De machinist, de locomotief en hun stoker

18 juni 2018 (8:00) | Milo van Bokkum | Geen reacties

st lazareJe hóórt de treinen bijna van de pagina rijden in Zola’s Het Beest in de Mens. Als er één spoorwegroman is, dan toch deze, met een wat verouderde, ‘wetenschappelijke’ plot over criminaliteit, maar vol beschrijvingen van treinen in 1870 die stomen, sissen en denderen alsof je zelf in de sneeuw kolen staat te scheppen op de locomotief van Parijs naar Le Havre.

Ik kwam het boek een maand terug tegen omdat ik – banaal genoeg – op Google op zoek was naar romans over treinen en ik deze zag staan op een lijstje. Het was me als treinfanaat opgevallen hoe weinig de spoorwegen eigenlijk in de literatuur lijken voor te komen – althans, als méér dan een vervoermiddel. Ook de lijstjes leverden maar weinig inspiratie op. Behalve Zola dus, die gelijk maar besloot flink werk van het thema te maken en 300 pagina’s aan spoorwegnotities naliet.

Het is een feest om te lezen hoe de machinisten in de vroege pioniersjaren van de spoorwegen als helden weer en wind trotseren, en een ‘ménage-à-trois’ vormen met hun (vrouwelijke) locomotief en hun stoker. Tegen het einde van het boek volgt er zelfs een dramatische locomotief-sterfscène, die er bij de machinist (en de lezer) flink inhakt.

Ik probeerde in mijn geheugen nog eens te kijken hoe treinen in andere boeken voorkwamen. Dat bleek erg leuk, omdat je snel bepaalde overeenkomsten gaat zien. Tips zijn welkom (ik moet me nog wagen aan Dokter Zjivago), maar dit zijn mijn twee voorlopige conclusies van een totaal willekeurig onderzoek:

1.       De trein als aankomst in een verhaalNiets is fijner dan een boek of een hoofdstuk op een rustig tempo over het spoor binnenwiegen, soms wel vijftig pagina’s lang, zoals in Laszlo Krasnahorkai’s De Melancholie van het Verzet. Hetzelfde gebeurt bij Ismail Kadare (Twilight of the Eastern Gods) en Tom Hofland (Lyssa). Vasili Grossman opent Leven en Lot met een ijzingwekkende scène vanuit de cabine van een trein die een concentratiekamp binnenrijdt.

2.       Een niet te stoppen, beangstigende kracht

Vaak gaat het er minder rustig aan toe, vooral in de 19e eeuw. Hier wordt het interessanter. Tolstoj, Banffy, Belinski, Zola – allen gebruiken ze een voortsnellende trein als een bijna buitenwerelds, nieuw fenomeen dat de natuurlijke orde der dingen overhoop haalt en misschien wel meer stukmaakt dan je liefhebt. Bij Zola wordt er bovendien kritiek mee geleverd op de snelheid van technologische ontwikkelingen, wat het boek een soort permanente actualiteit meegeeft.

Het meest onverwacht vond ik hoe vaak men aan boord bijna stikt van claustrofobie en misselijkheid. Zowel bij Krasnahorkai als Zola willen personages op een zeker moment zo snel mogelijk uitstappen omdat ze dreigen door te draaien van het gehobbel. In De Pop van Bolesław Prus verlaat de actie 900 pagina’s lang Warschau nauwelijks, en wanneer dat wel gebeurt is het geen succes:

Hij was gedwongen toe te geven dat er iets ergers was dan verraad, desillusie en vernedering.

Maar – wat was dat? Ja, reizen per trein! Hoe de wagon schudde… Hoe die voortdenderde! Hij voelde het schudden in zijn benen, longen, hart, hersenen; alles in hem bewoog op en neer, elk bot, elke vezel van zijn zenuwen… […] Eindelijk klonk er een fluitje, toen nog een, en de trein stopte op een station. ‘Ik ben gered’, dacht Wokulski.

Geen bemoedigende beelden voor treinliefhebbers. Die kunnen zich wel troosten met het idee dat de trein vandaag de dag doorgaans in een veel beter aanzien staat. De moordende kracht van de spoorwegen lijkt juist eerder te worden onderschat, blijkens de constante campagnes van ProRail om vooral jongeren ervan te doordringen dat ze niet langs het spoor moeten lopen. Een paar pagina’s Zola zou genoeg moeten zijn om het af te leren.

