Acteren, een vak apart

14 december 2017 (16:36) | Menno Hartman | Geen reacties

FiddlerontheRoof_fotograaf-William-RuttenLaat ik om te beginnen duidelijk maken dat ik niets tegen Thomas Acda heb. Ik zing heel wat liedjes van De Munnik en hem woord voor woord mee. Hij is het type BN-er dat, geloof ik, wat meer dan de gemiddelde moeite heeft met zijn bekendheid. Als je hem rond ziet lopen doet ‘ie altijd zo zijn best er niet te zijn, dat ook de mensen met wie hij is hem wel eens kwijt zijn. Maar mijn probleem betreft dit affiche. Laten we zegen dat Acda als acteur ‘bijvangst’ is. Categorie Theo Maassen, die eigenlijk iets anders goed kon, en toen ook wel redelijk bleek te acteren. Zijn rol in Alles is liefde is mooi.

Volgens mij toont dit affiche net die éne foto van Acda als Tevye op een moment dat hij heel slecht acteert.

Of eigenlijk zie ik iemand die denkt ‘ik druk nu met een glimlach enig genoegen en een beetje melancholie uit.’ Met andere woorden we zien hier een acteur acteren en geen Tevye. Nu is niet iedereen een Gijs Scholten van Asschat, of een Pierre Bokma, een Jacob Derwig. En niet iedereen heeft zich de Stanislavskimethode eigen gemaakt. Dat is zwaar uit de tijd.

Acda kan er natuurlijk niets aan doen dat een stel mensen die fotografeerde en de poster ontwierp voor juist dit ene vastgelegde moment koos waarop we door Tevye heen gewoon naar Thomas Acda kijken, die beroerd aan het acteren is. En niet op een mooi transparante wijze zoals goede acteurs dat ook kunnen. Deze poster vervult mij dan ook met een vreemd soort schaamte, die je inderdaad plaatsvervangend zou kunnen noemen. Wat moet die Thomas ervan balen dat ze nou net een foto namen waarop je eigenlijk door zijn personage heen kijkt naar zijn, ja naar zijn boodschapenlijstje, of de vervelende blaar op zijn linker kleine teen. Of naar iets anders dat zeer Acdaiaans is, en niks met Solomon Naumovich Rabinovich te maken heeft, die het personage bedacht en invulling gaf. Kan zoiets eigenlijk? Aan een foto zien dat iemand slecht acteert? Ik had het nooit eerder gezien, denk ik.

En wat stom dat ze juist hier een affiche van maken. Het zal het succes van de mjoesikol overigens vast niet in de weg staan.

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

 

Reageer >
 

Geen winter meer

13 december 2017 (9:47) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5911In de diepte van de ochtend ging het leeslampje boven Nadims bed aan. Ik zag het schijnsel door het matglas in zijn deur, hoorde zijn blote voeten de treetjes van het stapelbed afdalen en bad dat hij Ada niet wakker zou maken. Nadim denkt dat hij sluipt als hij zijn voeten hoger optilt dan normaal.

Onze zoon klompte naar de voorkant van het huis, waar de dakkapel van de kinderkamer zit. De vensterbank kraakte, en even later klonk een luide bonk. Het grote licht ging aan in zijn kamer en de deur vloog open. Twee tellen later stond hij aan ons voeteneind. Doordat ik er steeds niet aan toe kom hem naar de kapper te brengen had hij het silhouet van een LEGO-mannetje.

‘De sneeuw is er nog!’ zei hij. ‘Mama. Mam. Mamma! De. Sneeuw. Is. Er. Nog.’

Zonder antwoord af te wachten kloste hij naar beneden, met tegenzin gevolgd door mij. Ik douchte redelijk ongestoord en maakte ontbijt terwijl Nadim ijsbeerde voor het raam.

‘Denk je dat we kunnen glijden, straks? Pap, denk je dat er een glijbaan is op straat?’

