Bijbels

1 mei 2016 (8:00) | Gustan Asselbergs | Geen reacties

Een oude man kwam twee achttiende-eeuwse bijbels brengen. Ze zaten in een plastic tasje.

‘Bijbels doen het erg slecht,’ zei de veilingmeester. ‘Zitten er platen in?’

De man schrok. Hij had zijn jas nog aan, stond ietwat gebogen. Zijn vrouw zat thuis op hem te wachten.

Beeld zondagblog 1De veilingmeester schoof een stapel papier aan de kant zodat er wat ruimte ontstond op tafel. Eerst bekeek hij de leren band, zwart en met goud versierd. Hij bladerde door het dikke boek, rook aan het papier en voelde er met zijn vingers aan. Hetzelfde deed hij met het andere boek, dat iets kleiner was.

‘Heeft u een moment? Dan kijk ik even op de computer.’

De man liet zijn blik door de ruimte gaan. Overal lagen boeken. Op de grond, op stoelen, op tafels, in kasten, in verhuisdozen. Een zee van boeken. Ze hadden hem gezegd dat hij hiernaartoe moest. Als je oude boeken hebt, moet je naar dat veilinghuis in Haarlem. Ik heb er maar twee, had hij geantwoord. Hij had ze zijn hele leven bewaard. Ooit geërfd van zijn grootvader die predikant was in Zeeland.

‘Ik ben bang dat de bijbels te weinig waard zijn. In de handel wordt er zestig euro voor geboden. Dat is eigenlijk te weinig voor een inbreng. U kunt ze misschien online zetten?’

De man keek op.

’Online?’

‘Ja.’

De veilingmeester deed de boeken terug in het plastic tasje.

‘Ik ben met de trein,’ zei de man.

De veilingmeester knikte begripvol.

Gustan Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Momenteel werkt hij in een veilinghuis.

fotoportret lichter

Reageer >
 

Griep

30 april 2016 (6:20) | Arjen van Lith | Geen reacties

Arie op zaterdag ligt ziek in z’n mandje. Volgende week verschijnt er weer een column.

Reageer >
 

De vraag

29 april 2016 (12:21) | Marko van der Wal | Geen reacties

Begin deze maand vierde mijn vader zijn tweede verjaardag. Hij beleefde deze mijlpaal in zeer besloten kring (mijn moeder). Ikzelf was de datum van de stamceltransplantatie bijna vergeten, wat volgens mij betekent dat het goed met hem gaat.

Een paar weken na de transplantatie hing op buitenkant van de wc-deur de tekst: ‘Ben jij Jan?’ Een goede vraag, vond mijn vader, en hij bleef ermee rondlopen. In een briefje probeerde hij destijds een antwoord te geven, maar hij kwam niet verder dan een paar piketpaaltjes. Tijdens zo’n enorme interne verandering valt er helemaal geen antwoord te geven. Hij had, zo schreef hij zelf, sindsdien twee verschillende DNA’s in één lichaam, een nieuwe bloedgroep én krullend haar. Ik en mijn zus hadden het over zijn wedergeboorte als gekloond schaap en dat de donor wel een jonge Art Garfunkel moest zijn geweest.

De krullen verdwenen weer – grapje van de chemo. Andere dingen bleven, hoe raadselachtig die ook mogen lijken:

Het lijkt verdomd nog waar ook! Op mijn lijf verschijnt donkerde haar dan dat ik gewend ben. Ja, een donor is technisch gezien jonger dan 35 jaar, krijg ik iets van die jeugdigheid mee?  Dat lijken kleine praktisch dingen, maar voordat je het weet gaat de fantasie ermee aan de haal. Twee DNA’s. Daarmee kan je niet aankomen in een tv-programma ‘DNA onbekend’ of wel?

Ik las zelf in het briefje dat hij de vraag wel had willen beantwoorden maar dat simpelweg niet kon. Hij stond er met zijn neus bovenop en zag het niet duidelijk. Hoe frustrerend kan het zijn, vooral ook als man van de techniek, om ergens geen antwoord op te krijgen. Hij voegde er nog aan toe ‘of dit allemaal te schizofreen gedacht’ was.

Mijn vader sloot het briefje af met: ‘Als dit proces achter de rug is blijft de vraag over: “Wie ben ik dan, Jan?”’ Hij is er anders uitgekomen dan hij eraan begon, maar hoe precies is de complicerende factor. De vraag zou ook als inmiddels achterhaald kunnen worden gezien: wie hij nu is doet er ten opzichte van toen niet toe, er is toch geen keus. Laat ik voor mezelf spreken, ik ben door het hele proces net zo goed veranderd (en dat zal voor mijn zus en moeder ook wel gelden). Hoe zou ik (zouden wij) dan zulke levensvragen kunnen beantwoorden? Dat zijn humor niet onderweg door de donorcellen is opgeruimd, is een aardig begin – zien we later wel verder.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Reageer >
 

Bedankt Mathijs Gomperts, Welkom Gustan Asselbergs

28 april 2016 (21:48) | Blog | Geen reacties

_Mathijs AF-9299In april blogde Mathijs Gomperts op de zondagen voor Tirade, over esthetiek maar eigenlijk veel meer, lees hier al het moois terug. Vergeet daarbij niet dat hij ook recent de prachtige dichtbundel Zes uitbracht, en dat hij daar prompt mee voor de C. Buddingh’-prijs werd genomineerd. Mathijs, veel dank!

GUSTAN

 

 

 

Vanaf aanstaande zondag neemt Gustan Assebergs zijn plaats in. Asselbergs (1986) schrijft proza. Hij studeerde filosofie in Amsterdam. Hij werkt in een veilinghuis, en zal daar ook over schrijven voor het zondagblog.

 

Reageer >
 

Meijsing, Flaubert, Waits

25 april 2016 (12:43) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

Doeschka-Meijsing-En-Liefde-in-Mindere-Mate-2016-604x10241:

Het beste wat ik nu kan doen, is te zoeken wat ik ben. Eigenlijk niet zuiver wát ik ben, maar waardoor ik gemaakt word. Waardoor mijn bestaan zich handhaaft. Ik groei; natuurlijk kan dit zuiver biologisch bewezen worden. Maar dat is mijn bedoeling niet. Ik kán niet alleen biologisch groeien. Er moet iets zijn dat stimuleert, of sterker, dat dwingt. Ik wil mijn ziel en lichaam als een geheel zien en juist daarom moet er naast de biologische verklaring nog een andere verklaring zijn. Want met groei bedoel ik niet alleen het rijper worden van het lichaam, maar ook het ontplooien van de ziel.*

Bovenstaand citaat is een dagboekfragment van Doeschka Meijsing. Als ze het schrijft is ze vijftien(!) jaar. Ik heb het dagboek (en een deel van het notenapparaat, dat ongeveer even lijvig is als het dagboek en een werk op zich, waanzinnig maar ook geweldig) met kromme tenen en vol bewondering gelezen. De kromme tenen omdat die onvermijdelijk zijn bij het lezen van een puberdagboek, of überhaupt dagboeken. Meijsing dweept enorm met haar verliefdheden, bijvoorbeeld, die decennia kunnen duren, en ze is ontzettend op zichzelf gericht – wat ze ook weet, waar ze soms mee zit, maar waar ze niet los van komt. De bewondering om het schrijven uiteraard. Zelfs op haar veertiende weet ze haar innerlijk leven zo te beschrijven dat je vermoedt dat ze er stiekem rekening mee hield dat de dagboeken na haar dood uitgegeven zouden worden. Natuurlijk zijn haar problemen deels leeftijdsgebonden, dat weet ze, maar ergens maakt ze die kleine universalisatieslag die ervoor zorgt dat autobiografisch proza ook voor derden interessant wordt.

2:

Ik zie tot mijn verontwaardiging dat de toneelcensuur weer ingesteld wordt en de persvrijheid afgeschaft: ja, die wet zal erdoor komen, want de volksvertegenwoordigers zijn niet meer dan een weerzinwekkend stel verraders, hun filosofie heet eigenbelang, hun voorkeur laaghartigheid, hun eergevoel is niets meer dan stompzinnige trots, hun ziel slechts een hoop modder, maar eens op een dag, die niet meer veraf is, zal het volk een derde revolutie ontketenen en berg je dan maar voor het rollen van koningshoofden en voor het stromen van bloed. Nu ontnemen ze de literator zijn geweten, zijn kunstenaarsgeweten. Ja, onze eeuw is rijk aan bloedige ontknopingen. Vaarwel, tot ziens, en laten wij ons altijd met de kunst bezighouden, de kunst die, groter dan volkeren, kronen en koningen, daar altijd hoog in het zwerk, met haar goddelijk diadeem, zweeft in bezieling.**

haatdeugdflaubertEnter Gustave Flaubert, 1835. In Flauberts dagboeken ben ik nog niet zo ver gevorderd, dit fragment werd mij vanuit een hoek van de kamer door I. toe gegild, met de toevoeging: ‘VEERTIEN, Roos, hij was pas VEERTIEN toen hij dit schreef! VEERTIEN JAAR!!’ en toen ben ik er ook maar in begonnen. Flaubertje is inmiddels zestien en al bijna een Flaubert, en net als in de dagboeken van Meijsing, die weliswaar in heel andere stijl, tijd en geest geschreven zijn, kun je lezen dat hij zich als schrijver en denker ontwikkelt.

Ongelooflijk. Zoiets lezen is voor mij vergelijkbaar met het per ongeluk aanschouwen van een muzikaal wonderkind nadat ik die ochtend vrij content met mijn Tom Waits-vertolkingen onder de douche vandaan gestapt ben. Láát ook maar, denk ik dan, en besluit me te wenden tot iets waar ik wel goed in ben, bijvoorbeeld schrijven en lezen, maar dat blijkt vervolgens dus ook reuze tegen te vallen. Welk een smart, en hoor ik daar van hoog uit het zwerk laatdunkend gegiechel van dode literatoren?

En dan toch doorlezen, heimelijk in de hoop dat zo’n veertienjarige hoogvlieger tegen de tijd dat hij of zij vierentwintig is uit pure begaafdheid geen gewone taal meer voort kan brengen, maar dat al die pracht omdat het niet in gewone luchtstromen en letters past samengebald wordt, waardoor de schrijver alleen nog een soort ultrasoon geluid voortbrengt dat alleen begrepen wordt door genieën en vleermuizen (en dat als prettige bijkomstigheid heeft dat het muggen op afstand houdt), zodat het normale volk gewoon door kan leven, lezen, denken en schrijven alsof er niks aan de hand is. Dat het plebs af en toe blij met zichzelf kan zijn.

Maar nee. Die briljante geesten blijven tot tenminste in de nabije eeuwigheid rechtovereind. Zodat het minder begiftigde deel van de mensheid er af en toe even aan herinnerd wordt dat er niks mis is met een beetje murmelen onder de douche, als je daarna gewoon maar weet wanneer je je harses moet houden en een boek open moet slaan, moet zweven in andermans bezieling.

*Uit: Doeschka Meijsing. En liefde in mindere mate. Dagboeken 1961-1987. Samenstelling Ben Peperkamp en Annette Portegies. Privé-domein (Arbeiderspers), 2016.

**Uit: Gustave Flaubert. Haat is een deugdEen keuze uit de correspondentie. Samenstelling, vertaling en nawoord door Edu Borger. Privé-domein (Arbeiderspers), 1979/2016 (elfde druk).

Roos van RijswAAEAAQAAAAAAAASkAAAAJDViMDhlMWE4LTdmMWMtNGE4MC05ZDU2LTQ4NzNkMDU2MTM2Ngijk (1985) is redacteur van Tirade, publiceerde verhalen in diverse literaire tijdschriften en is één van initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs. Ze is columnist bij Advalvas. Recentelijk verscheen haar debuutroman, Onheilig (Querido).

Reageer >
 

Écht lezen

24 april 2016 (0:01) | Mathijs Gomperts | Geen reacties

cont48_image002Als ik mensen (vooral erg geletterde mensen) vertel dat ik voornamelijk audioboeken luister, dat lezen me tegenstaat, dan kijken ze me in eerste instantie erg raar aan. In tweede instantie vragen ze: ‘maar dan heb je het boek toch niet écht gelezen?’ Ik knik, dat klopt. Ik heb het niet gelezen.

Vroeger, als kind, werd ik voorgelezen door mijn ouders. Zelf luisterde ik het liefste naar de boeken die zij lazen, niet naar kinderboeken. Ik was behept met iets van een gnostische nieuwsgierigheid. Het kwam mij voor als lagen alle grote geheimen over het leven besloten in die volwassenenboeken. Van dat vermoeden ben ik pas heel laat genezen: Da steh’ ich nun, ich armer Tor, Und bin so klug als wie zuvor! De wijsbegeerte, mijn vakgebied, zo ontdekte ik, is net een ui. Onder de lagen ui valt niets nieuws te ontdekken. Je pelt er een weg en het enige wat je vindt, is nog meer ui.

Als ik over iets in het leven in overvloed beschik, dan zijn het dus vragen. Waarom, waarom, waarom, vroeg ik als kind al. Pappa, waarom? Mamma, waarom? ‘Daarom. Zo is dat nou eenmaal.’ Dat zeiden ze steevast als je te lang doorvroeg. Maar ‘daarom’ is geen reden… dat weet ieder kind.

Mijn vader las me voor: Het leven van Benvenuto Cellini, Bernal Diaz del Castillo, Lijmen / Het been en zo talloze andere boeken. Dat was mijn inwijding in de literatuur. Ik vocht boven mijn gewichtsklasse en dat had zijn gevolgen. Later moest ik alles opnieuw lezen. Wat mij bijstond van hetgeen hij me voorgelezen had, was steeds maar een zweem van indrukken en sferen. Nooit was ik doorgedrongen tot de kern van wat de schrijver had willen zeggen (schrijven?). Ik had de boeken niet écht gelezen.

Maar lag dat aan het feit dat ze mij voorgelezen waren? Of was ik te jong, te wereldvreemd om die boeken te begrijpen? Dat laatste vermoed ik. En daarbij verkondig ik tegenwoordig voorzichtig het evangelie van het oor en de mond. Het oog is, met enkele uitzonderingen, wat mij betreft beter geschikt voor de consumptie van beeldende kunst. Een bladzijde vol letters is op zich genomen niet erg uitdagend voor een oog (uitzonderingen als Paul van Ostaijen daargelaten).

Daarbij komt nog dat de literatuur waar wij allen zo van houden ooit zelf begon als woorden zonder letters. Verhalen werden toen, lang, lang geleden, nog niet voorgelezen. Ze werden gewoon verteld, uit het hoofd, en men diende te luisteren. Het schrift, in oorsprong veel jonger dan het verhaal, was oorspronkelijk louter mnemonisch van aard. Het was gemakkelijker om het verhaal op te schrijven. Men kon nu in bed lezen. Men kon bladeren, herlezen, even pauzeren zonder iets te missen. Het schrift had talloze voordelen. Het enige nadeel? Dat lezen was toch wel een gedoe…

Reageer >
 

Dirty Mind

23 april 2016 (7:07) | Arjen van Lith | Geen reacties

beeld column Prince I wanna be your lover 23 april 2016

Ik wil me richten tot alle kinderen, waaronder het zestienjarige singer-songwritertje van donderdagavond bij De Wereld Draait Door, wiens oom wel eens iets van Prince had gedraaid, vroeger.

Kinderen, laat je alsjeblieft, op deze kwetsbare leeftijd, perverteren door Prince. Op YouTube is niets van hem te vinden, maar blijf zoeken naar oud vinyl, concertregistraties, films, cassettebandjes zoals je naar porno zou zoeken. Kreun mee met de kleine satyr in jarretels. Dans stiekem op de hoge laklaarzen van je moeder door je slaapkamer. Proef de seks. Stay on the beat. Je wordt er later beter in bed van.

Ik werd door Prince verleid in 1984. Groomed. Ik was jong en kwetsbaar. Hij ontmaagdde me met het album Purple Rain – achteraf niet mijn favoriet, maar wiens eerste keer is dat wel? Bewondering voor zijn talenten kwam later pas; wat me destijds bij de ballen greep, was zijn schaamteloze, onversneden geilheid. Darling Nikki op je walkman. Krantenlopen met een stijve.

Gedurende vijftien albums deden we het met elkaar. De op één na langste romance in mijn leven. Ik reisde hem achterna. Maar naarmate ik gewilliger werd, werd hij spiritueler, veganistischer. Ergens na The Rainbow Children (2001) zijn we elkaar uit het oog verloren, maar als hij in de stad was, kwam ik altijd langs voor een onenightstand.

Live was Prince versatiel, onvermoeibaar, orgastisch. Sessies van drie uur. De damp sloeg van het publiek. Twintig minuten beukende funk in de derde toegift. Zweterig naspel in de aftershow. Na een televisieregistratie van het Lovesexy-concert in 1988 liet zelfs mijn oma zich ontvallen dat ze er ‘een beetje hitsig’ van geworden was.*

I wanna be your lover,’ zong Prince aan het allereerste begin van zijn carrière, en hij was de beste die ik ooit heb gehad. Hij was stout, verlegen, brutaal, teder, zoet, stoer, gepassioneerd en bovenal een harde werker. Prince kon improviseren: vind je dit lekker? Dan gaan we nog even door.

Na die tijd zijn er nog zo veel anderen geweest. Wisselende contacten, want iedere nieuwe artiest die ik tegen het lijf loop, vergelijk ik onwillekeurig toch met mijn eerste, principale minnaar. Ze komen niet eens in de buurt.

Dit is een enorm verlies.

_________________

*Niet omi.

Arjen van Lith (1971) is journalist en schrijver. Af en toe maakt hij muziek waarin de invloed van Prince duidelijk hoorbaar is. In 2011 nam hij met Dirk Johan Klanker een coverversie op van het nummer Feel You Up, als bonustrack op de nog uit te brengen EP Grow Up

Reageer >
 

Over de doden niets dan…

22 april 2016 (8:00) | Marko van der Wal | Geen reacties

Uit mijn tweedehands Mozartbiografie van Wolgang Hildesheimer viel een knipsel: een necrologie van de auteur, uit 1991. Er gaat bijna geen necrologie voorbij of er staat iets in over wat een necrologie is of moet zijn. ‘Necrologieën horen bij de dagelijkse produtie van het kunstbedrijf,’ stond er in deze, meteen gevolgd door de opmerking dat Hildesheimer aan het kunstbedrijf geen boodschap had. Nee, want die is dood, dacht ik, maar een kunst is het natuurlijk wel.

In De Groene Amsterdammer besprak Edzard Mik vorige week leven en werk van architecte Zaha Hadid (‘Het einde’). Tenminste, dat is het uitgangspunt van die rubriek, maar de eerste helft van het stuk gaat over wat anderen over Hadid  hadden geschreven. Haar leven was door hen teruggebracht – lees ik tussen de regels door – tot een clichématige sterrenarchitect: een vrouwelijke welteverstaan, een bitchy diva met falende bouwprojecten. Schoonheidsfoutjes die volgens Mik alleen maar werden aangewend om haar menselijker te maken, want falen is immers de norm van de middenmoot. Terwijl Hadid toch een onvervalste architectonische hoogvlieger was, zoals Mik in het tweede gedeelte vol bewondering voor haar visie laat zien. Daarvoor had hij ook gerust de hele pagina mogen nemen.

Laat vooral geen necrologie optekenen door iemand die behept is met bezwaren, afgunst of haat jegens het ontvallen onderwerp. Het is een open deur, maar wel een die vaak niet wordt ingetrapt. De necrologieën van Wim Brands las ik de afgelopen tijd welhaast allemaal… Tommy Wieringa presteerde het om het in zijn stuk (Leeuwarder Courant) vooral over zichzelf te hebben. Dit onder de kop: ‘Hij vertegenwoordigde een wereld waatoe ik graag wilde behoren’. In dezelfde krant schreef tzummer Coen Peppelenbos dat de voorbereiding van Wim ‘wel eens te wensen over [liet], al merkte je daar als kijker meestal niet zo veel van’ – met een uitgebreid voorbeeld erbij. Hij presteerde het kortom om iets lulligs te zeggen.

Wie maar onplezierigheden wil opdissen bij iemands verscheiden, houdt beter zijn mond. Minstens één omwenteling rond de zon laten verstrijken, zoals naar goed Joods gebruik, want kritische reflectie komt later wel weer. ‘Ik ga daar echt niet staan liegen,’ hoorde ik iemand zeggen over een herdenking voor Wim Brands, en diegene ging dus ook niet. De kunst van een necrologie is om er tussenin te zitten en uit te gaan van wat – hoe curieus dat ook mag zijn – de dood te bieden heeft: overzicht. Iemand even optillen zonder een enkele slechte karaktertrek te verontachtzamen, maar op een milde manier. Kijk, Wim was een innemende betweter. Als je het niet met hem eens was dan zei hij gewoon: ‘Ik zal je uitleggen waarom jij dat denkt’, en dan volgde er een verhaal waarbij je toch weer aan zijn lippen hing.

Ik ben benieuwd wat de dood van Prince ons op dit vlak zal brengen.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij wekelijks voor tirade.nu. Hij ziet er overigens anders uit dan hij eruitziet.

Reageer >
 

Aan mijn hoofd

21 april 2016 (11:10) | Menno Hartman | 2 reacties

IMG_1778Het is een matig excuus, maar vandaag toon ik maar een foto met boeken die ik van plan ben te lezen, of aan het lezen ben, zo’n stapel in de gang. Een excuus voor een verder uitblijvend blog.

Ik sla net vannacht Kafu Nagai dicht De rivier Sumida. Een schiterende uitgave van Coppens & Frenks en een Catcher in the Rye avant la lettre. En nu, wat nu te lezen: Alastair Bonnett Off the Map? Of toch Julian Barnes, The pedant in the Kitchen? Larkin? Brokken? Buruma? Canetti?

 

 

 

 

2 reacties >
 

Vijf jaar

20 april 2016 (9:28) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_1451De laatste vier jaar schreef ik in maart altijd een stukje over mijn dode vriend Gijs, die op de 13e van die maand jarig was. Dit jaar wilde ik dat niet. Ik merkte verzet bij het idee en liet het achterwege.

De meeste van mijn vrienden leerde ik – net als Gijs – kennen in de Amsterdamse horeca. Er konden jaren voorbijgaan eer ik wist wat voor werk ze deden. Om een of andere reden zijn iemands dagtaken niet zo’n terugkerend onderwerp als je in een druk café staat met een drankje in elke hand.

Werk is wat ik doe, en vaak ook waar ik van houd, maar niet echt iets om over te praten. Ik heb het zelfs vaak als zwaktebod ervaren wanneer een ander langer dan relevant over zijn werk sprak. Voor de duidelijkheid: ik neem niemand zwakte kwalijk. Saaiheid daarentegen…

Waar het al die nachten dan wél om ging? Heel veel steeds belachelijker dingen tegen elkaar zeggen en kijken waar het schip zou stranden. Omstanders in je bullshit betrekken en nieuwe vrienden uit Dortmund maken om gearmd mee naar de volgende zaak te zwalken. Zo zijn alle uitgaansnachten van een periode van twintig jaar tot één enkele aaneengegroeid.

Ik werkte tot een uur of een, dronk bier dan wodka. Daarna fietste ik razendsnel door de drukke binnenstad om bij een café te komen waar vrienden waren en nog meer te drinken. We kraamden onzin uit en lachten tot sluitingstijd; daarna sleepten we iedereen die er gezellig uitzag mee. En dansen, natuurlijk. Heel veel dansen. Liefst op tafels.

Als dat allemaal wat puberaal en gebrekkig klinkt begrijp ik het volkomen. Toch heb ik nooit een goed werkinhoudelijk gesprek gemist. Niet toen ik barman was, noch gastheer, noch kok, noch schrijver.

De laatste tijd overkwam het me opeens weer, dat verlangen om drukte te maken, stennis te schoppen. Bijna elke week was er een verjaardag in een druk café, en omdat ik vaak pas laat in de avond in kan haken stond ik dan voor de klassieke keus: een uurtje naar aangeschoten semibekenden staren voordat ik met fatsoen af kon taaien, of nieuwe vrienden maken, kopstootjes voor ze bestellen en op en neer springen tot ze niet anders konden dan meedoen.

Je haalt ze er zo uit, de gelijkgestemden. De twinkeling in hun ogen terwijl ze proberen die jenever af te wijzen. Je hoeft ze niet over te halen, dat doen ze zelf wel. Het waren een paar gezellige en slopende weken. De druktemaker in me was terug en ik bleek hem gemist te hebben.

Kennelijk had ik hem toch niet samen met mijn vriend begraven.

 

* De man naast me op de foto is niet Gijs. 

______________________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In het najaar van 2016 komt zijn roman Het jasje van Luis Martín uit.

 

 

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462
 
bestel
 
 
voorpagina