DSCF1367Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.
Reageer >
 

Balgevoel

16 juni 2018 (9:45) | Arjen van Lith | Geen reacties

pink-bulk-tennis-balls

Eigenlijk zijn er maar twee soorten mensen op de wereld: 1) mensen die, als er een bal op hen afkomt, wegduiken en 2) mensen die er juist naartoe willen. In theorie, analoog aan de vlucht-/vechtreflex bestaat er nog een derde reactie (doodhouden), maar die kom je niet zo vaak tegen in de sportwereld.

Aan de buitenkant kun je onmogelijk zien wie tot welke groep behoort. Mij hoor je dus niet zeggen dat jongens van nature balvaardiger zijn dan meisjes – dan slaat Simone van Saarloos me in elkaar – of dat bottoms minder ver kunnen gooien dan tops. Ik zou zelfs het tegenovergestelde willen beweren: juist diegenen van wie je het ‘t minst verwacht, blijken ineens over een fabelachtig balgevoel te beschikken.

Zelf ben ik een treffend voorbeeld. Vroeger leek ik op een meisje, dus werd ik met gym als laatste gekozen, logisch. Tot ik een bril kreeg, was ik me zelf ook niet bewust van mijn eigen hand-oog coördinatie. Ik ging net zo lief touwtjespringen of elastieken.* Pas toen ik met peanutball tot mijn eigen verbazing zomaar een homerun sloeg, voelde ik voor het eerst hoe lekker het is om een bal voluit te raken.

Als tiener was ik geen fan van Madonna, maar wel van de doorschijnende mesh-hemdjes uit haar Borderline-periode. Heerlijk luchtig op de tennisbaan. Die piepkleine, maagdelijk witte shorts waarin Björn Borg vroeger speelde – met zo’n splitje aan de zijkant van de pijpjes – waren toen helaas al uit de mode, maar afgescheurde spijkerhotpants werkten ook prima: ik kon mijn ballen erin kwijt en de tegenstander raakte erdoor van slag.

Winnen van hetero’s; ik gun het iedereen van harte. Rond mijn vijftiende was het schering en inslag, maar toch bleef het bevredigend om te zien hoe hun onderschatting al na een paar games plaatsmaakte voor frustratie en uiteindelijk blinde zelfhaat wanneer ze van de baan werden geveegd door een frêle jongenshinde in een hoerig broekje, gezegend met een fluwelen balbehandeling. Wel vond ik het lastig om een geschikte dubbelpartner te vinden.

Mijn balgevoel heeft me meer dan eens uit de penarie gered. Op een zondagnacht in mijn studententijd, na een avond dansen in homodisco De Trut, werden mijn scharrel en ik hinderlijk achtervolgd door een groepje schreeuwpubers op het Hugo de Grootplein. Vanaf het midden van de rotonde gooide één van hen met kracht een vol blikje Red Bull naar ons toe. Ik plukte het met één hand uit de lucht, maakte het open en nam een slok. Niet te zuipen, maar op zo’n moment handel je instinctief, direct vanuit je motorische schors.

Nog een memorabele redding: tijdens mijn allereerste sollicitatiegesprek ooit moest ik zó nerveus lachen, dat er onbedoeld een fluim uit mijn mond ontsnapte en in een dramatische boog koers zette richting het hoofd van mijn latere werkgever. Ik weet niet precies hoe ik het deed, maar in een razendsnelle beweging graaide ik de fluim mid-flight voor zijn gezicht weg. Met links, want tijdens mijn stage bij het diplomatencorps had ik geleerd dat je je rechterhand altijd schoon en droog moet houden.

De meeste mensen zetten ‘balgevoel’ niet op hun cv. Ik wel. Balgevoel is een essentiële survival skill. Alles wordt makkelijker. Het heeft me meer gebracht dan, noem eens wat, alle politicologie-modules van Methoden & Technieken bij elkaar opgeteld. Balgevoel is way up there, samen met zwemmen en vuurbeheersing.

Gistermiddag op het Plantsoen trok voor het eerst een lichte pijnscheut door mijn onderrug toen ik zonder warming-up een basketbal teruggooide naar een groepje jongens op het schoolplein. Daar wordt ik dus zenuwachtig van. Er staat te veel op het spel.