Buiten het keukenraam was duidelijk hoe de sneeuwbui van gisteren tot drek geworden was in de binnentuinen. Af en toe schoof er wat natte sneeuw van de pannen om als duivenkak neer te slaan op het platje van de onderburen.

‘Ik weet het niet, schat,’ zei ik. ‘Pindakaas mee naar school of worst?’

‘Pindakaas. O, ik kan niet wachten! Dit wordt zo su-per-cool!’

Ik heb een reële angst een sarcastische oude man te worden en zei daarom niets, maar toen onze jongen ook te druk bleek om normaal te ontbijten vertelde ik hem wél dat hij er misschien teveel van hoopte, van het winterwonderland dat ons daarbuiten wachtte.

Toen het ontbijt erop zat en alle tanden gepoetst waren, duwde ik Otis de Hond uit zijn mand om onze zwaar ingepakte jongen naar school te gaan brengen. Nadim trappelde al in de hal, en het kostte me moeite de deur van het slot te draaien omdat hij niet stil wilde staan. Door het begin van een kier stoof hij naar buiten, waar hij joelend grote aanlopen nam om steeds een halve meter te glijden over de zompige bruine brij op straat.

Otis en ik sjokten achter de kleine wildeman aan, die afwisselend gleed en huppelde, Sinterklaasliederen zong en ijsballen kleide van de smeltende sneeuw op de motorkappen van auto’s.

‘Weet je pap?’ zei Nadim toen hij buiten adem was en weer aan mijn hand wilde lopen.

‘Nou?’

‘Weet je wel dat ik Amsterdam zo mooi vind, maar het állermooist als alles zo wit en fris is als nu, op een échte winterochtend?’

Ik kon Nadim ternauwernood aan de kant trekken voor een dampende hondendrol en dacht aan de winters uit mijn kindertijd. Wekenlang schaatsen, sleeën, iglo’s bouwen. Een paar dagen terug schreef ik op deze plek dat het een kwestie van tijd was voordat ikzelf  […] het vroeger zoveel rustiger, mooier, échter […] zou gaan vinden, dus keek ik in dat wijdopen bleke smoeltje, knikte en zei dat het inderdaad een prachtige winterochtend was.

‘En papa,’ zei Nadim. ‘Hebben wij een slee? Dan kunnen we vanmiddag naar het park.’

Ik dacht aan het gebarsten plastic sleetje dat we ooit in de bergen kochten en dat de afgelopen zes jaar in de opslag heeft gestaan. Ik dacht aan het geluid van te zwaar belast plastic dat over grindtegels wordt getrokken.

Hoe ver moest ik meegaan in de beleving van mijn kind? Wanneer werd instemming bedrog?

Dankbaar liet ik ons gesprek afkappen door Nadims klasgenoten, die even verheugd leken met deze witte, frisse, échte winterochtend. Ik keek naar mijn zoon en zijn vrienden en begreep dat hun blijdschap dezelfde was die ik als kind gevoeld had.

Voor het eerst waren de kinderen van nu tevreden met minder dan de kinderen van vroeger.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Weg met zwartepiet

8 december 2017 (0:33) | Marko van der Wal | Geen reacties

In ons dagelijks taalgebruik hebben we het heel lang gehad over ‘Sinterklaas en zwartepiet’. Gewoontegetrouw als we zijn. Onlangs kwamen daar de term roetveegpiet en nog wat varianten bij, want de ouderwetse zwartepiet is zwaar op zijn retour. Net als het diepgewortelde fenomeen waarvan het een uitwas is.

Zwartepiet is racisme, dat is een feit. En wie zich willens en wetens tóch uitdost met kroespruik, gouden oorringen en een zwartgeverfd gezicht is een racist. Dat verschijnsel wordt terecht bevochten totdat het is verdwenen. Kortom, de zogenaamd traditionele zwartepiet heeft afgedaan, terwijl de benaming ‘zwartepiet’ gemeengoed is.

Ons taalgebruik blijft bij nieuwe normen helaas vaak achter. Maar om het achterhaalde zwartepietpersonage uit te bannen kan juist taal ons een handje helpen, als we een goedgekozen woord kunnen vinden om duidelijk te maken hoe absurd die figuur eigenlijk is.

In dit geval is een voorstel niet moeilijk. Er zijn verschillende soorten pieten waar niets mis mee is, bijvoorbeeld de pakjespiet, wegwijspiet, rijmpiet, roetveegpiet en de stroopwafelpiet. Maar er is één die zijn onschuld heeft verloren en die niet langer voldoet, namelijk:

zwartepiet

Dat is die figuur met kroespruik, gouden oorringen en een zwartgeverfd gezicht, een karikatuur waartegen collectief een vuist wordt gemaakt. Laten we dát beestje voortaan bij de naam noemen om te laten zien hoe abnormaal zijn verschijning is. Laten we in dat geval spreken van:

zwartschminkpiet

Goed, een raar maar waar woord. Daar kunnen we de rest van het jaar herkauwen en tegen de tijd dat de Sint weer in aantocht is zal ik ‘m van harte herhalen. De strijd is immers nog lang niet gestreden.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

Wat het graan ons aandoet – de valstrik van de luxe volgens Harari

7 december 2017 (9:08) | Menno Hartman | Geen reacties

Maler_der_Grabkammer_des_Sennudem_001Een op de drie boeken vorig jaar onder de kerstboom was volgens mij Yuval Noah Harari’s Sapiens, een verfrissende kijk op de geschiedenis van de mensheid. De neiging om ver voor de geschreven bronnen te kijken als historicus is toch nog betrekkelijk nieuw. We waren nog al lang tekst-gepreoccupeerd. Het plaatst de mens in een verrassend perspectief. Er zijn twee duizelingwekkende jaartallen te onthouden in dit verhaal: 70.000 jaar voor nu, en 12.000 jaar voor nu. De oudste datum is die van de ‘cognitieve revolutie’, het moment dat de Sapiens zich langzaam losmaakt van zijn naaste verwanten en door een nog steeds niet volledig begrepen spurt in zijn denken de overhand krijgt onder de andere mensachtigen, en zich gaat verspreiden vanuit Afrika, via het Midden-Oosten over – betrekkelijk snel – de hele wereld. Het tweede jaartal is dat van de ‘agrarische revolutie’, het moment waar elke cultuur wel een ontstaansmythe over heeft, namelijk wanneer Sapiens zich de landbouw eigen maakt.

Verfrissend aan Yuval Noah Harari’s verhaal is de duidelijke weerzin die hij voelt jegens deze laatste revolutie: als jagers-verzamelaars werkten we zo’n 6 uur per dag, vulden de rest met lummelen en klooien. We hadden een buitengemeen divers menu, leefden in kleine groepen, waren relatief gezond, hadden een aardige levensverwachting als je de kindersterfte er even aftrekt.

De agrarische revolutie is voor Harari een behoorlijke terugval in de kwaliteit van leven: door grotere gemeenschappen woekeren de ziekten, we beulen ons af, we zijn afhankelijker van minder soorten voedsel, meer oorlog wegens meer bezit, een eenzijdig menu. Het begin van het sappelen zou je kunnen zeggen.

Harari weet er dan soms een inzicht van Dawkinsiaanse vindingrijkheid in te moffelen. Zoals dat het toch knap is hoe de plantensoort graan de mens heeft weten te domesticeren. Niet andersom inderdaad. Het graan heeft op een of andere manier de hoger diersoort Homo Sapiens zo ver gekregen zijn volledige bestaan in dienst te stellen van het zo ruim mogelijk reproduceren van het DNA van graan. Graan is een van de meest succesvolle planten in de geschiedenis van de aarde! Dank zij zijn immer in het zweet zijns aanschijns door ploegende en ploeterende mens.

Als iets je wel duidelijk wordt bij het lezen van Harari is de mythe van vooruitgang waarin we leven. En dat er van vooruitgang eigenlijk steeds geen sprake is. Het schrift begon doordat er meer informatie was dan ons brein aankon, religies en staten zijn mythes die helpen bij het in grotere dan stamverbanden organiseren van mensen. De agrarische revolutie was een poging tot eenvoudiger leven die we niet konden overzien en die leidde tot veel meer problemen dan we daarvoor hadden, de ‘luxury trap’ waar we sindsdien steeds maar waar weer ingetrapt zijn. Internet en informatie zal er ongetwijfeld weer zo een zijn. Het leek zo makkelijk, maar leidde ons dieper in de problemen dan we zaten.

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade, kookt zich gestaag door kookboeken heen, en droomt altijd over reizen.

Reageer >
 

Andere tijden

6 december 2017 (8:12) | Gilles van der Loo | Geen reacties

IMG_5218Het was zondag, de lucht grijs als het asfalt van de A58 waarover we reden. B en ik waren onderweg om afscheid te nemen van haar oom A, voormalig actief communist en psychiater. Door een complicatie bij zijn ziekte was de verwachting dat hij het niet lang zou maken.

We praatten weinig, vanwege het verdriet van B’s tante, maar misschien ook door de spagaat waarin we zaten: jarenlang was dit de weg naar een van de fijnste plekken ter wereld. Oom A’s zomerhuisje in Zuidzande lag tussen eindeloze velden aan een lange onverharde laan. Alleen de populieren ruisten er, en als je even naar het westen fietste nam het ruisen van de zee het over.

Hier plukte Nadim zijn eerste appel, leerde hij fietsen en rolde Otis de Hond als puppy knorrend van genot door een rottend eendelijk.

In het huisje in Zuidzande waren B en ik tijdloos, vrij en samen. Het licht is er zo fel dat zelfs de donkerste gedachte onder het tapijt schiet, het internet te traag voor het checken van je mail. Omdat de gaarden rond het huis biologisch beheerd worden kun je er eten uit de berm, en ik kookte met zoveel liefde wilde groenten op die twee kuttige butapitten dat mijn hart er bijna van knalde.

Oom A bezat ook een huisje in Venetië vlakbij San Giorgio. Het lag aan een klein plein dat tot een paar jaar terug een van de laatste toeristenloze plekken van de stad was. Ook hier kwamen B en ik al sinds ons begin. Ook hier kon ik janken van geluk als we aankwamen.

Als we met B’s oom en tante afspraken zei ik altijd hoe blij we met hun huisjes waren; wat het voor ons betekende erheen te kunnen. A reageerde steevast door te vertellen hoe mijn favoriete plekken er vroeger uitzagen, hoeveel mooier het nog was geweest.

Je kon A prima plagen en ik noemde hem een brombeer, maar wat hij vertelde ging niet langs me heen. Dat het vroeger zoveel rustiger, mooier, échter was: een kwestie van tijd tot ik dat allemaal zélf ging vinden.

Vijf jaar geleden waren we voor het laatst in La Serenissima. B huilde toen we de Campielo del Figareto verlieten. Het huisje zou dat najaar verkocht worden aan een Frans echtpaar.

‘Kom schat,’ zei ik, en trok aan B’s hand. ‘We missen de boot nog. We vinden wel een ander huis, je zult zien dat we gewoon nog elk jaar visjes kopen bij de Rialto.’

Maar we vonden geen betere plek. We zijn niet meer samen in Venetië geweest, en inmiddels durven we niet meer. Bang dat nu ook op Campo Ruga en in de Via Garibaldi viertalige menu’s achter de ruiten hangen.

