Gratis proza #13: Micha Meijer

22 november 2017 (8:37) | Gilles van der Loo | Geen reacties

1483493_594951997209010_1936319627_o 2Het was het einde van de middag en zo donker als de nacht. Ook voor een mager jong als Micha was het ijs te dun. Ik stond op de kant terwijl hij stampte, danste, op en neer sprong op de krakende plaat.

Nu ik hem over drie weilanden tot in de uiterste hoek van zijn vaders veld gejaagd had kon hij geen kant meer op. Achter hem hongerde het wak.

In mijn hand hield ik een ijsbal ter grootte van een kinderkopje. Iedereen zou raden wat er te gebeuren stond, maar ik was alleen met Micha en een diepzwarte hemel. De lantaarn op de dijk wierp een lange schaduw voor me uit: een spook met één skelethand, de andere een moker. Misschien verwachtte ik de stem van vader nog te horen, die van oom Gerbrand of mijn moeder die me voor het avondeten binnenriep.

Het spook hief zijn mokerhand en liet een ijsbal vliegen die op duizenden manieren het hoofd van Micha had kunnen missen, maar missen deed hij niet. Het geluid kende ik: dat van een erfpaal die de bodem in geslagen wordt. Terwijl Micha viel keek hij met grote ogen door me heen naar iemand die achter me in het veld leek te staan. Alsof Micha voordat hij in één vloeiende beweging onder het ijs gleed, zag wie ik werkelijk was.

Terwijl ik naar het wak schuifelde, op handen en voeten tot aan de rand ging en de sneeuw wegveegde om door het ijs te kunnen kijken, besefte ik dat er onder al het menselijk handelen patronen liggen waaraan we ons niet onttrekken kunnen; dat de moordenaar degene is die het wapen vastheeft, niets meer dan dat. Toen mijn vaders stem vanaf de dijk klonk en ik een jongen met lege handen werd die zijn klasgenootje onder het ijs had zien glijden, legde een ander patroon me op Micha achterna te duiken en in die zwarte wereld om me heen te maaien tot de lucht leek te ontbranden in mijn longen en ik mijn gevoelloze handen opdracht gaf om wat dan ook vast te grijpen en mee omhoog te sleuren.

Mijn vader trok me uit het gat, blauw als een smurf, mijn hand verkrampt om Micha Meijers pols, en ik werd voorgoed degene die zijn leven waagde om een klasgenoot te redden.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

An evening with Peter Brook

16 november 2017 (9:53) | Menno Hartman | Geen reacties

hqdefaultWaarom ik gisteravond in de Stadsschouwburg in Amsterdam zat met vriend M. was ons niet helemaal duidelijk meer. Ik dacht zeker te weten dat wij samen ooit iets heel moois van Peter Brook gezien hadden. Na reconstructie bleek het  The Mahabharata te zijn, maar eh, hij had hem niet gezien, we hadden de muziek samen geluisterd. (Zie hier voor als je 5 uur en 24 minuten de tijd hebt) In de aankondiging stond dat Brook volgens  The Independent ‘de grootste nog in leven zijnde theatermaker’ is.

In een toch tot onze verbazing tot de nok toe gevulde Stadsschouwburg traden een oude heer en een dame op het toneel. Brook zou geïnterviewd worden door Ruth MacKenzie, artistiek directeur van het Holland festival.

Er zijn gisteren rond de zes vragen gesteld. Bij de beantwoording daarvan gebeurde naar mijn smaak iets magisch. Kort na de eerste vraag over het Parijse Théâtre des Bouffes van Brook gaf de oude heer een huishoudelijke mededeling: hij zou op het antwoord van de vraag uitkomen, maar moest eerst wat omtrekkende bewegingen maken. Met de microfoon in de rechterhand gebruikt hij de linkerhand om elegant gesticulerend zijn relaas kracht bij te zetten. In de manier van antwoorden toonde Brook wat hij is: een begenadigd en technisch zeer ingenieus verhalenverteller. Mijn vriend M. en ik hebben twee uur op het puntje van onze stoel gezeten. Zo hoor je niet meer vaak spreken.

Avonturen in Parijs, de manier waarop de crew op Jamaica het juiste hoofdpersoontje van Lord of the Flies vond door in het zwembad naar een baasje te kijken dat dramatisch uit een boom viel en daar tegen de verbijsterde toegesnelde menigte ‘gefopt! riep, de wijze waarop Paul Scofield in vier stappen van zijn stoel naar de set in King Lear kon veranderen, de mate waarin hij niet te regisseren was, want een absoluut natuurtalent. Dat alle kunst en acteerkunst specifiek samen te vatten valt in ‘Art (skills) and heart’…

In Kabul, Afganistan, in de jaren ’50  werd hij op zeker moment in een buitenwijk naar een wijs man gebracht, met wie hij een mooie middag doorbracht. Toen Brook vertrok zei de man: ‘Als je richting Kandahar gaat, ga dan aan je linkerhand een modderweg op, dan kom je bij de gevangenis. Daar, naast een klein bijgebouwtje zit mijn leerling. Een derwisj die in zijn jeugd iets werkelijk verschrikkelijks heeft gedaan. Ik heb hem niet naar de gevangenis laten sturen, maar heb hem gezegd: ga daar zitten, kijk naar de gevangenis, niet mediteren, niet je ogen sluiten, maar kijken. Vertrek als je denkt dat je straf erop zit.’

Peter Brook vertelde gisteren dat hij er toen heen is gegaan, de derwisj zag, de meest intense blik in zijn ogen die hij ooit in een mens zag, en dat hij begrepen heeft waarom hij daar zat. Hij zat in de strengste gevangenis die je je je voor kunt stellen, de gevangenis van jezelf. En: hij zat er nog.

Peter Brook is er ook nog. The prisoner is een nieuw voorgenomen project dat ook Amsterdam zal aandoen.

De bezoekers van de  stadsschouwburg maakten gisteren mee wat een leven lang verhalen maken, films en theater maken met een mens kan doen. Ik heb zes van de mooiste antwoorden gehoord die ik ooit achter elkaar hoorde geven.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

Reageer >
 

Driver’s seat

15 november 2017 (8:21) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5500 2Het gaat niet goed met mijn voornemen andermans boekpresentaties te bezoeken. Afgelopen zondag miste ik die van Elke Geurts: Ik nog wel van jou.

Als boetedoening las ik de interviews met haar in onze weekendkranten. Een van haar antwoorden uit het stuk van Evelien van Veen (De Volkskrant) raakte me:

“Ik zag in dat ik niet echt voor hem beschikbaar was, nooit helemaal. Dan heeft hij het nog lang volgehouden, 24 jaar met iemand die niet helemaal beschikbaar was.”

Dat ben ik, dacht ik: iemand die er doorgaans maar ten dele is. Ook ik kies er vaak voor ‘vrij’ te zijn, zoals Elke het elders in het interview noemt.

Waar gaan we dan naartoe als we vrij zijn? En is Elke op die momenten écht vrij, of kan ze er nooit van genieten omdat ze – net als ik – verscheurd wordt door het besef van wat er allemaal voorbijgaat terwijl zij er niet is?

In de witte kamer lijkt de tijd niet te verstrijken. Een schrijver kan in rust zijn zin afmaken, de kamer verlaten en ontdekken dat zijn kinderen het huis al uit zijn.

Hij liep het leven dat hij zo mooi beschreef zo vreselijk mis, is niet iets wat je op je zerk wilt, maar zonder afstand geen gemis en zonder gemis geen noodzaak het leven te beschrijven.

De laatste keer dat ik terugkwam uit Suriname landde ik met een brandend verlangen nooit meer een moment te missen. Ik herinner me dat ik vrienden hier in Amsterdam vertelde dat ik klaar was met mijn dissociatieve aard, zou gaan proberen vaker aan te staan. Waar sloeg dit leven op als ik er niet elk moment met mijn volle aandacht bij was? Ik zou geen bijrijder meer zijn in mijn eigen bestaan. No sir.

Hoe lang duurde het voor ik met fluitende oren terugkeerde naar de witte kamer? Een week?

Misschien ben ik snel overprikkeld, is contact wat ik het meest verlang en slechtst verdraag.

Er gaat geen dag voorbij waarop ik me niet vervloek. Een – wat magere – keerzijde zijn deze stukjes. Ik hoop maar dat je ze mooi vindt.

Een groet, vanuit de witte kamer.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Graceland

11 november 2017 (13:09) | Arjen van Lith | Geen reacties

kaartje Graceland

In Memphis ontbijten we in Arcade, het favoriete restaurant van Elvis, waar ze de menukaarten sinds de jaren ’50 niet meer met een vochtig doekje hebben afgenomen. Ik eet pannenkoeken zonder maple syrup en gortdroge scrambled eggs met bacon. Het ijs in mijn cola is gemaakt van ongefilterd leidingwater en laat een zware metaalsmaak na die ik de rest van de dag niet meer weg krijg.

Daar, een paar tafels achter ons, zie ik hem voor het eerst. Thor. Tenminste, als de god van de donder niet in het mythische Asgard maar in the Deep South zou zijn geboren. Wat boerser, wat meer gedrongen en met een fikse underbite, maar zijn haar is een voltreffer: lang, blond, van nature gewafeld en uit zijn bezwete gezicht gehouden door een staart op fontanelhoogte zodat het van opzij en van achteren los blijft hangen. Michael Bolton is daar eerder beroemd mee geworden.

Anders dan in de film draagt deze Thor geen cape, maar een zwart Elvis-T-shirt met afgescheurde mouwen en een kniehoge zwarte legging, net als zijn vrouw. Zijn massieve schouderpartij is rechts extra aangezet met een tatoeage van – opnieuw – Elvis, later in z’n carrière, wél met cape. Deze Thor draagt lichtblauwe Disneysokken in ongeveterde legerkisten, waaruit ik afleid dat hij in principe een vriendelijke, misschien zelfs kinderlijke inborst heeft. In plaats van een hamer draagt hij een baby in een tuigje met een handvat, zoals een sporttas.

Ik zie hem weer bij Sun Studio, waar we wachten op de bus naar Graceland. Hij ziet mij ook, met mijn skinny jeans, mijn zwarte VPRO-bril en mijn nieuwe harige hesje van Our Legacy dat eigenlijk veel te warm en te gay is voor vandaag. Ik besluit niet te zwaaien of te groeten.

Op een flatscreen in de bus speelt de live-registratie van Aloha from Hawaï (1973), die ik op mijn negende op cassette kreeg van mijn oom uit Duitsland. De opening met Also sprach Zarathustra, gevolgd door See See Rider, etc.; het komt allemaal weer terug en ik zing voluit mee in mijn fonetische onzin-Engels van toen, want daar val je vanzelf in terug. Steeds als Thor zich voorin de bus geërgerd naar me omdraait, komt zijn vooruitgeschoven onderkaak schitterend tot z’n recht.

Graceland is een klein, benauwd mausoleum met overal spiegels en vloerbedekking aan de wand. Alles is muf en dood. De geel-zwarte cocktailbar staat levenloos als een opgezet dier in de kelder. Ik schiet in de lach, niet om de plechtige sfeer te verstoren, maar omdat de bekleding van de bank in de biljartkamer doorloopt over de muren en het plafond, en omdat Amerikanen altijd hun geld aan de verkeerde dingen uitgeven.

It’s all so ugly,” fluister ik. M. en A. giechelen, Thor loopt rood aan.

De rest van Graceland doe ik op een sukkeldrafje. Thor is me actief aan het surveilleren. Hij heeft de baby aan zijn vrouw afgegeven en volgt me door het hele huis om te checken of ik de verstorven kitsch van the King wel voldoende waardeer. Ik raak hem pas kwijt halverwege de Meditation Garden, waar Elvis wel of toch niet begraven ligt. Schrödinger’s rock star, denk ik, maar ik zeg het niet hardop.

Thor is op pelgrimstocht. Dat wil ik niet ontheiligen. Ik blijf een beetje rondhangen bij het zwembad en baal dat je hier nergens mag roken. Op mijn iPhone lees ik dat Elvis in witness protection zit.

Na een kwartier, twintig minuten vind ik A. en M. in de Trophy Room, een doolhof van kasten vol oude familiefoto’s, losse huisraad en een porseleinen poedel. Even later zien we Thor ook. Hij staat met z’n rug naar ons toe voor een manshoog portret van Elvis in een satijnen broekpak. Ik wil er zo graag iets over zeggen, maar A., een echte vriend, duwt me tijdig richting de uitgang. Ik heb het altijd moeilijk gevonden om in te schatten hoe irritant ik kan zijn.

__________________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Wonderbare wezens – redactietips

9 november 2017 (9:13) | Menno Hartman | Geen reacties

Buch/ Daniel Kehlmann: Tyll COVERIk heb vanaf het moment dat ik hem zag een diepe liefde opgevat voor Scheurbek, of Bukbeak, de hippogrief  (half paard en half adelaar) uit Rowlings Harry Potter reeks. In The New Yorker van deze week staat een vermakelijk stuk over ‘Fantastic Beasts and How to Rank them’ van Kathryn Schulz. Waaruit niet alleen blijkt dat mensen verbijsterend eensgezind zijn over welke fabeldieren een hogere waarschijnlijkheid hebben dan andere, maar ook in welke mate onze capaciteit te redeneren over onzin ons verder helpt in de wetenschap, en de ondergrond vormt voor literatuur. Aristoteles wordt opgevoerd die in zijn poetica meldt dat wanneer je iets onwaarschijnlijks opvoert dat gewoonlijk verschijnt met iets anders, je dat andere ook opvoeren moet om de waarschijnlijkheid te vergroten.

Goede redactionele tips.

In Daniel Kehlmann’s nieuwe roman Tyll maakt deze wonderboy van de Duitse literatuur gebruik van de Duitse (en Nederlandse) volksheld Tyll Uelenspiegel. Deze nar zonder respect voor bestaande structuren was altijd al en is wederom in Kehlmann’s roman een overgangsfiguur naar de nieuwe orde. Ik heb in nog geen recensie de Alternative für Deutschland genoemd zien worden, maar Tyll is ook politiek duidbaar.

Kehlmann’s aristotelische truc is dat hij er een andere onwaarschijnlijke figuur bijhaalt. een denkende middeleeuwse molenaar, die boeken leest, nadenkt over de baan van de maan, kruiden verzamelt en weet hoe vloeken werken. De man doet veel denken aan een historische figuur Menocchio (1532–1599) een molenaar aan wie de Italiaans historicus Carlo Ginzburg zijn wereldberoemde studie De kaas en de wormen; het wereldbeeld van een zestiende-eeuwse molenaar wijdde.

Kehlmann plaatst deze twee figuren naast elkaar zoals hij dat deed in Die Vermessung der Welt, waar natuurvorser  Von Humboldt en wiskundige  Carl Friedrich Gauß het toneel deelden. Wat kunnen wij leren van Kehlmann? Allereerst dat hij Aristoteles’ suggestie  gevolgd heeft in de zin van dat een onwaarschijnlijke figuur afleidt van of bijdraagt tot de geloofwaardigheid van een andere ongeloofwaardig figuur.

De molenaar is een ongelofelijk type, maar historisch, de waanzinnige heksenprocessen in dit boek zijn ook historisch. Het wonderschepsel Tyll is dat waarschijnlijk niet, maar Kehlmann koos een figuur van alle tijden, iemand die af weet te leiden, inspeelt op de domheid en de ijdelheid van het volk, de leugen doet regeren.

Tyll is Trump avant la lettre.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

Reageer >
 

Andere kant

8 november 2017 (9:30) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5636Ik tikte deze blogjes steeds op dinsdagavond als B naar bed was, in een afkoelend huis met het donker om me heen getrokken.

Omdat mijn day job de laatste tijd ook ‘s avonds beslag op me legt lukt dat niet meer, en dit schrijf ik dan ook terwijl B onze zoon naar school brengt.

Dochter Ada speelde een tijdje met Duplo op de vloer achter me – opvallend, hoe zwaar baby’s door hun neus kunnen ademen – inmiddels zit ze op mijn schoot. Elke derde letter is van haar en elke vierde aanslag een backspace.

Laatst keek ik The Only Living Boy in New York. De film haalde een oud gevoel naar boven, deed denken aan de sfeer in de boeken van Paul Auster, die me een tijdje liet geloven dat er zoiets bestond als schrijver zijn. Ik hoefde alleen maar dat eerste boek uit te geven en een even betekenisvolle als melancholieke wereld zou voor me open gaan.

Toen mijn bundel nog uit moest komen heb ik een ochtend in een coffeeshop in Brooklyn zitten schrijven. Zie het als een bedevaart. Daar ontstond het verhaal Omar, over een jongen die op een winterochtend denkt aan zijn verslaafde moeder. Recensenten zouden Omar later het beste verhaal van mijn debuut noemen. Dat durfde ik niet te dromen terwijl ik eraan werkte met die dampende espresso naast mijn elleboog, maar ik wist wel dat de sfeer ervan bijzonder sterk was.

Nu ik me een aantal jaren schrijver noem is de wereld die Paul Auster opriep niet meer dan een prachtig sprookje gebleken.

Henk van Straten schreef in een van zijn blogs dat lezers vaak raar opkijken als ze hem ontmoeten. Hij zou niet lijken op de Henk uit zijn stukjes. Zou de echte Paul Auster de sfeer bij zich dragen die ik in zijn boeken vond?

Wat ik in mijn eigen werk laat zien is mijn stille, liefhebbende, contemplatieve kant. Wie zich daartoe aangetrokken voelt zal raar opkijken als hij me in het nachtleven tegenkomt.

Toch houden lezer én schrijver waarschijnlijk het meest van diezelfde kant.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Road trip

4 november 2017 (10:34) | Arjen van Lith | Geen reacties

IMG_0060

Zoals Nederland het mooist is vanaf het water, zo is Amerika het mooist vanuit de auto. In al zijn majestueuze varianten trekt het landschap – woestijn, eindeloze bossen, rotspartijen, meren en rivieren – met een behapbare snelheid van 70 mijl per uur aan je voorbij. Tenminste, dat heb ik me laten vertellen, want tot nu toe heb ik onze road trip door het diepe zuiden voornamelijk slapend doorgebracht, hangend als een trekpop in de veiligheidsgordels van onze Jeep. Ik schrik pas wakker als we ergens stoppen.

We zijn op reis met vriend A., die altijd lekker ruikt en van tevoren voor iedere tussenstop niet alleen een passende outfit, maar ook de beste restaurants en steeds de perfecte slaapplaats heeft uitgezocht. In Lafayette, Louisiana, logeerden we bij een Frans echtpaar dat ons een tas met sinaasappels uit eigen tuin meegaf. In New Orleans trokken we nette jasjes aan en aten we turtle soup in the Commander’s Palace, met echte stukjes schildpad. Steeds als één van ons even van tafel ging, origamiede de ober snel een fleur-de-lis van ons servet.

In Vicksburg, Mississippi, overnachtten we in een hemelbed bij gastvrouw Mary, een grijze Southern Belle wiens Corners Mansion Inn volgens eigen zeggen een strategische sleutelrol in de Amerikaanse Burgeroorlog had gespeeld.

Abraham Lincoln himself said that if the North had conquered this very house, the war would have been over within days”, lalde Mary na een tweede fles Chardonnay op de veranda. Haar bril was van haar neus gezakt en ik bespeurde spijt in haar stem. De volgende ochtend gaf ze een rondleiding langs oude familieportretten, een kanon in de hal en een schaakbord met noordelijke en zuidelijke stukken in plaats van witte en zwarte. Bij het afscheid maakte de huisslavin – pardon, de hulp in de huishouding – een groepsfoto met Mary tussen ons in op de schommelbank. “I think it’s so great you boys got married”, fluisterde ze in mijn oor. Dat dan weer wel.

Onderweg naar Clarksdale, ooit het Mekka van de Delta Blues, liggen grote balen geplukte katoen als manshoge sushirollen op een rij in het veld. Oogsttijd. Witte pluisbollen dwarrelen in het licht van de koplampen over de weg en langs de berm, alsof het net heeft gesneeuwd. Op de iPhone van A., die via Bluetooth op de autoradio is aangesloten, zoek ik Mississippi Goddam van Nina Simone op.

In Clarksdale, tussen de autowrakken en dichtgetimmerde winkelpanden lopen we van ons hotel naar Ground Zero, het blues-café van Morgan Freeman. Gesloten. We zijn de enigen op straat. Iemand schreeuwt naar ons en meteen baal ik ervan dat we niet met de auto zijn gegaan. Onze Jeep heeft een panic-button.

Hoe verder we in de haarvaten van the Deep South doordringen, hoe ongemakkelijker ik me bij mijn eigen blankheid voel. Hier is de Confederate flag – de swastika van Amerika – nog overal aanwezig; op koffiemokken, in tuinen, op honkbalpetjes, in witte hoofden en harten. De oorlog is hier nooit weggeweest.

_________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Free speech – Story en Privé heten nu twitter en facebook

2 november 2017 (9:00) | Menno Hartman | 1 reactie

4199pi-1AwL._SX329_BO1,204,203,200_In  Free Speech: Ten Principles for a Connected World  toont Timothy Garton Ash heel mooi en overzichtelijk hoe een door de Amerikaanse Defensie gesubsidieerde reeks computers in de jaren ’50 die een netwerk vormen, tot een wereldwijd internet uitgegroeid is en wat dat betekent. Het eerste bericht dat ooit verstuurd werd luidt ‘Lo’ en het had ‘Log’ moeten zijn maar voordat de computers aan de laatste letter aankwam crashten ze.

O zalige tijd. Dat zouden meer computers moeten doen.

Het is wel eens goed met een slimme gids het pad te lopen vanwaar we kwamen. We kwamen hiervandaan: de eerste website ooit zag er zo uit. In deze eerste website uit 1990 toont Tim Berners-Lee wat de uitgangspunten zijn van zijn idee van een wereldwijd web.

Daarna begon het tijdperk van het Vrije Woord. Verbazingwekkend is altijd hoe bladen als Story en Privé hun tijd ver vooruit waren. Hoewel ik zeer welbewust geen Twitter- of Facebookaccount heb spuit de flauwekul toch ook soms mijn kant op. Het verweer van twitteraars is altijd dat de Tunesische Lente niet mogelijk zou zijn geweest zonder Twitter. Dat de beste berichten kort na een ramp via Twitter komen. Ja, en in playboy las je altijd de beste interviews. Twitter en facebook spreken het ‘rel-gen’ in de mens aan. #metoo heeft natuurlijk veel mensen bevrijd, neem ik aan. Toch is de mate waarin hele drommen van mensen zich in allerlei relletjes storten ook echt verbazingwekkend en misselijkmakend. Er branden nu wel vier van die flauwekulvuurtjes.

Op internettijddschrift Tzum wordt een redacteur bij naam genoemd die geslachtofferd werd in het #metoo geweld. Terecht of onterecht lijkt me geen kwestie. Wat hebben we er allemaal mee te maken? Dat lijkt me relevant. En waarom wil zo’n flutblad als Tzum dan zo graag zijn naam noemen? En dan schijnheilig semi-journalistiek na-beargumenteren. Schei toch uit. In de prullenbak met die Privé -Tzum.

De opnames van House of Cards worden stilgelegd omdat men iets verneemt over Kevin Spacey. De hele wereld draait door over Jelle Brandt Corstius die een redelijk goed aan te wijzen persoon beschuldigt, maar niet bij naam noemt. Is dat niet iets tussen die heren? En als het antwoord daarop is ‘Nu durfde ik pas, en ik heb toegang tot de praattafels’, hoe moet dat dan met mensen die dat niet hebben? Is het wel zo emancipatoir?

Seksueel overschrijdend gedraag is laakbaar, zoveel is evident, maar waarom moet iedereen die toegang tot de media heeft, en volgens Garton Ash is dat in de westerse wereld tussen 80-100%, zich daar dan op storten? Of om de rellerigheid nog wat te verbreden: als Charlotte Mutsaers niet goed genoeg naar een mediatrainer heeft geluisterd, moet daar dan een hoeveelheid berichten over rond gaan die makkelijk een telefoonboek vullen. Van mij niet.

Ik probeer de vraag te stellen vanuit je hoofd wanneer je -als god het wilt – 96 jaar bent geworden en terugkijkt op je leven en denkt: deed ik het goed: was het nou zinnig dat ik alle relletjes najoeg op Twitter en Facebook, net als men het bij de kapper in de jaren ’80 deed. Werd ik er een beter mens van? Wat leerde ik? Waarin verschillen deze relletjes van ouderwetse roddel en achterklap? Wat brengt sensatiezucht van dit type me nu eigenlijk? Standrecht. Volksgericht.

Of elementairder: wij richten onze aandacht hierop. Waar zouden we onze aandacht beter op kunnen richten? Is dat een erg idealistische of brave vraag? Ik wil die vraag toch wel stellen. Uit verbazing en verveling. We zijn hier aanbeland. Het is zo oninteressant. Maar willen we dat? Levert het ons genoeg op? Is het interessant genoeg? Is ons brein hiervoor bedoeld? Voedt het zich er voldoende mee?

Tien minuten naar bijvoorbeeld onderstaand gedicht kijken is in eerste instantie minder aantrekkelijk dan een relletje, maar laat je achter met een veel beter gevoel.

 

Lied van de zee

Capri, Piccola Marina

Oeroud waaien uit zee,
zeewind bij nacht:
jij slaat op niemand acht;
als iemand waakt,
moet hij maar zien waarmee
hij jou doorstaat
oeroud waaien uit zee,
wind die alleen
waait als voor oeroude steen,
die wijd en zijd
louter ruimte doorsnijdt…

O hoe voelt jou die ene
bottende vijgeboom
waarover maanlicht stroomt.

(R.M. Rilke, vertaling Peter Verstegen)

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

1 reactie >
 

Dat

1 november 2017 (8:51) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5564 2Mijn dochter begint later met praten dan mijn zoon. Nadim zei op haar leeftijd papa, mama, paard en molen, maar in haar bijna twaalf maanden heeft Ada alleen het woordje dat gezegd.

Ze wijst erbij, en haar woord drukt altijd een wens uit. Het bedoelde ding, dier of mens wil ze vastpakken, voor zover het gaat in haar mond stoppen.

Als je het geliefde object vervolgens bij haar weghaalt wordt Ada enorm kwaad. Ze schreeuwt harder dan je van zo’n klein mens zou verwachten.

Wat bij baby’s verdriet genoemd wordt is in mijn ogen vooral boosheid, frustratie. Verdriet lijkt iets van een andere orde, iets wat later komt.

Voor verdriet heb je de interpretatie van een verlies nodig, het vermogen te wanhopen omdat je weet dat een geliefde misschien wel wegblijft.

Misschien is alle taal een poging om een afstand tot iets wat we wensen te dichten. Zo ja: wat zijn die verhalen van me dan?

Wat is mijn dat, hetgeen ik hoop te krijgen en waarvoor ik al mijn woorden inzet?

Net als Ada laad ik mijn mandje vol met waar ik graag naar kijk. Ik kies beelden, plekken, personen. Dat, zeg ik. Dat. En dat ook.

Als iemand me een personage afnam zou ik krijsen net als zij. Of ik ook verdriet zou voelen weet ik niet. Misschien gaat dat te ver voor fictie.

Misschien is de wereld van mijn dochter nu nog fictie; wordt het allemaal pas echt als ze leert dat dingen en personen voor altijd weg kunnen blijven.

Is het vermogen verdriet te voelen een gevolg van het besef van tijd?

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Old Filth – Failed in London Try Hong Kong

26 oktober 2017 (9:33) | Menno Hartman | 2 reacties

last friendsJane Gardam is een oudere Engelse dame. Geboren in 1928 wordt ze algemeen gezien als de onbegrijpelijkerwijs niet veel beroemdere grand old lady van de Engelse literatuur. De trilogie over Old Filth waarvan Cossee de eerste twee delen in vertaling heeft uitgegeven* is werkelijk geweldig. Het is lang geleden dat ik drie delen van een serie achter mekaar uitlees. Het moet die andere grootheid die wat te onbekend is gebleven zijn: Edward StAubyn.

Old Filth, The Man in the Wooden Hat en Last Friends, zijn opgebouwd zoals een evangelie is opgebouwd. Het eerste deel is ‘wat er gebeurde’ vanuit het perspectief van de man uit het huwelijk, Edward Feathers, het tweede deel is het evangelie volgens de vrouw uit het huwelijk, Elisabeth Macintosh en het laatste is de het deel vanuit het perspectief van haar minnaar en zijn -ook zakelijke -rivaal Sir Terence Veneering.

Perspectief is niet helemaal juist gekozen. De perspectieven wisselen in de boeken nogal. Je zou kunnen zeggen dat elk boek de kant van het verhaal van het hoofdpersonage is, maar het blijft meerstemmig.

Wat is er nu zo goed aan deze drie boeken? Niet uitsluitend de mogelijkheid een verhaal, drie levens heel goed te leren kennen door elk van de betrokkenen als het ware haar eigen kant te doen belichten. Dat is wel iets verslavends moet ik zeggen, ik zou het verhaal nog rustig vijf keer verteld kunnen krijgen indien geschreven door Jane Gardam. Binnen de boeken een veelheid aan personages vanuit wier hoofden wij lezers soms meekijken. Gardam heeft op een heel natuurlijke wijze de capaciteit van hoofd naar hoofd te springen van haar voorbeeld Virginia Woolf overgenomen. En net als in Woolfs briljante The Years gaan we  vele decennia mee in de levens van de hoofdpersonen, vormt intercontinentaal leven een grote rol, bevinden we ons in de upper class.

Maar het is lichter, iets vrolijker, en geestiger. En de veelkantigheid van dit verhaal in drieën is onvergetelijk.

De grootste kracht zit natuurlijk in de taal, die licht en afgemeten is, Brits geestig en understated en de personages zijn heel mooi, beschadigd en fier toch maar doorgaand. De geheimen die gaandeweg onthuld worden zij  dramatisch maar niet te groot.

Ik ga me in retrospectief maar een weg door dit oeuvre graven. Never a dull moment.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

*Cossee gaf de eerste twee boeken uit onder discutabele titels Een onberispelijke man en een Een trouwe vrouw. De verder heel fraaie vertaling is van Gerda Baardman en Kitty Pouwels.

 

2 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466 Nr.467 Nr.468
 
bestel
 
 
voorpagina