]

Het heeft ook iets educatiefs, dat gebaar, alsof M. er een diepere betekenis mee wil onderstrepen. ‘Koffie’, lijkt z’n hand te willen zeggen. ‘Voor jou.’ Afgezien van zijn wiskundeknobbel en zijn vakinhoudelijke kennis is het juist dit soort non-verbale didactische finesse die ik in hem als academicus mateloos bewonder.

Van de film The Prestige* weet ik dat de prestige staat voor de finale van een goocheltruc, waarin – ik noem maar wat – een verdwenen gewaande duif op onverklaarbare wijze weer terug in z’n kooi materialiseert. Zo’n prestige wordt ook altijd ingeleid door een soortgelijke handbeweging. Mijn M. ontbeert misschien de vingervlugheid van een illusionist, maar hij heeft wel degelijk de zwier om het gewone magisch te maken.

‘Met liefde’, zegt hij er dan bij.

_______________________________

* Christopher Nolen, 2006.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Berichten uit Brandenburg (3) Het lot

21 september 2018 (6:06) | Nicole Montagne | 2 reacties

De man stak de straat over omdat hij een lot wilde kopen in de nauwelijks zichtbare, smalle kiosk aan de overkant. Boven de winkeldeur wapperde een vaantje: Hier wohnt das Glück. De man kocht altijd loten, overal, hij moest er inmiddels een aardig kapitaal aan uitgegeven hebben, winnen deed hij nooit, niet eens zijn eigen geld terug, maar ik zei er nooit wat van. Het hoorde bij hem zoals die eeuwige sigaren en dat hoesten, en zijn immer vage toekomstdromen die al verdampten zodra hij de hoek omsloeg.

In de kiosk was het tamelijk donker. Vlak naast de deur stond een rek met kranten en geïllustreerde bladen. Daar weer naast een schap met schrijfbenodigdheden. Uit de ruimte achter de winkel, zo te zien een huiskamer, kwam een oude vrouw gesloft. Ze had kort grijs haar en droeg een bruin, mouwloos vest. De man wees naar een doosje sigaren achter de toonbank en zei toen volmaakt onverschillig: ‘Ach doe ook maar een lot.’ De vrouw vroeg of hij een voorkeur voor een eindcijfer had en de man noemde gewoontegetrouw de dag waarop ik jarig was. Daarna rekende hij af, liet het wisselgeld genereus zitten (zo’n lot is voor de lol en niet omdat ik het nodig heb) en frommelde het papiertje in zijn zak. Buiten stak hij  meteen een van die fijne sigaartjes op. Maar wat, schrok ik plots, als hij een aanzienlijk bedrag zou winnen? Hij kon niet eens met geld omgaan.

En zo liepen we, hij opgetogen en ik meer en meer bezwaard, langs het huis van de voormalige directeur van de speelgoedfabriek, een lichtgrijs Jugendstilpand met ronde hoeken en een sierlijke dakrand. Een pand, beweerde de man naast mij, dat hij na de lottotrekking onmiddellijk zou kopen. En hij blies een enorme rookwolk uit. Zijn ogen gleden langs de voorgevel van het monument. Hij stelde zich voor hoe hij als trotse eigenaar terug zou keren naar zijn geboortedorp, waar hij, nu hij toch geld zat had, uit pure goedertierenheid de Messias uit zou hangen zodat geen mens uit dat gehucht hem nog beledigen zou, laat staan verwijten dat hij de streektaal niet meer sprak. En eenieder die in geldnood zat – zoals hijzelf meestal – zou hij bankbiljetten geven, niet uit barmhartigheid, welnee, maar om de arme drommels uit zijn dorp te tonen dat ze hem nodig hadden. Dat ze hem jarenlang hadden onderschat. Ja, als een nieuwe Nero zou hij voortgaan, met een krans van gevlochten laurier om zijn hoofd, blootsvoets en in een wit gewaad. En al zou hij als een olifant gekleed gaan, niemand zou er een woord van durven zeggen, want ze hadden hem allemaal, met de klemtoon op stuk voor stuk, allemaal hadden ze hem nodig. ‘Zalig,’ riep de man,‘ jonge nimfen zouden mij omringen en wel in groten getale.’ ‘Alle meiden uit het dorp,’ deed ik gezellig mee. ‘Dat deerde hem niet’, zei hij. ‘Maar dat zijn er maar drie,’ riep ik. ‘Drie dartele hertjes,’ kreunde hij, en hij tekende met een gebiedend handje hun silhouet al in de lucht.

We sloegen een hoek om, en nog een, zuchtend, allebei. Hier wohnt das Glück hadden we alweer een flink end achter ons gelaten.

—-

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

2 reacties >
 

Oorzaak en gevolg

19 september 2018 (9:31) | Gilles van der Loo | 1 reactie

IMG_8355Elk jaar raken ze me weer, de kleuren als in oude polaroids, zo warm en droevig tegelijk.

Dit is de maand waarin ik werd geboren, op een dag als deze tijdens weken van oranje licht.

Gisteren was ik op de motor weg, het asfalt grijs als suikerdrop onder me, en reed opzettelijk om.

In Geuzenveld stapte ik af om thee met baklava te drinken.

De Turkse mannen op het terras droegen onsterfelijkheid uit. Ze zijn ingehaald door alles wat we nu over gezondheid weten, maar rookten alsof de nieuwe causaliteit voor hen niet bestond. Hun snorren waren krachtig, de haren zacht maar dik als stekels.

Ik at mijn baklava en deed suiker in mijn thee. Hier en nu leidde suiker niet tot overgewicht en diabetes. Ik roerde, nam een hap doordrenkt filodeeg en spoelde het weg met zoete thee. De grijze heer die me bediende knipoogde erbij en ik knikte hem toe; keek op mijn horloge. Het was tien voor een.

Ik rekende af, stapte op mijn oude Kawa en reed naar vriend R, die sinds kort een kamer voor zichzelf heeft bij het AVL.

Een kamer voor jezelf bij het AVL zegt geloof ik wel genoeg.

Met lege handen kwam ik aan, het zoete verraad van de baklava plakkend tegen mijn kiezen. R kan niet meer eten. Zijn voeding gaat zonder tussenkomst van zijn maag zijn bloedbaan in. Ik probeerde me een smaak bij het bruine mengsel in de zak aan zijn infuusrek voor te stellen. Op het label stond Nutricia. 

Terwijl we praatten dacht ik aan de gele bekers die Ada en Nadim het afgelopen weekend op Terschelling dronken. R drukte op het knopje van zijn morfinepomp en vroeg wat we op het eiland hadden gedaan. Ik vertelde over het bos, de oesters, het strand en hoe blij Otis de Hond geweest was met zijn tijdelijke erf. Ik sprak over dingen die buiten R’s bereik lagen alsof ze de normaalste zaken van de wereld waren.

We praatten tot de fysio kwam en ik de kamer moest verlaten. Ik kuste R en liep naar de lift, besefte met een steek dat ik daarvoor kiezen kon: opstaan en het AVL uit lopen.

Op weg naar huis reed ik langs de ijzerhandel voor wat schroefjes, en probeerde er het slot van de voordeur mee te repareren. Een minuscuul onderdeel viel uit het mechaniek en verdween in een kier naast de drempel.

Mijn vingers roken naar olie en staal en er stonden tranen in mijn ogen, die ik uitsmeerde met de rug van mijn hand.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

1 reactie >
 

Kiezen

17 september 2018 (9:04) | Milo van Bokkum | Geen reacties

Het blijft een pijnlijke kwestie voor de mensheid hoe veel vrolijker en intenser het dagelijks leven kan zijn onder invloed van alcohol. De enige remedie-gedachte lijkt dat zo’n beleving ook gepaard kan gaan met een verdraaiing van de werkelijkheid.

