Ode aan het schreeuwen

29 maart 2015 (8:36) | Mira Feticu | Geen reacties

Als kind hebben we allemaal geleerd dat we ons moeten gedragen. Nou, ik niet eigenlijk. Mijn moeder vond de strijd met de puber die ik was namelijk van begin af aan een verloren strijd en op mijn dertiende stuurde ze me naar een internaat. Voor(goed) een betere toekomst. En daar, op mijn internaat, heb ik geleerd om… te schreeuwen. Ik bedoel: wat ik geleerd heb is dat als niemand jouw waarheid hoort of wil horen, je deze waarheid moet schreeuwen van het dak.

Toen de Roemeense Revolutie uitbrak, zat ik in mijn internaat. We waren met z’n tweehonderden, allemaal meisjes, en we hoorden dat er ergens in het westen van het land mensen aan het schreeuwen waren: ‘We hebben honger! Weg met Ceaușescu!’ Wij deden ook mee, op onze eigen manier: spandoeken aan de bomen op onze binnenplaats, met daarop de tekst: ‘Weg met de corrupte directeur! Weg met de beheerder die meisjes aanrandt!’

Ons geschreeuw werd gehoord, we kregen meer vrijheid en meer eten. Ik schreef mijn eerste boek, gedichten, als een geschreeuw van het dak, over alles wat ik niet begreep – lichamelijke veranderingen, seksuele behoeften. Een gedurfd boek, ik was het eens met de kritiek!

Jaren later, tijdens mijn scheiding, debuteerde ik opnieuw, in het Nederlands. Ik had met het boek (of met de scheiding) een wond geopend. Ik hoorde dat mijn schoonmoeder mijn boek maar ordinair vond. Dat kan. De waarheid is vaak meer dan ordinair. En ik was weer aan het schreeuwen. Diplomatie is niet mijn ding. Maar er zijn waarheden die je niet sotto voce kunt noemen. Verkrachtingen, schendingen van de mensenrechten, genocide, terreur. In zulke gevallen heb je niets aan stille diplomatie, je moet een dak vinden waarvan je al die gruwelijke dingen kunt schreeuwen. Journalisten doen dat ook, internationale organisaties doen het ook. Ook slachtoffers moeten de kracht hebben om op het dak te klimmen. Ik doe het ook wanneer ik niet meer kan. Wanneer het mij allemaal te veel wordt. Wanneer de gehoopte dialoog een monoloog blijkt te zijn. Dan schreeuw ik van het dak. Op het bekende schilderij van Munch mis ik het wolkje met het geschreeuw, zoals in strips. Ik wil het horen! Door het stille geschreeuw raak ik in paniek. Ik zie zijn pijn, maar ik hoor hem niet.

De afgelopen week was ik weer aan het schreeuwen. Zoals lang geleden. Ik ben er niet trots op, maar schamen doe ik me ook niet. En hoewel ik niet weet wat ik duidelijk heb gemaakt bij degene die mijn gehoor vormde, heb ik iets duidelijk gemaakt voor mezelf. Wat precies? Iets wat zelfs een kind weet, maar wat volwassenen afleren: als iets pijn doet, schreeuw je: Au!

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Reageer >
 

Tirade 458: Meester en leerling

27 maart 2015 (11:16) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘Meester en leerling’ is het thema van Tirade 458, dat is opgedragen aan dichter en schrijver Erik Menkveld (1959-2014). Zowel in zijn roman Het grote zwijgen als in zijn gedichten speelt de verhouding tussen meester en leerling een belangrijke rol. Dit Tirade-nummer biedt een verzameling gedichten, verhalen en essays die op uiteenlopende wijze aansluiten bij het thema. Met speciaal geschreven bijdragen van onder anderen Willem Jan Otten, Marjoleine de Vos, K. Schippers, Anneke Brassinga, Neeltje Maria Min, en het eerste gedeelte van Erik Menkvelds onvoltooide roman Aline. Met tekeningen van Katja Stam. Maria Vlaar en Emilia Menkveld treden op als gastredacteuren.

Bestellen: klik hier.

Het nummer wordt gepresenteerd in Perdu, aanstaande zondag om 16.00 uur.

Reageer >
 

Birdman: Carver met andere middelen

26 maart 2015 (11:39) | Menno Hartman | 4 reacties

fwiction.whatwetalkaboutHet is natuurlijk niet netjes toch naar een film te gaan als collega-blogger Martijn Knol je dat afgeraden heeft. Het gaat om zijn korte ‘in een noot’ bespreking van Oscarwinnaar Birdman: ‘Het is pseudo-kunst, een schijnheilige, ongevaarlijke, commerciële aanval op de commercie.’

Ik geloof niet dat deze film daarover ging. Maar de bespreker geeft altijd zichzelf prijs, Knol is misschien in gevecht met de commercie. Mijn Birdman gaat over de vraag wat je met je leven aan moet. De voormalig actieheld hoort de stem van zijn succespersonage in zijn hoofd, een van woede vervulde stem die hem zegt dat zijn huidige omgeving, theatertje, armoede, gedonder, hem niet waardig is. Hij moet kunnen vliegen en vechten tegen monsters, maar Riggan ruziet met zijn ex en zijn dochter, en de sterauteur die hij ingehuurd heeft. Ik zag in de film vier dingen die ik heel goed vond en die je niet zo vaak in commerciële film ziet:

De hoofdpersoon zijn gedachten over zijn eigen situatie zijn het hoofdthema van de film, daarmee is de film introspectief, de hoofdpersoon stelt de kijker in staat om hem te lachen zonder hem geheel af te kammen, je ziet Riggan Thomson in zijn kwaliteiten en met zijn beperkingen. Daarmee is Riggan een redelijk echt mens. Mislukt, maar vol hoop, bezig zijn leven vorm te geven terwijl hij het idee heeft dat het mooiste achter hem ligt. Het is een beetje: ‘in het midden van mijn leven aangekomen bevond ik mij in een donker bos.’

De regisseur González Iñárritu heeft het zichzelf waanzinnig moeilijk gemaakt door de film op te bouwen uit heel weinig heel lange shots.  (vergelijk bijvoorbeeld Russian Ark) Dat betekent, zonder dat je dat van de daken schreeuwt, dat je eigenlijk gedeeltelijk toneel aan het maken bent. Intense voorbereiding is daarvoor nodig, heel veel meer werk dan monteren van heel veel camerastandpunten. Het resultaat is een grotere intimiteit tussen de hoofdpersonen en de kijker, je bent aanwezig, daar, omdat er maar 1 camera is. Het resultaat is ook dat de film al in zijn maakproces gaat over: acteren. Gaat over de technische kanten van filmmaken. En daarmee is de film een biografisch product van de filmmaker.

De film gaat over dromen. En de regisseur heeft de kans gegrepen dit te verhelderen door heel transparant te zijn in zijn gebruik van trucage: Riggan waant zich steeds een superheld, hij vliegt, kan dingen laten bewegen, maar de regisseur kiest er toch voor heel duidelijk te maken dat dit Riggans gedachten zijn. Daarmee wordt duidelijk dat zijn verleden een last is. Daarmee zitten we ook in dit aspect een goed deel van de film in het hoofd van Riggan.

Birdman is de manier waarop je een Raymond Carververhaal verfilmt in ultima forma: níet. González Iñárritu heeft een elementaire gedachte uit de beste verhalenbundel in de Amerikaanse literatuur (Raymond Carver What we talk about when we talk about love) als uitgangspunt genomen: hier zitten we dan, dit is ons leven. Daarom denk ik dat de reactie van de weduwe van Carver een hele mooie is: ze meent dat Carver erg gelachen zou hebben om de film. Wetende dat het geen verfilming is maar een voortzetting van het uitgangspunt met andere middelen.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

4 reacties >
 

Gratis proza #9: Het meisje dat onder water kan ademen

25 maart 2015 (8:27) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0214Het meisje dat onder water kan ademen woont op nummer drie in onze straat. Het eerste wat iedereen vraagt, is hoe ik weet dat ze het kan. Dat betekent dat ze me niet geloven, terwijl ik nooit lieg. Nooit.

Op woensdagmiddag werken ik en Rudie naast het zwembad. In de pauze roken we dan bij de boom. Rudie heeft shag en ik heb sigaretten, omdat Rudies pauzes langer zijn dan die van mij.

Volgens mij wil het meisje niet dat mensen weten dat ze onder water ademt. Ze doet het alleen als niemand kijkt, behalve ik dan, maar ik kijk heel voorzichtig, zoals je hoort te kijken naar dingen die je mooi vindt. Ik mag trouwens nergens met mijn handen naar kijken.

Dus als je voorzichtig kijkt dan kun je zien dat ze heel lang onder blijft. Rudie zegt dat het meisje wél boven komt om adem te halen, omdat iederéén moet ademen, zelfs vissen. Maar die doen het onder water, en dat is nou precies wat ik bedoel.

Vorige week ben ik van dichtbij wezen kijken, met mijn neus tegen de ruit. Het meisje klom op de kant en zwaaide naar me, maar misschien ook naar haar vader, die met zijn rug tegen het raam zat. Ik zwaaide terug en stak mijn duimen op en daarna riep ik, zo van: ‘Meisje! Hé, meisje!’

Tot de badmeester naar buiten kwam om te vragen of ik weg wilde gaan, en dat wilde ik niet, maar het moest toch.

Het meisje heeft een blauw badpak en een muts en een onderwaterbril met elastiek tegen de rode ogen van de chloor. Verder lijkt ze helemaal niet op een vis. Rudie zegt dat je kieuwen nodig hebt om onder water te ademen, en in mijn boek, dat Ans van de Bieb voor me besteld heeft, staat dat dat zo is.

Het boek gaat over de zee en nu weet ik alles over onderwaterdieren. Bijna, dan: ik ga het verlengen omdat ik nog niks over onderwatermeisjes heb gevonden.

Ik weet niet of het meisje kieuwen heeft. Misschien heeft ze wel hele kleine. In mijn boek staat dat je kieuwen achter je kaken zitten. Dat is bij alle vissen zo, of je moet een dolfijn zijn. Dan heb je een luchtgaatje, boven op je hoofd, maar dat heeft ze zeker niet. Dan zou ze stikken door haar badmuts.

Om twee uur, als de zwemles afgelopen is, gaat het meisje dat onder water kan ademen bij haar vader achterop de fiets over het laantje. Dan zingt haar vader, en je kunt ze nakijken tot aan het hek van haar achtertuin.

Ans van de Bieb zegt dat het meisje een zeemeermin moet zijn, maar die bestaan niet. En bovendien hebben ze een vissenstaart en tieten en blauwe ogen, en dat heeft het meisje allemaal niet. Morgen is het woensdag. Ik weet wat ik ga doen.

In de pauze loop ik langs de hele heg tot aan de ingang en dan laat ik daar mijn pasje zien. Door de kleedkamers ga ik naar het zwembad, en dan zó naar het meisje toe, om te vertellen dat ik weet dat ze het kan: onder water ademen. En ik ga zeggen dat ze niet bang moet zijn, omdat ik goed geheimen kan bewaren.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Reageer >
 

24 maart 2015 (10:38) | Wytske Versteeg | Geen reacties

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Reageer >
 

Een bord vol rozen

23 maart 2015 (10:26) | Martijn Knol | Geen reacties

sergio herman fpFilm/docu: Sergio Herman, Fucking Perfect (2015).

Regie: Willemiek Kluijfhout.

Verhaal: één van de allerbeste chefs ter wereld besluit zijn restaurant in Sluis te sluiten om… een nieuw, groter restaurant te openen in Antwerpen.

Koken is communicatie, een topchef een conceptueel kunstenaar. Sergio Herman drukt zijn indrukken, dromen en herinneringen uit in duintuinen en zeeschappen ter grootte van een bord. Fucking Perfect is een case study naar artistieke obsessie, A Portrait of the Artist as a Bezeten Topchef.

Een ijzersterke sequentie registreert hoe Herman en een assistent ’s nachts nadenken over de presentatie van één van de gangen die ze willen serveren op het afscheidsdiner van Oud Sluis. Je ziet een ontevreden Herman idee na idee afwijzen – hij wil iets met een duif doen, de symboliek van ‘honkvast’ combineren met ‘doorgaan’ en ‘vleugels uitslaan’ – tot hij een visioen krijgt: midden op ieder bord een poederige pootafdruk! Een latere scène toont hoe mooi en poëtisch het idee is uitgevoerd.

Herman is een uitmuntend vormgever en stylist. Als hij (blauwe broek, groen jasje) aan zee zilte plantjes verzamelt, dan schikt hij die keurig op soort. Of hoe hij, met pincet, bietenplakjes verandert in rozen!

Terwijl er een tatoeage op zijn bovenarm wordt gezet, staart Herman voor zich uit: ‘Weet je… als ik niet werk, dan is ‘t net of ik een beetje aan het dromen ben… En als ik dan in Oud Sluis de keuken in loop, word ik pas weer wakker.’ Een kunstenaar leeft alleen als ie aan ’t werk is.

herman zeeIn recensies en andere berichtgeving rond SHFP wordt steeds beweerd dat de film toont welke ‘offers’ je moet brengen om je te handhaven aan de top. Je kan ook zeggen: wat een autoritaire bullebak je moet kunnen zijn. Sergio schreeuwt en scheldt tegen de piepjonge jongens die bij hem achter de kachel staan en hij beukt net een tikje te hard tegen hun schouders. Ondernemen: schelden op je personeel, slijmen tegen je klanten.

Wat Martijn Knol ook opviel is dat Sergio Herman af en toe in de derde persoon over zichzelf spreekt. Voor wie nog aarzelde om de sticker ‘narcist’ op zijn (Hermans) voorhoofd te plakken.

Prachtig is de verhaallijn over Sergio’s dementerende vader. De ziekte toonde haar lege ogen toen de oude Herman – van wie Sergio het koken heeft geleerd – zijn zoon om het recept van vissoep moest vragen, een gerecht dat hij al een leven lang bereidde. SHFP laat zien dat het leven vergankelijker is dan de kunst: fotografie en receptenboeken maken gerechten herhaalbaar. De maaltijd verdwijnt, het gerecht blijft. Individuen dementeren en sterven, tradities worden voortgezet door nieuwe individuen.

Herman vertelt met warmte over zijn kinder- en jeugdjaren. Het radiootje in de keuken tijdens EK’s en WK’s, zijn vader die in schort de trap opstormde, richting TV, als het Nederlands elftal leek te gaan scoren. Sergio’s eigen gezinsleven stelt geen flikker voor. De wezenloze scènes over zijn huwelijk hadden uit mededogen met mevrouw Herman – en met de kijker – misschien zelfs beter weggesneden kunnen worden.  ‘Trouw nooit met een kok,’ zegt Ellemieke Vermolen-Herman. Dat zou in haar geval inderdaad beter zijn geweest.

‘Ik wil niet de klagende vrouw zijn’… toch is dat precies waarnaar we zitten te kijken op de momenten dat mevrouw Herman in beeld wordt gebracht. Eenzaamheid overgoten met pseudo-spirituele, populair-psychologische kitsch. Voor een voormalig model heeft ze ook best dikke bovenarmen, trouwens.

Afijn, in artistiek opzicht verzadigt de documentaire beslist: ik zag ’m bijna een week geleden en heb sindsdien nog geen dag de behoefte gevoeld een andere film te gaan zien. Na afloop van SHFP krijg je vooral zin om stillevens te gaan bekijken in een museum of om lange strandwandelingen te gaan maken.

Eindoordeel: fijne docu, drie veldjes met in de zilte zeewind rillende klaprozen (3/5).

——-

‘En nu zou Martijn godverdomme wel een espresso lusten. Wat sta je daar nou te staan, jongen? Dacht je dat iemand anders die espresso voor jou ging halen en dat jij ’m dan alleen nog maar op m’n bureau hoefde te zetten? Verantwoordelijkheid nemen, jongen! Hup! Leveren!’

‘Ik ren al!’

Volgende week: Lente, een liefdesverhaal.

————–

Portret Martijn Knol (foto Koos Hageraats) webMartijn Knol (1973) is schrijver en Tirade-redacteur. De duiker (2003), Aphinar (2007), Alles kan kapot (2011), Elders (2014). Verder: korte verhalen, essays, besprekingen, blogposts.

 

Reageer >
 

Primum vivere, deinde philosophari

22 maart 2015 (14:12) | Mira Feticu | Geen reacties

Gisteren was een dagje Efteling, zoals we in het Nederlands zeggen. Het was meer dan dat, want mijn dochter vierde daar samen met haar vriendinnen haar verjaardag. En omdat ze nog te klein zijn om er alleen naartoe te reizen, maar ook te groot om daar begeleid te worden, ging ik wel mee, maar bleef de vraag wat ik er moest doen. Ik houd niet van pretparken en ik ben claustrofobisch. Maar met een boek in mijn tas wordt alles makkelijk, zelfs de Efteling. En het was ook niet zomaar een boek, maar Manifestaties van de intellectueel van Edward W. Said. Dus daar zat ik dan, in een enorme zaal, als een stationshal, Said te lezen, aan een tafeltje met nog één stoel vrij, in een enorm drukke omgeving: geschreeuw van moeders (“frikadel of kroket?”), gehuil van baby’s, onmacht van vaders (“ik zei toch pannenkoek!”). Tegenover mij de enige vrije stoel van de zaal. Mensen kwamen en gingen, anderen wachtten geduldig tot er tafels vrijkwamen, niemand kwam naast me zitten. De rij voor de wc reikte tot aan de vrije stoel bij mijn tafel. Ik dacht wat ik vaak denk als ik aan het poetsen of koken ben of andere huishoudelijke dingen doe: Primum vivere, deinde philosophari. Ik voelde dat ik deed alsof ik aan het “vivere” was, maar ik was aan het “philosophari”. Said zegt dat we te lang doen over de definitie van een intellectueel. Dat we te passief zijn. Dat alles politiek is.

Zelfs in de Efteling. In de rij om water te kopen, wil ik net afrekenen als de vriendinnen van mijn dochter zich bij mij voegen om andere dingen te kopen: achter ons maakt een mevrouw zo’n geluid met haar lippen dat ik wel moet begrijpen dat ze op één persoon voor haar had gerekend, niet op vijf. Zo te horen vormen de moeders en de vaders van alle bewegingen in de wereld niet zo’n buitengewoon kleine, uiterst selectieve groep, zoals Said denkt. De intellectueel moet zich laten horen, hoewel hij geen gemakkelijke taak heeft: hij bevindt zich altijd tussen eenzaamheid en conformisme.

Ik heb het boek van Said nog niet uit. Op het moment dat ik dit schrijf begraven mijn dochter en haar vriendinnen een tijdcapsule in de tuin. Ik weet niet precies wat er in de ijzeren doos zit, maar ik heb wel gezien dat elk meisje een brief over zichzelf en over hoe ze de wereld zien – nu en over twintig jaar – in de doos heeft gestopt. En hoewel ik niet zonder “philosophari ” kan, geef ik toe, na een drukke dag Efteling, dat “vivere” ook mooi kan zijn.

Mira Feticu (1973) debuteerde in 2012 in het Nederlands met Lief kind van mij, in 2013 gevolgd door De ziekte van Kortjakje Beide boeken gaan over een onder Ceausescu opgegroeide Roemeense immigrante die niet kan aarden in Nederland maar opbloeit als ze afstand neemt van haar echtgenoot. Mira is in maart de zondagse gastblogger, haar laatste bijdrage aan Tirade vind je in nummer 457.

Reageer >
 

Wytske Versteeg toegetreden tot de Tirade-redactie

21 maart 2015 (12:34) | Blog | Geen reacties

Wytske Versteeg herfstWe zijn weer compleet.

Vandaag is, tot onze blijdschap, toegetreden tot de redactie van Tirade:  Wytske Versteeg.

Wytske neemt de plek in van Lieke Marsman die de redactie bij de verschijning van Tirade 457 heeft verlaten om zich helemaal op haar studie filosofie en op nieuwe literaire projecten te kunnen richten. Lieke, dank voor alle vrolijke, inspirerende uren die we sinds Tirade 447 met je hebben doorgebracht. We blijven je lezen, we blijven samenwerken.

Lezers van Tirade en van dit Tirade blog zijn al bekend met Wytske Versteeg de auteur, wetenschapster, blogger. Binnen de redactie van Tirade zal zij zich, net als iedereen, bezighouden met poëzie, verhalend proza en essayistiek. Iedere dinsdag publiceert zij een nieuwe blogpost op deze site.

Wytske, van harte welkom in de redactie!

Tirade – nieuwe tijden, nieuwe teksten.

Over Wytske Versteeg

Wytske Versteeg (1983) studeerde in 2005 cum laude af in de politicologie en werkt momenteel aan een promotieonderzoek op het gebied van wetenschapscommunicatie aan de Universiteit Twente. Behalve de romans De wezenlozen (2012) en Boy (2013) publiceerde Versteeg het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008) dat gebaseerd is op haar ervaringen als vrijwilliger in een crisisopvang. Versteeg won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. In 2014 zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. Deze herfst publiceert ze een nieuwe roman.

De redactie van Tirade, per heden: Martijn Knol, Gilles van der Loo, Wytske Versteeg, Marko van der Wal.

Portret Wytske Versteeg: Eline Spek.

Reageer >
 

De Kift en Russen

20 maart 2015 (10:58) | Marko van der Wal | Geen reacties

Met ‘Nederlandstalige muziek’ heb ik helemaal niets, maar voor De Kift maak ik een uitzondering. Mijn eerste kennismaking met deze rock- en fanfareband in een was hun album 7, dat ik jaren geleden op de goeie gok had gekocht (in de tijd dat je nog cd’s kocht), omdat het hoesje een mysterieuze, opgevouwen lichtbruine enveloppe was. Wat voor muziek, geen idee, misschien had ik er iets over gelezen in de Oor.

7 is gevuld met nummers op teksten van de grote Russische dichters, van Anna Achmatova tot Daniil Charms en van Boris Ryzji tot Marina Tsvetajeva. ‘Een cd die staat als een huis, als een boerenhoeve, een huurkazerne, een strohut, als een galerijflat van 13 verdiepingen opgemetseld vanuit de kruipruimte van De Kift,’ al zeggen ze het zelf. En dat was ook wat ik er in eerste instantie in hoorde, want ik had niet in de gaten dat het allemaal oorspronkelijk Russische poëzie was (of dat ik daar later mee te maken zou krijgen). Indruk maakte vooral het nummer ‘De dis’, naar het titelloze gedicht van Tsvetajeva, in de vertaling van Marko Fondse. Een klokkenspel met een ijl trompetgeluid, en dan de raadselachtige tekst:

Aldoor herhaal ik ”t eerste vers
En heb het aldoor weer verbeterd:
“Ik heb vandaag gedekt voor zes…”
Was je de zevende vergeten?

Het was haar allerlaatste gedicht, uit 1941, het jaar waarin Rusland bij de Tweede Wereldoorlog betrokken raakte en Tsvetajeva zelfmoord pleegde. Al met al riep het nummer een diep underdog-gevoel bij mij op, over iemand die zich altijd wegcijfert maar daar op een moment schoon genoeg van krijgt. Ook de andere nummers van het album zijn door hun weemoedigheid blijven hangen, ook al verloor ik De Kift uit het oog.

Totdat ik eergisteren in het Maagdenhuis (hoofdstedelijk bezet gebied) stond, waar De Kift optrad. Van 7 speelde de band in ieder geval ‘De reiziger’ (naar ‘Troika’ van Pjotr Vjazemski). En blijkbaar, zonder dat ik het wist, kende ik de hele tekst nog. Bijvoorbeeld een fraaie beschrijving als, die kwam vloeiend uit mijn mond:

De maan komt plots tevoorschijn
Tot hij rond aan de hemel staat,
En strooit zijn zilveren weerschijn
De reiziger in het gelaat.

Ik ontdekte die avond nog meer, zoals een waarschijnlijk misverstaan ‘pleidooi voor bloeiende brem’, geen idee hoe of wat maar ik zat nu eenmaal in een poëtische high. Er zeilde een opzwepend nummer binnen die ook van een Rus bleek te zijn, van Ivan Boenin. Terwijl ik dacht aan matroesjkapoppetjes, Petronius, Oguz Atay en Lorca, zong de band ‘Filet de perche‘:

Men neme een olijf. Die olijf gaat in een vijgensnip,
de snip in een ortolaan, de ortolaan in een leeuwerik,
de leeuwerik in een lijster, de lijster in een kwartel, de
kwartel in een kievit, de kievit in een goudpluvier, de
goudpluvier in een patrijs, de patrijs in een houtsnip,
de houtsnip in een taling, de taling in een parelhoen, de
parelhoen in een kip, de kip in een fazant, de fazant in
een kalkoen, en dat allemaal in een trapgans.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds twee jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Reageer >
 

Slapen en meten met twee maten

19 maart 2015 (11:05) | Menno Hartman | Geen reacties

9780500287057_15178

Zo’n boek ligt daar dan dus

Ze schieten als zwammen uit de aarde: noeste en peperdure nichewinkels met artikelen die basaal uit hout, koper, leer, touw, papier en ijzer bestaan, koophutten met hebbedingen voor mannen. Opgezette vogels, vlinders, scheergerei dat je alleen daar kopen kunt, messen uit Japan, sandelhouten scheerzeephouders, boeken met kleurenfoto’s uit 1900, vintage pennen, bijlen, thermoskannen van Stanley. Mannelijk. Duurzaam. En toch.

Bij mij in de buurt, in ‘de leukste winkelstraat van 2013’ zijn nu twee van dit soort winkels. De eerste keer is een blijde verrassing, wat mooi allemaal, hoewel erg duur. De tweede keer een vreemde sensatie: ik pas in een niche. Als je alles in een winkel mooi vindt en wel wilt hebben dan is droevigheid je deel: het besef volledig marketable te zijn geworden, samen te vallen met je demografische omschrijving van leeftijd, geslacht, inkomen, woonplaats. En dat iemand precies heeft ingeschat wat je dan wel leuk zult vinden. Dit is de Google-bubble maar dan real life. Het is niet erg overeenkomstige voorkeuren te hebben. Het is verdacht dat je in een winkel alles wel mee naar huis wilt nemen, ik voel dan verzet opkomen. Maar een mens wil slapen en meten met twee maten. Voorzichtigheid en passende oplossingen zijn het moto.

Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Ik moest dit mijmerend, denken aan Jojo van Jacques Brel en dan vooral de schitterende  en bij nader inzien steeds droeviger wordende  uitvoering van Jeroen Willems:

Brel zingt een lied over zijn chauffeur die dood is. Jeroen Wilems gaf denk ik de beste interpretatie van het lied en soms met een heel mooie vertaling, hoe vrij ook…

Jojo,
Ce soir comme chaque soir
Nous refaisons nos guerres
Tu reprends Saint-Nazaire
Je refais l’Olympia
Au fond du cimetière Jojo,
Nous parlons en silence
D’une jeunesse vieille
Nous savons tous les deux
Que le monde sommeille
Par manque d’imprudence

Six pieds sous terre Jojo tu espères encore
Six pieds sous terre tu n’es pas mort

Wordt bij Willems

Jojo,

Wij knokken deze nacht als elke nacht tevoren
jij rijdt het land weer door, ik bespeel een volle bak
dit graf is het decor, Jojo,
wij liggen hier te praten van jeugd die plots voorbij was
wij weten al te goed een mens wil slapend leven
en meten met twee maten.

Al lig je diep Jojo, je hoop wordt gehoord
al lig je diep, je leeft nog voort

‘Nous savons tous les deux, que le monde sommeille par manque d’imprudence’ echoot vreemd lang na in een op maat gemaakte wereld waarin voorzichtigheid de meeste kansen biedt.

Hier die van Brel

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van stations.

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015
 
Nr.457 Nr.458
 
bestel
 
 
voorpagina