Joseph Mitchell 3/4, briefje aan Roos van Rijswijk

29 september 2016 (0:01) | Menno Hartman | Geen reacties

fido_portrait_garnDag Roos,

Omdat je zo vriendelijk was je enthousiasme over het  Mitchellomslag te delen, en omdat  je behoort tot de Club Van Mensen Met een Vogel op Haar Boek zal ik je iets vertellen over dit exemplaar. Hij kwam tot mij in een stapel vogelafbeeldingen, aangeleverd door de vormgevers van Pink Pony Express.  Na lang zoeken heb ik de fotograaf te spreken gekregen. Nu blijken er een paar dingen heel erg toevallig te zijn: Andrew Garn, de fotograaf woont op de hoek van McSorley’s Saloon in New York, dat dus nog steeds bestaat. Desgevraagd stuurt hij een paar foto’s. (zie eentje onder) Maar opvallender is het volgende: deze duif leeft nog, heet Fido, en woont bij een gezin dat zorgt voor 35 verweesde duiven. Het opvallende aan Fido is dat hij liever loopt dan vliegt. Hij kan vliegen, maar heeft besloten dat het gewoon niet helemaal zijn manier van transport is.

Dit is dus een zeer wonderbaarlijke vogel.

De reden dat Garn duiven fotografeert in de stad is dat hij meent dat ‘It’s easy to photograph something that is already considered beautiful, like a flower in a meadow, but harder to focus on something that is seen everyday.’

2

McSorley’s een paar dagen terug…

Daarmee heeft hij wonderlijk genoeg misschien wel de kortste samenvatting van de overtuiging van Mitchell gegeven – de eeuwige wandelaar door de stad. Ook Mitchell kijkt goed naar dingen die niet op het eerste gezicht prachtig zijn, maar weet er de kleur in te ontdekken. Een ander opvallend aspect aan Fido, onze Mitchellduif schijnt zijn gevoel voor komedie te zijn, iets wat je wel ziet als je naar zijn portret kijkt, vind ik.

Een zeer considerabel toeval is dus dat Fido, de duif die toch wat random op het omslag belandde, zelf een New Yorker is, uit de buurt van McSorleys komt, en waarschijnlijk de enige wandelende duif op aarde is…

‘De kruimels zijn voor duiven bestemd; net zoals veel andere excentriekelingen is Gould een duivenvoerder. Hij is verknocht aan een zwerm die zijn hoofdkwartier heeft ingericht op en rondom het standbeeld van Garibaldi op Washington Square. Die duiven kennen hem. Als hij aan komt lopen en op de sokkel van het standbeeld gaat zitten, fladderen ze naar beneden en gaan op zijn hoofd en schouders zitten, en wachten ze tot hij zijn zak met kruimels tevoorschijn haalt. Sommige heeft hij namen gegeven. ‘Kom maar, Boss Tweed,’ zegt hij. ‘Een dame in Stewart’s Cafetaria heeft haar volkorentoast vanochtend niet helemaal opgegeten, en toen ze naar buiten liep, heb ik die, bingo, speciaal voor jou van haar bord gegrist. Hallo, Grote Boesem. Hallo, Dikbuik. Hallo, Lady Astor*. Hallo, Johannes de Doper. Hallo, Polly Adler. Hallo, Fiorello, ouwe bok, hoe gaat ’t met jou, vandaag?’

(uit: McSorley’s wonderbaarlijke saloon, vertaling Dirk-Jan Arensman, te verschijnen eind  oktober)

Nou ja, dat moest ik je dus even schrijven.

hartelijke groet,

Menno

 

(de stukjes 1 en 2 over Mitchell lees je hier en hier)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Een vriend

28 september 2016 (8:41) | Gilles van der Loo | Geen reacties

img_0734In het Vondelpark sloot mijn zoontje een onmiddellijke vriendschap met Miles, een net zo blonde jongen van dezelfde leeftijd. Na een paar tellen begonnen de twee een hut te bouwen in de bosjes, en waren Miles’ vader en ik aan elkaar overgeleverd.

We knikten naar elkaar. Ik gaapte. Met een licht Engels accent – ik wist niet dat dat kon – vroeg hij hoe ik sliep.

‘Kort,’ zei ik. Hij lachte en stak zijn hand uit, die ik schudde.

‘Paul,’ zei Miles’ vader.

Ik keek naar B, die met Otis de Hond op een kleedje in de schaduw van een eik lag en een comfortabele houding probeerde te vinden. Sinds ik Nadim en Miles gevolgd was had ze zich al vier keer omgedraaid. Begin november krijgen we een dochter, B en ik. Krijgt Nadim een zus.

‘Papa!’ jubelde hij vanuit de struiken. ‘Ik heb een vriend gemaakt!

Het raakt me altijd zo: dat gebrek aan reserve. Een vrijheid die als vliegen moet voelen.

De herfstzon reikte door de bladeren van de eik, strooide lichtvlekken op mijn overhemd. Paul en ik keken naar onze zoons en ik voelde wat vaders voelen als ze kijken naar hun samenspelende zoons: het was alsof Paul en ik ook speelden. Onder het gesprekje dat zich ontvouwde lag een gemak dat normaal alleen bestaat tussen mannen die elkaar al heel lang kennen, die samen kind zijn geweest.

Ik liep naar B om twee flesjes frisdrank uit de tas te halen toen Nadim schreeuwde en begon te huilen. Omdat het geluid vanuit dichte bosjes kwam zette ik het op een rennen, zoekend naar een ingang. Voordat ik die gevonden had kwam Paul te voorschijn met takjes in zijn haar en mijn jongen in zijn armen. Ik bedankte hem en inspecteerde Nadim. Het bleek mee te vallen. Onze zoons aten Gummiberen. Paul kwam even kletsen met B en mij, en ik durfde niet te vragen of hij nog eens met me wilde spelen. Of hij mijn vriend wilde zijn.

___________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

Reageer >
 

De Fixer (een dankwoord)

24 september 2016 (16:29) | Arjen van Lith | 1 reactie

beeld-column-50-de-fixer

Sinds vandaag is mijn kleine achterneefje M. mijn nieuwe buurman in Amsterdam geworden. Meneer is ternauwernood volwassen – barely legal, zouden sommige Amerikanen zeggen – maar ogenschijnlijk moeiteloos heeft hij een kamer weten te bemachtigen in een ruime etagewoning met zwartmarmeren schouwen, een schimmelvrije badkamer en een balkon. Hij woont schuin tegenover me met drie vrienden, waaronder een male model en een schattig karamelkeurig tandartszoontje dat meteen de grootste kamer heeft geclaimd vanwege zijn schoenenverzameling. Het is bijna jammer dat we nét niet bij elkaar naar binnen kunnen kijken.

Ik schreef zojuist met opzet ‘ogenschijnlijk moeiteloos’, want de natuurkunde leert ons dat niets ooit vanzelf gaat. Elke verandering van de status quo, dus ook elke persoonlijke prestatie (ρ) vergt altijd een hoeveelheid tijd (τ) en energie (J) die correspondeert met haar specifieke dimensies. Verder is ρ deels afhankelijk van het vermogen (W) van de actor; de intrinsieke kwaliteiten en vaardigheden van het individu of de groep die ρ wil realiseren. Externe factoren (ƒ) kunnen het uiteindelijke resultaat positief (ƒ∧) dan wel negatief (ƒ∨) beïnvloeden, zoals in dit geval respectievelijk een behulpzame makelaar en de overspannen woningmarkt in Amsterdam*. De formule** ziet er als volgt uit:

wiskundige-formule-column-50-de-fixer

Dit verhaal gaat eigenlijk over mijn nicht A., de moeder van neefje M. en zijn tweelingbroer O., die hen in weerwil van een aanstormend empty nest syndroom toch in recordtijd aan hoogwaardige woonruimte heeft geholpen, want O. woont sinds kort in Groningen.

Nicht A. is de onbezongen heldin van mijn familie en de ware W in bovenstaande formule. Zij is de fixer die we bellen bij calamiteiten, zoals George Clooney in de film Michael Clayton of Liev Schreiber in Ray Donovan. Ligt een familielid doodziek te creperen in de bushbush van een tropisch vakantieland? Nicht A. regelt aan haar keukentafel een evacuatie per helikopter. Gedupeerd door financiële malversaties van je zaakwaarnemer? Nicht A. volgt het geldspoor als een bloedhond en sleept de daders eigenhandig voor de rechter. Midden in de nacht gestrand op een afgelegen treinstation? Nicht A. komt voorrijden. Arbeidsconflict? Nicht A. kent een goede advocaat. Blut? Sms ‘€€’ naar nicht A.

Geef haar een telefoon en ze regeert de wereld.

Nicht A. kan sjekkies draaien en heeft een groot rijbewijs. Op haar elleboog heeft ze een tatoeage van het Chinese karakter voor ‘geduld’, als reminder dat de rest van de mensheid nu eenmaal trager opereert dan zij. Haar ingebouwde quack check kan ze niet uitzetten: zelfs in een gezellig verjaardagsgesprekje flitst haar blik beurtelings van je linkeroog naar je rechteroog, op zoek naar inconsequenties in je verhaal of andere indicaties van eventuele flessentrekkerij. Het is te hopen dat de nieuwe huisbaas van neefje M. hem geen kunstjes probeert te flikken, want nicht A. – die dertig jaar geleden als actief lid van de Amsterdamse kraakbeweging op de barricades stond tegen het grootkapitaal – trekt hem helemaal kaal.

Haar talenten zijn aanzienlijk maar prozaïsch. Dat is haar tragiek. Organisatie- en uithoudingsvermogen, overtuigingskracht en een feilloze diagnostische antenne spreken minder tot de verbeelding dan bijvoorbeeld muzikaliteit of atletisch vermogen. Haar virtuositeit blijft grotendeels onzichtbaar. Nicht A. excelleert achter de schermen, nooit voor zichzelf en altijd voor anderen. We zijn gewend geraakt aan haar successen, misschien zelfs blasé, waardoor wij allemaal, onze hele familie, soms bijna vergeten hoeveel we aan haar hebben te danken.

Daarom is deze voor jou, lieve nicht A., weliswaar een dag na je verjaardag, maar toch.

_____________________

* De neutrale waarde van ƒ∧ en ƒ∨ is 1.

** Pin me hier niet op vast.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >
 

Joseph Mitchell cursus in 4 stukjes: week 2: kroegenloper

22 september 2016 (9:04) | Menno Hartman | Geen reacties

mitchell-mcsorleys-aanbieding-hresMaandagavond was er in de Rode Hoed onder curatorschap van Trouw-columnist Bert Keizer een avond gewijd aan Simon Carmiggelt. Bert Keizer sprak met Clairy Polak en Henk Van Gelder (biograaf) en mede-columnisten Frits Abrahams en Renske de Greef over de columns van de grootmeester, de ‘kronkels’. Wat maakt ze nou zou goed, deze stadsanekdotes van de bijna-alcoholist Carmiggelt? (of zoals Keizer meldde: ‘haal dat “bijna” maar weg’.

Carmiggelt wist waar de lach zat, hij had een geweldig pen voor ongebruikelijke beelden, niet overdadig maar goed gemikt een paar per column. En een groot empathisch vermogen voor wat naar Carmiggelts smaak geen ‘ kleine mensen’ mochten heten. Mensen namelijk die even groot zijn als jij en ik.

 

Neem nou ajb even de tijd om deze kronkel te luisteren en te bekijken:

Ik vond het alsnog een revelatie: zijn dictie, de bedachtzame acteertrucs, de liefde voor zijn tekst. Wonderschoon! Goede beelden: jongens die aan de tapkast staan ‘uit te wasemen’, ‘always willing to bend an ellbow’ en ‘ dat woord moedertje liet hij op als een witte duif in de sigaren mist en keek het na’. Halverwege schoot mij een velletje van de Arbeiderspers scheurkalender van eerder dit jaar in. Het was een stukje uit Hans van Straten De omgevallen boekenkast. Privé-domein 133. En ik zag helder waar Carmiggelt en Mitchell elkaar raakten.

’17 februari 1962
De kennis van het antiquarische apparaat heeft het voordeel dat je het ook kunt bespelen. Op 17 februari 1962, een zaterdag, stond er in Het Parool een stukje van Carmiggelt over een pocket, die voor 49 cent te koop lag bij De Boekenwurm in de Kalverstraat, een gerenommeerde ramsjzaak. Die pocket heette McSorleys Wonderful Saloon en was geschreven door Joseph Mitchell. Een bundel zeer knappe reportages over kroegen en persoonlijkheden aan de zelfkant van het Newyorkse leven.
Toen ik ‘s maandags in het middaguur met Heinz ging kijken, viste ik natuurlijk mijlenver achter het net. De krant was nog niet koud uit geweest of er had zich een stormloop op De Boekenwurm ontwikkeld. Binnen het uur was de voorraad van vijftig exemplaren uitverkocht – op één na, die tegen de stelling was geplakt met het bijschrift: ‘Dit is de laatste, die hou ik zelf. De Boekenwurm’.
Maar ik was niet voor één gat gevangen. Als De Boekenwurm niets meer had, kon ik het altijd nog elders proberen. De volgende middag ging ik op pad en ik stroopte systematisch alle in aanmerking komende antiquariaten in de binnenstad af. Het liep al tegen zessen toen ik de tiende en laatste binnenstapte, het dubbele pand van mevrouw Jansen aan de Spuistraat, maar daar vond ik tussen de rommel dan ook twee exemplaren, zij het van een andere (Canadese) uitgave. Eén heb ik weggegeven, het andere prijkt nog in mijn boekenkast. Het stukje van Carmiggelt heb ik erin geplakt.’

Mitchell is een herontdekte klassieker, blijkt nu, Carmiggelt was een groot fan. Hoe kan dat ook anders?

Mitchells McSorley’s wonderbaarlijke saloon verschijnt over twee weken, in een vertaling van Dirk-Jan Arensman, 1 deel bij van Oorschot, 1 deel bij Lebowski.

 

*Lees ook het eerste stukje in deze reeks van vier.

————–

schermafbeelding-2016-09-22-om-09-18-52Menno Hartman was redacteur van Tirade,  is uitgever bij Van Oorschot. Hij blogt elke donderdag voor Tirade.

 

Reageer >
 

Gesloten

21 september 2016 (8:48) | Gilles van der Loo | 2 reacties

img_2383Elke maandagavond eten mijn zoon en ik saoto bij Warung Marlon in de Pijp. Nadim is een man van gewoonte gebleken, en pogingen om hem een keertje mee te krijgen naar Kam Kee voor cheung fan of zelfs maar wan tan soep, stuiten altijd op afwijzing. Hij lijkt op die momenten niet alleen mijn voorstel, maar ook de persoon erachter af te wijzen.

Hoe kun je, lijkt hij te willen zeggen, en schudt hij zijn grote blonde hoofd. Die mensen rekenen op ons.

Toen ik op mijn negentiende in de Pijp kwam wonen had de buurt geen goede naam, maar ik was meteen verliefd op de Cuyp, op Humphrey Tjins toko, toko Ramee, Lelydorp, Albina, Cambodja City, Warung Marlon, Warung Mini, Kam Kee, Slagerij Zagora en de tientallen kleine Turkse en Marokkaanse winkeltjes die je er kon vinden. Ik noem hier een paar van de bekendste, maar om die tientallen naamloze winkeltjes gaat het me nu. In de laatste jaren sloten ze een voor een.

Deze maandag bleek de ruit van de buurtwinkel op de Van der Helst ook witgekalkt. Hun stoep stond altijd vol pruimen, granaatappels, bloedsinaasappels, aardbeien, alles liefdevol uitgestald. Een groentenman, was het, maar ook een Halalslager en een melkboer. Hun assortiment was atypisch, mediterraan. De sumac stond er naast de sesampasta die weer naast de bloemkool stond, en je kon er durumgries kopen voor een euro per kilo. Voor iemand wiens dagelijks geluk voor een groot deel afhangt van wat hij die avond mag koken zijn dit soort sluitingen een groot verlies.

Geen idee wat de familie die altijd zo’n werk van de etalage maakte nu gaat doen. De zoon des huizes was duidelijk nog niet klaar met het werkende deel van zijn leven. Meest waarschijnlijk is dat hun huurcontract was afgelopen, en nieuwe contracten hebben nieuwe prijzen. Misschien was de fundering niet goed meer. Een casco winkelruimte met nieuwe fundering in de Van der Helst moet toch minstens 4000 euro per maand opbrengen. Dat krijg je niet bij elkaar met reine claudes, Doyenneperen en ongeroosterde cashews.

Maar dit soort zaakjes is erfgoed, mensen. Dit was de kruidenier. Ons werd door immigranten een tweede kans gegund met een fijne eigengereide buurtwinkel, nadat we ons geld zo lang naar de Appie hadden gedragen dat alle Hollandse buurtwinkels waren uitgestorven.

Ik kan wel janken.

___________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

2 reacties >
 

De eerste keer – wespen en vrienden

19 september 2016 (11:43) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

neohelix_albolabris_drawing_live

De eerste keer dat ik een vriendschap niet wilde sluiten, bewust nadacht over manieren waarop ik kon voorkomen dat dit zou gebeuren zonder dat er mensen moreel beschadigd zouden worden, was ik een jaar of elf. Er zouden nog veel ongemakkelijke sociale verbintenissen volgen, maar dit was de allereerste, in ieder geval de eerste waarbij ik de onwillige partij was.

We stonden allebei te kijken naar hoe andere kinderen van een erg hoog klimrek vol buizen en beton gleden. Ik was hard op mijn stuitje terecht gekomen en moest bijkomen, het meisje naast me, zeker een kop groter, durfde niet.

‘Ze willen ‘m weghalen,’ zei ik over het klimrek, dat de vorm had van een enorme slak.

In de binnenkant van die slak zat een prachtig gangenstelsel waar kinderen als peuter in konden verdwijnen om pas veertien jaar later weer zonlicht te zien, en waar het hevig naar pis stonk. De enige handreiking naar bezorgde ouders en kinderschedels was het feit dat de slak op een bedje van zand stond, waar op onverwachte plekken betonblokken uit omhoog staken. Het was een geweldig ding, ik weet niet of het er nog staat.

Het meisje ging zitten en liet het zand tussen haar vingers door glijden, ze filterde er kleine witte schelpjes uit die ze met onhandige handen op een rij legde.

‘Jammer,’ zei ze.

Ik legde er blauwige schelpjes bij. Het meisje ademde door haar mond.

Waarschijnlijk zat ik bij dat klimrek omdat de jongens uit de buurt liever niet meer wilden dat er een heel raar meisje meevoetbalde, en de meisjes die ik kende met vakantie waren of al lang over de klimrekfase heen gegroeid, zoiets. Ik zei tegen mijn enige object van hoop dat ik haar nog nooit gezien had bij De Slak.

‘Ja nee,’ zei ze, ‘ik mag nooit alleen, kijk daar is me vader.’

Ze wees naar een vader.

‘Wat stom, wie mag er nou niet alleen buitenspelen.’

‘Zit je op Gein?’ vroeg ze.

Dat was de school en ook daar hadden we elkaar ook nog nooit gezien. Ons verkennende gesprek werd onderbroken door een wesp die op haar kleverige wangen afkwam. Het meisje huilde en terwijl haar vader aan kwam lopen, snikte ze dat ze altijd zo bang was dat ze de wesp in zou slikken. Dat hij haar dan in haar hart zou steken.

schermafbeelding-2016-09-19-om-11-38-57Haar vader hielp haar overeind en ik zag dat hij haar op zou tillen als ze niet zo verschrikkelijk lang was geweest. Er klopte iets niet. Als ik een paar jaar jonger was geweest had ik het gewoon kunnen maken om weg te rennen, dat doet kinderen nu eenmaal, wegrennen, zomaar met dingen gooien, zonder aankondiging over hun schooltafeltje kotsen, iets uit een winkel meepakken zonder te betalen om te kijken of het kan. Maar ik kon niet meer wegrennen, dat zag ik ook wel in, hoewel het even door me heen ging dat mensen me over het algemeen aanzagen voor een zevenjarig jongetje.

‘Een wesp kan niet bij je hart,’ legde ik zwakjes uit.

‘Wat goed van jou,’ zei haar vader op een toon die verried dat hij inderdaad dacht dat ik een zevenjarig jongetje was, ‘hij komt eerst in je slokdarm, hè? Zitten jullie bij elkaar in de klas?’

Nader onderzoek wees uit dat het reusachtige meisje, nu haar tranen drogend en spelend met de knoopjes van haar vaders overhemd, zes jaar was.

‘Nou hee,’ zei haar vader opgeruimd, ‘wat fijn dat jullie vrienden zijn geworden hier. Kom je morgen ook weer, om één uur?’

Ik zei ja leuk of prima of oké of ik denk het wel en rende alsnog weg, misschien was dit de eerste keer dat ik een vriendschap niet wilde en de laatste keer dat ik uit een sociale situatie ontsnapte door gewoon de benen te nemen en niet achterom te kijken.

Uit voorzorg meed ik De Slak een paar weken.

Het is een heel specifiek gevoel van ongemakkelijkheid, dat zich in alle jaren erna en ook nu nog op precies dezelfde wijze openbaart. Een innerlijke ‘God, nee’, een flakkerend schuldgevoel, het razendsnel maken van kleine overwegingen – toen ik het meisje en haar vader aankeek in het korte moment voor ik de sprint maakte, dacht ik: waarom ook niet, wat is vijf jaar nou, wat gek dat alle vrienden altijd precies even oud moeten zijn.

Een tijd geleden gebeurde het me weer, in de metro (altijd in de metro), ik raakte aan de praat met een aardige vrouw, die na afloop voorstelde nummers uit te wisselen en een keer een borrel te doen, maar er ging een alarmbel af in mijn achterhoofd die iets te maken had met het fluwelen gewaad dat ze droeg (waarom ook niet, wat is een fluwelen gewaad nou, waarom moeten alle vrienden altijd precies dezelfde kleren dragen) en ik zei heel volwassen dat dit me geen goed idee leek.

‘Maar het was gezellig, doei.’

Als een valse poes die voor de vorm haar staart tussen de benen hangt verliet ik het metrostel, en vroeg ik me zoals elke keer in deze zeldzame situaties af of het ooit een wesp gelukt was, bijvoorbeeld in een operatiekamer, recht een mensenhart te raken.

—-

roos-van-rijswijk-foto-irwan-droog-kleinRoos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

 

Reageer >
 

Berliner Licht

18 september 2016 (11:20) | Daan Doesborgh | Geen reacties

2016-09-16-21-55-11

Het is avond, een uur of acht, en ik loop naar de supermarkt. We wonen aan een kanaal en het is er ’s avonds, zoals vrijwel overal in Berlijn, erbarmelijk verlicht. Duistere gedaantes moet je maar gewoon zonder vrezen dichterbij laten komen, het is vast gewoon een dame die haar hond uitlaat, en anders kom je er toch pas achter als het al te laat is. Fietsers hebben hier zowel de straat als de stoep tot hun beschikking, en lijken telepathisch begaafd om steeds de optie te kiezen die mij als voetganger op dat moment het slechtste uitkomt.

Maar deze avond valt het mee met de fietsers, en goddank ook met de warmte. Ik vind het altijd een beetje vies om een avond als zwoel te omschrijven, niet vanwege het plakkerige gevoel of de seksuele spanning die de formulering oproept, maar gewoon omdat het zo’n vreselijke dooddoener is. Laten we deze avond dus in godsnaam maar ‘aangenaam warm’ noemen. Het was aangenaam warm en ik wandelde in het donker langs het kanaal richting de hoek van de straat. Het kanaal was niet zichtbaar, ik zag de brug, daarboven de bomen langs het kanaal, daarboven een tijdje niks en dan de maan, die ik gedurende mijn verblijf hier langzaam aan heb zien zwellen naar wat nu een felle, kogelronde volle maan is geworden.

Op de kruising sla ik linksaf de winkelstraat in. Ook hier domineert de straatverlichting niet, en misschien wel daarom is het een kakofonie van verschillende soorten licht: een statige pavane van feestelijke peertjes boven de luifel van een café, de zachtoranje gloed van het kunstboompje met overmaatse sinaasappels in een etalage dat ’s avonds ineens een lamp blijkt te zijn, het heldere, bijna witte licht van de spots op het hippe baksteengebouw aan de overkant. Ik loop langs een nu donkere platenzaak, een blinkende juwelenwinkel en de keihard verlichte wasserette met op de eerste verdieping het wasserettecafé (Kaffee und Snacks!).

Tussen de juwelenwinkel en de wasserette is een doorgang, er is geen stoep, de doorgang is net als Berlijn en het gebied tussen Amsterdam Centraal en de ponten naar Noord een soort shared space, planologentaal voor zoek het maar uit. De doorgang leidt naar een parkeerterrein dat aan alle kanten door hoge, blinde muren omringd wordt. Ik vermoed dat de imposante, wel tien meter hoge blinde muur aan de linkerzijde wel eens onderdeel va ons gebouw zou kunnen zijn. Op deze parkeerplaats, die als een eiland in het huizenblok ligt, staat het Amerikaans aandoende pand van de supermarkt, naast de trap die naar een blijkbaar hoger gelegen klimhal leidt.

Ik nader de supermarkt. Voor de deur in het halfduister staat een grote zwarte hond. Ik probeer hem eerst te ontwijken, en hou hem argwanend in de gaten. Dat is niet nodig. Het is een lieve hond.

 


Daan Doesborgh (1988) is schrijver en redacteur van Tirade. De maand september brengt hij door in Berlijn. Op Tirade.nu blogt hij elke zondag over wat hem op is gevallen.

Reageer >
 

De Jungle

17 september 2016 (4:40) | Arjen van Lith | Geen reacties

calais-jungle3

De eerste keer dat ik ging kamperen, vroeg ik tijdens het inpakken aan mijn moeder hoeveel kleerhangers ik mee zou nemen voor mijn overhemden en of schoenspanners überhaupt wel zin hadden op Terschelling, want je mocht daar ook gewoon op gympen de disco in. Ik was net zestien en zou met mijn hockeyvriendjes twee weken op Camping Appelhof achter de wijven aan, maar onder het mom van een milde longontsteking zat ik al na zes dagen weer thuis in Krommenie.

Het is bij die ene keer gebleven. Ik had weinig tijd nodig om te beseffen dat ik goed moest zijn in alles waar ik slecht in ben om kamperen leuk te vinden. Op een pubercamping word je niet alleen qua leefomstandigheden, maar ook sociaal teruggeworpen naar de bronstijd, waarin heteronormatieve territorium- en geslachtsdriften de pikorde bepalen. De verfijning waarmee ik doorgaans in een urbane, hedendaagse omgeving floreer, ging hopeloos ten onder in het primitieve gebrul op camping Appelhof. Een volle week had ik nooit overleefd; ik was de enige op het terrein zonder stiletto.

Een vergelijkbaar onbehagen voelde ik afgelopen zaterdag toen ik met vriend F. een bezoek bracht aan de Calais Jungle, het kolossale vluchtelingenkamp in Frankrijk bij de tunnel naar Engeland. F. is een Calais watcher en verzorgde eerder al diverse fotoreportages voor De Volkskrant over het kamp. “Niet alleen journalistiek, maar ook vanuit een stedenbouwkundig perspectief is het hartstikke interessant”, zei ik in de auto, terwijl ik op mijn iPhone checkte of het Franse nummer voor 112 inderdaad gewoon 112 is.

F. is ook homo en hij giechelt nog meer dan ik, maar tien jaar geleden deed hij aan bodybuilding en vrat hij creatine uit een grote ronde bus die hij onder zijn gootsteen bewaarde. Sindsdien heeft hij zijn lichaam een beetje laten versloffen, maar de restanten van zijn inspanningen zijn nog altijd imposant. Met F. kan je kamperen. Bovendien heeft hij een perskaart en is hij handig met de autoriteiten. Vlak voordat we een politiefuik bij het kamp binnenreden, deed hij mijn raampje naar beneden en gebood me mijn zakje wiet discreet weg te werpen. “Dus niet met een boogje”, benadrukte hij: “Gewoon laten vallen.”

De gemiddelde leeftijd in de Jungle ligt weliswaar iets hoger dan op camping Appelhof, maar de sfeer is vergelijkbaar. Het overgrote deel van de bevolking bestaat uit verveelde jonge mannen uit Afghanistan en donker Afrika. Ze willen allemaal naar Engeland, maar dat wordt steeds moeilijker: het afgelopen jaren zijn langs de snelweg naar de tunnel onneembare hekken met camera’s en razor wire neergezet, die binnenkort volgens de laatste mode worden vervangen door een muur.

Het kamp bestaat uit drie delen. Het oudste deel, de oorspronkelijke Jungle, werd dit voorjaar ontruimd wegens brandgevaar, maar vooral om de bewoners te dwingen hun intrek te nemen in het aanpalende containercomplex – het tweede deel. Wie daar naartoe verhuist, wordt automatisch in Frankrijk als vluchteling geregistreerd en verspeelt daarmee de mogelijkheid om in Engeland asiel aan te vragen. De oude Jungle is nu volledig verlaten, op een houten krottenkerkje na, dat gerund wordt door een grijzende Ethiopiër die me meteen een versgebakken rozijnenkoek aanbood. Weigeren geldt in veel culturen als onbeleefd en bovendien had ik de munchies, maar toch schaamde ik me een beetje, als een ramptoerist die zich door een slachtoffer laat fêteren.

