Vuitton-tank, Chinese kunst in Brabant

19 april 2018 (8:00) | Menno Hartman | Geen reacties

804c6d728085b9a0235beb1889a90c8aOp de grond ligt een tank van leer, die, indien opgevuld, volgestouwd een tank op ware grote zou zijn. Alle details zijn aanwezig, en alles gemaakt van hoogwaardig gelooid Italiaans leer, van het soort waar Louis Vuitton zijn tassen van maakt, of Versace.

Kunstenaar He Xiangyu beweert dat het niet zoveel met het Tiananmen incident in 1989 te maken heeft. 1989 staat de meeste mensen in het Westen het best voor ogen vanwege het iconisch beeld van een man die met twee boodschappentassen een tank tracht tegen te houden. Wanneer je nu een tank maakt van het materiaal waarvan je tassen maakt kun je dat op een aantal manieren interpreteren. Een tas is zinloos en heeft zijn functie verloren wanneer hij volledig leeg is, of hij wacht op een moment dat zijn leven als tas weer echt gaat beginnen: als hij volgestopt en gebruikt wordt. Een tank als lege tas wacht. Op het moment tot het weer gaat beginnen, is in die zin dreigender dan zo maar een tas. Iemand hoeft maar te besluiten dat de tas-tank weer nodig is, misschien iemand met de grillen van een rijke elite. De Vuitton en Versace associatie is niet door mij bedacht, maar door de kunstenaar medegedeeld.

Door een tank tot tas te maken, maak je hem ook kleiner. Het is nu de boodschappentas tegen een elite-tas. Tas tegen tas, dat is gelijkwaardiger. Zo machteloos als de boodschappentas de dappere Chinees in 1989 leek te maken, zo machteloos is deze slappe Vuitton-tank eigenlijk ook. Dit idee stelt eigenlijk de boodschappentassen en de tank gelijk. Het probleem van een repressief bewind is dus een probleem van onderdrukker en onderdrukten gelijkelijk.

youyu_ni_forest-2--2_w800_004011In het Noord-Brabants Museum is een tentoonstelling van moderne Chinese kunst uit de verzameling van de Zwitserse zakenman/diplomaat Uli Sigg. Het is een hele mooie tentoonstelling waar maatschappijkritiek, plezier in vernieuwing en verwijzing naar traditie samengaan. China heeft niet alleen een millennialange kunst- en nijverheidstraditie, het heeft op Westerse kunst bovendien voor dat het zichzelf kan oprekken door naar de Ander, het Westen te verwijzen. Westerse kunst verwijst zelden naar iets anders dan zichzelf, het is in die zin soms te zien als geïmplodeerd. Chinese kunst refereert wel heel vaak naar de rest van de wereld  en is daarom voor Westerse ogen ook heel goed te waarderen. Daarbij kent het een plezierige balans tussen traditie en vernieuwing.

Een schitterend voorbeeld is het uit gedroogde kalfshuid – van het type dat honden krijgen om op te knauwen, geen tentoonstelling voor veganisten realiseer ik me nu – Potalapaleis in Lhasa, Tibet. Het ding zweeft, is prachtig, is kunst en aanklacht in een. Probeer je voor te stellen hoe een streng vegetarische gevluchte Tibetaans boeddhistische monnik naar dit werk kijkt.  Een ander voorbeeld is dat van twee heel grote schilderijen van bossen van Ni Youyu, Forest I en Forest II. Een Westers bos, met stammen, strak in het gelid, de bomen dragen jaartallen die de levens van grote Westerse filosofen aanduiden. De andere is een Aziatisch bos, grilliger, met uitbottende takken, levender eigenlijk naar het lijkt (of naar mijn smaak). Dit is de directste verwijzing naar botsende of vergelijkbare werelden. En je voelt je opeens door deze weergave ook gevangen in het monumentale karakter van de Westerse kunst en ideeëngeschiedenis.