­

_________________

* In Krommenie ook wel helastieken genoemd. Populair schoolpleinspelletje uit de jaren ’80, waarbij twee beste vriendinnen tegenover elkaar staan met een lange elastiekband langs hun enkels gespannen. Tussen hen in voert een derde beste vriendin een aantal verplichte springoefeningen of een vrije kür uit – vaak in de maat van een liedje of klapritme – waarbij zowel de plaatsing van de voeten ten opzichte van het elastiek (erop, eronder, erbinnen, erbuiten, etc.) als de uitvoering van diverse vervlechtingen in het elastiek (Eiffeltoren, kop en schotel) meetellen in de waardering.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Het algoritme – tussen overspannen verwachting en angst

16 juni 2018 (9:11) | Machiel Jansen | Geen reacties

The_Signal_and_the_NoiseSoms zou je willen dat mensen geen meningen uiten over iets waar ze geen verstand van hebben. Iedereen die iets wil bijdragen aan een discussie over algoritmes zou bijvoorbeeld alleen mogen meedoen na het lezen van ten minste een pagina van Donald Knuth.

Algoritmes krijgen de laatste tijd van alles de schuld. Ze houden je in de gaten, ze weten alles van je, ze kennen je beter dan je jezelf, ze schenden je privacy, ze weten je pincode, ze zijn ‘weapons of math destruction’, ze zijn ondoorzichtig en Facebook en Google gebruiken ze om alles over je te weten te komen.

Soms zou je het uit medelijden voor het algoritme op willen nemen. Maar voordat je het weet is er iemand je voor en beweert dat algoritmes de uitkomst voor onze democratie.  (van Oenen – NRC 9 juni) Omdat ‘ze ons beter kennen dan wij ons zelf.’ …Je kunt ook doorslaan.

Laat ik eerst uitleggen wat een algoritme is, om vervolgens te kunnen beweren dat het algoritme de laatste jaren juist minder, niet meer belangrijk is geworden. Een algoritme is een stappenplan om een bepaald probleem op te lossen. Het allereerste algoritme dat ik tijdens mijn studie moest opschrijven betrof het plakken van een lekke fietsband. Schrijf al de handelingen en keuzes die je bij het bandplakken moet doen maar eens op. Als je dat in detail doet heb je een algoritme opgeschreven. Een programmeur kan op basis van een algoritme vervolgens een programma maken, ongeveer zoals een kok een recept volgt. (Niet iedereen komt tot hetzelfde resultaat.)

Het gaat in de discussie die van Oenen start, uiteindelijk niet om algoritmes maar om voorspellingen op basis van data. Algoritmes (gevoed door data) worden gebruikt om modellen te maken, en op basis van modellen kunnen voorspellingen worden gedaan. Hoe goed kun je voorspellen dat iemand jouw product gaat kopen, je film goed vindt, op je politieke partij stemt, radicaliseert, een aanslag pleegt of aan een ziekte lijdt?  De data die gebruikt wordt speelt vaak een veel grotere rol dan het algoritme.

Van Oenen (NRC 9 juni) meent dat de overheid algoritmes kan inzetten om de burger meer inspraak te geven. Hij ziet hoe ‘Google’s algoritme’ feilloos kan voorspellen waar wij naar op zoek zij en hij meent in de toepassing van deze technologie de brug te zien die straks over de kloof tussen overheid en woeste burgers komt te liggen. Het algoritme als hoop in bang dagen.

Wie in de ICT werkt, kent waarschijnlijk de hypecyclus van adviesbureau Gartner. Deze cyclus laat zien hoe een nieuwe technologie eerst tot een hype wordt opgeklopt, waarbij verwachtingen onrealistisch tot in de hemel reiken. Deze piek van aandacht wordt gevolgd door een periode van grote teleurstelling en veel vernietigende kritiek. Na verloop van tijd worden de opvattingen minder extreem, realistischer en meer bepaald door bewezen resultaten dan geloof of dromen. De kans dat medestanders van Oenen in ‘het algoritme’ zullen worden teleurgesteld lijkt me aanzienlijk.

Van Oenen denkt onterecht dat Google weet wat straks hij in zal tikken. (Ik vermoed zelf dat hij binnenkort ‘Donald Knuth’ zal intypen.) Google gebruikt wel statische modellen om te proberen te voorspellen wat iemand intikt. Het algoritme om een model te maken dat dergelijke voorspellingen doet is helemaal niet zo ingewikkeld. Googles kracht ligt niet zozeer in de intelligentie van hun algoritmes maar in het gebruik van zeer veel data, intelligente modellen en het vermogen om grote hoeveelheden data snel en efficiënt te verwerken. Hoe ze hun voorspellingen precies doen, is grotendeels onbekend, maar waarschijnlijk controleren ze voortdurend of hun voorspellingen ook uitkomen. Dat laatste is iets waar de overheid van nature niet goed in is. Om één voorbeeld te noemen: de voorspelde geluidsoverlast van Lelystad airport op basis van een computermodel werd pas gecontroleerd toen een actiegroep met vraagtekens het nieuws haalde.

Het idee dat je met ‘een algoritme’ en een berg data tot onvermoede inzichten kan komen is een verhaal dat past in de opgeblazen verwachtingen rond de Big Data hype. In de praktijk komt Big Data-analyse neer op het vinden van statistische verbanden in grote hoeveelheden data. Het interpreteren van dergelijke uitkomsten is niet iedereen gegeven. Politici zijn er slecht in en journalisten niet veel beter. ‘The Media has a probability problem’ kopte Nate Silver september vorig jaar op de website fivethirtyeight.com. Zijn boodschap: opiniepeilingen worden subjectief geïnterpreteerd, voorspellingen verdraaid en onzekerheidsmarges… men weet helemaal niet wat onzekerheidsmarges zijn.

Silver, laat in zijn prachtige boek The signal and the noise en op zijn website telkens weer zien hoe je op basis van data inzicht kunt verkrijgen, of het nu om het weer, de economie, de politiek of aardbevingen gaat. Hij laat ook zien hoe ingewikkeld het voorspellen op basis van data is. De kunst is om het signaal van de ruis te onderscheiden en dat wordt vaak door de groeiende hoeveelheid data alleen maar moeilijker, niet makkelijker. Voorspellingen worden doorgaans beter naar mate we beter begrijpen wat er aan de data ten grondslag ligt. Het geloof in magische zwarte dozen is niet productief. Algoritmes zijn gereedschap bij data-analyse. Men moet ze niet verwarren met een heilige graal of een Noord Koreaanse raket. Voorspellingen zijn uiteindelijk een afspiegeling van inzicht, van begrip. Als het begrip ontbreekt, wees dan op je hoede.

Machiel_Jansen Machiel Jansen blogt voor Tirade incidenteel over zaken die ‘Big Data’ raken. Hij leidt het Scalable Data Analytics-team bij SURFsara Amsterdam. Machiel is gepromoveerd op Knowledge Engineering en heeft in 2007 bij verschillende bedrijven en universiteiten aan SURFsara gewerkt.

Reageer >
 

Bomen – langzaam afbouwen op deze planeet

14 juni 2018 (10:39) | Menno Hartman | Geen reacties

240px-00_29_0496_Waipoua_Forest_NZ_-_Kauri_Baum_Tane_Mahuta

Tāne Mahuta, in New Zealand

Toen ik zaterdag wakker werd in Antwerpen nadat Ester Naomi Perquin de avond daarvoor de Herman de Coninckprijs gewonnen had, liep ik naar Den Botaniek om een halfuurtje naast een geweldig magnolia te zitten. Elke magnolia refereert aan Billie Holiday’s ‘Strange fruit':

Southern trees bear strange fruit
Blood on the leaves and blood at the root
Black bodies swinging in the southern breeze
Strange fruit hanging from the poplar trees

Pastoral scene of the gallant south
The bulging eyes and the twisted mouth
Scent of magnolias, sweet and fresh
Then the sudden smell of burning flesh

Here is fruit for the crows to pluck
For the rain to gather, for the wind to suck
For the sun to rot, for the trees to drop

Here is a strange and bitter crop

Zoals iedere grote boom voor mij refereert aan Das Leben der Mächtigen van Zora del Buono. Een curieuze verzameling ‘reizen naar bomen’. Wonderlijke hobby, bedacht ik me in die botanische tuin. Ik mis geen botanische tuin, dus feitelijk ook mijn wonderlijke hobby. Mijn verste boom staat in New Zealand: Tāne Mahuta heet hij en het is een Kuari boom. Meer dan 2.000 jaar oud is deze boom en anders dan veel oude gebouwen met die leeftijd een levend verband met onze geschiedenis.  Hij is, lees ik,  goed bevriend met Jōmon Sugi, een Japanse ceder van 5.000 jaar oud. (een scène rond de Ents in Lord of the Rings verschijnt voor mijn geestesoog…)

Dit levende verband met de geschiedenis is zeldzamer aan het worden, sommige oude bomen sterven opeens sneller.  In Afrika zijn veel van de oudste baobabs kort na elkaar afgestorven, schrijft Nature.

‘ The deaths of the majority of the oldest and largest African baobabs over the past 12 years is an event of an unprecedented magnitude. These deaths were not caused by an epidemic and there has also been a rapid increase in the apparently natural deaths of many other mature baobabs. We suspect that the demise of monumental baobabs may be associated at least in part with significant modifications of climate conditions that affect southern Africa in particular.

Als je ver genoeg zou zoeken in mijn stamboom kom je bij een lange periode van in het bos woonachtige voorouders denk ik zo. Ik heb een geweldige ficus in Palermo gezien, een grootse rubber-ficus in Buitenzorg, Java, prachtige ceders in Japan en magnifiek geurende pijnbomen op Luzon in de Filippijnen, Schotse eiken, Russische berken, Indiase Banyans, Griekse olijven, een groots verband van zwijgende tijdgenoten, hun aanwezigheid in mijn apenbrein al miljoenen jaren verankerd.

Vanuit bomenland dus een kleine reverence voor de vertrokken baobabs.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Even langs

13 juni 2018 (8:33) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5636 2Het komt niet vaak voor dat ik opeens een vriend nodig heb. Voor bijna alles wat me dwars kan zitten heb ik B, die me kent en begrijpt en er altijd is.

Afgelopen maandagavond was het toch zover. Het was warm, B zei dat ze naar bed ging en ik moest nog iets, een biertje, even lullen op een terras. Ik appte twee vrienden die in de buurt wonen, wilde niet ver fietsen en daarna helemaal terug. Niemand reageerde.

Ik nam Otis de Hond mee en liep langs bij Matthijs, die in de Goudsbloemstraat woont. Matthijs is een warme man, en bovendien fotograaf, wat het hem mogelijk maakt ook op maandagen te drinken.

Hoewel zijn ramen openstonden werd er niet op de bel gereageerd. Otis en ik liepen verder, wat verloren langs de gracht, terwijl op alle terrassen mensen met hun vrienden fluitjes dronken.

Als vanzelf droegen mijn benen me naar het huis van Arjen. Onderweg stelde ik het me al voor: een joint roken met mijn vriend op zijn balkon en stikken van de lach terwijl de nacht zich nestelde in de binnentuinen. Het zou zeker te laat worden, maar het was al even ongezond om zelden hard te lachen.

Voor het roodstenen huis op het Frederik Hendrikplein, recht onder zijn raam, zette ik mijn handen aan mijn mond en riep zijn naam. Mijn stem moest tot in elke kamer van het appartement dragen, maar ook na vijf keer roepen verscheen hij niet.

Ik liet mijn armen zakken en mijn blik dwaalde naar straatniveau, waar Arjens buren van de begane grond met vrienden op bankjes en stoelen zaten, een smeulende barbecue tussen hen in. Ze keken wat ongeduldig naar me. Ik glimlachte, haalde mijn schouders op.

‘Volgens mij bennie er niet,’ zei een van de mannen, die op een klapstoeltje zat te roken. Hij droeg een korte broek van glimmende stof en de reep buik die onder zijn shirt te zien was gaf tl-achtig licht. Dacht hij dat ik een date van Arjen was? Een minnaar die kansloos onder zijn raam kwam roepen? Zo voelde het ook wel een beetje.

‘Kom, Oot,’ zei ik, en gaf een rukje aan de riem. ‘We gaan maar weer naar huis.’

Op je vijfenveertigste vrijgezel zijn, dacht ik, moest soms knap lastig wezen.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Festival*

5 juni 2018 (23:25) | Gilles van der Loo | Geen reacties

d6f0d82e-38b2-475d-a5d3-5e940807227eWe gingen naar een festival, het was anderhalf uur fietsen over een smal pad naar een plek ver boven de stad.

Onderweg voegden zich van alle zijwegen andere festivalgangers bij ons en zo werd geleidelijk duidelijk dat we de oudsten zouden zijn. De fiets van B had als enige een zitje achterop.

Een meute van duizenden vulde het veld. Opeengepakt wachtten we, en dit was nog maar de ingang. Nog vóór het fouilleren.

Ik dacht: wie is zo ongastvrij om mensen na anderhalf uur fietsen in de brandende zon te laten wachten en ze dan zonder vertrouwen tegemoet te treden? En: wie wil er naar een feest waar het nodig is de gasten te fouilleren?

Ik haalde mijn zakken leeg tot op die halve tandenstoker. Misschien liet ik hem te demonstratief op tafel vallen. De vale man met de V op zijn revers leunde voorover, tuurde in mijn ogen en zei ‘Tot ziens,’ terwijl ik toch echt naar binnen ging.

Het plan was om een paar uur zonder tijd te leven, wat lukte ook nog. De zon brandde verder, maar het waaide er nu lieflijk bij.

De wereld bleek genderfluid geworden sinds ik voor het laatst op een festival was. Een jongen met een volle snor en een suède rokje knipoogde naar me. Twee gassies die op het verkeerde feest leken te zijn maakten lachend foto’s van hem, en ik begreep dat onze genderfluiden feitelijk kanaries zijn.

Kanaries in de kolenmijn van Nederland. Een graadmeter voor de vrijheid van ons allemaal.

Ik voelde de aandrang de jongen in het rokje te bedanken, maar durfde niet; was bang dat hij me een ouwe lul zou vinden.

* Dit blog las ik maandagavond voor bij Nooit meer slapen, waar ik deze week in de nachten van ma, di, wo en do een kleine bijdrage lever. Foto: Pander Vos

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Achter het boek – De Kim-dynastie

31 mei 2018 (9:57) | Menno Hartman | Geen reacties

9200000085063120Gaat de top tussen Kim Jong-un en Donald Trump in juni door? Het is een van de weinige vragen aangaande Noord-Korea waar Casper van der Veen in zijn De Kim-dynastie. Geschiedenis van Noord-Korea geen antwoord op geeft. (Wel een educated guess over het verloop van zo’n gesprek overigens…)

Hoe kwam Uitgeverij van Oorschot tot dit boek? Casper van der Veen is naast journalist voor NRC en voor De Correspondent ook poëzieliefhebber en schrijft in die hoedanigheid recensies voor website Literair Nederland. In november 2016 las ik bijvoorbeeld deze. Een mooie recensie, maar wie was deze Casper? Toen ik las wat hij deed, nodigde ik hem uit voor een kop koffie. Casper had veel te vertellen, een veelheid aan achtergrond en kennis, belezenheid, is een mooi uitgangspunt voor een boek.

In januari van dit jaar spraken 22 studenten van de UvA die de Master Redacteur/Editor doen met Casper over zijn boek, nadat ze een maand over een stapel a4-tjes gebogen hadden gezeten als voorbereiding. Daarvoor hadden we drie dagen lang het boek gefileerd, wat kon er beter, wat ontbrak er? Hoe was de toon, herhaalt de schrijver veel? Wat kun je nog allemaal zeggen over een tekst die je onderhanden hebt, en vooral: welke tekst staat er nog niet in, maar zou er wel bij moeten zijn? De studenten deden wat een goede redacteur geacht wordt te doen: het naar vermogen compenseren van de auteur. Waar de auteur zich richt op de geschiedenis van de politieke gebeurtenissen vragen de studenten zich af hoe het met het dagelijks leven van de mensen zit. Waar de schrijver zijn literatuurlijst ontvouwt vraagt de redacteur zich af welke afbeeldingen er in het boek moeten om het verhaal kracht bij te zetten. Hoe is de verhouding lopend verhaal en ‘terzijdes’. Hoe los je zoiets op?

Zo ontstaat een boek stapje voor stapje… Eddo Hartmann leverde de foto voor het omslag. Getty Images de meeste foto’s in het binnenwerk. Er werd gekozen voor kleurenfoto’s van propagandamateriaal aan de binnenzijde van het omslag, zodat er geen complete kleurendruk voor het boek nodig was, de prijs is immers ook belangrijk: €22,50 voor een boek van 376 pagina’s, dat lukt de meeste mensen wel.

Dan gaat zo’n boek op de post naar de media en praat Casper bijvoorbeeld een uur op de NPO radio. En afgelopen maandag zat de salon van de Balie vol tijdens een gesprek rond dit boek met Tim Wagemakers en Anouk Eigenraam. (hier de youtube registratie van de avond). Nu wachten we op de recensies…

Het boek ligt in stapels in de winkels, want dit is het moment dat veel mensen zich afvragen: hoe zit het nou precies met Noord-Korea? Daar is een goed antwoord op te geven. Wij hebben het tij mee, en hopen dat de 25 miljoen burgers van Noord-Korea dat ook ooit eens kunnen zeggen.

——-
 IMG_6285
Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.
Lees  hier een eerder stukje over Noord-Korea.
Reageer >
 

Nekkie

30 mei 2018 (9:59) | Gilles van der Loo | Geen reacties

6d5f053e-07a1-42dc-98e2-a31cbf1e9a26Sinds een paar weken doet B ‘s ochtends een elastiekje in bij onze dochter.

De bedoeling is dat haar lange pluk dan niet meer in haar gezicht hangt, en een fijne bijkomstigheid is het nekkie.

Hoewel de verhouding tussen haar hoofd en lichaam met de jaren zal veranderen, heeft Ada’s nekkie iets tijdloos.

Alsof ik alleen maar aan een jaartal hoef te denken, haar naam hoef te zeggen en dat ze dan naar me om zal kijken als puber, als jonge vrouw, als verse moeder.

Ada’s nekkie lijkt op dat van mijn moeder. Als ik het kus verdwaal ik in de generaties, soms. Vergeet ik wie en wanneer ik ben.

Mijn vriend Jochem, die jaren voor mij vader werd, vertelde me na de geboorte van zijn eerste dochter dat hij een sterk beeld had gehad bij hoe zij eruit zou zien en dat hij in de verloskamer een soort teleurstelling had moeten verwerken. Dit is niet wie ik verwachtte. Deze persoon ken ik helemaal niet. 

Je hebt het kind van je jongvolwassen droom en het kind dat komt. Het kind dat komt verdrijft dat van de droom, zoals een eksterjong.

Voor alles wat echt wordt, wat je werkelijk leert kennen, moet fictie sterven.

Terwijl ik dit schrijf denk ik voor het eerst in lange tijd aan mijn dochter met de donkere krullen. Aan het kind dat ik nooit kreeg; dat altijd even oud zal blijven, en dat nu met het leren kennen van mijn Ada geleidelijk vervaagt.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Brief aan mijn kapper (30)

26 mei 2018 (8:28) | Arjen van Lith | Geen reacties

gieter

Beste kapper,

Het komt niet vaak voor dat ik u schrijf met goed nieuws, ik ben de eerste om dat toe te geven. Nu het verval van mijn lichaam (lees: schedeldak) onmiskenbaar is ingezet, overheerst de zwaarmoedigheid. In onze correspondentie richt ik me tot u in het volle besef dat de kaalslag op mijn hoofd u niet met dezelfde wanhoop vervult als mij. Soms denk ik weleens dat u mijn brieven niet eens leest.

Toch blijf ik u schrijven, al was het maar om mijn zelfmedelijden een te uitlaatklep te geven. Ik heb u nodig, beste kapper, ook al schrijft u zelf nooit terug. De wetenschap dat mijn leed gedocumenteerd staat bij de relevante instanties (u dus, én uw vrouw, die misschien geen Nederlands leest maar als geen ander shamponeert) biedt me troost. Bovendien zie ik het als mijn schrijversplicht om de tragedie van mijn rui vast te leggen voor de volgende generaties, opdat zij niet vergeten.

Vandaag schrijf ik u een positief bericht, al blijf ik huiverig om de term ‘goed nieuws’ te gebruiken. Mijn haar, of wat er nog van over is, lijkt de laatste tijd een opleving door te maken. Sinds ongeveer een maand is het niet alleen lente buiten, maar ook op mijn hoofd: vanaf het moment dat de bomen weer blad kregen, oogt mijn haar dikker en volumineuzer dan ik me in tijden kan heugen. U zult begrijpen dat dit een compleet nieuwe categorie problemen met zich meebrengt.

De vakliteratuur leert ons dat een uitgevallen haar nooit meer aangroeit. Als een follikel eenmaal afsterft, komt er niets voor in de plaats. Dood is dood. Enerzijds ben ik daar heel nuchter in, anderzijds klampt de mysticus in mij, de magisch denker die in iedere grote kunstenaar schuilt, zich vast aan de wensdroom dat mijn haar de dood kan overwinnen. Dat mijn haar zal herrijzen.

Het is nu drieënhalf jaar geleden dat de dekking begon te dunnen. In het begin durfde ik ’s avonds niet te gaan slapen uit angst de volgende ochtend mijn complete kapsel op m’n kussen aan te treffen. Later bleef ik nachtenlang wakker om mijn kalingspatroon* in kaart te brengen en uit te rekenen hoe lang het zou duren voordat ik haarloos als een ei door het leven zou gaan – en hoe ik mijn garderobe op die nieuwe werkelijkheid moest aanpassen. Nog weer later volgde de berusting. Af en toe, als ik alleen was, moest ik soms nog wel een beetje huilen, maar ik sliep geleidelijk aan steeds beter. Ik had me neergelegd bij het onvermijdelijke.

Nu lig ik opnieuw wakker. De berusting heeft plaatsgemaakt voor hoop, en daarmee ook voor vrees. Deed ik voorheen iets verkeerd en nu iets goed? Is het misschien mogelijk dat de overlevende begroeiing een nieuw biologisch evenwicht heeft bereikt, een middelbare staat van zijn die tot het laatst toe ongeveer zal blijven zoals die nu is? Of is dit slechts een tijdelijke opleving? Soms zien terminaal zieken er ineens ook veel beter uit, vooral als het einde nabij is. Moet ik mezelf en mijn naasten voorbereiden op het definitieve afscheid van mijn haar, nét nu het zijn veerkracht lijkt te hebben hervonden? Ik geloof niet in god, maar wel in zijn gevoel voor ironie.

Van u verwacht ik geen antwoord op deze vragen, beste kapper. Ik verwacht niet eens dat u deze envelop opent. Wel verlang ik van u bij een volgend bezoek graag uitgebreid advies over de heetste voorjaarstrends, want dit kon weleens mijn laatste lente zijn.

Met vriendelijke groeten,

Arjen van Lith

____________________

* Ik heb ontdekt dat mijn haar op dezelfde manier uitvalt als dat van de Amerikaanse senator Ted Cruz (R-TX), die net als ik gelijktijdig kaalt op de fontanel en langs de inhammen op zijn voorhoofd. Hij is bijna precies een jaar ouder, waardoor actueel beeldmateriaal over bijvoorbeeld zijn aanstaande herverkiezingscampagne of de Texas school shooting een onheilspellende voorspellende waarde krijgen.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

 

Reageer >
 

Weten waar iemands huis woont

25 mei 2018 (9:19) | Marko van der Wal | Geen reacties

‘Private Policy Update’, ‘We nemen je privacy serieus’, ‘Mogen wij je op de hoogte blijven houden?’ Ieders mailbox stroomt over van dit soort vragen dankzij de nieuwe wet over persoonsgegevensbescherming, die vandaag ingaat. Een mooi moment om schoon schip te maken met alle accounts die ik blijkbaar heb verzameld. Of, zoals iemand op het journaal opgeruimd zei: ‘Ik flikker al die mailtjes weg.’

Het lijkt wel een regenton in een stortbui, die mailbox van mij. Wist ik veel dat mijn gegevens bij de Bijenkorf bekend waren. Een mens koopt weleens wat – en zegt op het verkeerde moment ‘ja’ en raakt vast verstrikt in de netten der klantenbinding. De hoeveelheid mailtjes verbaasde me eerlijk gezegd niet. De meeste bedrijven, bij wijze van spreken zelfs de bakker en de slager, sturen keurig een bericht.

Opvallend is wel dat een paar grote jongens dat (nog) niet doen. Ik wacht nog steeds op NS en ING. En waar blijft spamkoningin Booking.com? Het lijkt me sterk dat die niets verzamelen.

De hoeveelheid data die je achterlaat, daar schrok ik wel een beetje van. Bij een simpele webshopbestelling heb je je ziel eigenlijk al aan de duivel verkocht. Naam en adres natuurlijk, maar combineer alles maar eens: ip-adres, rekeningnummer, misschien je geboortedatum en, niet te vergeten, de tracking cookies. Kijk, dat tikt aan.

De meeste bedrijven lieten daar al die tijd een sleepnet op los zonder dat wij wisten wat ze met al die data deden. Inzicht in je omzwervingen op de interwebs verkrijgen bijvoorbeeld. ‘Wij weten waar u vlees koopt en hoe vaak,’ schrijft Piet Gerbrandy. Lijkt me precies iets om voor jezelf te houden, net als naar de hoeren gaan, maar wij hebben alles al zelf buiten gehangen. ‘Uw surfgedrag is doorsnee en beklemmend. / De woorden die u zoekt verfoeien hits.’ Als je iemands adres kent kan je z’n ruiten ingooien, dus wat je met de rest al niet kan doen…

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina