Engelen en paarden

19 februari 2017 (0:01) | Irwan Droog | Geen reacties

Foto bij blogje 3Den Haag, vrijdag 8 juni 2012. Josh Ritter betreedt onder warm applaus het podium van de kleine zaal in het Theater aan het Spui. ‘Huiskamer van Den Haag’, staat op mijn entreekaartje onder het logo van het theater, en zo voelt het ook. Wim Brands introduceert en interviewt de Amerikaanse folk singer and writer. Writer, want Ritter (Idaho, 1976) is net gedebuteerd met zijn roman Bright’s Passage (2011, vertaald als De wonderjaren van Henry Bright, 2012).

Vorige week schreef ik hier over Steve Earle en zijn mentor Townes van Zandt. Afgelopen woensdag zag ik Josh Ritter opnieuw, nu in het Amsterdam-Noordse Zonnehuis, en kwam zomaar deze songtekst voorbij:

Sitting on the porch, singing Townes van Zandt

Play guitar to burn off the hours

Till we climb the fences at the edge of town

And paint our names on the water towers.

(uit ‘Me & Jiggs’)

Een maand na het interview in Den Haag zag ik Ritter nog een keer optreden, toen in Paradiso, en het scheelde niet veel of ik was afgelopen donderdag gewoon nóg een keer naar hem gaan luisteren in Rotterdam; er is iets verslavends aan die man op een podium, stralend en charismatisch, altijd met de hint van een sympathieke, oprechte lach op zijn gezicht. Natuurlijk ben ik niet de eerste die dat vind. ‘I have nothing bad to say about that boy,’ liet Joan Baez (zie opnieuw vorige week) zich ontvallen. Zij noemt ‘some of his songs just superb’, maar zegt ook: ‘What I’m most impressed by is watching him perform. He’s very charismatic.’

Iets van die charme kreeg ik van dichtbij mee toen ik – weer even terug naar 2012 – netjes in de rij stond te wachten tot Ritter mijn boek zou signeren. De rij was niet lang maar bewoog amper, en ik zag al snel waarom: bij de boekentafel nam de onlangs gedebuteerde, wereldberoemde pop-folk-rock-ster uitgebreid de tijd om iedereen te omhelzen. Hier stond een auteur zó te stralen van geluk, zó blij dat mensen voor hém waren gekomen, dat hij ons allemaal wilde bedanken en woorden niet toereikend waren. Gewoon: Ja, het leven is mooi, laten we dat vieren – kom in m’n armen, vreemdeling! Precies diezelfde gelukzaligheid straalt hij uit op het podium.

Los van dat alles heeft hij ook gewoon heel goede muziek gemaakt, en dat doet overigens nog steeds. Luister The Animal Years, luister The Golden Age of Radio, en je komt genoeg moois tegen. Live at the Iveagh Gardens mag niet in dat rijtje ontbreken – ook daar spat het plezier vanaf. (Sla dan vooral niet ‘Harrisburg’ over, met in het midden een mooi intermezzo van de rasverteller die Ritter is.)

Wat me afgelopen woensdag opviel, en niet voor het eerst: Ritter heeft een voorliefde voor het herhalen van bepaalde beelden in zijn teksten. Heaven, hell, fire, horses, maar vooral: angels. Dat komt allemaal terug in zijn roman, zie ik bij herlezing van Bright’s Passage. In het kort draait het boek om de twintigjarige Henry Bright, een Amerikaan die in 1918 terugkeert van de Eerste Wereldoorlog. Aan het front in Frankrijk, in de verwoestende loopgravenstrijd, ontsnapte hij verschillende keren aan de dood. Gedachtespinsel of niet, in de roman wordt als realiteit aangedragen dat er een engel tot hem spreekt: een stem vanuit de schaduw, die hem influistert stil te zijn als de vijand in de buurt is, of die hem waarschuwt niet van vergiftigd water te drinken. Eenmaal terug in Amerika begint de engel opnieuw tegen Bright te praten, en wel via de mond van een paard. De engel heeft besloten dat de huidige God het heeft verprutst, met die hele oorlog, en dat er een Future King of Heaven nodig is. En Henry Bright moet die verwekken, bij zijn buurmeisje Rachel.

Zodoende schaakt Bright de vrouw die (toevalligerwijs?) toch al zijn grote liefde was en bevalt Rachel van een zoon, maar ze komt daarbij zelf te overlijden. Een wraakzuchtige schoonvader is onderweg om zijn kleinzoon op te eisen, dus Bright – paard aan de hand, baby in een draagdoek op zijn borst – zet zijn kleine huisje in brand en vlucht, voor zowel de schoonvader als de bosbrand die hij heeft veroorzaakt.

Een roman navertellen alleen aan de hand van de plot – verschrikkelijk, nooit doen. Het boek, licht en humoristisch van toon en voortrazend als Bright op de vlucht voor de wildfire, gaat over geloof en vertrouwen, liefde en afgunst, lotsbestemming en vrije keus, en over de constante dreiging van de buitenwereld. Die engel is een fijne kunstgreep, met veelal komische situaties tot gevolg – een pratend paard! –, maar biedt tegelijkertijd ook ruimte voor interpretatie, en voor interessante vragen. Uiteindelijk is het nooit de engel die handelt, maar is het altijd Bright zelf: maakt het iets uit of dat komt door een hogere macht die hem iets influistert, of door een stem in zijn hoofd die daar terecht is gekomen tijdens zijn traumatische ervaringen in de oorlog? Oftewel: als de uitkomst in beide gevallen hetzelfde is, maakt het dan enig verschil waar je de verantwoordelijkheid voor die uitkomst legt – bij jezelf of bij een hogere macht?

(Dat brengt me zijdelings bij de serie The OA, waarvan ik de laatste aflevering (van het eerste seizoen) zag voordat ik naar het concert van Ritter ging. Zonder weg te geven waar de afkorting ‘OA’ voor staat – daar kom je pas halverwege het seizoen achter –, kan ik wel spoilervrij stellen dat deze serie ook deels om die vraag draait: als het resultaat wenselijk is, doen je beweegredenen er dan nog toe? Veel meer parallellen met het verhaal hierboven verklappen zou de serie wel redelijk verpesten, voor wie die nog niet zag.)

Met Bright’s Passage weer fris in het geheugen, wordt luisteren naar Josh Ritter een feest der herkenning. Zo staat zijn meest recente album Sermon on the Rocks (2015) opnieuw vol met engelen en paarden; never change a winning team.

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

Reageer >
 

Kijkoperatie

18 februari 2017 (7:45) | Arjen van Lith | Geen reacties

supermannetje

‘En hier,’ wijst de oma als lijn 3 het Oosterpark opdraait, ‘hier heeft oma toen die kijkoperatie gehad.’ Tegenover haar vliegt de kleinzoon zwijgend met zijn speelgoedsupermannetje over de druppels op het tramraam, maar dan aan de binnenkant, onkwetsbaar voor de regen.

‘Aan me knie!’

Bij ‘knie’ stokt het Supermannetje even in zijn vlucht, maar de kleinzoon herstelt vlot en geeft hem nu zelfs wat extra vaart mee; van een dromerige slow-motion, bijna zoals de Sentinels op stand-by in The Matrix Revolutions, schakelt het Supermannetje over naar normale supersnelheid. Hij is ontwaakt uit een repetitief patroon van liggende achtjes* en beweegt nu grilliger over het glas, alsof hij actief op specifieke druppels jaagt.

Bij de halte, als de tram stilstaat, brengt de oma haar gezicht wat dichter naar het raam en stelt scherp op de ingang van het OLVG. Steeds als ze uitademt, laat ze een langer spoor condens op het raam achter. ‘Ja nee kijkoperatie, zo begon het… Ze hebben oma hier heel veel pijn gedaan, Lionel. Heel erg veel pijn.’

‘Ik denk ze gaan alleen kijken maar ze moesten metéén ingrijpen. Ik had dus totale collapsie. Totále collapsie had ik.’ De oma laat haar handen in haar schoot vallen. ‘Toen zijn ze oma dus met hamers en beitels te lijf gegaan nee met zágen. Overal bloed natuurlijk ja nee ik sliep gelukkig ik had een spuitje.’ Zodra de tram weer in beweging komt, draait ze haar blik naar de kleinzoon en zet een onderkin op. Met haar hoofd maakt ze nijdige Marijke Helwegen-achtige beweginkjes totdat de tram hard linksaf slaat en haar uit balans brengt.

Het Supermannetje hangt stil tegen het raam – horizontaal in de nieuwe rijrichting, vuistje vooruit – maar optisch lijkt hij tóch te bewegen: door de veranderde hoek blaast de wind de regendruppels op de ruit nu pal tegen hem in, alsof hij dwars door een orkaan heen vliegt. Als zijn cape niet van plastic was geweest, zou hij hebben gewapperd.**

‘Dan snijen ze dus eerst je hele knie open en schrapen ze dus met een schrapertje over de binnenkant van je botten ik dacht dat ik dood ging. Oma dacht dat ze dood ging Lionel jij had toen nog zo’n mooie tekening gemaakt weet je dat nog toen oma met haar knie zat en jij zo’n mooie tekening had gemaakt?’

De kleinzoon bolt zijn wangen en maakt een aanzwellend stormgeluid. Het Supermannetje heeft het zwaar. Uit alle macht probeert hij vooruit te komen. Om koers te houden en zijn evenwicht te bewaren, zet hij een tweede vuistje bij. De meeste druppels die op hem af razen, kan hij nog wegslaan, maar af en toe wordt hij ook geraakt, waardoor hij kostbare snelheid verliest.

Kijkoperatie… Oma heeft helemaal opnieuw moeten leren lópen.’ Om haar woorden kracht bij te zetten, schuift ze naar voren in haar stoel, precies op het moment dat het Supermannetje het niet meer houdt en door de orkaan wordt meegesleurd. Met een doffe dreun stort hij neer, bovenop de knie van de oma. Voor het eerst kijkt de kleinzoon haar direct aan.

De oma is even stil, maar doet wel weer diezelfde hoofdbeweginkjes, ditmaal met haar ogen gesloten. Pas als de omroep voor de Dapperstraat klinkt, gaan ze weer open. De oma drukt op het stopknopje, pakt haar tas en fluistert voordat ze moeiteloos opstaat: ‘Andere kant schat.’

____________________

*

** Dit is een denkfout. Het supermannetje bevindt zich – ook met een cape van textiel – nog altijd in de bus, niet erbuiten.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

No show no more

17 februari 2017 (10:18) | Marko van der Wal | Geen reacties

De film Moonlight, of ik die nog niet had gezien? Daar moest ik dan snel naartoe, zozeer zelfs dat ik die film op voorhand al overschat begon te vinden. Te veel lof gaat me op den duur tegenstaan: te gehypet, terwijl ik toch oprecht in die film ben geïnteresseerd. Een vette garnaal in cocktailsaus, al is het natuurlijk maar de vraag of al die filmnominaties worden ingelost. (Ik denk dat de misspiggyachtige middenmoot er straks met de poet vandoor gaat, in plaats van Beyoncé.) Deze film was net zo gedoodverfd als het projectiedoek zelf.

Desondanks besloot ik toch naar het filmhuis te gaan. Daar werd het me nog verder tegengemaakt door schofterigheid aan de kassa, schofterigheid aan de bar en wat dies meer zij. Het publiek deed er in al zijn correctheid nog een schepje bovenop. Het leek verdomme de opera wel – maar dan verplaatst naar de hipstergeweld van FC Hyena – al vind ik de ongeïnteresseerde medemens dáár ternauwernood overkomelijk. Kortom, alles schreeuwde onaardigheid, overschat, oppervlakte. De deuren naar de zaal gingen open en dezelfde dame als van de kassa begon kaartjes te scheuren.

Een mooi moment om op te stappen. Verder niets dramatisch aan, behalve dat ik me gestrand voelde op een zandbank. Terwijl ik naar huis liep bedacht ik hoeveel ik dankzij mijn eigen bokkigheid heb gemist. Dat zijn best veel voorstellingen, waarvan ik het grootste deel me niet meer herinner. Ze staan ergens weggestopt op mijn lijstje (voor intern gebruik) met niet-geziene zaken, die ik ook nooit meer zal zien. Een hele zwik films, wat optredens en een opera heb ik al verzameld. De vraag was nu of Moonlight daar ook bij moest.

Afgelopen herfst ging ik wadlopen met mijn zus. We wilden dat beiden al een hele tijd doen, dus besloten we een wandeling te boeken bij Wadloopcentrum Friesland. Van Holwerd naar Ameland. Bekend gebied, want de helft van alle schoolreisjes van de basisschool daar in de buurt gingen naar Ameland. Eenmaal tot over de enkels in het slik liepen we al gauw in de voorhoede. Er liepen nog drie mannen voorop, waarvan een eruitzag als een voetbaltrainer met sigaar in z’n hoofd, de ander duidelijk een meeloper was, en de laatste de gids. De gids droeg een lange staf. Hij had ons aan het begin van de tocht verteld dat het bedoeling was achter die staf te blijven, zodat hij ons veilig naar het eiland kon loodsen. De twee overijverige mannen traden deze aanwijzing met voeten, letterlijk dus, want meermaals snelden zij onze gids vooruit. Toen dat voor de zoveelste keer gebeurde barstte de bom: ‘En nooo is ‘t godverdegodver afgelopen! Hoe vaak heb ik niet al zegd dat jullie achter die stok moeten blijven?!’

Ik herken me in de wadloopgids als ik besluit ergens tussenuit te piepen. Plotseling kan ik net als hij ergens schoon genoeg van hebben, en dan moet de emmer overstromen. Het lijkt een eigenschap waarmee meer Friezen behept zijn, als ze zich te lang ergeren ontvlamt er op een gegeven moment iets. Mijn pake kan er ook wat van.

Maar goed. Stonden we daar, midden in de fucking drek, dat die gids ineens uit zijn vel sprong. Gelukkig heeft het Wad wat dit aangaat een mooie, dempende eigenschap: binnen dertig seconden stond iedereen weer achter hem, in het besef dat we aan elkaar gebonden waren. Hoe wilden we anders wegkomen voordat het vloed werd?

Moonlight krijgt, met dit in het achterhoofd, toch geen plaats op de lijst met films die ik nooit zou bezoeken. In het licht van een kwaad gesternte mag het mij eerder te heet onder de voeten zijn geworden, uiteindelijk wil ik toch naar de overkant. Dat er halverwege iemand met een stok staat te schreeuwen is blijkbaar een sine qua non, en dat ik mij soms in de luren laat leggen door mijn emoties neem ik maar op de koop toe. De volgende keer niet pathetisch met de deur slaan, want straks zak ik buiten weg in een slenk bij laagwater. Ik ga naar Ameland.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

Paul Auster – verslag vanuit het innerlijk

16 februari 2017 (15:12) | Menno Hartman | Geen reacties

009-the-incredible-shrinking-man-theredlistIn Report from the Interior neemt Paul Auster zich voor een geschiedenis te schijven van zijn eerste 12 levensjaren. Het is een memoire, een vervolg op zijn Winter journal, dat dezelfde memoirebehoefte voedt, maar dan via wat Auster te vertellen weet over zijn lichaam. Je zou kunnen zeggen dat met het enorme 4321, dat zojuist in Amerika en in Nederland verscheen  een memoires drieluik vervolledigd is: het lichaam, de diepste jeugd en vier levens van een man  die geboren is in het jaar van Paul Auster. De ‘alternatieve levens’ een afspiegeling van jezelf in wat je dus niet geworden bent. Al met al een zeer intensieve wijze om zich af te vragen wie hij is.

Ik begon Auster te lezen op aanraden van Joris van Groningen, in 1996. Vermoedelijk heb ik toen in een half jaar al zijn tot dan toe verschenen boeken gelezen, en op een enkele titel na heb ik mijn interesse in zijn schrijven kunnen volhouden (al twijfel ik nu over de dikke pil van een 4321) Van Groningen was een heel goed lezer, en ik heb een aantal tips van hem gehad die alle tot langere schrijversliefdes leidden.

Auster heeft zich wat mij betreft een aantal keer opnieuw uitgevonden. De beste romans zitten aan het begin van zijn carrière; alle vroege romans zijn beter dan alle late. Hij heeft ook slechte boeken geschreven (Timbuktu, Travels in the Scriptorium). Maar de grote romans zijn geweldig: The New York Trilogy bovenaan, Moonpalace, The Music of Chance).

De ‘screenplays’ (speciaal Smoke en Blue in the face) vormden de eerste manier waarop Auster zich heruitvond, de memoires boeken zijn de tweede manier en het zijn ook weer boeken waarin hij zich een onbevreesd schrijver toont. Hoewel zijn onbevreesdheid soms wat ver gaat. Ik weet bijvoorbeeld nog niet of het pagina’s lang navertellen van twee belangrijke films in zijn jonge jaren nou heel geweldig is, of eigenlijk een beetje vreemd en gemakzuchtig. Maar mijn interesse in I am a fugitive from a Chain Gang en The Incredible Shrinking Man is wel gewekt.

Een plezierig bijkomend verschijnsel van dit boek over zijn jongere zelf is dat de lezer zich bij vrijwel alles kan afvragen: hoe zat dat bij mij, wat waren mijn eerste films, hoe zag mijn huis op mijn 6e er uit, van welke sport hield ik? Nog een grote aantrekkingskracht dat dit boek op mij uitoefent is dat het uitloopt in een ‘album’ van foto’s.

Een mooie genre shift, zoals John Coltrane in A Love Supreme opeens begint te zingen. Wat mij betreft een teken van kunstenaarschap: net op tijd besluiten dat de vorm die je koos toch niet voldoet om alles te kunnen zeggen. En je wilt alles zeggen.

 

———————————–

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

 

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Alvise

15 februari 2017 (9:18) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3945 2Vannacht droomde ik over Alvise, een kleine kale man die B en ik ontmoetten toen we afgelopen zomer op een Agriturismo in Piemonte logeerden.

Op de avond van onze aankomst aten we in de warme eetzaal onder het huis van de eigenaar en raakten met hem aan de praat. Alvise vertelde dat hij uit Emilia kwam en met zijn vrouw op vakantie was. Toen ik om me heen keek voegde hij daar snel aan toe dat ze nu rustte. Zijn vriendelijke oogjes richtte hij daarbij naar het plafond, bijna alsof hij bedoelde dat ze in de hemel was.

‘Ze geniet ongelooflijk van dit soort uitstapjes, maar is daarna erg moe,’ zei hij. De zoetheid waarmee hij over haar sprak was op het randje van zorgwekkend, maar na een halfuurtje in zijn kolkende woordenstroom gezeten te hebben moest ik optekenen dat hier vooral een gelukkig man sprak. Even later slofte hij met zijn handen in zijn zakken het zaaltje uit.

Toen de tafels waren afgeruimd en B Nadim naar bed gebracht had, dronken we koffie op het erf. De grappa was warm en plakkerig als de avondlucht, er hingen veegjes roze aan de hemel en een joekel van een maan kwam op. Ik dacht net aan het mankement aan onze auto dat ik de volgende dag in Asti moest zien op te lossen, toen achter me de stem van Alvise klonk.

‘Lieve mensen,’ kwetterde hij, en duwde een vrouw in een rolstoel tot vlak voor onze tuintafel. Ze zag grijs, en er liep speeksel uit haar mond. ‘Dit is mijn prachtige Magda. Ze is uitgerust en nu gaan we een stukje lopen.’

Ik stond op en bood de vrouw mijn hand aan. Ze maakte een zijwaartse beweging met haar hoofd, maar meer gebeurde er niet.

Een hersenbloeding, dacht ik, en pakte zelf haar koude hand, die ik voorzichtig schudde. Magda keek op naar haar glimlachende man.

‘Dit zijn nu die aardige Hollanders over wie ik je vertelde, mijn hartje. Die zo goed Italiaans spreken.’

Ik liet Magda’s hand los zodat B hem schudden kon, en na een redelijk korte uitleg van Alvise over de romantische wandeling die ze hier elke avond maakten, wenste hij ons een prettige avond.

We kregen nog wat grappa van de aardige meid met het kinderschortje voor en keken Alvise na, die Magda de heuvel op duwde en haar karretje aan de rand van de wijngaard op de rem zette. Het stalen frame ving het maanlicht en leek daardoor versierd met tientallen lampjes.

‘Zijn ze niet superlief?’ zei de tiener. Ze omhelsde haar dienblad en bleef een tijdje naast ons staan. Ik herinnerde me dat: naar oude mensen kijken zonder angst te voelen.

Die nacht werd ik gewekt door hartverscheurend huilen in de kamer boven ons. Een diepe en verschrikkelijke wanhoop sijpelde door het plafond en verkleefde met de muren. Ik stond op om de terrasdeuren en ramen te sluiten, maar het hielp niet. Na een paar minuten werd het stil. Ik opende de ramen weer, zette mijn ellebogen op de vensterbank en luisterde een tijdje naar de krekels terwijl mijn gezonde gezin vredig sliep in de ruimte achter me.

‘Nog niet,’ bad ik, en schaamde me voor mijn egoïsme. ‘Alsjeblieft nog heel lang niet.’

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

Zijpaden

12 februari 2017 (0:01) | Irwan Droog | Geen reacties

Beeld bij blogje 2Vorige week schreef ik hier over Bob Dylans Tarantula en over Conor Oberst, naar aanleiding van diens concert in Utrecht eind januari. Ik zag hem een paar keer eerder optreden, waaronder in 2009 in Den Haag, als onderdeel van de ‘supergroep’ Monsters of Folk – met Obersts vaste bandlid/producer Mike Mogis, met My Morning Jacket-frontman Jim James, en met M. Ward, ook bekend van She & Him (met Zooey Deschanel).

En ja hoor, alle wegen leiden naar Dylan: op datzelfde festival, Crossing Border, stond ook Suze Rotolo geprogrammeerd. Voor wie de naam niet direct herkent: de (Italiaans-)Amerikaanse Rotolo (1943-2011) was politiek activiste, actrice, kunstenares en schrijfster. Tussen 1961 en 1964 had ze een relatie met Dylan; ze staat samen met hem op het album The Freewheelin’ Bob Dylan afgebeeld. (De tragiek is natuurlijk dat ze bekend kwam te staan als het ‘hoezenmeisje’.)

In Den Haag sprak ze in een kamertje ergens boven in de schouwburg over haar onlangs gepubliceerde autobiografie, A Freewheelin’ Time: A Memoir of Greenwich Village in the Sixties, en over haar carrière als kunstenares.

De Amerikaanse culturele sector is net de literaire grachtengordel: als je twee mensen die je voorheen niet met elkaar associeerde in dezelfde ruimte ziet, zou je zomaar tot de conclusie kunnen komen dat iedereen elkaar kent.

Zo kwam de folk-country-rockzanger Steve Earle opeens de kleine ruimte inlopen, ging op de eerste rij zitten en legde een mandoline op zijn schoot. (Nu laat mijn geheugen me in de steek: misschien zat hij er al die tijd al, of was het een ukelele die hij tegen zijn stoelpoot zette – hij was in elk geval heel aanwezig, inclusief instrument.) Ik was verrast, ik had hem eerder dat jaar voor het eerst leren kennen door Townes, een album met covers van zijn voormalige mentor Townes van Zandt (1944-1997).

(Zijpaadje #1: Van Zandt was meestal al snel tevreden na het schrijven en slordig opnemen van zijn muziek, schijnt; Earle heeft dat altijd zonde gevonden, en besloot een selectie nummers enigszins opnieuw te arrangeren, of in elk geval ‘professioneler’ op te nemen. Tip: vergelijk Van Zandts ‘Lungs’ met de versie van Earle. De eerste aangrijpend in zijn eenvoud, de tweede scherp en hard, muzikaal geweld als een trein die door een Amerikaanse prairie dendert en een litteken in het landschap scheurt.)

(Zijpaadje #2: Ik was ooit in de gelegenheid P.F. Thomèse te vragen naar zijn J. Kessels-verhaal ‘Eerder thuis dan Townes’, over een bezoek van ‘de lange, droevige Texaan’ Van Zandt aan Emmen: allemaal waar gebeurd.)

(Zijpaadje #3: Een jaar eerder, in 2008, was ik bij een concert van Joan Baez in Utrecht. Voor wie de naam niet direct herkent: de Amerikaanse zangeres was (en is nog steeds wel) een van de voornaamste gezichten van de Amerikaanse counter culture die vanaf het begin van de jaren zestig furore maakte. En, ja, ook zij had een relatie met Dylan. In 2008 was ze op Europese tournee naar aanleiding van haar nieuwe album The Day After Tomorrow. Een album geproduceerd door… Steve Earle!)

Terug naar de Haagse schouwburg, waar Rotolo haar verhaal afrondde en Earle – een verrassing, ook voor haar – met instrument en al plaatsnam op een stoeltje op het podium, en in de gemoedelijke huiskamersetting een twee- of drietal ingetogen liedjes zong. Ik vertrok met Rotolo’s handtekening in mijn exemplaar van haar boek, volledig in mijn nopjes, en daalde de trappen af naar het concert van Monsters of Folk. (Fijn festival, sowieso.)

Steve Earle verdween de jaren daarna weer een beetje uit mijn geheugen, tot ik zijn naam op een verhalenbundel zag prijken in de Literaire Reisboekhandel Evenaar. Doghouse Roses (2001). Autobiografische verhalen over down and out mannen met enkel een drugsverslaving en een gitaar, zou je na het openingsverhaal denken. Maar Earle begrijpt de mogelijkheden van fictie en gaat verder dan dat, met (vooruit, licht geromantiseerde) karakterstudies van illegal immigrants, zwijgende Vietnamveteranen, drugssmokkelaars op de vlucht voor de border patrol, moderne outlaws, en barflies in Nashville. Een mooi beeld van diversiteit van de Amerikaanse samenleving, veelal door de ogen van kerouaciaanse ramblers. Jay McInerney maakt eenzelfde vergelijking in een lovende blurb: ‘It reads like a collaboration between Steinbeck and Kerouac and Bukowski.’

Dat zal Earle op prijs stellen; ik heb hem al kunnen betrappen op twee keer zingen over Kerouac. In ‘Down The Road Part II’ (2013) zitten overigens tegelijkertijd (subtiele en overduidelijke) knipogen naar Dylan en Van Zandt:

Standin’ on the highway with the road burnin’ through my shoes

Roll over Kerouac and tell Woody Guthrie the news

Heard it said there ain’t nothin’ ahead but I don’t know

Down the road I go

 

Blowin’ in the wind and flyin’ like a cannonball

Never seen a city where I couldn’t find a place to fall

But it’s only a matter of time before I’m feelin’ low

Down the road I go

(Laatste zijpaadje: Earle schijnt ooit de computer met daarop het manuscript van zijn eerste roman verkocht te hebben, om aan geld voor zijn drugsverslaving te komen. Zonde, maar wel een goed verhaal. Die debuutroman kwam er alsnog in 2011. Tegelijk met het boek verscheen een album dat dezelfde titel draagt: I’ll Never Get Out of This World Alive. Niet geheel toevallig staat daar het nummer ‘God is God’ op, dat Earle zelf schreef maar dat Joan Baez eerder opnam. Iedereen kent elkaar.)

Irwan Droog © Floor SchrijversIrwan Droog (Den Haag, 1984) studeerde Nederlandse letterkunde en literatuurwetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij zat in de redactie van Recensieweb en Tijdschrift Ei. Voor Tirade schreef hij eerder een artikel over het werk van John Steinbeck. Van 2012 tot 2017 was hij redacteur bij Uitgeverij Cossee. Hij is medeoprichter van de J.M.A. Biesheuvelprijs, de eerste literaire prijs voor korteverhalenbundels. Sinds begin 2017 werkt hij als zelfstandig redacteur en vormgever. © foto Floor Schrijvers

 

Reageer >
 

Het Project

11 februari 2017 (8:16) | Arjen van Lith | Geen reacties

17 inch laptop bag leather

In zijn huis in Nieuwkoop, bij de kapstok in de gang, lag de tas van mijn vader op z’n kant, alsof hij hem direct na binnenkomst had laten vallen, en waarschijnlijk was dat ook zo. In de hoeken hadden de naden losgelaten. Zijn tas zat zó vol, dat de grote leren flap niet verder dan half over de bovenzijde heen sloeg, waardoor een deel van de inhoud – opgepropte mappen en rapporten met aanvullingen in de kantlijn – zichtbaar en onbeschermd bleef.

Onder de neergestorte tas liep een barst over de plavuizenvloer, ongetwijfeld veroorzaakt door de harde landing. De metalen gesp van het hengsel was verbogen en kon het ieder moment begeven. Op de plekken waar de tas en mijn vader elkaar het vaakst hadden geraakt, vertoonden ze allebei schuurplekken: mijn vader op zijn linkerschouder bij zijn nek; de tas aan de binnenzijde van het hengsel, die dezelfde kleur groen als zijn winterjas had aangenomen.

Om een idee te krijgen van het gewicht van de tas, schopte ik er een paar keer voorzichtig tegenaan. Eerst een punter en daarna, om mijn grote teen te sparen, met de binnenkant van mijn voet. Geen beweging in te krijgen.

Omdat de meeste kracht in je benen zit, wurmde ik mezelf onder de leren schouderband en probeerde me vervolgens met tas en al op te richten, maar ik kwam niet verder dan een wiebelige hurkzit, dus de tas moest haast wel zwaarder zijn dan ikzelf. In een uiterste krachtsinspanning kreeg ik hem heel even van de grond en ik wankelde als een overmoedig gewichtheffertje door de hal, totdat I., mijn stiefmoeder van mijn derde tot mijn elfde jaar, me streng tot de orde riep: ‘Afblijven jij! Dat is je vaders Project!’*

Binnen, in de woonkamer met uitzicht over de Nieuwkoopse Plassen, lag mijn vader te snurken op de bank met een klam washandje over zijn ogen en een smeulende sigarenpeuk tussen zijn vingers, terwijl Harmen Siezen op de nieuwe kleurentelevisie het achtuurjournaal voorlas. Als ik later groot ben, sprak ik met mezelf af, neem ik nooit een Project.

____________________

* Pas jaren later kwam ik erachter dat op de vensterbank in Nieuwkoop, naast de verrekijker en een verdroogde varen, een kleine maquette van het Project stond: een spiegeltoren die naast de drie reeds bestaande gebouwen van het Fashion Center in Amsterdam moest verrijzen. Het Project heet tegenwoordig Fashion Garden, maar als mijn vader de uiteindelijke realisatie zou hebben meegemaakt, had het in hoofdetters zijn eigen naam gedragen, al was het maar om zijn vader, mijn opa dus, eindelijk te laten voelen dat z’n zoon geen mislukking was – een opgeheven middelvinger uit glas en beton.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Het marionetje van Jordan Wolfson

10 februari 2017 (14:36) | Marko van der Wal | Geen reacties

Op de allerlaatste dag ging ik naar Jordan Wolfsons solotentoonstelling in het Stedelijk. Deel 1, want zijn solo krijgt vanaf 18 februari een vervolg. Ik moest dit echt gaan zien, zo werd me van verschillende kanten aangeraden, en alle kranten waren er lovend over. De NRC had het zelfs over een regelrecht meesterwerk. Het centrale werk klonk van horen zeggen veelbelovend: een plastic pop van een roodharig jongetje met een maniakale kop, dat door middel van kettingen aan zijn lichaam als een marionet door de ruimte wordt gesmeten, geslingerd, bewogen. Hij heeft een soort laserogen in zijn hoofd waarmee hij de omstanders écht aan kan kijken. Een en ander speelt zich af achter een stalen hekje in een verder witte ruimte.

Terwijl ik stond te kijken zag ik het publiek zich vol verwondering en afgrijzen vergapen aan de kletterende kettingen. Er klonk keihard ‘When a Man Loves a Woman’ van Percy Sledge. Geen wonder dat deel 1 van de solo MANIC/LOVE heet, dat dekt de lading wel. Mijn beschrijving van het kunstwerk dekt de lading overigens ook, want verder is er niets te zien. (Wie het zelf heeft gezien en onder de indruk was… ik ga nu over tot het afkraken. In principe ben ik daar te genuanceerd voor maar soit!) We stonden te kijken naar wat de techniek allemaal vermag en dat is, als op we Wolfson moeten afgaan, heel karig.

Ik zag geen kunst. Techniek, in al zijn beperkingen, dat zag ik, in plaats van een getormenteerd jongetje. De kettingen zijn zichtbaar, de machines die ze aandrijven inzichtelijk, de bewegingen voorspelbaar. De programmatuur erachter was wat onduidelijk – is het nou interactief of niet? – maar wie de moeite nam ongeveer tien minuten te blijven staan kon zien dat het hele verhaaltje weer van voor af aan begon. Exact hetzelfde. De hele Efteling staat er vol mee, overigens met soms nog wel gruwelijker bewegende taferelen dan het marionetje van Wolfson.

Het lachwekkende is dat erachter dit kunstwerk allemaal grote hedendaagse thema’s schuil schijnen te gaan. Het Stedelijk heeft daarom een filmpje gemaakt om een en ander toe te lichten, maar wie ze ook aan het woord laten – conservatoren, Wolfson zelf – niemand brandt zich aan de vraag waar dit werk uitdrukking aan probeert te geven. Er wordt wat gehint op menselijk contact in tijden van social media. De kunstenaar maakt zich er vanaf door te stellen dat hij geen moralistisch kunstenaar is, en dat hij de toeschouwer zonder meer wil onderdompelen in de alledaagse beeldenstroom. In een ander werk doet hij dat ook letterlijk: de mensen bombarderen met de beelden die wij dagelijks op Facebook kunnen zien. Al die dingen zie ik inderdaad als ik Facebook open – dat is geen kunst maken, dat is gebakken lucht voor parfum verkopen.

Terug naar die kermisattractie. De halfslachtige praatjes van het museum en de kunstenaar walsen het jongetje plat, als het niet al zo plat als een dubbeltje was. Iedereen wiens verbeelding nog aangesproken werd, wordt onmiddellijk de lust weer ontnomen zodra je die slagen in de lucht aanhoort. Als je niet over je kunst kunt praten houd dan gewoon je mond. Laat kunst tot de verbeelding spreken, in plaats van die uit te schakelen met alledaagse trivialiteiten en de zogenaamde wonderen der techniek. Het is een goede zaak dat het Stedelijk de bewuste zaal nu aan het leeghalen is. Jammer alleen dat er een nieuw werk van Wolfson in komt.

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ over schulden

9 februari 2017 (7:00) | Menno Hartman | Geen reacties

2017-02-08_135650Schuldig, wie betaalt de rekening?

is volgens de NRC een ‘magistrale serie over armoede’ in Nederland.

De serie van zes documentaires over de Vogelbuurt in Amsterdam-Noord gemaakt door Sarah Sylbing en Ester Gould volgt een tiental mensen die door hun schulden in de schuldhulpverlening terecht zijn gekomen of daarlangs scheren. Het is een mooi uitgebalanceerd portret waarbij de schuldvraag bijzonder genoeg niet erg direct wordt uitgespeeld.  We weten van sommige van de geportretteerden hoe ze aan hun schulden komen, maar de makers confronteren hen daar niet mee.

Een van de aansprekende portretten in deze serie van verder goedbedoelende hulpverleners is ironisch genoeg dat van de deurwaarder. We zien hem in actie, maar we zien hem ook thuis in een mooi verzorgd en redelijk duur huis, en we komen van hem te weten dat hij er soms moe van is en verlangt naar een baantje als rondleider van toeristen in het Rijksmuseum. Een lichte voortdurende verontschuldiging is op zijn aangezicht bevroren.

Griekenland bezwijkt onder zijn schuldenlast. Als je eens in paniek wilt raken dan moet je

2017-02-08_141909

hier eens een halve minuut naar kijken  en constateren dat in die halve minuut de Griekse staatsschuld is opgelopen met een bedrag dat een hoop meer is dan je in een maand of wat bij elkaar kunt verdienen. Zo’n € 1.000 per seconde. ‘Schuld’ is volgens de etymologie een afleiding van de Proto-Germaanse werkwoordsstam *skul- ‘moeten, verplicht zijn’, en dat is de zelfde stam die het woord ‘zullen’ voortbracht. Een schuld is een geldelijke of morele verplichting uit het verleden die leidt tot een sterk gevoel van moeten in het heden. Denkend over morele schuld kom je al snel in het universum terecht van Gerrit Achterberg: de schuldige die nooit inlossen kon en daar een oeuvre aan ontwrong. ‘De nacht is om ons heen gelegen, alsof ik u nog nooit bezat.’

Zowel de Griekse schuld bekijken als Achterberg lezen zijn manieren om de narigheid te voelen die ook de mensen in de Vogelbuurt dagelijks gewaarworden. Het wordt alleen maar meer.  Een kastje van € 400 bij de Wehkamp dat niet betaald werd, groeit uit tot een nota van € 1.900, en de wanhoop groeit navenant mee. ‘De wolf liet menig lam wel duur betalen’ dicht Peter Verstegen in zijn vertaling van Shakespeare’s sonnet 96.

De schuldenaren leven een leven van buitenproportionele last en vrees terwijl er oplossingen lijken te kunnen zijn die al zo oud zijn als in elk geval de judeo-christelijke cultuur, ‘vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Deze prachtige serie legt er ook onnadrukkelijk de vinger op: gericht vrijschelden is voor de maatschappij minder duur dan aan laten woekeren.

—————–

img_2482

Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade. Hier schreef hij al eens iets over geld. En hier over schuld.

 

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Hope, much like shit, floats

8 februari 2017 (9:31) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_3182Een tijdje terug reageerde ik op een van de mooie stukjes die Henk van Straten dagelijks schrijft. Het leek erop dat de mate van succes van zijn laatste boek hem was tegengevallen, en ik herkende me daar wel in.

De laatste jaren moet ik vaak denken aan de film As Good As it Gets, met Jack Nicholson in de rol van de misantrope schrijver Melvin Udall, die (onder een pseudoniem) succesvolle stuiverromannetjes schrijft. Udall lijdt aan dwangneurosen, en komt door ontwikkelingen in het plot onder druk te staan. Na een bliksembezoek aan zijn psychiater loopt hij terug de volle wachtkamer in en stelt zich hardop de vraag: ‘What if this is as good as it gets?’

Ik haalde Udall aan in het berichtje dat ik Henk stuurde, en hij reageerde door te schrijven dat we toch maar voorwaarts moeten met dat schrijven omdat we ook niets anders kunnen.

Sinds ik ergens in 2007 ben gestopt met mijn laatste fulltime horeca-baan, heb ik steeds vijf dingen tegelijk gedaan. Zo was ik tot medio 2015 redacteur, schrijver, psychodiagnosticus, office manager en kok. Op dit moment is het wat rustiger: ik run een diagnostiekbureau, schrijf, werk voor een wijnhandel en geef les aan de Schrijversvakschool.

Om een of andere reden heb ik altijd het gevoel gehad dat mijn échte leven zich vanzelf zou openbaren, en dat het iets geweldigs zou worden. Hoop is als heroïne: een vlucht die blind maakt voor het heden. De meest gehoorde klacht aan het sterfbed schijnt te zijn dat men niet genoeg genoten heeft van alle fasen van het leven, te weinig tijd genomen heeft voor geliefden, kinderen.*

De plek waar, en de tijd waarin ik leef maken het mogelijk me druk te maken over het topje van Maslows piramide, maar dat gezegd hebbend: wat een zonde om driekwart van je leven op hoop te draaien en het laatste stuk op spijt.

‘Wat als nu het hoogst haalbare is?’ lijkt opeens een irrelevante vraag. Er is alleen maar nu.

 

* Ik baseer dit op een aantal bronnen, maar in het bijzonder een artikel van Susie Steiner in The Guardian uit 2012.

______________________________________________________________________

Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. Op 23 oktober van dit jaar verscheen zijn nieuwe en sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463 Nr.464 Nr.465
 
bestel
 
 
voorpagina