Zo kreeg ik afgelopen vrijdag plots het idee dat Apeldoorn de hipste stad van Nederland was, toen ik – met een biertje – in een kelder van een betonnen platenzaak/kledingwinkel naar een extreem aangenaam Amsterdams bandje stond te kijken.

Later die avond, nu in Apeldoorn-Zuid, net thuis bij een vriend, las ik voor het slapengaan nog een pagina in het laatste deel van Miklos Banffy’s Transsylvaanse Trilogie. Toen gebeurde hetzelfde: ik raakte ervan overtuigd dat de passage waarin de moeder van hoofdpersoon Balint Abady een mooie dood sterft, briljant progressief was.

“De jongste dokter stelde voor haar weer bij bewustzijn te brengen met een injectie, maar Balint en de andere dokters wilden het niet toestaan. Het leek ze een vreselijk idee om haar een paar uur terug te halen uit de dood om haar vervolgens wéér te laten lijden bij haar definitieve afscheid. Waarom zouden ze haar daarmee lastigvallen nu ze zo mooi en gelukkig gestorven was?”

Ik dacht een soort extreem liberale voltooidlevenscène uit 1914 te hebben gevonden. In de ochtend lachte ik mezelf vooral uit. Niet-reanimeren is wel wat anders dan euthanasie, wat ik eigenlijk goed wist, maar die avond even vergeten was. Het mag dan kansloos lijken om iets van maatschappelijke consensus te vinden in het voltooidlevendebat, dit deelaspect ligt een stuk minder gevoelig: want geen actief ‘doodmaken’ op een eigen gekozen moment.

Later op de dag speelde ik nog wel eventjes met het idee dat mijn roes-denkfout het resultaat was van verkeerde priming. In mijn eigen familie bestond de afgelopen tijd een dynamiek die min of meer omgekeerd was aan die in de maatschappij (net zoals alle generaties boven mij homoseksueel waren geweest). Mijn opa, die de laatste decennia van zijn leven met enige depressiviteit en zelfmoordgedachtes kampte, deinsde plotseling terug toen de dokter na een longontsteking op 89-jarige leeftijd vroeg of hij bij calamiteiten wel gereanimeerd wilde worden. Ja, eigenlijk toch wel.

Nauwelijks meer dan een jaar later besloot hij met zelf besteld poeder uit China een einde aan zijn leven te maken – het totale andere uiterste van het debat. Amerikanofiel (& Democratische Partij-adept) die hij was wilde hij die eerste novemberdagen van 2016 wachten op de uitkomst van de Amerikaanse verkiezingen, maar drie dagen voor de stemming besloot hij dat hij geen zin meer had om te wachten. Hij dronk die ochtend wat thee die hij al snel koud liet worden, bladerde losjes in The New York Times van die dag – toen gingen we met hem mee naar zijn slaapkamer.

De minder controversiële optie schrok hem twee jaar eerder júist af omdat hij niet zelf zijn eigen, beste moment kon kiezen. Mijn opa realiseerde zich gelukkig net op tijd dat je sterfdag van verkiezingen(uitslagen) laten afhangen dat niet veel meer is.

 

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >
 

Where the fuck is Imnaha? Over snelheid.

13 september 2018 (9:11) | Menno Hartman | Geen reacties

41Ge4TEky-L._SX331_BO1,204,203,200_Imnaha is het kleinste dorp dat ik zag deze zomer, als iedereen thuis is zijn er 19 mensen. Op een al zeer rustige loop in Hell’s Canyon, Oregon, moet je afslaan en dan 30 mijl door een vallei rijden waar een paar boerenbedrijven liggen, alle in bezit van een van de telgen ‘Marks’. In Imnaha is een winkel/café. Rechts café. Links winkel met alles wat je nodig hebt.

Toen we daar aan een geweldige hamburger zaten, zag ik buiten, boven de vrieskist met daarop de stand van de plaatselijke ‘Rattlesnake contest’ (‘All snakes must be dead, with head removed’ most kills 2017: Bill Devore, 64) iets vreemds: buiten hing een voederbakje met voedopeningen in de vorm van bloemen. Eromheen woedend elkaar bestrijdende kolibri’s.

 

IMG_7566In Noah Stryckers The Thing With Feathers, komt elke wetenschappelijk geïnteresseerde vogelaar goed aan zijn trekken. In het kolibrihoofdstuk leer je het beest echt beter kennen. De kolibri is in al zijn schoonheid eigenlijk een droevig beestje, dat in snelheid en bouw volledig is ingesteld op een maximalisatie van zijn calorie-inname. En de calorie-inname is nodig om zijn snelheid en verbruik te kunnen opbrengen. Hij vliegt helicoptergewijs in turbo door het leven. ‘s Avonds gaat hij ‘uit’, een soort winterslaap ‘s nachts om zijn verbruik te beheersen. De kolibri is verstrikt geraakt in zijn eigen niche. Bij de vele voederbakjes met suikerwater die ik in de VS zag, zijn altijd felle gevechten gaande tussen kolibri’s. De noodzaak tot calorie-opname heeft de kolibri totaal intolerant gemaakt. Zelfs bij onuitputtelijke voorraden bestrijdt hij zijn concurrenten op leven en dood. Dat die gevechten op zich al zinloos zijn omdat zowel snavel als klauwtjes te zacht zijn om schade te kunnen aanbrengen, maakt het eigenlijk alleen maar droeviger.

Strycker haalt een onderzoek aan dat aantoont dat stedelingen sneller lopen dan mensen op het platteland.  In Japan en in het Westen sneller dan elders op de wereld. En we gaan steeds sneller lopen! We zijn aan het verkolibriën! Onze hartslag zal omhoog gaan en we zullen korter leven. (Want welk harthebbend dier ook: we leven maar ongeveer 2,5 miljard hartslagen.Tik, daar gaat er weer een.)

IMG_7565Niet in Imnaha, daar ging het op de kolibri’s na heel langzaam aan toe. Er kwam een man aan de bar zitten die een weekje ziek was geweest. Omstandig informeerden de andere 18 inwoners hoe het nu met hem ging. Dat ging nog door toen wij onze hamburger allang ophadden.

‘The famous golfer Walter Hagen, perhaps the first athlete ever to earn a million dollars, recognized the need to slow down once in a while. He might even have been pondering hummingbirds when he once quipped: “Don’t hurry. Don’t worry. And be sure to smell the flowers along the way.”‘

 

 

——-
 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.
Reageer >
 

Berichten uit Brandenburg (2) Het water

13 september 2018 (9:08) | Nicole Montagne | 1 reactie

rivierEen huis aan een rivier vraagt ter compensatie voor het uitzicht dat het biedt om speciaal onderhoud want met de gestage slagregens in de herfst stijgt ieder jaar het water in de grond. Je bespeurt het niet maar het water baant zich een weg onder het plaveisel en op een dag merk je het tóch.

Toen ik de kamer binnenkwam en naar de muren keek, wist ik meteen: dit is niet goed. Boven de plinten tekenden zich donkere vochtplekken af. Ze zagen eruit als gaven ze een statistiek aan, met toppen en dalen, als hadden ze een week lang vrij consciëntieus het weerbericht bijgehouden. Eerst hoopte ik tegen beter weten in dat de plekken weg zouden gaan, dat ze met het warme weer als vanzelf zouden verdwijnen. Ze bleven.

En zo kwam er op een dag een man die verstand had van monumenten en van bouwsanering. Hij had een vriendelijk gezicht en droeg zijn dikke bruine haar in een paardenstaart. Ik dacht dat hij ook wel een protestzanger had kunnen wezen, uit de tijd dat mensen nog zingend protesteerden, zoals Boudewijn de Groot of Wolf Biermann. In plaats daarvan stelde hij voor om mijn muren open te breken. Zo gebeurde het. Twee mannen beitelden een week later op hun hurken de onderkant van mijn mooie muren aan stukken, de brokstenen en het gruis stapelden zich op in de kamer, er ontstonden kleine heuvels en die werden uiteindelijk bergen, ik hield mijn hart vast en vroeg of dat allemaal wel goed ging, de mannen bromden wat, een degelijke uitleg zat er niet in, waarschijnlijk had ik hen met mijn vraag in hun beroepseer aangetast, mij restte niets anders dan koffie te zetten, en op mijn vraag om suiker en melk zei de een ‘ick bin weiss’ en de ander ‘ick bin süss’, waarna ze onverdroten verder hakten en ik naar het kale binnenste van de muren keek, naar leidingen en buizen, en toen kwam er eindelijk een waterkering tevoorschijn die (!), zei een van de mannen boos, niet goed was afgewerkt, maar ik verontschuldigde me niet want ik had hem niet aangelegd en beperkte me daarom tot een ‘o o o’ met gefronste wenkbrauwen, daarna kalmeerde de man weer wat.

Het puin werd afgevoerd, de waterkering gerepareerd en de muren werden dichtgemetseld. Dat laatste gebeurde door een klein kereltje met blozende wangen. Hij vond dit stadje maar druk. Hij veegde zijn handen aan zijn blauwe, met cementspatten bedekte overall af, en dronk zijn koffie. ‘Wanneer er in mijn dorp een auto voorbijrijdt, wind ik me al op’, vertelde hij. ‘En hoe vaak gebeurt dat dan?’ ‘Maximaal drie keer per dag.’ Hij schaterde het uit en streek de muren af. Straks mocht hij weer naar huis.

—-

Nicole Montagne studeerde Vrije Grafiek aan de kunstacademie in Utrecht en Cultuurwetenschappen aan de Open Universiteit. Zij debuteerde in 2005 met de essay- en verhalenbundel De neef van Delvaux. Onlangs verscheen bij Wereldbibliotheek haar nieuwste essay- en verhalenbundel: De verzuimcoördinator.

1 reactie >
 

Tuintje

12 september 2018 (8:40) | Gilles van der Loo | Geen reacties

3d479c7b-f732-4ed3-af0c-556114f0bd0cOmdat we bij het vorige huis geen buitenruimte hadden heeft B zich op onze nieuwe plek gestort op het realiseren van een waar daktuintje.

Ze heeft de hulp ingeroepen van ex-buurman Maarten, bij wie we mogen spreken van overcapaciteit omdat hij normaliter grote projecten in de openbare ruimte realiseert.

Stadstuintjes kan hij ook heel goed, wat te zien is aan de rue fleurie die onze oude straat onder zijn bezielde leiding is geworden.

Op de dag van mijn verjaardag (Maarten kon op geen ander moment) peerde B hem met onze mini-auto, om die bij een tuincentrum op achterlijke afstand van de stad vol te laten gooien met groen.

Hoewel ze lang wegbleven en mij dus – op mijn verjaardag – alleen hadden gelaten met twee katten, een hond en allebei de kinderen, maakte B’s opgetogen smoeltje bij terugkomst veel goed. Het kleine bos dat nu nog even naar vier hoog getild moest worden viel eigenlijk erg mee.

De rest van mijn verjaardag (had ik al gezegd dat ik 45 werd?) ging op aan het schikken en herschikken, plaatsen en ompotten van alle plantjes. Ik heb nooit getuinierd, hoewel we vroeger thuis altijd een tuin hadden. Mijn probleem is dat ik niet begrijp waarom het ene plantje – desnoods met een gasbrander – verwijderd moet, en het andere gewéldig is om naar te kijken. Daarnaast zie ik niet in wat er zo geweldig is aan groen dat je niet kunt eten.

Die instelling maakt acht uur op handen en knieën wieden moeilijk vol te houden, maar je begrijpt me al.

De daktuin is af, en gisterenavond heb ik er een uur gezeten; wat tijd doorgebracht met mijn nieuwe gewortelde huisgenoten.

Vrienden wil ik ze nog niet noemen, maar wie weet?

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was jarenlang redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Plekheid

10 september 2018 (8:44) | Milo van Bokkum | Geen reacties

rimburgVorige week stond ik in Noordoost-Zuid-Limburg in het fraaie plaatsje Rimburg. Het was het uiteinde van Nederland; de trein die langs het dorp reed bevond zich op Duits grondgebied, de meeste nummerborden die langskwamen waren niet geel maar wit.

Ik had mijn bezoek aan Rimburg voorzichtig gepland, als deel van een onderneming om heel Zuid-Limburg per trein, bus en fiets uit te kammen. Eigenlijk heel Nederland, trouwens, en tegenwoordig ook min of meer België, maar het onderdeel Zuid-Limburg was nu afgerond. Op het dorpspleintje, naast een generieke witte hoeve, was ik trots het plan eens onverwachts geslaagd had uitgepakt – er zou geen andere reden zijn geweest om hier ooit te komen.

Het koppelen van de kaart aan de realiteit. Met je eigen ogen het hele land meemaken – ik weet niet waarom ik het zo graag wil, maar er gaat al jarenlang vrij veel moeite in zitten. Kan jezelf verplaatsen, weggaan van een plek die je kent naar een die je niet kent, een hobby zijn? Ik denk van wel. Ik vind het in ieder geval min of meer de beste vrijetijdsbesteding.

In het oude computerspel Age of Empires word je aan het begin van het tijdsverloop met een los figuurtje gedropt in een zwarte vlakte. Die vlakte loste pas op in de ‘echte’ wereld als je er in begon te lopen. Voordat je er was geweest, bestond het niet.

Toen ik in 2012 voor het eerst mijn ov-studentenkaart kreeg én uit huis ging, overviel de vrijheid me. ’s Nachts in bed, op mijn studentenkamer in Utrecht, kreeg ik opeens zin om naar Rotterdam te gaan. Gewoon, met de nachttrein. Was van plek veranderen op dit moment niet spannender dan hier zijn? Was dat niet altíjd zo, omdat het actie betekende, ervoor zorgde dat je niet wist waar je moest kijken? Wat hield me nu tegen? Binnen een maand had ik alle Nederlandse spoorlijnen gereden, een hobbelige wissel in Landgraaf in de avondschemering vormde het sluitstuk.

Dat was het begin van tijd verliezen aan de ‘plekheid’ van het leven als hobby. Aan de locaties van alles – van het nieuws, vrienden, boeken. Hoe het dáár is, hoe ik het me herinner, of hoe ik er zelf eens heen moet. Een mix van een verandering van omgeving tot hoogste goed verheffen en de hele bestaande omgeving minutieus leren kennen alsof het je eigen buurt is. (De verslaggevende journalistiek leek me het beste beroep voor wie houdt van zich verplaatsen.)

Na een vorig stukje ergens hieronder zei een vriend tegen me dat ik niet Joris van Casteren de schuld moest geven van een sterk geografisch gevoel in zijn boeken. “Je bent daar zelf mee geobsedeerd”, zei hij. “Jij leest dat erin. Je bent altijd alleen maar bezig met plekken.”

Je hoeft mij niet te vertellen dat het typisch jong en naïef is om de wereld in z’n volledigheid te willen africhten, onrustig op zoek te willen naar iets ánders, niets aan je aandacht te willen laten ontsnappen, niet te willen weten dat iets bestaat maar het te willen zien. Oek de Jong laat Edo Mesch in Opwaaiende Zomerjurken op iets latere leeftijd ook wat bekomen van zijn drang om de wereld in een ‘systeem’ te ordenen.

Dat zien we dan wel weer; misschien ebt het weg. Voor Nederland is het hoe dan ook te laat – het is al onderworpen, van Rimburg tot Roodeschool.

 

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina