Literaire viespeuken

20 december 2014 (7:41) | Anne-Marieke Samson | Geen reacties

ik jan cremerJudith Eiselin schreef vorige week in NRC over het gemis aan door vrouwen geschreven schelmenromans in de Nederlandse literatuur. Waar blijft de vrouwelijke onbezonnen vuilak?, kopte de NRC. Kennelijk zitten ze daar al decennialang op te wachten. De tijd zou rijp zijn voor ‘Ik Janneke Cremer’ en voor de vrouw die de Wolkeriaanse zin durft te uiten: ‘Ik neukte alles wat los en vast zit.’ Eiselin vindt dat de jonge generatie schrijfsters (ze noemt Weijers, Bervoets, Gerritsen en Wortel) opvallend weinig seksuele losbandigheid kennen. “Seks komt in hun boeken wel voor, maar het is afgewogen, afgemeten, overbewust, en zelden zomaar voor de vuist weg, wild, woest of slordig.” Als mogelijke oorzaak van dit tekort geeft zij de Sletvrees, zoals geïntroduceerd door Sunny Bergman: de angst van vrouwen om als hoer te worden gezien. Kennelijk, zo concludeert Eiselin is er nog altijd iets als een glazen plafond. Ze nodigt de vrouwelijke schrijfster uit daar eens flink tegenaan te schurken, “laat zien wat je hebt, kunt en wilt, breek er ‘gloei-kittelend’, fel splinterend doorheen. En vis vooral die pen tussen je borsten vandaan.”

Ik moet toegeven dat ik me ergens uitgedaagd voelde. Aangesproken, want ja, ik beschouw mezelf als een vrouwelijke viespeuk, en ben daar ook trots op. Maar. Ik pieker er niet over om daar een boek over te schrijven, alleen omdat mannen dat ook gedaan hebben. Is dat dan emancipatie? Grote mannelijke literatoren hebben boeken geschreven die bulken van seks, en dus moeten vrouwen dat ook? En omdat we dat niet doen is er een glazen plafond? Het grote glazen neukplafond waarop Cremer en Wolkers (zaliger) lekker literair liggen te naaien?

Het probleem in de redenering van Eiselin zit hem wat mij betreft in haar opvatting dat de tijd rijp is voor vrouwelijke viezigheden. Volgens mij is het omgekeerde het geval. Er was een seksuele revolutie gaande in de tijd dat Wolkers en Cremer hun meesterwerker schreven. Deze heren literatoren-viespeuken zetten zich af tegen eerdere generaties die vonden dat seks alleen binnen een huwelijk plaats mocht vinden. Een huwelijk dat je bovendien als maagd binnen hoorde te wandelen. Jan en Jan genoten ervan dat je opeens onder rokjes mocht grijpen zoveel je maar wilde, en schreven groots en meeslepend over hun promiscue strapatsen. Tegenwoordig ligt dat anders. Seks is niet meer iets waarmee we ons afzetten. Trouwen doen we steeds minder en later. Seks hebben we gemiddeld geloof ik vanaf ons vijftiende, en gemiddeld met een partner of twaalf voordat we trouwen. Sommige mensen leren pas laat in hun neukende leven dat het ook mogelijk is dat te doen met liefde. Want porno kijken kindertjes tegenwoordig vanaf een jaar of acht. Seks en naakt is dagelijks aanwezig in ons blikveld. En niet alleen in de populaire cultuur. Naakt is ook diep verankerd in het culturele leven. Ik durf zelfs wel te stellen: naakt is een verplicht nummer geworden in de Nederlandse kunst. Probeer maar eens een boek te vinden waarin geen seks voorkomt. Of een toneelstuk vavlammenwerpersn de TGA waarin niemand zijn kleren uittrekt. In de Nederlandsche topfilm mogen we van dichtbij bekijken hoe Carice haar schaamhaar blondeert. Sex Sells is het grootste cliché van onze tijd. Mogen we het alsjeblieft toejuichen dat er een generatie opstaat die zich daartegen verzet?

In the flamethrowers beschrijft Rachel Kushner bijzonder geëmancipeerd, zonder het woord emancipatie ooit te gebruiken, over de omzwervingen van een alleenstaande vrouw/kunstenares per motor door Amerika en Italië. Haar autonomie en onafhankelijkheid is zo vanzelfsprekend dat hij niet aan de orde hoeft te worden gesteld. Onderweg ontmoet ze menig man die interesse heeft in haar, maar de meesten – en juist degenen met die roofdierenblik in de ogen – vervelen haar enorm. De Ik Janneke Cremer van vandaag, zoekt misschien naar manieren om van die seksueel ongeremde man af te zijn.

Reageer >
 

‘Je vluchtte niet, je ontsnapte’

19 december 2014 (0:02) | Annemieke Gerrist, Wim Brands | Geen reacties

Vorige week deel III van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Vandaag deel IV:

Dag Wim,

Ik heb een paar dagen met je woorden door de stad gelopen. ‘s Ochtends vroeg, rond half 8, laat ik de hond uit. Het is een jachthond, en op grote groene grasvelden maakt hij voor mij onbekende routes, met zijn neus op de grond. Vastberaden. Soms stopt hij, kijkt even op, en volgt dan weer een ander spoor. Ik beeld me in dat hij ruikt hoe andere honden over het gras zijn gelopen, en dit volgt.

Op het spoor komen van het onzichtbare, en dit door middel van sporen zoeken, het is een prachtige definitie. Van poëzie, van kunst zou ik zeggen. Ik zou trouwens niet weten wat er romantisch aan is. Wat een heldere en eigenlijk ook vrij consequente overgang van dingen die je in je jeugd zocht, en nog steeds zoekt. Ik heb zelf nooit zo’n duidelijk spoor gevolgd. Al mijn bewegingen links of rechtsaf heb ik te danken aan docenten. Het waren altijd docenten die me wezen waar ik goed in was, wat ik aan het doen was, wat ik ermee kon doen. Ik had zelf helemaal geen idee. Tot een docente in het eerste jaar van de Rietveld Academie over mijn teksten zei ‘wat een bijzondere gedichten’, had ik geen idee dat ik poëzie schreef.

Mijn aanmelding bij de Rietveld Academie, een dubbele selectie met twee commissies, heb ik in een soort roes beleefd. Twee docenten hadden me afzonderlijk van elkaar gezegd dat ik dit moest doen. Ik wist eigenlijk helemaal niet wat het inhield, de kunstacademie. Ik herinner me een fotoboekje van de Hema, van doorzichtig plastic, die ik had gevuld met een appel die ik had ontleed in delen: de schil, de pit, de vrucht. Ik had geen idee waarom ik dat had gedaan. Ik had de bladzijden aan alle kanten dichtgemaakt met lijm. De appel was gaan ontbinden. Verschillende kleuren kwamen tevoorschijn die ik mooi vond. Ik herinner me een van de commissieleden, waarvoor ik heel erg bang was omdat hij er zo overtuigd uitzag, die grinnikte en zei ‘dat is wel een heel geurig kunstwerk’. En ik dacht, ‘kunstwerk?’. Het was alsof mijn intuïtie ver voor me uitliep, maar dan ook mijlenver.

Wel herken ik in het sporenonderzoek naar het onzichtbare, de nieuwsgierigheid. Dat onzichtbare, abstracte wat er aan de horizon gloort, als ik daarmee bezig ben heb ik het idee dat ik me vrij kan bewegen. Dat alles mogelijk is. Die abstracte, onzichtbare werkelijkheid klopt met hoe ik me beweeg. Het tastbare vind ik een vreemde zaak.

Als je schrijft dat dichten het lezen van afdrukken is op het spoor van het onzichtbare; afdrukken van wat zijn dat dan?

hartelijke groet,
Annemieke

————————————————————-

Dag Annemieke,

die afdrukken moet je niet al te letterlijk nemen natuurlijk. Ik kan intussen wel een voorbeeld geven van hoe ik sporen probeer te lezen en dan soms – als bij toeval – een vangst doe die ik voor ondenkbaar had gehouden.

Toeval moet je trouwens lezen als: dat wat je toevalt.

En er valt je alleen iets toe als je per dag minstens tien uur in het bos rondloopt.

Genoeg beeldspraak voor vandaag.

Een tijd geleden vroeg de Ikon-radio mij of ik een Brief aan mijn jongere Ik wilde schrijven. Ik heb de brieven die tot dan toe waren geschreven gelezen en het viel mij op dat de meeste schrijvers de neiging hadden om vertederd naar zichzelf te kijken.

Dat wilde ik niet.

Wat ik schreef – en ik zeg niet dat het goed is – valt na te lezen in ‘s Middags zwem ik in de Noordzee. Ik heb een pijnlijk moment uit mijn jeugd gekozen waarover ik nog nooit had geschreven.

Toen begon ik te schrijven en geloof het of niet: aan het einde van de brief was er het toeval zoals hierboven beschreven.

Ik stond er zelf van te kijken toen ik noteerde: Je vluchtte niet; je ontsnapte.

Zo had ik nog nooit over mijn daad nagedacht.

Over jeugd gesproken. Ik heb net op uitnodiging van het Zeeuwse tijdschrift Ballustrada een gedicht geschreven over dat mooie licht dat weerkaatst wordt door de Schelde. Ik lieg niet als ik zeg dat ik afgelopen september ‘s ochtends zielsgelukkig uit mijn hotelraam aan de Scheveningse boulevard tuurde.

Kreeg ik een bericht terug dat ik een opdracht had gekregen. Het thema was jeugd. Ik zag dat jij ook meedoet.

Weet je al wat je gaat schrijven?,

vrgr

Wim
—————

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel V.

Reageer >
 

STOP DE TREINEN

19 december 2014 (0:01) | Annemarie Estor | Geen reacties

Stop de treinen, leg de spoorboom klokkend plat,
Trek de ganse dienstregeling op haar gat,
Stil de haast die opdrijft tussen kantoor en huis,
Breng de baar, we rapen veren, dons en pluis.

Vlecht een vlot voor de verongelukte,
Laat hoenders voor de veel te vroeg geplukte
Stampen in de sneeuw de woorden ‘hij is dood’,
Vervoer dit cierlyck dier in een getooide boot.

Hang witte slingers op alle perrons op alle stations,
Het was een zachte harde bons,
En eer zijn vrouw die wachtte op het spoor,
Nee, laat hier nu vanavond niemand door.

Hij was haar Noord, haar Zuid, haar Oost en West,
Haar enige belofte op een nest. Hij was haar kapper,
vliegenier, haar danser; warm ooit, en nu veel te koud,
Ik dacht dat iedereen elkaar bedroog, maar ik zat fout.

Outlook kan wel dicht, wie wil er nu nog mails,
De telefoon kan uit, ik ben chats noch bels noch speels,
Zet laptops af, ontdoe de schermen van hun gloed,
Want nu komt werkelijk niets meer goed.

Annemarie Estor, naar W.H. Auden

Aanleiding: Vertraging op spoor door rouwende zwaan

————————

Annemarie Estor publiceerde de dichtbundels Vuurdoorn me (2010) en De oksels van de bok (2012). Voor beide werken ontving ze de Herman de Coninckprijs. Haar jongste Tirade publicatie vind je in Tirade 454.

Reageer >
 

Losse endjes van de fladdergeest

18 december 2014 (0:01) | Menno Hartman | Geen reacties

6875577799_a2a9270bf2In je agenda op zoek naar alles wat je opschreef, waarover je nog iets te weten moest komen, raak je bedrukt en ook wel wat geïnspireerd door de vreemde diversiteit van onderwerpen die je daar aantreft en vooral ook omdat je niet zo goed meer weet wíe je wáarom hierop wees. Een agenda of dagboek is zo ook een winst- en verliesrekening van niet opgedane kennis. Het negatief van je denkraam, een afdruk van geestelijke omissies. Vroeger had je in je webbrowser een enorme lijst ‘favorieten’ die niet favoriet waren maar waarnaar je ooit nog eens wilde kijken. Dat doe ik niet meer. Maar in een marge krabbelen wat ik belangrijk vind eens uit te zoeken, daar ontkom ik nog steeds niet aan. In boeken staat er dan in potlood ‘nz’. Mijn telefoon is ook dienstig voor zoiets, notities en herinneringen. Het is ook een reservoir ter bestrijding van verveling. Bladeren door een encyclopedie kan, naspeuren wat je nog wilde uitzoeken kan ook. Neem er maar een.

De mijne van dit jaar – de lijst van gaten die ik niet opvulde –  luidt – errore excepto – als volgt:
Rene Margritte ‘L’Homme au journal’, The World According to Monsanto, The Cat and the Hat, Stammbaum der Teerfarbstoffe, Cosmopolis, doorgaan.nl, Antal Szerb, Senckenberg, Richard Sennett, Totaliteit en oneindigheid van Levinas, Montherlant, Richard Sennett (bis), Walter Benjamin The Storyteller, John Ruskin Unto this Last, Moral Mazes Robert Jackall, Ramanujan…

Net op tijd nog wel: ETUDEN IN FORM FREIER VARIATIONEN UBER EIN THEMA VON BEETHOVEN WoO 31 – STUDIO RECORDING 1982, Cyprien Katsaris. ahh: mooi!

…en, heel wat anders Moonriver uit ‘Breakfast at Tiffany’s door Katherine Hepburn:

Maar wie raadt je nou zoiets aan? Is het om de laatste zin:

‘Hi.’
‘Hi.’
‘What are you doing?’
‘Writing.’

 

En de blik die dan volgt. Of om de eerste zin van het verhaal ‘The Friend’ die de man in het filmcitaat aan het tikken was: ‘There was once a very lovely, very frightened girl. She lived alone except for a nameless cat. ‘

Of gewoon vanwege dat hoewel rozegeglazuurde (aanzwellend snaarinstrumentaria – waardoor je weet: nu gaan we iets voelen)  maar toch fraaie couplet:

Two drifters, off to see the world
There’s such a lot of world to see
We’re after the same rainbow’s end, waiting, round the bend
My Huckleberry Friend, Moon River, and me

Dat me altijd boeide, want wat is een ‘Huckleberry Friend’?

Nou dat heb ik dit jaar in elke geval nog wel uitgezocht. Net als wie die Johnny Mathis toch is van ‘Do you hear what I hear’?

Blijft verder nog open: Emanuel Boven, kickstarter, Adelfi, Sellerio, Friedericy, Rumphius, Robert Walser, Eric Dolphy, Johnny Hodges, Don Ellis Orchestra, Hilde Bruck The Golden Cage, Bucher sind Treu, Jamrachs Menagerie Sam Harris, Daniel Pennac, Cassola la ragazza di bube, Claire Cole, John Reed Ten days that shook the world, Eric Larssen, welvaart in zwart wit.

Reageer >
 

A Writer’s Dream

17 december 2014 (0:53) | Gilles van der Loo | Geen reacties

DSC_0116Nickerie ligt zo westelijk als je in Suriname gaan kunt. Vanaf ons huis in Paramaribo is het een uur of vier rijden.

Vorige week hadden we eindelijk een excuus voor de lange rit: vriend Suraj was in het land, en nodigde ons uit om kennis te maken met de omgeving waar hij is opgegroeid.

Hoe vaak gebeurt het, in de wereld van vandaag, dat je tot aan je nek in iemands verleden kunt stappen? Hoeveel vrienden heb jij, lezer, wiens kinderwereld je van dichtbij hebt gezien?

Als Nickerie is veranderd sinds Suraj 12 was (in 1985) dan kan het niet veel veranderd zijn. Na even denken kom ik tot de conclusie dat alleen de aircodozen die overal tegen de gevels geschroefd zitten en het merendeel van de auto’s van na 1980 zijn.

Mocht je vaker een blog van me gelezen hebben, dan weet je dat ik gek ben op het werk van Daniel Woodrell, Cormac McCarthy, Tom Franklin, Truman Capote, Ron Rash, Larry Brown en Flannery O’Connor.

In Nickerie is het allemaal: verdronken land (zwamp, heet het hier), verzakte houten huizen met schurftige honden op het erf, verlaten straten en zandwegen met dode katten in de berm, eilandjes van plastic in de buitenbochten van de rivier, hartverscheurende gastvrijheid en een jaarlijks absurd hoog aantal zelfmoorden onder jonge mannen (meestal door het innemen van landbouwgif).

Vergeef me dat ik het opschrijf, vooral gezien het einde van de bovenstaande zin, maar als Suriname inspirerend is, dan is Nickerie a writer’s dream. 

Reageer >
 

Vivian Maier

16 december 2014 (13:45) | Marko van der Wal | Geen reacties

De schuld ligt altijd bij de omstandigheden. Er zijn ongetwijfeld hele volksstammen die zichzelf keer op keer vrijpleiten wanneer zaken mislopen of niet op tijd afkomen. Eeuwig worstelen met een groot essay voor de krant, maar niet inleveren omdat er steeds wel iets is, Kerstmis of kinderen die naar hun schaaktoernooi in Brabant moeten worden gebracht – om maar eens wat te noemen – om nog maar te zwijgen van de sociale druk van vrienden die je nooit meer ziet. Maar uiteindelijk ben je natuurlijk zelf degene met boter op z’n hoofd.

Iemand die ook leed aan die aandoening was de Amerikaanse fotografe Vivian Maier (1926-2009). Haar werk, voornamelijke straatfotografie, is momenteel te zien in het Foam in Amsterdam. De tentoonstelling bevat een paar foto’s waarvan ik me afvroeg hoe het in vredesnaam kan dat ze niet wereldberoemd zijn (zie hiernaast). Het antwoord daarop ligt in het leven van de fotografe. Vanaf de jaren vijftig werkte Maier als nanny voor verschillende families, wat ze ongeveer haar hele leven zou blijven doen. Ze ging al zelden zonder camera de straat op, toen ze op een gegeven moment ging inwonen bij de familie Gensburg in Chicago. Daar kreeg ze haar eigen badkamer, die ze begon te gebruiken als donkere kamer voor het ontwikkelen van haar foto’s. In de jaren zeventig vertrok ze, de kinderen voor wie ze zorgde hadden haar niet meer nodig, om voor andere gezinnen te gaan werken. Intussen stapelden de niet ontwikkelde fotorolletjes zich op. Haar zwervende bestaan ging op den duur gepaard met geldproblemen, maar tot in de jaren negentig bleef ze fotograferen. De fotorolletjes belandden in een opslag. De kinderen van de Gensburgs redden haar van het bestaan als dakloze; de opslag met fotomateriaal raakte langzaam vergeten.

Het kan niet anders of er zijn tijdens haar leven mensen geweest die Maier hebben gevraagd of ze haar foto’s konden bekijken. Er was niets te zien, want er was nauwelijks werk voor haar, waardoor ze geen huis had en geen geld. De omstandigheden waren er nu eenmaal niet naar om de negatieven te ontwikkelen. Daarbij komt dat ze zichzelf misschien niet belangrijk genoeg vond: volgens de uitleg bij de tentoonstelling was ze een onopvallende en excentrieke vrouw, hoe intelligent en nieuwsgierig ook. Een van haar zelfportretten getuigt van dat beeld doordat de focus heel ergens anders ligt en er zelf alleen terzijde, in een reflectie van een spiegel opstaat (zie hiernaast). Misschien was ze wel onzeker omdat ze haar eigen werk grotendeels niet had kunnen bekijken en ze zich ook niet op basis ervan heeft kunnen ontwikkelen. Was ze maar toegesproken: Ontwikkel je foto’s nu eens. Ja maar, ja maar…

Wegens wanbetaling kwam het in 2007 tot een veiling van Maiers bezittingen. Haar opslag met fotomateriaal kwam boven water en bleek maar liefst 100.000 negatieven te bevatten. Ze werden in delen verkochten, aan verschillende kopers. Een van hen is fotograaf John Maloof, die de kwaliteit van het werk onmiddellijk herkende. Zijn onderzoek en Maier-collectie is de basis voor de huidige, imposante tentoonstelling in het Foam. Wegens omstandigheden een paar decennia te laat.

Reageer >
 

‘Te slapen in de haren van je lief’

15 december 2014 (11:50) | Martijn Knol | Geen reacties

claus in pelsIn 2004 zag ik Wendell Jaspers voor het eerst aan het werk, in een toneelbewerking van Oek de Jongs Hokwerda’s kind (2002).  Jaspers, in de rol van Lin Hokwerda, was niet alleen ongrijpbaar en gedoemd en ontroerend, maar vooral ook zo echt – wat een paradoxaal compliment lijkt aan het adres van een actrice. Haar Medea-vertolking ken ik jammer genoeg alleen uit verhalen van anderen. Maar haar Phaedra heb ik gelukkig niet gemist.

Phaedra is verliefd op haar stiefzoon, Hippolytus, hij wijst haar af en in een paar rechte hoeken zigzagt het verhaal vervolgens naar de dood van beiden. Ik betwijfel of een andere regisseur veel meer met dit script had kunnen doen, de voorstelling van Thibaud Delpeut boeide me als voorstelling maar matig. Gelukkig is Seneca’s stuk bewerkt door  Hugo Claus – verclausd. Vooral Jaspers krijgt de heerlijke, aardse, vette Hugo Claus-taal prachtig de zaal in. Dat kun je niet meer met eigen oren gaan horen, want afgelopen zaterdag beleefde de voorstelling haar dernière.

Zou je het hem vragen, dan zou Hafid Bouazza – die met Meriswin wat mij betreft het beste Nederlandse proza van 2014 schreef en nu, nog ruim voor het kalenderjaar is verstreken, een bloemlezing winter/kerstpoëzie uitbrengt: Vrede is deze nacht – denk ik, antwoorden, dat zijn vertaalopvatting tegengesteld is aan die van Claus* en dat hij (HB) een getrouwe, dienstbare omzetting voorstaat. Het grappige is alleen dat je over de definitie van ‘getrouw’ eindeloos kunt discussiëren. Iedere Bouazza vertaling is hoe dan ook in één oogopslag te herkennen als een Bouazza vertaling*.

Hier de tweede helft van het 24e gedicht uit de bloemlezing, het is van Kushadjim (gestorven in 971) en dus vertaald door Hafid Bouazza:

Een brandend vuur en een vuur van wijn,
en het is alsof zij in laaibaarheid wedijveren.

Zo wordt de kou van onze krochten geweerd:
verboden heen en weer te dwalen, keerde zij zich uitgesloten af.

En het is alsof onze narcissen en onze rozenparen
de deernen ogen en wangen hebben ontstolen.

Schenk mij dus geluk met uw nabijheid, want ik ben
het waard om met uw nabijheid gelukkig te zijn.

Wees dus aanwezig! – want het leven behaagt een
oprechte broeder niet, zolang u verre van hem bent!

Dat. En dan voorgelezen door Wendell Jaspers.

————–

BouVolgende week: Hoe spel je bouillabaisse?

Noten

*Titel van deze blogpost: de vrienden van Hippolytus vinden dat hij, Hippolytus, de liefde verontachtzaamt en leggen uit wat er zo mooi aan is. Deze regel roept zo’n typisch glamoreus, amoureus Hugo Claus beeld op, een filmstill uit romantisch Hollywooddrama of een parfumcommercial.

* Beide schrijvers hebben werk van Shakespeare vertaald, trouwens.

* Niet in de laatste plaats omdat Bouazza heel veel tijd steekt in zijn research, zijn vertalingen zijn ook altijd ambitieuze interpretaties.

* Hafid Bouazza, Vrede is deze nacht (2014), het geciteerde fragment vind je op pagina 44/45.

 

Reageer >
 

Liegbeest

14 december 2014 (6:36) | Wytske Versteeg | Geen reacties

zwembadHij heeft minder woorden en dus kan hij niet zo goed liegen als ik.

Elke week als ik hem zie toont hij zijn spierballen. Als hij dat doet zeg ik dat ze indrukwekkend zijn, of als ik hem wil plagen, dat er nog een hoop werk te doen valt, dat hij maar hard moet zwemmen. Onze wedstrijdjes komen nooit tot aan de andere kant van het zwembad, omdat hij halverwege al vergeten is waar we mee bezig waren. Als hij bij een ander een wondje of litteken ziet wijst hij er met zijn vinger naar, vraagt; ‘Au?’

Thuis ben je waar je de taal spreekt, maar zonder taal is hij overal thuis. Van een afstandje zou je hem voor een burgemeester kunnen aanzien, een directeur misschien, zoals hij op straat gewichtig de mensen groet, of een hand ophoudt om een auto te doen stoppen die al voor hem was afgeremd. Hoe hij tevreden zijn krantje voor zich op tafel uitspreidt, ondersteboven.

Ik zie hem maar een keer per week en weet weinig van zijn dagelijks leven, wat hij moeilijk vindt of ingewikkeld. Misschien is het daarom dat ik soms bijna jaloers op hem ben, op de vanzelfsprekendheid waarmee hij de wereld aanvaardt. Hoewel we vrienden zijn ben ik zijn tegenpool, heb altijd woorden om mij heen verzameld, zinnen opgetrokken tot mijn kin. Als kind las ik zoveel en vaak uit zulke ouderwetse boeken dat ik woorden leerde waarvan ik niet wist hoe je ze uit moest spreken. Ze brachten me naar andere werelden. Naar Narnia, het land achter de klerenkast, en andere magische rijken waar je alleen af en toe kon komen, door het openslaan van een boek. Maar zoals bij elke vorm van zichzelf respecterende magie viel er een prijs te betalen. Hoe meer taal ik verwierf, des te minder vanzelfsprekend werd de wereld om mij heen.

Wie echt vertrouwt op woorden hoeft niet na te denken over wat hij zegt, of wat de beste of mooiste manier zou zijn om iets te zeggen. Waar je de taal spreekt ben je thuis, want alleen thuis – wat ‘thuis’ dan ook is – kun je de taal werkelijk vertrouwen. Thuis kun je ervan uitgaan dat je vanzelf wel zult worden begrepen, terwijl je bij elke vreemde taal het risico loopt dat wat je zegt iets heel anders betekent. Schrijven is daarom niet thuis zijn. De schrijver wantrouwt, wikt en weegt zijn woorden, weeft een web van leugens om de waarheid erin te verbergen, beschrijft iets zo intiems dat het uitsluitend aan vreemden kan worden verteld en dan nog verkeerd kan worden begrepen.

Ik help hem bij het oversteken. Ik zeg het als hij zijn zwembroek moet ophijsen. Ik schenk thee voor hem in, met veel water zodat hij zijn mond niet verbrandt. Maar anders dan je zou denken als je ons samen ziet ben ik het die van hem leert, en niet omgekeerd. Hij heeft minder woorden.

Hij liegt niet zoals ik.

 

——————————————–

wytske-versteeg-eline-spekWytske Versteeg (1983) publiceerde de romans Boy (2013) en De wezenlozen (2012) en het non-fictie boek Dit is geen dakloze (2008). Ze won, onder andere, de Serge Heederik Prijs voor filosofisch schrijftalent en de Kwakoe Literatuurprijs. Dit jaar zette zij bovendien de BNG Nieuwe Literatuurprijs op haar naam. In Tirade 455 vind je een kortverhaal van Wytske, Overgave. Ze werkt aan een proefschrift en aan haar derde roman.

Volgende week: de derde Zondagse Gastblog van Wytske Versteeg.

Portret WV: Eline Spek

Reageer >
 

De stem van mijn overgrootvader

13 december 2014 (8:55) | Anne-Marieke Samson | 1 reactie

IMG_3252Deze week worstel ik me door een stapel brieven die mijn oma in de oorlog van haar vader uit Duitsland heeft ontvangen. Het zijn bij elkaar een kleine vijfhonderd kantjes. Brieven, tekeningen, ansichtkaarten, allen verrijkt met griezelige stempels met adelaars en hakenkruizen. Zo leer ik dus nu,  een 75 jaar na dato, via zijn brieven, de formele, autoritaire stem van mijn overgrootvader Hans kennen. Ik weet niet of ik hem mag, deze man, al geniet ik van zijn prachtige, ellenlange, Duitse zinnen, en al hou ik natuurlijk sowieso van hem, alleen al omdat mijn oma met zoveel liefde over hem sprak. De brieven die zij aan haar vader schreef, zijn niet bewaard gebleven, aangezien hij de oorlog niet heeft overleefd. Tijdens het lezen probeer ik me dus een beeld te vormen van wat mijn oma hem moet hebben geschreven. Het ene na het andere raadsel doemt op.

Zo was ik in de veronderstelling dat mijn oma door haar vader naar Amsterdam werd gestuurd. Maar uit de brieven blijkt dat ene Helmut, waarmee mijn oma zich kennelijk verloofd had, haar heeft “meegelokt” naar Amsterdam, met als doel om door te reizen naar Amerika. Haar vader ziet geen heil in deze onderneming (Waarom zo ver? Wat moet je daar dan? Huisvrouw worden, dat is toch beneden je stand?). En haar vader heeft geen goed woord over voor haar verloofde (nergens goed voor, “zo’n onbetrouwbaar joods type” – een eigenaardige typering uit de mond van een jood). De reis naar Amerika heeft mijn oma nooit gemaakt, en ook met deze Helmut is ze nooit getrouwd, dus hoe deze geschiedenis afloopt zal naar verwachting verderop in de Korrespondenz blijken.

Mijn oma’s vader is eigenlijk onophoudelijk boos de eerste twee jaar van zijn brieven. Boos op mijn oma. Ze haalt hem het bloed onder de nagels vandaan, schrijft hij keer op keer. En dat terwijl hij schrijft over geldzorgen, over verveling. Hij was werkloos, als jood mocht hij zijn beroep, arts, niet meer uitoefenen (al schrijft hij eind 41 hoopvol over een kans op een aanstelling als arts in het joodse ghetto van Keulen). Hij zal daarnaast vreselijk bezorgd zijn geweest om zijn jongste dochter, die te vroeg het nest verliet, met een, naar zijn mening, foute man. De uiting van die zorgen is, zacht gezegd, onprettig te noemen. Brief na brief noemt hij mijn oma dom, naief, onzeker. Haar beslissingen vindt hij waardeloos, haar plannen Quatsch! De problemen, die ze hem soms toevertrouwt, zag hij van mijlenver aankomen. En op het moment dat ik er niet meer tegen kan, is ook mijn oma vermoed ik in opstand gekomen. Want opeens volgt een brief met een andere toon. Bijna tegen het vriendelijke aan. Maar met een enigszins zwartgallig beeld van de wereld, zo vlak aan het begin van het uitbreken van een oorlog die, van deze familie, alleen mijn oma zou overleven. Ik heb hem voor het gemak even omgezet (is dat een germanisme?) naar het Nederlands.

Keulen, 11 oktober 1939

IMG_4069Lieve Helga, Engelchen,

Jouw ontroerende analyse van mijn laatste brief (je schrijft dat hij om te huilen is) is voor mij aanleiding om eens iets algemeens te zeggen over onze briefwisseling. Ook ik vond mijn laatste brief, nu ik hem weer eens doorlas, ontroerend slecht. Het simpele feit dat ik de opsteller was, en niet de ontvanger, maakte dat ik niet in de droevige stemming raakte, die jij zo overtuigend bij jezelf beschrijft. Ik denk dat ik een vergelijkbare denkfout maakte als de lieve God, toen die zijn schepping bekeek en dacht dat die goed was. Ach, wat moet de man trots zijn geweest (en ach, wat vergiste hij zich!). Net zo ben ik, stumper, tevreden geweest met een werkje dat me was gelukt. Jouw kritiek is daarvan het bewijs.

Dat gezegd hebbende wil ik even van de gelegenheid gebruik maken om ook jouw brieven eens grondig te bekritiseren. Ze zijn geweldig, lieve kind. Je laatste nog de beste van allen. Het is een kleine, maar door mij niet minder gewaardeerde, kunst goede brieven te schrijven. Bij jou heb ik daarin, sinds je vertrek uit Keulen, in toenemende mate een ontwikkeling mogen waarnemen. Zou ik daarop enige invloed hebben gehad, dan ben ik zeer vereerd. (…) Wat ben ik trots je vader te zijn, wat mag Helmut trots zijn om zich straks jouw man te noemen. Wat heeft de natuur, en wellicht ook de invloed van ons, je goedbedoelende ouders, een wezen geschapen dat zo trouw is, en zo inlevend. Het bemoedigt mijn oude hart dat je schrijft dat je het jezelf toewenst dat je mij op een dag zal kunnen helpen. En wat klinkt dat anders dan de (ik dacht: holle) frasen die je uitte bij je vertrek. Dit is wat we vast moeten houden in de wellicht barre tijden die voor ons liggen. We moeten de moed en de kracht opbrengen om vol te houden, wat er ook kome mag. Want ieder mens, ook jij, weet wat hem te doen staat. Ieder mens kan zijn lot wezenlijk beïnvloeden door de beslissingen die hij neemt, en met de daden die hij stelt.

Alsjeblieft, accepteer mijn hartelijke groet en idem kus,
Je liefhebbende Vati

 

1 reactie >
 

‘Achter de caravan begonnen de weilanden’

12 december 2014 (9:00) | Annemieke Gerrist, Wim Brands | Geen reacties

Vorige week las je hier deel II van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist. Vandaag deel III:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

wat een mooi, en ook ontroerend idee om je vader rust te geven in je bundel. En ja, ik wist dat je vader zelfmoord heeft gepleegd. Het is niet een onderwerp waar ik zelf over zou beginnen. Ik herinner me volgens mij ook een ander gedicht van je, over de blik van de hond, die het had gezien. Kan het even niet terugvinden.

Ik geloof zelf ook niet zo in berichten van dode mensen. Hoewel ik toen ik mijn opa zag sterven, oprecht meende een ziel te zien ontsnappen. Ik geloof wel dat poëzie een mooie plek is voor doden, of voor de dood. Zoals je bewijst.

Ik herinner me dat je me eens vertelde dat je vader een krantenbericht met jouw gedichten in zijn portemonnee bewaarde. Zoals ouders dat doen met een pasfoto. Ik vond het zelf wel een goede vondst van hem, om een gedicht van je kind als portret te bewaren.

Naar school fietsen was niet mijn favoriete bezigheid. Het was niet zo ver, samen met mijn zus langs weilanden en langs een visfabriek – een vreselijke combinatie van koeienvlaaien en visstank – en vooral erg vroeg. Mijn zus is een ochtendmens, ik totaal niet. Ik heb in een gedicht geschreven: ‘Ik open eerst mijn mond, dan mijn ogen, voordat ik wakker word’ . Dit gaat eigenlijk over mijn zus. Vaak kroop ik bij haar in bed, en dit zag ik letterlijk eens gebeuren: dat ze begon met praten, daarna haar ogen open deed, en toen pas wakker werd. Mijn vader en moeder zijn ook vrolijk ‘s ochtends. Dit erfstuk is aan mij voorbij gegaan.

Toen ik in Zeeland kwam wonen met mijn moeder en zus, woonden we tijdelijk bij mijn opa en oma. Mijn opa heeft ook een groot, eigen huis gebouwd daar. Hij was accountant. In dat enorme huis mochten we niet wonen, we kregen een caravan helemaal achterin de prachtige en grote tuin. Ik vond dat toen doodnormaal. Achter de caravan begonnen de weilanden met schapen. Ik liep vaak langs het prikkeldraad, om plukken wol te verzamelen die waren blijven hangen. Ik denk dat ik van dat lege landschap houd omdat het zo goed is om in weg te dromen.

Ik kan me voorstellen dat je graag aan de keukentafel van jullie huis ontsnapte. En er was een bos dus, in de buurt, waar je van alles deed.

Waarom ging je daarheen, en wat deed je allemaal in dat bos?

Groet!

Annemieke

—————————————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

ik weet niet waarom maar op jonge leeftijd wist ik al wat ik wilde worden: bioloog, veldbioloog om precies te zijn. De enige vereniging waarvan ik ooit lid ben geweest is de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie.

Om je vraag te beantwoorden:  ik heb me nooit afgevraagd wat ik in dat bos te zoeken had, dat bos was er.  Het was al op jonge leeftijd mijn huis. Ik had ook een onderkomen in het bos, een hut waarin ik als het slecht weer was kon schuilen. Dan moest het overigens wel echt noodweer zijn.

Toen ik jong was was er midden in het bos ook een kolonie van reigers. Als ik me even concentreer en terugreis naar m’n jeugd hoor ik weer het kabaal dat ze maakten. Naarmate de jaren vorderden kwamen er steeds minder terug. Volgens de jachtopziener kwam dat doordat ze in Frankrijk werden neergeschoten, ik herinner me nog goed wat hij zei: die Fransen vreten werkelijk alle vogels.

Ik was een soort onbezoldigde boswachter. Dat wilde ik trouwens ook wel worden, boswachter. Ik hield op mijn manier ook de wildstand bij. Noteerde in een boekje dat ik van mijn grootvader van vaders kant had gekregen zo nauwkeurig mogelijk hoeveel herten ik had gezien en waar. Ik kon uren aan de rand van een weiland in het bos zitten, wachtend op wild dat in de schemering tevoorschijn kwam.

In de tijd dat buizerds werden getroffen door een ziekte die hen vleugellam maakten heb ik zoveel mogelijk zieke vogels proberen te vangen en naar dierenartsen gebracht. Nu zou ik dat niet durven. Toen was ik niet bang.  Ook niet voor de dood, hoewel ik niet zo goed weet wat ik beweer als ik dat schrijf. Laat ik het zo zeggen: er dreef weleens een dood dier in de beek, een jong hert bij voorbeeld. Ik keek dan elke dag wel even hoe het vergaan er voor stond.

Vogelkenner Rob Bijlsma heeft dat trouwens eens nauwgezet opgeschreven toen er voor zijn huis in het bos een jonge ree was gestorven. Aan het sterven wordt te weinig aandacht besteed, zei hij tegen me.

Wat beweegt daar, heette dat boekje van mijn grootvader volgens mij. Er stonden ook sporen van dieren in. Sporenzoeken kon ik als de beste.

Ik denk trouwens dat het sporenzoeken in mijn geval als vanzelf dichten is geworden. Dat klinkt wellicht romantisch of gezocht maar het is een vrij eenvoudig verhaal dat ik pas goed snapte nadat ik van mijn vriend Pek van Andel met wie ik onlangs een boek over ongezochte vondsten heb gemaakt een studie cadeau kreeg van de ZuidAfrikaanse tracker Louis Liebenberg: the art of tracking, the origine of science. In dat meesterlijke boek betoogt Liebenberg dat de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Afrika veel eerder dan bij voorbeeld de Grieken wetenschappers waren. Ze kwamen door het lezen van afdrukken op het spoor van het onzichtbare.

Dichten is voor mij niets anders dan dat,

vrgr

Wim
—————-

Annemieke Gerrist (1980) is dichter en beeldend kunstenaar. Wim Brands (1959) is dichter en radio- en televisiemaker bij de VPRO. De jongste Tirade-publicatie van Gerrist vind in je Tirade 454, die van Brands in Tirade 455.

Binnenkort: Gerrist-Brands, Brands-Gerrist, deel IV.

Auteursportretten: Twitterprofielfoto’s.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014
 
Nr.452 Nr.453 Nr.454 Nr.455 Nr.456
 
bestel
 
 
voorpagina