In het derde deel, de nieuwe Jungle, waar de meeste bewoners opnieuw hun huisjes hebben gebouwd, besloten we om in de lokale economie te investeren. Ik kocht twee flesjes water en een pakje zelfgemaakte sigaretten in één van de provisorische winkeltjes aan de verharde hoofdstraat. We aten wat en lieten ons haar knippen in een bordkartonnen salon annex hamam door Razib, een tenger Afghaantje van een jaar of twintig met een theatrale kuif en een perfecte oog-schaarcoördinatie.* Hij rekende vijf euro per knipbeurt, maar ik viste met een royaal gebaar een briefje van twintig uit mijn sok – mijn portemonnee zat verstopt in de EHBO-doos achterin de auto.

Er was een bakker die ovenverse naan verkocht, een moskee in een partytent, een spaanplaten kindercafé met gratis WiFi, verschillende restaurants voor Afrikaans, Afghaans en Iraans eten, en een half overdekte buurtsuper waar je telefoonhoesjes met glitters en beltegoed kon kopen. Vroeger was er zelfs een disco.

Dieper in het kamp werd de sfeer grimmiger. De zandpaadjes tussen de hutjes liepen stuk voor stuk dood in het privédomein van de bewoners. Steeds meer mensen staken wantrouwig hun hoofd uit hun tent wanneer we langsliepen. Ze stootten elkaar aan en wezen in onze richting. ‘Yo!’, riep iemand naar ons. Ik wilde terug groeten, maar F. waarschuwde: ‘Als ze je aanspreken, is het foute boel.’

Toen het begon te schemeren, liepen we terug naar de auto. Voorbij een rij uitgebrande vuilcontainers, vlakbij het beroemde Banksy-portret van Steve Jobs – zelf afstammeling van een Syrische gelukszoeker – dacht ik aan de vele woedende protesten tegen de Calais Jungle. Achtduizend gestrande mensen op een braakliggende vlakte in Noord-Frankrijk. Ze zouden daar niet horen. Ze mogen daar niet zitten. Ze moeten daar weg. Ze willen ook weg, maar ondertussen maken ze er wel het beste van, compleet met tuintjes en feestverlichting.

Zodra ik weer bereik had, kreeg ik een melding van Facebook: ‘Je hebt ingecheckt bij Calais Jungle in Calais, Frankrijk‘, las ik. ‘Schrijf een recensie.’

Ik voelde me een beetje vies.

________________________

* Razib toonde duidelijk interesse voor F. en zocht via de spiegel af en toe oogcontact, maar hij leek doodsbang voor de vierde aanwezige in de salon: een oudere Afghaan die vanuit ligstand op klagerige toon bleef doorzeuren over de slechte medische service van de Franse hulpdiensten, alsof het in Tora Bora een fluitje van een cent is om een CT-scan te krijgen. De man deed me onwillekeurig denken aan een gruwelijk nieuwsverhaal over Abdul Rahman, een warlord uit de provincie Helmand die een jonge jongen als seksslaaf aan zijn bed had geketend. Deze oude Afghaanse ‘traditie’, Bacha Bazi (Boy Play in het Engels), stak weer de kop op nadat de taliban uit Helmand waren verdreven.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Kleine Joseph Mitchell cursus in 4 stukjes: week 1. Antropoloog

15 september 2016 (8:00) | Menno Hartman | 1 reactie

mitchell-mcsorleys-aanbieding-hresAan de rafelranden van mijn stad, Amsterdam, liep ik door een arboretum, een museum voor bomen waar in dit geval toevallig ook veel mensen begraven liggen. De Nieuwe Ooster. Ik noteerde gezien te hebben onder meer: De Japanse Zelkova, de Tranenden, Finse Meelbes, Roomappel-Pawpaw, de Doornloze valse Christusdoorn, de Prieeliep, de Amerikaanse vogelkers, de Krimlinde, Servische spar, zakdoekjesboom, Schijncipres, Mongoolse Linde en o, nog zoveel meer. Ik deed die fascinatie op langs Hadrian’s Wall en kom er niet meer vanaf.

Om kennis te vergaren is zo’n bomenmuseum voor mij wel een aardige oplossing. Ik praat niet zo graag en bomen hoef je alleen maar te bewonderen. Als er een bordje bijstaat hoef je zelfs niemand te vragen: wat voor boom is dit?

Als Joseph Mitchell door de stad liep waren mensen zijn doelwit, vreemde vogels vooral, hij wilde mensen leren begrijpen en leren kennen. Over een maand verschijnt het levenswerk van Joseph Mitchell bij twee uitgevers, bij Lebowski en bij Van Oorschot. We hebben zijn oeuvre opgedeeld omdat we vonden dat we er samen meer aandacht voor konden vragen, en omdat we gewoon allebei een Mitchellboek wilden maken. Die hard fans. Nu heb je dus de eigenaardige en leuke gegevenheid dat Van Oorschot u van harte aanraadt vooral een Lebowski boek te kopen, en vice versa. Je koopt ze trouwens het beste alletwee. Ze lijken op een tafel liggend totaal niet op elkaar, maar in de boekenkast zijn het tweelingen.

Mitchell’s reportages van de jaren ’30 en ’40, zijn evenzovele zoektochten naar de levenswijzen van een deel van zijn stadsgenoten: drinkers bijvoorbeeld, en kroegtijgers in de verhalen die rond café’s spelen, maar ook de wereld van doven en slechthorenden, de groepen Mohawk-indianen die in de bouw komen werken. Mitchell praat niet een keer een halfuurtje met iemand, maar ik denk voor de meeste verhalen zeker een keer of dertig, twee uur lang, hij praat met de mensen zelf, de mensen die met ze te maken hebben, de mensen die last van ze hebben etc. Mitchell is een stadsantropoloog met een romancierblik.

img_3802

De levende gezellig weerspiegeld tussen de vergledenen… en onderaan de Mercedes.

Aan het begin van de Nieuwe Ooster staat een paar heel grote graven die ik veronderstel zigeurgraven te zijn, of graven van leden van de Sinti of Romabevolking, zoals je nu zegt.

Sinds ik Mitchell gelezen heb weet ik waarom er op dit graf een Mercedes staat. Ik las nooit kleurrijker portretten dan die van Mitchell over de Gypsykings in New York  schreef. Oordeelloos, informatief, uitputtend, veelomvattend,  intrigerend, hilarisch, nadenkend.

‘De Machwaya zijn grote-autozigeuners. Ze rijden in Cadillacs, Packards en Lincolns. De andere zigeuners hebben een gezegde dat als een Machwaya zou moeten kiezen tussen een gloednieuw Ford en een oud barrel van een Cadillac waarvan je al moeite hebt hem aan
de praat te krijgen, hij voor de Cadillac zou kiezen.’ (uit: McSorley’s wonderbaarlijke saloon, vertaling Dirk-Jan Arensman)

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

1 reactie >
 

Consolidatie

14 september 2016 (9:05) | Gilles van der Loo | Geen reacties

img_2361Gisterenavond at ik met mijn oude vriend Jasper. We zien elkaar zo’n drie keer per jaar en maken daarvoor afspraken die we steevast verzetten voordat ze uiteindelijk doorgaan. De traditie is dat ik zijn verjaardag vergeet en hem de dag erna bel en doe alsof het zijn verjaardag is. Jasper kan het nooit laten me te verbeteren.

‘Nee, dat was gister,’ zegt hij dan in zijn immer opgewekte toon. ‘Maar leuk dat je belt.’

Aangezien ik vorige week jarig was nam hij me mee naar Kaagman en Kortekaas. Mocht je er nog niet geweest zijn: doen. Zowel qua keuken als bediening iets bijzonders. Een liefdevolle zaak. Jasper vond het er meteen leuk, en zoals ik hem ken zal hij er binnen twee weken alweer zitten.

Omdat het takkewarm was aten we buiten in de steeg, op een bankje met twee brede leuningen die eigenlijk voor aperitieven zijn bedoeld. Telkens als we een nieuwe gang kregen moesten we ons van elkaar vandaan draaien om te eten voordat we verder konden praten. Het was dan even stil, maar meer omdat het eten zo goed was dan omdat we niets tegen elkaar te zeggen hadden.

Het is een bijzonder iets om een oude vriend drie keer per jaar te zien. We kennen elkaars kinderen niet echt en spreken elkaars partners nooit. Wat Jasper weet over mijn leven is wat ik hem vertel. We zijn ongelooflijk comfortabel met elkaar en tegelijkertijd nauwelijks op de hoogte.

Ergens rond het eerste hoofdgerecht (kalfsmergpijp met rauwe langoustine, godbetert) vertelde ik mijn vriend dat ik de laatste tijd wat keuzes heb gemaakt; dat ik bezig ben met hoe ik de rest van mijn leven wil doorbrengen, en minder zoek naar grootsheid en meeslependheid. Dit klinkt misschien ouwelijk voor iemand van 43 jaar, maar Jasper en ik zijn tegenwoordig ouder dan zijn broer Martijn en mijn vriend Gijs ooit zijn geworden.

Jasper schoof zijn lege bord van zich af, stak een sigaret op en hoorde me aan. Na al die jaren rookt hij nog even onwennig als toen we er samen mee begonnen. Het is – wat mij betreft – een van zijn charmes geworden.

‘Dat lijkt me een heel goed plan,’ zei hij toen ik was uitgepraat, en door de vertrouwde opgeruimdheid in zijn stem leek het opeens mogelijk dat ik hem over vier maanden zal vertellen dat mijn keuzes goed zijn uitgepakt.

________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verschijnt zijn nieuwe roman Het jasje van Luis Martín.

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463
 
bestel
 
 
voorpagina