Daphne Huisden is Tirade’s Zondagse Gastblogger mei 2015

24 april 2015 (8:00) | Alan Smithee | Geen reacties

Daphne Huisden auteursportret‘Mijn vader was een ex-zeeman met een hernia die hem aan wal hield. Hij was op zijn zeventiende uit Paramaribo vertrokken en was de wereld meerdere keren rondgevaren tot zijn rug niet meer verder kon. Toen had Ben zich in de stad gevestigd waar hij verliefd op was geworden. Daar leerde hij mijn moeder kennen en niet lang daarna woonden we met zijn drieën in een piepklein huisje in Rotterdam-West.

Hoewel zijn werkende leven erop zat en zijn reislust compleet was verdwenen (verder dan het café en de coffeeshop kwam hij zelden en als we op vakantie gingen was hij de eerste die na een paar dagen klaagde dat hij wel weer naar z’n eigen bed verlangde) had Ben voldoening gevonden in zijn nieuwe routine. Hij vulde zijn dagen met het uitspellen van de krant, de niet aflatende jacht op verdwaalde kattenharen met zijn stofzuiger, zijn enorme verzameling platen en cassettebandjes, en bovenal: mijn opvoeding.’ Daphne Huisden, Tirade 458.

Inmiddels weten we dat de inspanningen van Ben, onder meer, hebben geresulteerd in het schrijverschap van Huisden.

Daphne Huisden (1988) studeerde een blauwe maandag filosofie in Leiden. In 2010 verscheen haar ‘ijzersterke debuutroman’ (Arjan Peters, VK) Alles is altijd fictie die werd genomineerd voor de Academia Literatuurprijs. In 2013 verscheen Huisdens tweede boek Dit blijft tussen ons, genomineerd voor de Halewijnprijs. Naast deze romans publiceerde Huisden kort proza in, onder meer, Tirade, Das Mag en De Volkskrant en schreef ze bijdragen voor Crossing Border, The Chronicles. Daphne Huisden woont in Rotterdam en werkt daar aan haar derde roman.

Zondag drie mei plaatsen we Daphne’s Eerste Zondagse Gastblog. Nu verheugen we ons eerst nog op de vierde bijdrage van onze huidige Zondagse Gastblogger: Roelof ten Napel.

Tirade – regeren, vooruitzien.

Auteursportret Daphne Huisden: Salih Kilic.

Reageer >
 

Vis, vlees, schone en herstelde kleren

23 april 2015 (12:20) | Menno Hartman | 1 reactie

Fish_ChartEr zijn altijd al vier winkels geweest waar ik graag kom, de (Turkse) kleermaker, de stomerij, de slager, de visboer. Op een rijtje maken ze meteen duidelijk waarom: er heerst een sfeer van ambachtelijkheid. Je kunt er dingen horen, concreet: er wordt geluid gemaakt. En de vormgeving is veel minder nadrukkelijk dan in andere winkels. En een aantal van de aanwezigen doet er echt iets.

De kleermaker; achter de kassa waar de herstelwerkzaamheden aangenomen worden bevindt zich een ruimte waarin een paar vrouwen en mannen achter een machine zitten. Het geratel wordt soms door gelach onderbroken, vaak door geneurie begeleid. Je hoort scharen, je hoort garen knappen, spoelen vastlopen.  De vrouw achter de balie kijkt aandachtig naar een dunne elleboog, stelt elleboogstukken voor, controleert een voering, maakt afkeurende klakgeluiden. Flirt deugdzaam. De baas van een kleermakerij heeft altijd een zeer rustige uitstraling, maar ook een die doet vermoeden dat hij nog veel andere dingen doet.

De slager heeft een hakblok naast de vitrine waar hij uitbeent en trancheert. Hij zwiept met genoegen een stuk vlees over zijn andere zijde. De Berkel snijmachine schuurt licht. Dat wat hij niet heeft liggen, verkoopt hij vaak toch, je moet er om vragen en dan haalt hij het uit de koeling. Overal ter wereld worden dieren die veel gegeten worden anders aangesneden en dat leidt tot andere gerechten en een andere maak. De wijze waarop ergens een slager zijn mes in de hand hield heeft de culinaire geschiedenis bepaald. Een zuigend geluid als een koeling open gaat. De klap van plakken vlees op plastc snijplanken.

De vismensen hebben een heel strikte verdeling in werk. Vrouwen verkopen, manen fileren. Ik ben mateloos gefascineerd door filerende handen, en de bewegingen en de intervallen waarmee vuil van de plank naar een hoek geschraapt wordt.  Anders dan een rund lijkt een haring zo’n overzichtelijk dier dat ook vaak zoveel op een andere haring lijkt. Van de visboer is opmerkelijk dat je hem, anders dan de slager vaak weinigs zinnigs kunt ontlokken over de bereiding of smaak van het een en ander. Ik heb een visboer heel vaak horen zeggen dat ie eigenlijk een speciaal soort vis die hij wel verkoopt nog nooit gegeten geeft. De borrelende frituur. Klompen op tegels.

De wasserette is de best gekende van deze. Je brengt er het meest tijd door, althans in de  periode waarin je geen wasmachine hebt. Er zijn dan ook veel films waarin een wasserettescène zit, je leert er mensen kennen. Kijken naar een draaiende droger is altijd leuker dan kijken naar een commerciële zender.  Vreemd genoeg, want het is even repetitief, maar minder voorspelbaar. Munten in schuifjes, waspoeder in bakken, drogers die draaien. De onbemande wasserette, bij schemering op een rustige oktoberdag.

1 reactie >
 

De lente

22 april 2015 (7:55) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_0015Het zou de eerste warme zondag worden. Nadim en ik gingen vroeg de deur uit en hij wilde zelf de dauw van zijn fietszitje vegen voor we opstapten. In de koelte van onze straat hield hij zijn handen nog onder de mijne, even later legde hij ze er bovenop.

Zo zacht en warm, die handjes. Zo’n klein maar hartverscheurend soortelijk gewicht.

We reden langs de nog verlaten Prinsengracht. Ik sloot mijn ogen en telde bomen: donker, licht, donker, licht, donker. Drie.

De geur van diesel boven zoet water. Het roestend ijzer van mijn fiets. Het stoplicht voor de Rozengracht werd groen.

We zoefden de trambaan over. Achter ons klonk de stalen bel van lijn 14, gevolgd door het geluid van wielenwielenwielen over een oude brug. Ik stelde me die gele tram voor en vroeg me daarna af hoe lang de trams al wit met blauw zijn, in de stad.

In de ruimte tussen mijn armen zong Nadim – dat doet hij het hele jaar door – zijn meest verkeerde Sinterklaaslied. Afleren heb ik opgegeven. Je hoeft het niet met alle keuzes van je kind eens te zijn.

Licht, donker, licht, donker. Twee.

In de middag zouden we naar het bandje van ome Lex [geen familie] gaan kijken, dat optrad bij Melody Line. Verder was ons rooster leeg. We belden ome Arie [geen familie] omdat het Nadims eerste rockconcert zou worden. Bij overgangsrituelen heb je toch getuigen nodig.

Ome Arie wilde mee, wat van de zondag een mannendag maakte. Mannendagen zijn belangrijk, al pakken we ze niet wezenlijk anders aan. Zo leek het Nadim ook nu zinnig om bij elke speeltuin af te stappen voor een korte keuring van de aangeboden toestellen. Tussen ons huis en dat van Arie stopten we zeven keer.

Ik weet niet of Arie een deurbel heeft. Al sinds ik hem ken roep ik bij het inrijden van zijn straat zijn naam, waarna het de bedoeling is dat hij op zijn balkonnetje komt staan en doet alsof hij verbaasd is om me te zien. Omdat Arie een man van gewoonten is, gaat dit zelden mis. Nu ik Nadim heb laat ik het roepen aan hem over. Wat ook zelden misgaat: de lach van mijn zoon bij het zien van ome Arie.

 

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Reageer >
 

Iets

21 april 2015 (15:35) | Uncategorized, Wytske Versteeg | Geen reacties

iets

We keken naar iets dat ik niet zal omschrijven.

‘Als we hier ooit over praten’, zei hij, ‘zal het kleiner worden, minder.’ Hij pakte mijn hand vast en ik knikte instemmend. We zwegen en keken ernaar. Het maakte kleine geluidjes en indrukwekkende, trage bewegingen. We zouden er bang voor moeten zijn, maar dat waren we niet. Ver weg begon een vogel te zingen.

Altijd al had ik het willen zien, maar ik had nooit gedacht dat het echt zou gebeuren. We keken zo lang als we konden en daarna schreeuwden we hard zoals ons was opgedragen, we sloegen ook op pannen. Toen ging het er op een holletje van door, nu was het bang van ons.

We keken het na totdat het was verdwenen, maar we zeiden niets. We wisten niet goed wat. Misschien bestond er ergens wel een woord, maar als dat bestond was het niet hier, niet tussen ons in. We ruimden zwijgend op, van alles te ver weg.

 

IMG_0499 Wytske Versteeg schreef Dit is geen dakloze, De wezenlozen en Boy (BNG Literatuurprijs). Haar derde roman verschijnt deze herfst.

Reageer >
 

Terug

20 april 2015 (9:55) | Martijn Knol | Geen reacties

VeerbootTirade klantenservice met Brenda.’

‘Hé, Bren, met Martijn. Zag dat je gebeld had.’

‘Tyn! Hoe was je vakantie? Ben je lekker uitgerust?’

‘We zijn nog op de terugweg. Hoor je de wind?’

‘…’

‘Je had gebeld? Is er iets aan ’t handje of wilde je gewoon m’n stem even horen?’

‘Hahaha! Ik wilde je blog voor volgende week vast aankondigen, maar je hebt nog geen onderwerp in de agenda gezet.’

‘Jezus Christus, Bren… daar hoef je toch niet voor te bellen? Waarom heb je niet ff een mailtje gestuurd?’

‘Heb ik gedaan, maar toen kreeg ik weer zo’n rare dierenfoto in mijn mailbox.’

‘Hahaha!’

‘Ja, lach maar… Ondertussen ben ik de echte Afwezigheidsassistente… Ik doe alles voor je! Jij bent degene die nooit een weekje kan overslaan… ‘horizontaal programmeren’… ‘keeping the floor’… ‘verwachtingen waarmaken’ en hoe je stokpaardjes ook mogen heten. En dan bel ik je… en dan krijg ik dit.’

‘Je hebt gelijk. Hoe ziet m’n week eruit?’

‘…’

‘Bren? Sorry. Je hebt helemaal gelijk.’

‘Het is al goed.’

‘Hoe ziet m’n week eruit?’

‘Maandagmiddag ga je, eindelijk, naar De Late Rembrandt, dinsdagavond naar Rosas, woensdag heb je een eetafspraak, donderdag staat er een uitroepteken bij de – ’

‘Ja, laat dat allemaal maar zitten… ik probeer één dezer dagen een foto te maken van een bloeiende dichtersnarcis. En misschien moet ik Cormac McCarthy’s Blood Meridian es vergelijken met Verbroken beloftes van Jenny Offill.’

‘Dus?’

‘Heb je schrijfwaren bij de hand?’

‘Verkoopt een groenteboer witlof?’

‘Wat?’

‘Dicteer nou maar.’

‘Volgende week: Tyn’s tuin, de dichtersnarcis.’

Martijn Knol (1973) – schrijver, Tirade-redacteur.

Reageer >
 

Koolzwart

19 april 2015 (7:34) | Roelof ten Napel | 1 reactie

I

Sakutaro Hagiwara wordt wel de vader van de moderne Japanse spreektaalpoëzie genoemd. Het volgende gedicht, vertaald door Hiroaki Sato, komt uit zijn laatste bundel, Het IJsland.

 

Fire

 

I saw fire burning red

like a beast

you keep silent and do not say.

 

In the quiet sky over the city in the evening

flames come out beautifully burning

in no time the flow spreads

in an instant destroys everything.

Burns up everything and all

assets, factories, great architecture

hope, honor, wealth and prestige, ambition.

 

Fire

how is it that like a beast

you keep silent and do not say?

Being trapped in sad melancholy

in so quiet a twilight sky

you think of all the passions.

 

Het voelt hier en daar ook vertaald – of, misschien scherper: je voelt de afstand tussen Engels en Japans.

Vuur blijft stil, zegt Sakutaro, als een beest. Blijven beesten dan stil? In het tweede deel van zijn Filosofische onderzoekingen zegt Wittgenstein dat als een leeuw kon spreken, we hem niet zouden verstaan. In het begin zegt hij dat het inbeelden van een taal, het inbeelden van een levensvorm is.

Waar het denk ik om gaat – bij vuur, bij een dier, bij Japans – is dat er ondanks elke vertaling iets stil blijft. Er blijft iets in de spreker achter, iets vergaat – praten is een vorm van verbranden.

In Cinders schrijft Jacques Derrida over een zin over kooltjes, il y a là cendre. Mijn Engelse voorwoord noemt dat ‘nearly untranslatable.’ Derrida gebruikt de zin om allerlei ideeën uit zijn oeuvre toe te passen, of terug te vinden, aan te halen. Ergens valt de zinsnede: daar, waar sintel het verschil betekent tussen wat blijft en wat is.

Dat sprak me aan – het verschil tussen wat blijft en wat is, in de oplichtende warmte van kolen. Iets wat het vergaan laat voelen, iets wat er nog is van wat er verging. We lezen as. We ruiken nog de geur van de rook, voelen de wegebbende hitte.

 

II

Om het verschil tussen wat bleef en wat is te denken, moet je misschien ook zien wat er is terwijl het niet bleef, terwijl het nergens van resteert. In Ontology of the Accident schrijft Catherine Malabou over die destructie, zoals we hem zien in mensen na een serieus trauma, die plots zich niets meer herinneren, wiens gedrag we nergens meer van herkennen. Alsof in dezelfde mens een andere persoonlijkheid is ontstaan. Ze noemt ook verouderen – mensen rondom ons worden constant ouder, maar er komt een moment dat ze dat zijn, haast per ongeluk. Opeens is een oud mens ontstaan.

Zoals op het moment dat je altijd wandelende vader ineens hijgt aan het einde van de trap.

Het hoeft niet eens te gaan om aftakelen. Wie is nog nooit iets vergeten van waar anderen ons aan herinneren? Verhalen waar je in voorkomt, die niet meer in eerste persoon bestaan.

 

III

In Nay Rather heeft Anne Carson het over die stiltes. Ze begint met de stiltes van fragmenten, wanneer fysieke stukken tekst zijn verdwenen, en over de stiltes in vertaling, de onvertaalbaarheid van bepaalde woorden, zoals klanknabootsingen. Derrida schreef daar in Sjibbolet ook al eens over – bijvoorbeeld als Paul Celan Frans gebruikt in een ‘Duitstalig’ gedicht. Dat verschil verdwijnt in de Franse vertaling, het verschil tussen de regels en dat ene, uitheemse woord.

Sommige uitzichten zijn niet onder elke hoek te zien.

Zo noemt Carson een woord in Homerus’ Odyssee, μωλυ, een naam van een plant ‘in de taal van de goden’, waarvan de ‘Griekse’ vertaling ontbreekt – je leest een viertal letters, je kunt ze horen klinken, maar daar blijft het bij. ‘[A] word that does not intend to be translatable. A word that stops itself.’

Iets dat zich verzet – tegen vertaling, tegen heroriëntatie, tegen bezit. We ervaren het, en het enige dat het nog betekent is dat er een grens aan ons bevatten is. Het markeert een einde waarachter nog iets ligt, maar waar voorbij we niet kunnen lezen.

 

IV

Zoals de woorden van goden zijn de klanken van dieren. We komen terug bij Sakutaro, bij het Japans dat een rijk register aan onomatopeeën heeft – aan ‘klanksymboliek’, eigenlijk, gezien er soms zelfs ‘geluiden’ bestaan voor dingen die ze niet maken. Uit twee verschillende, Engelse vertalingen van een gedicht, heb ik een derde in het Nederlands geprobeerd te schrijven.

 

Katten

Koolzwarte katten, een tweetal,

op het dak van een weemoedige nacht;

vanaf de toppen van hun strakke, rechte staarten

schijnt vaag een draadachtige halve maan.

Owaa, goedenavond.”

Owaa, goedenavond.”

Ogyaa, ogyaa, ogyaa.

Owaaa, de meester van dit huis is ziek.”

 

Het stille vuur komt terug in de vorm van twee koolzwarte katten.

De schuingedrukte termen zijn twee keer nearly untranslatable – van de kat naar het Japans, en van daar naar het Nederlands, dat zulke woorden mist. De katten miauwen, maar spreken ook als mensen. Er zijn termen die op miauwen slaan, maar het miauwen zelf kunnen we in feite niet schrijven. Allemaal taal loopt door elkaar.

En dan dat ogyaa. Dat is een woord voor het huilen van een baby.

Er vallen allemaal stiltes.

Klinkt het gemiauw als gehuil? Of horen we tussen de zinnen van de katten door een kind, vanuit het huis? Het verschil is onleesbaar, het staat er, maar we kunnen er niet bij. We horen een leeuw, maar verstaan hem niet, of we horen een kind dat door de regels heen breekt.

 

V

Jeanne d’Arc, schrijft Carson, werd door de inquisitie veroordeeld omdat onvertaalbaarheid haar niet werd toegestaan. Omdat ze werd berecht in het Latijn, en niet haar Frans. Omdat ze haar eigen, ondeelbare ervaringen moest vormen tot een ‘ja’ of een ‘nee’ op een vraag. Het ontnemen van een taal is het ontnemen van een leven.

Veel legendes zeggen dat ze, als laatst, drie keer de naam van Jezus riep. Volgens Carson niet, die schrijft dat ze op het einde zei: ‘Light your fires!’

 

1 reactie >
 

Content is King!!!

16 april 2015 (0:01) | Menno Hartman | 1 reactie

You can't depend on your eyes when your imagination is out of focus. Mark Twain

You can’t depend on your eyes when your imagination is out of focus.
Mark Twain

Bol.com heeft de wens te kennen gegeven de beste boekhandel van Nederland te worden. Daartoe organiseerden zij het Uitgeversevent op 10 april jl. Ik was daarbij, omdat ik van boekhandels houd en omdat ik graag op de hoogte ben van wat de grootste internetboekhandel denkt en doet.

We zitten in een zaal die – naar Managing Director Daniël Ropers zegt – ‘niet zo inspirerend is als de dag die we voor ons hebben’. De managing director, spijkerbroek, mocassins, strak overhemd, is in zijn beste jaren. Bluetooth microfoontje, hij komt goed uit zijn zinnen, heeft gedegen naar allerhande TED talks gekeken. Hij komt zó goed uit zijn zinnen, dat duidelijk is dat hij de managing director is geworden. Niemand  die volgt komt in de buurt. In het vervolg van de ochtend teken ik voor eigen vermaak nog de volgende zinnen op:

‘een journey die nooit zal stoppen’

‘er een stukje perspectief op geven’

‘content is King!!’

‘qua storytelling en bingewatching’

Ik waak er voor de elitaire papierenboekenfetisjist uit te gaan hangen. Meer dan een beetje glimlachen is dan ook niet nodig. Wel heb ik gaande de ochtend, omdat je nu eenmaal hersencellen overhoudt, een aantal punten geformuleerd die beter kunnen als je als grootste internetboekhandel met uitgevers te maken hebt. Ik zet ze even op een rijtje om af te sluiten met iets wat ik wel leerde die dag en nog steeds heel interessant vind.

Wat BOL retorisch beter zou moeten kunnen:

-onderschat andere mensen nooit.

-wanneer je een zaal uitgevers toespreekt helpt het een stapel boeken op je bureau te hebben staan. Je moet ze overtuigen dat – anders dan Amazon eigenaar Jeff Bezos – je niet net zo goed ‘doodskisten, wasmiddel en paprika’s’ zou kunnen verkopen, maar dat je van boeken houdt. Dat 10 keer zeggen is niet voldoende.

-Noem een paar titels, gebruik in je slides geen grasmaaimachines als je het het over boeken hebt. Citeer iemand. Google is zeer behulpzaam met het zoeken van een passend citaat: Abraham Lincoln: ‘Books serve to show a man that those original thoughts of his aren’t very new at al.’

Of

‘There’s definitely a role for online booksellers, but they can’t host events, bring people together, and form a personal relationship in the way a bricks-and-mortar store and its staff can.’–  Graeme C. Simsion. Nou ja, die vonden ze misschien wel maar ze lieten dit citaat wellicht achterwege.

-Herhaal niet voortdurend dat je van de aanwezigen wilt leren, terwijl je uitsluitend over je zelf vertelt hoe goed je bent. Als je wilt leren, luister je.

-vermijd 367 keer ‘zeg maar’ zeggen in 8 minuten, Petra Lubbers, in het veelbelovende praatje ‘Ontwikkelingen en uitdagingen in de Boekenmarkt’ zorg dat je er minstens 1 van die ontwikkelingen en uitdagingen ook werkelijk noemt, die niet die door elke willekeurige groenteboer gesuggereerd zou worden, desgevraagd. Dat niet doen en bij algemeenheden blijven die op elke borrel wenkbrauwen zouden doen fronzen omdat ze zozeer voor de hand liggen, is een ontoelaatbare onderschatting van je publiek. Zie eerste punt, zeg maar.

Mijn conclusie: Bol is een heel goede webwinkel. ‘De beste boekenwinkel van Nederland’ worden, is een holle claim die past bij ‘think big’, maar er zijn er al snel zo’n 70 die ik ken die eerder in aanmerking komen. Gewoon omdat ze hun klanten inschatten. Groot is BOL wel en belangrijk ook. Ik heb suggesties hoor, hoe ze zichzelf verbeteren kunnen.

Tenslotte, wat ik wel leerde en boeiend vond, kwam van Arno Otten, Managing Director Digital Media bij RTL en is het volgende. Een serie van het type dat iedereen nu kijkt: House of Cards, Borgen, Suits etc kost evenveel om te maken als een speelfilm. Het format van de speelfilm heeft veel te maken met de beperkingen die golden toen het concept van massavermaak op het grote doek zijn eerste  furore maakte: het moest in pakweg 1,5 uur, op 1 plek te consumeren zijn. Door dat bedrag nu in een serie te stoppen, heb je niet alleen veel meer tijd doorgebracht als consument, maar de ‘uitgever’ heeft ook veel meer ‘contactmomenten’ met de ontvanger.

En deze manier van verhalen vertellen pas beter bij het hart en de ziel van de verhalenverteller: tijd nemen, uitspinnen, divergeren, lange afstanden afleggen (Homeros). Ik denk er al een dag of zes over na wat dit precies kan betekenen voor schrijvers en uitgevers.

——-

IMG_6841Menno Hartman (1971) was vroeger redacteur van Tirade. Sinds 2008 werkt hij bij Uitgeverij Van Oorschot. Houdt van de geur van boeken en van lente.

1 reactie >
 

All – – That – Is – -

15 april 2015 (8:29) | Gilles van der Loo | Geen reacties

imagesIn All That Is schrijft James Salter (Hoofdstuk 4, As One): “Freely, as they sat or ate or walked he shared with her his thoughts and ideas about life, history and art. He told her everything. He knew she didn’t think about these things, but she understood and could learn. He loved her for not only what she was but what she might be, the idea that she might be otherwise did not occur to him or did not matter. Why would it occur? When you love you see a future according to your dreams.”

Vanochtend las ik deze zinnen wel tien keer achtereen. Wat ik me afvroeg: waar komt het licht vandaan? Misschien neem ik taal anders waar, maar in Salters woorden – of eerder erachter – lijkt altijd een vorm van schittering aanwezig: de zon die door kleine kabbelingen weerkaatst wordt, te fel om lang naar te kijken, maar warm en heerlijk tegelijk. Een zomertuin vol vrienden die je jaren niet gezien hebt. Een grote schaal rijpe aardbeien. Een lachend kind. Dat werk.

Als ik naar de betekenis van die paar zinnen kijk, is die eerder droevig: we kennen elkaar nooit, zelfs – of misschien juist – in de liefde. En we zitten daar niet mee, waarom zouden we in de werkelijke persoon geïnteresseerd zijn?

Het licht zit ook niet in hetgeen beschreven wordt. Er is niets zintuiglijks aan de tekst. Salter heeft het over gedachten, ideeën, denken, begrijpen. Alleen het zo platgetreden love zegt iets over gevoel, maar raakt de lezer in deze context op geen enkele manier.

Wat resteert er, na het buiten beschouwing laten van betekenis en vorm, dat licht overbrengen kan? Hoe kan een stem zo herkenbaar door geschreven tekst heen klinken, bijna – ja, volg me maar even – alsof Salter alleen maar voorleest en de woorden er niet zo toe doen? Het antwoord kwam na een kleine wandeling met Otis de Hond, waarop ik Salters zinnen hardop bleef herhalen.

Ritme.

Ik kwam thuis en sloeg A Sport and a Passtime open. Het klopte. Solo Faces. Ook. Burning the days. Idem.

Light Years is sinds ik het een jaar of twaalf geleden las altijd een van mijn favoriete boeken gebleven, terwijl ik er geen zin van citeren kan. Ik ken de namen van de hoofdpersonen niet meer en weet alleen nog dat de lezer te maken krijgt met een falend huwelijk. Salter leeft niet in de tastbaarheid van zijn details, anders waren die me bijgebleven. Hij heeft een adelaarsblik: van grote hoogte strijkt hij over de mensen en dingen, bijna koel noterend.

Voor mij is wat schittert aan het werk van James Salter zijn ongelooflijke gevoel voor ritme. Alsof je door fluwelen klauwen opgetild wordt, en vlak boven je de vleugelslagen horen kunt.

_________________________________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Van hem verschenen in 2011 de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en in 2013 de roman Het laatste kind

Reageer >
 

Story

14 april 2015 (11:33) | Wytske Versteeg | Geen reacties

lezer“What’s your story? It’s all in the telling. Stories are compasses and architecture; we navigate by them, we build our sanctuaries and our prisons out of them, we build our sanctuaries and our prisons out of them, and to be without a story is to be lost in the vastness of a world that spreads in all directions like arctic tundra or sea ice. To love someone is to put yourself in their place, we say, which is to put yourself in their story, or figure out how to tell yourself their story.

Which means that a place is a story, and stories are geography, and empathy is first of all an act of imagination, a storyteller’s art, and then a way of traveling from here to there.”

Rebecca Solnit, The Faraway Nearby. Penguin, New York.

Reageer >
 

I’m not like most people.

13 april 2015 (9:00) | Martijn Knol | Geen reacties

Sarie is terminaal kankerpatiënte. Dus als de messenwerper (rode broek, geel vest) van Circus Olympia dat in Sander Kollaards roman Stadium IV is neergestreken in Borgholm een vrijwilligster zoekt, stapt zij de piste in. Ze heeft toch niks te verliezen:

‘Geholpen door de assistente nam ze plaats tegen de goudkleurige wand. Het licht dempte en de muziek verstilde tot lang aangehouden tromgeroffel terwijl de assistente de messenwerper een blinddoek ombond. Ze zette hem op zijn plaats en gaf hem de messen in handen: zeven stuks. Het geroffel viel weg tot een fluistering en plotseling, in een zevenvoudig salvo, vlogen de messen door het licht van de schijnwerpers. Er klonken zeven droge tikken. Het volgende moment barstte de muziek los en ging het licht weer aan terwijl het applaus opklonk.’ (2015; p. 126).

zadie petEen openbaar interviewer is een circusartiest die het profiel van zijn gast aftekent met vragen in plaats van met messen. Zadie Smith verroert zich nauwelijks als Arnon Grunberg haar zijn vragen toewerpt. Persoonlijk vind ik het geinig als een geïnterviewde ongevraagd door hoepels begint te springen, zich in de trapeze waagt of – zoals Oliviero Toscani twee maanden geleden deed hier in Circus De Balie – eerst de messenwerper letsel toebrengt en vervolgens diens messen en werpsterren het publiek in begint te keilen.

Zadie Smith schrijft mooie romans, verhalen en essays. Ze doceert, ze mengt zich in maatschappelijke/politieke discussies. Ze heeft een dichtende man, gezonde kinderen, in het echt is ze nog mooier dan op de foto’s die glossy’s van haar afdrukken en het is, zo blijkt, een plezier om haar in het openbaar te zien spreken. Ze is vriendelijk, rustig, geestig, kritisch, eigen. Voorkomend zonder stijf of afstandelijk te worden. Relativerend – op het flegmatieke af. Ze weet dat ze geen genie is, zoals Nabokov of DFW, maar neemt haar talent serieus genoeg om haar leven aan het schrijven te kunnen wijden.

Ik draai onrustig op mijn stoel als Smith aan Grunberg vertelt dat ze The Embassy of Cambodia (2013) als haar beste werk beschouwt (ik ook!, ik ook!). Ze deelt haar opvattingen over slavernij, de multiculturele samenleving, schoonheid. Het publiek is kalm en ontvankelijk – sommigen slijpen de vragen die ze Smith straks mogen toewerpen. Iedereen lijkt gesticht, geïnspireerd of minstens geboeid.

Het enige wat er over deze avond te klagen valt… is dat er niks te klagen valt.

Zadie NWKorzelig en obstinaat door alle Menselijke Warmte en Harmonie – vechtend tegen de zelfhaat omdat ik me laat behagen door wat Jeroen Mettes ‘de ouwehoerindustrie’* noemt – dwalen mijn gedachten iedere tien minuten even af naar Smith’s personage Annie, uit het Neo-Modernistische NW (2012). Als haar minnaar Felix haar opzoekt om haar te vertellen dat hij verder wil met zijn leven, zonder haar, zegt Annie:

You know, Felix –’ a dainty little voice, like a waitress reciting the specials – ‘not everyone wants this conventional little life you’re rowing your boat towards. I like my river of fire. And when it’s time for me to go I fully intend to roll off my one-person dinghy into the flames and be consumed. I’m not afraid! I’ve never been afraid. Most people are, you know. But I’m not like most people.’ (p. 139)*.

Wanhopige, onware woorden uit de mond van een heroïneverslaafde veertigster.

Maar evengoed: je hoeft niet te wachten met het nemen van risico’s tot je wordt gediagnosticeerd met kanker.

————-

Martijn Knol (1973) – schrijver en Tirade-redacteur.

Volgende week: Leren apporteren.

Noten 

* ‘Poëzie doet ertoe, niet zodra ze beter geïntegreerd is in de markteconomie en de ouwehoerindustrie, maar zodra ze zich daar effectief tegen weet te verzetten.’ Uit: Jeroen Mettes, Weerstandsbeleid (2011, p.147).

* Technische noot. Op pagina 126 van NW denkt Felix over Annie: ‘She could fall and fall and fall and still never quite hit the ground.’ Wanneer hij haar, op pagina 142, achterlaat op de overloop van het huis waar ze hebben gevreeën en geruzied, lezen we: ‘He hurried to the stairs, and was a few steps down when he heard a thud on the carpet above as she went down on her knees.’ Bodem bereikt. Felix voelt zich ‘wonderfully, blissfully light’.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015
 
Nr.457 Nr.458
 
bestel
 
 
voorpagina