Zo bevrijdt deze kunst de Westerse kijker. Nu de gemiddelde Chinees nog.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Luna

14 april 2018 (11:35) | Arjen van Lith | 1 reactie

maan

Het kan niemand zijn ontgaan dat de personages in mijn verhalen – die allemaal echt bestaan – consequent met hun initialen worden aangeduid. Ik doe dat omdat schrijven een bloedsport is. Omwille van de literatuur vermink ik bijna dagelijks mijn vrienden, familie en zelfs mijn eigen M., die in ‘t echt veel meer omvat dan alleen zijn wiskundeknobbel en het feit dat hij geen koprol kan, maar daar lees je nooit over. Ik gun mezelf die vrijheid omdat ik daar discretie tegenover stel. Ik moet mijn dierbaren tegen mezelf beschermen.

Het bovenstaande geldt pertinent niet voor Luna, wiens naam ik hier voluit vermeld. Haar gun ik het niet. Ik beschouw mijn gebruik van initialen als een teken van respect en dat heeft zij niet verdiend. Zelden heb ik iemand ontmoet die zich vanaf het allereerste moment zó openlijk vijandig naar me heeft opgesteld. Ik zag haar woensdagavond op de housewarming van onze vrienden R&D, die nu een enorme tuin hebben. Het was niet eens onze eerste ontmoeting, maar toen ik met uitgestoken hand op haar afliep, wendde ze zich af en hoorde ik een diep, afkeurend keelgeluid uit haar opstijgen, gevolgd door een zucht.

Luna is kleinmollig en kortpittig en een bitch, ik zeg het niet graag. Vorig jaar kwam ik haar voor het eerst tegen op een karaokefeestje bij diezelfde vrienden en ook toen moest ze niets van me hebben. Ik heb zelfs nooit de kans gekregen om me fatsoenlijk aan haar voor te stellen: zodra ik in haar buurt kwam, liep ze snel de keuken in of ging ze bij een ander groepje mensen staan, ineens overdreven meeknikkend met een gesprek over de onroerendgoedmarkt in Austin waarvan ik honderd procent zeker weet dat ze daar geen woord van heeft begrepen. Luna heeft het buskruit niet uitgevonden.

Op de housewarming maakte Luna optimaal gebruik van de grote nieuwe tuin door steeds maximale afstand te houden. Zij bewoog wanneer ik bewoog, steeds in wijde cirkels om me heen en altijd met een schuin, oordelend oog op me gericht. Ik voelde een steek van jaloezie toen ze nota bene bij mijn eigen M. schaamteloos stond te bedelen om het laatste kippenpootje van de barbecue, en wéér eentje toen hij haar dat nog gaf ook.

Ze heeft dat alleen met mij, dat vijandige. Bij de overige gasten was ze juist behaagziek, op het hijgerige af, en deed ze zich veel darteler voor dan je op haar leeftijd – en met haar overgewicht – zou verwachten. Aan het eind van de avond, toen iedereen een beetje aangeschoten was, kroop ze zelfs zomaar bij een wildvreemde overbuurman op schoot.

Alles aan Luna staat me tegen – haar tafelmanieren, dat haar, die bek die altijd een beetje openstaat – maar wat me het meest aan haar stoort is haar schokkende gebrek aan mensenkennis: we hoeven echt geen vrienden te worden, maar iedereen kan ruiken dat ik niets kwaads in de zin heb. Ik ben een gezelligheidsdier; die achterdocht verdien ik niet.

Bij het afscheid liepen R&D met ons mee naar onze Uber. Voordat we instapten, keek ik nog even om naar hun nieuwe huis en zag het gedrongen silhouet van Luna voor het raam staan, roerloos maar nog altijd waakzaam. Ik voelde haar minachting dwars door de schuifpui heen.

Dat heb ik normaal nooit met honden.

__________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >
 

De Klantenservice voor Alles

13 april 2018 (11:39) | Marko van der Wal | Geen reacties

Nadat de ik mijn belastingaangifte had ingevuld en mijn zus had geholpen met die van haar was ik blij dat het dit jaar wederom niet nodig was geweest de belastingtelefoon te bellen. Het schijnt ten burele van de fiscus nogal een jodenkerk te zijn, al heb ik daar zelf geen ervaring mee. Uit tweede hand hoor ik over kastje-naar-de-muuradviezen en medewerkers die de cursus creatief boekhouden ternauwernood hebben afgerond. Als goedgeïnformeerde consument-burger heb ik dergelijke diensten zelf maar zelden nodig.

Die avond wilde ik met de trein gaan, maar het ticket dat ik online had besteld werkte niet. Eenmaal toch thuisgekomen kon ik, ondanks het late uur, op zo’n vijf verschillende manieren met NS in contact treden. Ik dacht: exorbitante wachttijden, incompetente callcentermedewerkers, Radar, Kassa, de Consumentenbond en het geschil uitvechten bij het Europese Hof voor de Rechten van de Consument. Maar met één telefoontje was mijn probleem opgelost. De tijden van de klantenserviceterreur, die bij veel bedrijven en instellingen ooit heerste, is gelukkig voorbij.

Ik moest denken aan een plan dat ik eens had.

Iemand vertelde mij dat een lantaarnpaal in de straat het niet meer deed. Diegene had gebeld naar het nummer dat op de paal stond aangegeven om door te geven dat daar-en-daar die-en-die paal – maar aan de andere kant van de lijn werd gezegd: ‘Daar kunnen wij niets aan doen, wij zijn er alleen maar om de telefoon op te nemen. U moet hiervoor de gemeente bellen.’ Daarop onstond een vervreemdend gesprek over telefoonnummers en werkverschaffing, waar geen van beide partijen helemaal uitkwam.

Wat zou het mooi zijn om één telefoonnummer voor alles te hebben, bedacht ik. De Klantenservice voor Alles! Ik zag me al zitten achter een groot bureau met een rijtje telefoons (van die ouwe draaischijftoestellen met lampjes) om bellers van advies te voorzien. Let wel, dit was in de tijd dat echte service vaak achterwege bleef. Het zou dus best een dienst kunnen zijn die geen dienst bewees en er alleen maar met de pet naar gooide. U bent klant? U voelt zich niet gehoord? De internetprovider dreigt u van het net te gooien omdat u niet met een onbereikbare telefoonmedewerker heeft gesproken? U bent geen klant, u bent een klant in de kou! Bel de Klantenservice voor Alles, wij bieden een luisterend oor. (Kleine lettertjes: maar ook niet meer dan dat.) Als sommige dienstverlening toch al werd uitbesteed, kon dit onderdeel ook wel collectief worden uitbesteed. Aan mijn 0900-nummer.

Het plan was een staaltje marktdenken (aanbod schept vraag) van heb ik jou daar. Er was weliswaar een gat om in te duiken, maar toen ik de KvK belde met een vraag over het verdienmodel werd ik in de eindeloze wacht gezet.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds enkele jaren blogt hij (onregelmatig) voor tirade.nu.

Reageer >
 

Dit lichaam

11 april 2018 (6:29) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5644Na twintig jaar Aikido belde ik mijn sensei om te vertellen dat ik wilde stoppen. Roel reageerde zoals ik had verwacht: hij is het soort leraar dat begrijpt dat hij maar een onderdeel van je leerproces is.

‘Ik moet weten hoe het voelt om dit niet in mijn leven te hebben,’ zei ik. ‘Wie weet zie je me over een half jaar terug.’

Roel zei dat hij me begreep en dat hij me zou missen. Ik bedankte hem voor alles wat ik kon bedenken, miste hem op dat moment kort en hevig en sindsdien mis ik het Aikido op een bijna lijflijk niveau: de vriendschap in de dojo, het zware katoenen pak over mijn blote schouders, mijn hakama*, de weerstand van de mat onder me en de ‘shine’ die je kunt voelen wanneer je technieken instinctief en moeiteloos uitvoert.

Maar het niveau waarop ik wil trainen is alleen haalbaar is als ik minstens drie keer per week ga. Naar Ede en Breda. Dat kan niet meer.

Adding insult to injury: sinds ik ben gestopt met Aikido fitness ik weer. Advies van de fysio.

De laatste keer dat ik gewicht optilde dat niet verplaatst hoefde te worden was minstens vijf jaar geleden en ik was vergeten hoe slopend saai dat hele gedoe is. Gelukkig zit ik – dankzij een vriendin – bij Health Club Jordaan.

In de uren dat ik er terecht kan ben ik met afstand de jongste in de zaal. Bejaarde mannen in verschoten bodybuildinghemdjes, bejaarde vrouwen die dromerig niet-zo-snelwandelen op de loopbanden. De mannen plagen elkaar in de kleedkamer en voor de spiegelwand: als ik ooit op een sportschool thuis zou horen zou het hier zijn.

Binnen een paar weken tilde ik weer flinke stapels en de pijn in mijn onderrug en schouder lijken verdwenen, maar ik ben niet gelukkig.

Misschien is mijn voornemen om minder dingen op een hoog niveau te doen doorgeslagen. De afgelopen twee jaar stopte ik met professioneel koken, als redactielid van Tirade, met lesgeven en met Aikido. Wie weet heb ik eigenhandig het krimpen van mijn wereld ingezet; word ik vóór mijn dagen oud en sterf ik binnenkort in een lichaam dat te jong lijkt om van mij te kunnen zijn.

* een soort broekrok die bij de outfit hoort.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Modiano’s slapende herinnering

5 april 2018 (10:41) | Menno Hartman | Geen reacties

5a964_9789021409542_cvrWanneer liftte ik voor het eerst naar Parijs? Ik was 16 denk ik, in 1987 dus. En de laatste keer liftte ik op mijn 28ste, toen bleef ik staan want alle automobilisten vonden dat ik zelf een kaartje voor de trein kon kopen, en dat kon ik ook. Tussendoor vrijwel ieder jaar. In een blogje voor Tirade schreef ik eens mijn twijfel over de kwaliteit van Modiano’s werk neer. Het kwam me op een reprimande van de zeer goede vertaler Maarten Elzinga te staan. Ik zag het verkeerd. Als ik de helft van de romans van Modiano gelezen heb, en eveneens zo’n 15 maal een paar dagen en nachten door Parijs zwierf, dan vallen deze activiteiten getalsmatig samen zoals ze dat naar mijn idee ook inhoudelijk doen. Eerst over de kwaliteit van Modiano. Je mag geloof ik niet tornen aan de besluiten van de lieden die de Nobelprijs toekennen, maar ik sluit toch niet uit dat we over Modiano over 30 jaar anders denken dan nu over die van 30 jaar geleden: Naguib Mahfouz, die ik toevallig hoog heb zitten.

De romans van Modiano zijn precies zo verslavend als Parijs dat is voor wie van haar houdt. Je loopt rond, ontmoet vluchtig een paar mensen van wie je de namen hoort en weer vergeet, je ziet de straatnaamborden en je constateert in welk arrondissement je bent, je gaat café in en uit. Je herinnert je iets, maar niet heel precies. ‘Om te proberen de mysteries van Parijs op te lossen.’ Ik zie Modiano lezen vrijwel als een guilty pleasure, volstrekt verslavend, en naar mijn gevoel overduidelijk een truc, aanwijsbare vaagheid een rookgordijn, een voortdurend overstappen op een volgend personage, vrijwel zonder terug te keren. Modiano schrijft 1 boek in steeds een ander kafjte. Maar goed, dat kunnen we van veel grote schrijvers beweren.

Een van de vele mysteries van Parijs speelt voor mij op 173 rue d’Alésia, in het 14de arrondissement. Hier zit George Brassens een paar jaar ondergedoken bij zijn tante, voor wie hij het schitterende Chanson pour l’Auvergnat schreef:

Een lied dat net als de romans van Modiano de kracht heeft je onmiddellijk in Parijs te doen zijn.

*het mooiste stuk over Modiano op Tirade is zonder twijfel dat van Manet van Montfrans.

* en nog een stukkie over Modiano.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

 

Reageer >
 

Waarom

4 april 2018 (8:31) | Gilles van der Loo | Geen reacties

077ea3d0-304b-4bbb-8405-5fbb794a1006Gisteren schreef Jan van Mersbergen in zijn blog over een ervaring met aspirantschrijvers. Hij had speeddates met tientallen debutanten-in-spé en merkte dat bijna iedereen vroeg hoe dat nou moest: bij een uitgever binnenkomen.

Ze wilden allemaal schrijver zijn, maar niemand leek bezig met hoe hij het soort werk kon leren produceren wat vanzelf wordt opgepikt.

Als ik schrijfles geef vertel ik altijd ook wat het betekent om schrijver te zíjn. Ik word nog steeds niet herkend op straat, maar als je denkt in termen van kansen, dan heb ik die gekregen en aangegrepen en heeft me dat een uitgever, goede kritieken, een nominatie en de steun van het Letterenfonds opgeleverd. Ik mag maken wat ik wil en zit bij een uitgever die me begrijpt, die aanvoelt waar mijn werk over gaat.

Daarna som ik op wat ik buiten de literatuur nog meer doe om mijn rekeningen te betalen, en altijd zijn er één of twee studenten die vragen waaróm dan nog, dat schrijven.

Hier is maar één antwoord op: omdat je het nodig hebt. In mijn geval de vlucht, de duik naar binnen, bovenkomen met personages en beelden en die zo helder mogelijk op papier krijgen. Door vreemden gezien worden voor wat je uit het diepste van jezelf gehaald hebt.

Een zanger doet dat ook, of een acteur, en die hebben het veel zwaarder. Zij voelen het onmiddellijk als een zaal slecht reageert. Schrijvers kunnen jaren werken in de veronderstelling dat de wereld op precies dit verhaal wacht. Kunst voor lafbekken, misschien. Je zou ook kunnen zeggen dat het een pretty sweet deal is.

Het beeld bij dit blog heeft wederom geen enkele betrekking op de inhoud ervan.

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Uit de mode (3): antecedenten (1)

31 maart 2018 (10:29) | Arjen van Lith | Geen reacties

Screen Shot 2018-03-31 at 03.22.06

In de roman Survivor* (1999) legt de hoofdpersoon zijn levensgetuigenis af aan de zwarte doos van een gekaapt vliegtuig dat op de automatische piloot rondvliegt. De pagina’s tellen af tot het moment dat de brandstof op is en het toestel crasht.

Die teruglopende nummering roept een gevoel van spanning en urgentie op, gevolgd door de vraag: gaat dit verhaal überhaupt nog ergens heen voordat het zometeen afgelopen is? Zoals bij veel Amerikaanse literatuur uit die tijd blijft de lezer achter met meer vragen dan antwoorden.** Die fout wil ik voorkomen.

In dit verhaal storten geen vliegtuigen neer, maar het gaat ook over een neergang – de mijne – die weliswaar trager, maar daarmee niet minder tragisch is. De val van mijn Amsterdamse herenmodevoetstuk voltrok zich in slow motion, uitgesmeerd over vele maanden, maar om echt te kunnen doorgronden hoe het allemaal zó fout heeft kunnen lopen, moeten we vele decennia terug. Generaties.

Textiel heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in mijn familie. Tot de bezetting verdiende mijn opa de kost als vertegenwoordiger van een stoffenfabrikant uit Twente, naar eigen zeggen vooral om de auto van de zaak. Gewapend met een stalenboek en een grote bek blafte hij zich overal naar binnen. Na de oorlog werd hij boekhouder, maar hij behield zijn gewoonte om uit elk lapje dat hij tegenkwam een paar vezels los te trekken en die in brand te steken. Mijn opa had een diepgewortelde liefde voor het materiaal.

Ik heb hem nooit zonder pak gezien. Toen hij nog werkte, droeg hij meestal een grijze krijtstreep, altijd drieknoops; na zijn pensioen experimenteerde hij met een breed scala aan kotstinten, variërend van leverbruin tot mosterdgeel tot greige, waardoor zijn gelaat bij schemerlicht vaalgroen uitsloeg. Die ziekelijke grondkleur compenseerde mijn opa – de blankste man die ooit leefde – met felle dassen en een fijn vertakt web van couperose dat zich vanonder zijn boord over zijn diep uitgeschoren hals en wangen uitspon.

Van mijn opa heb ik geleerd een elegante four in hand te strikken. Dankzij hem weet ik welke knoop van je jasje onder alle omstandigheden los moet blijven. Mijn opa heeft me laten zien hoe het hoort. Met de kennis van nu zou ik hem misschien bourgeois noemen, likkend naar boven en trappend naar beneden, alles om hogerop te komen. Ik begrijp best dat mijn vader daartegen in opstand kwam, maar op hem kom ik later nog uitgebreid terug.

Mijn opa, boomlang en graatmager, wist ook veel van schoenen. ‘Altijd op leren zolen naar de klant,’ snerpte hij vertrouwelijk in mijn oor – fluisteren kon hij niet – ‘dan hoort ‘ie je al van verre aankomen.’

Hij had iets fatterigs en tegelijkertijd fascistisch, met zijn kaarsrecht uitgelijnde kunstgebit en zijn wulpse pochet, maar de manier waarop mijn opa zich aan de buitenwereld presenteerde was niet toevallig. Daar had hij lang over nagedacht. Mijn opa had misschien geen goede, maar wel een dwingende smaak vol regels en do’s and don’ts waartegen eerst mijn vader en later ikzelf ieder onze eigen strijd hebben moeten voeren, met alle gevolgen van dien. Achteraf lijkt het allemaal zo onvermijdelijk.

____________________

* Chuck Palahniuk, W.W. Norton & company, New York.

** Andere ‘postmoderne’ schrijvers zoals Thomas Pynchon en David Foster Wallace hebben hier ook een handje van: een travestiet springt door een etalageraam en vanaf dat moment is er geen houden meer aan.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Het mensenpark – Michael Wolf in Hong Kong

29 maart 2018 (9:47) | Menno Hartman | Geen reacties

Architecture-density-michael-wolf-7In een van de grote afdrukken van foto’s die Michael Wolf maakte, zie je een man van de buitenkant van een balkonnetje klimmen. Het is een foto die nu in het Fotomuseum in Den Haag hangt. Het is niet duidelijk wat de man doet hoor, misschien moet hij een van de duizenden airco’s repareren, maar onwillekeurig is het ‘voltooid leven gevoel’ daar.

Wat gebeurt er precies op deze foto’s van woonblokken in Hong Kong? Het ritme van de ramen en de balkons zo klein verandert een flat in een aangenaam behangetje. Een esthetisch beeld dus. Maar de gedachte dat zich achter elk van deze piepkleine vakjes een leven schuilhoudt maakt het een krachtige metafoor voor de metropool, in dit geval de miljoenenstad Hong Kong – het knoopje in de grote ballon die China is. Deze structuur is een herhaling van verbeelde mensenlevens. Een letterkast van lief en leed.

Als je naar een flat op 23 hoog kijkt, zie je de achterkant van een leven, en ook de kant die zo weinig onderscheidend is. Deze mensen zullen hun persoonlijkheid op een andere manier moeten vormgeven dan door hoe ze wonen. Er wordt, lijkt het, ook geen moeite gedaan, dit is efficiënt wonen. Hier stel je je een inwoner van Hong Kong voor in een betegeld keukentje met TL licht, hij heeft een ooit wit hemd aan, het is warm ondanks de airco, in de hoek wat groenten op een krant voor door zijn mie vanavond.

Een mooie variant hierop in de tentoonstelling van het werk van de Duits / Amerikaanse fotojournalist/kunstenaar Wolf – die zelf in Hong Kong woont – is zijn verzameling van 100 interieurfoto’s van een woonblok. De kamers zijn 9 m², de tentoonstellingsruimte heeft exact dat oppervlak.

De eerste keer dat ik in Hong Kong verbleef was onze kamer zelfs nog kleiner. Een twijfelaar met een halve meter ruimte aan een kant er naast. Leven doe je in de straten. Wonen in de stad betekent dat je je behoefte aan eigen ruimte ondergeschikt maakt aan de voordelen die de openbare ruimte biedt.

Treffend is de gelijkvormigheid in steeds totaal andere praktische interieurs. Dit zijn wij, de diersoort mens, hoe we het ook aankleden als we meer ruimte hebben, de elementaria zijn gelijk, dat is geloof ik de mededeling van Wolf. Levend in mensenpark ‘stad’ – waar de helft van de wereldbevolking woont – hebben we evenzeer als een Chinese boer en een boer in Bolivia de neiging in het dagelijks leven extreem gelijksoortig te zijn. We lijken vooral wel op elkaar.

—-

IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, droomt altijd over reizen.

 

Reageer >
 

Kermis

28 maart 2018 (9:04) | Gilles van der Loo | Geen reacties

bf2e0758-e8e1-44b1-b0dd-da8fc53146d0 2Bij het woord kermis denk ik aan twee dingen: dat ik als kleine jongen met mijn moeder in de rups ging – de geur van smeerolie en roestende baleinen, het klamme linnen dat in horten en stoten over de wagonnetjes getrokken werd – en een vechtpartij als tiener, met een tapijt van gebroken glas onder mijn voeten.

Kermissen in de provincie zijn voor kinderen en (later op de dag) voor boze puberjongens: het geluid van de boksbal die keer op keer het plafond in gebeukt wordt, het knetteren van de stroomstangen van de botsautootjes en de pompende house. De geuren die er voor mij bij horen zijn verbrande mengsmering en diesel uit brommers en aggregaten.

Vreemd genoeg verlopen evenementen in Amsterdam altijd veel relaxter dan in dorpen. Misschien is dat omdat er in de stad een groter aanbod is, waardoor boze mensen andere boze mensen kunnen opzoeken op de Dam en blije mensen naar de kleine kermis in het Westerpark kunnen.

Nadim, die nog geen enkele associatie bij kermis had, stond al dagen te trappelen. Ik was om zeven uur ‘s ochtends thuisgekomen van het Boekenbal en om half elf hield hij het écht niet meer. Zonder kater – de alcohol was nog niet uitgewerkt – liep ik met hem over het terrein, waar de suikerspinnendame net haar kraam openklapte en de eerste grote attracties warmdraaiden zonder passagiers.

We maakten een rondje en planden waar we in zouden gaan. Nadim wilde beginnen met de Cake Walk, wat in mijn toestand niet makkelijk bleek. Daarna gingen we in de spin en daarna in de rups. Het viel me op dat geen enkele exploitant oogcontact maakte. Ze leken wél erg goed te kunnen roken.

Ik had me voorgenomen niet te denken over geld en voor alle attracties die mijn jongen mee wilde maken muntjes te kopen. Binnen een kwartier was mijn portemonnee leeg. Van de prijzen herinner ik me dat het eendjeshengelen 3 euro kostte voor 3 eendjes. Dat duurde 30 seconden.

Naad kreeg een suikerspin die even groot was als zijn bovenlijf (small), en at zich er een eind doorheen voor hij misselijk werd en het ding op mij probeerde af te schuiven. Hoewel hij alle attracties nóg een keer wilde doen zei ik dat het tijd werd om naar huis te gaan, en terwijl ik mijn fiets losmaakte zag hij opeens de trampolines-met-elastieken. Kinderen schoten er de lucht in alsof ze ontvoerd werden door een vliegende schotel.

‘Pap,’ zei hij.

Ik trok mijn sleutel weer uit het slot en groef in mijn zakken naar muntjes; we hadden er precies genoeg. De attractie liep niet op een aggregaat en muziek draaiden ze niet. Ik keek hoe een bonkige man met een boksersneus mijn jongen ingespte, hem aan zijn voeten naar onder trok en losliet. Nadim vloog een paar meter omhoog en landde op de trampoline; bij de minste afzet steeg hij weer op.

‘Wooooooo,’ riep hij. ‘Dit is zoooo leuk!’

Ik keek naar het klimtuig waarin hij vastzat, met banden die zijn joggingbroek tussen zijn billen trokken. Zijn dunne benen waren tot halverwege de kuiten bloot: witte sportsokken en gympen die opeens vreselijk groot leken.

‘Joeheeeeee,’ riep Nadim.

Met alle mimiek van een gesloten brommerhelm trok de elastiekenman nog eens aan zijn benen. Ik keek naar de dame achter de kassa en van haar weer naar hem; zag een leven voor me.

Opbouwen, oliebollen, dieselwalm en house, afbouwen en weer verder. ‘s Avonds series kijken in de caravan en heel veel roken.

Na hoe lang zou immuniteit voor het plezier van anderen intreden?

_____________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Stiller

24 maart 2018 (8:20) | Arjen van Lith | Geen reacties

bladmuziek leeg

“Hij loopt veel over straat hè?” informeerde mijn moeder vroeger wel eens bij mijn studentenvrienden in de hoop dat ze iets loskreeg over mijn nieuwe leven in Amsterdam. Het klonk hoeriger dan ze vermoedelijk bedoelde, maar inderdaad, ik liep graag over straat. Nog steeds trouwens.

Volgens mijn stappenteller leg ik gemiddeld 7,2 kilometer per dag af. In Amsterdam is dat wat meer; in Austin, waar alles mijlenver uit elkaar ligt en ‘t nu al dertig graden is, wat minder. Hier neem ik de bus naar de supermarkt.

Om de lichaamsbeweging doe ik het niet. Ik loop over straat om te zingen. Binnen hou ik me in uit angst voor geluidsoverlast, maar buiten laat ik mijn schaamte varen en zing ik voluit wat in me opkomt. Met pathos. Gegeven een vlak wegdek gaat het op de fiets eigenlijk nóg lekkerder, al ben je overal zó vlug dat je niet in een enkele rit een heel album kunt afwerken. Dat vind ik een nadeel.

Soms, bij agressieve voorbijgangers, fluit ik voor de veiligheid een deel van de melodie, maar over het algemeen zing ik dwars door eventuele ergernissen heen. Ik schaam me niet voor die paar valse noten en al helemaal niet voor mijn zonnige aard.

In Austin ligt dat anders.

Hier ben ik stiller. Er zijn te veel sociale valkuilen, te veel fouten om te maken. Laatst op een karaokefeestje bij vrienden durfde ik niet mee te doen, puur omdat alle aanwezigen een veel directere band met de muziek leken te hebben: de country, de folk, iedereen is hier een beetje Johnny Cash. Dan hang je er als Zaankanter toch een beetje bij.

In Nederland kan ik me best een paar regels onzin-Engels veroorloven, maar hier hebben ze dat meteen door. Dat betekent sowieso dat alle nummers uit mijn basisschooltijd – Hopelessly Devoted to You, Bowie, Blondie, Off the Wall en al die andere liedjes die ik destijds als louter fonetisch gewauwel heb onthouden – afvallen voor openbaar straatgebruik, want aan zo’n diepe geheugengroef valt onmogelijk te ontkomen.

Ook als je de tekst wel kent, moet je oppassen met wat je zingt. Het nummer My Dick van Mickey Avalon (2006) bijvoorbeeld, heeft een heerlijke hook waar ik geen genoeg van kan krijgen. Ik ken de tekst uit m’n hoofd en zou ‘m in Amsterdam zonder enige gêne over de gracht schallen, maar hier kijk ik wel uit. Hier betekent het ook echt iets.

Mijn meest recente angst is cultural (mis-)appropriation, ik ben er al eens eerder over begonnen: het toe-eigenen van elementen uit de ene cultuur door de andere cultuur tot ongenoegen van die ene cultuur. Laatst lag Bruno Mars onder vuur omdat hij zwarte muziek maakt terwijl hij zelf Filipijns/Porto Ricaans/Joods is. In dat geval kan ik m’n bek hier al helemaal niet meer opentrekken. Ik ken bijna alleen maar zwarte muziek.

Misschien ligt het aan mij en voel ik me nog te veel een outsider. Misschien ervaar ik onbehagen dat er niet is. Austin is ruimdenkend. Ik leef hier in een multiculturele bubbel vol hoogopgeleid begrip voor onderlinge gevoeligheden en individuele eigenaardigheden. En toch ben ik stiller. Of misschien juist daarom.

________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
 
Nr.470
 
bestel
 
 
voorpagina