Een tijdje terug las ik voor in Arti et Amicitiae, en werd aangesproken door een bejaarde man die me de groeten deed van Gabriele Bianchi, een wat oudere Venetiaanse vriend.

Ik voelde me een verrader, schreef een briefje aan Gabriele dat de man beloofde bij zijn winkel af te geven. Op weg naar huis vroeg ik me af of Anna en Francesca er te zijner tijd aan zouden denken ons uit te nodigen voor zijn begrafenis.

A lag in de huiskamer op zo’n bed met geruisloze wielen. B ging aan het hoofdeind zitten en pakte A’s hand. Het was duidelijk dat zijn geest nog scherp was en net als altijd grip probeerde te krijgen op wat hem overkwam. Maar de woorden: ze wilden er niet uit. Zelfs korte zinnen leken A volledig uit te putten.

Toen B opstond om thee te zetten nam ik haar plek in. Ik hield A’s hand vast – iets wat we nog nooit hadden gedaan en waarbij ik me afvroeg of hij het ongemakkelijk vond – en zei dat ik was gekomen om hem te bedanken. Dat ik mede dankzij hem zo vrij en zo gelukkig ben geweest. A richtte zich een beetje op. Ik bracht mijn oor naar zijn mond.

‘Nou,’ raspte hij. ‘Dat is dan graag gedaan.’

Hij klopte op de rug van mijn hand. Even dacht ik dat hij wilde aangeven dat het genoeg geweest was met dat handjesvasthouden, maar hij trok me nog iets dichterbij.

‘Wees sterk,’ zei hij. ‘Zorg goed voor ze.’

Daar zaten we, de bijna dode man en ik. Ik wilde daar naast hem zitten en geloof dat hij wilde dat ik naast hem zat. Zolang het kon wisselden we nog wat klanken uit. Er was misschien heel veel te zeggen, maar we deden het niet echt.

Ik stond op. Kuste hem. Zei dag.

In stilte reden we terug over de A58. Ik zou nooit meer tegen B zeggen dat het wel meeviel. Mensen en plekken gaan soms echt voorbij.

Nu staat het huisje in Zuidzande te koop. Red het en heb het lief. Wij kunnen het niet betalen.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Monument voor een dag

2 december 2017 (10:57) | Arjen van Lith | Geen reacties

MLK Mural and after

Het Civil Rights Museum in Memphis, Tennessee is gevestigd in en onder het voormalige Lorraine Motel, waar Martin Luther King op de galerij werd doodgeschoten. Binnen staat een opgeblazen bus van de Freedom Riders uit 1961 waar je niet in mag en een bus met rechts voorin een opgezette Rosa Parks waar je wel in mag.

De apotheose van de rondleiding is de hotelkamer waar MLK zijn laatste nacht heeft doorgebracht. Het bed is bestudeerd onopgemaakt – beslapen maar niet afgeragd – en op het dressoir staat een dienblad met een leeg ontbijtbord, een asbak vol neppeuken en een nepkartonnetje melk uit april 1968. Niet alleen alles in de kamer maar ook daarbuiten, over de balustrade, op het parkeerterreintje met auto’s uit die tijd; alles is gefixeerd op het moment van de moord, alsof er haarlak overheen is gespoten.

In het Civil Rights Museum zag ik ook een foto uit 1965 van King op een stoep in Selma, Alabama, geknield met zijn aanhangers in protest tegen raciaal geweld, precies zoals de American Footballspeler Colin Kaepernick en andere atleten nu wekelijks demonstreren tijdens het volkslied voor de wedstrijd. Trump noemt hen onpatriottisch. Ik weet dat het allemaal rood vlees voor de meute is en dat ik meer op de belastingplannen moet letten, op deregulering en het grote geld in de Amerikaanse politiek, maar dit plaatje van King op één knie leek me een goede muurschildering voor HOPE Gallery, een verlaten bouwproject tegen een heuvel in downtown Austin waar je vrij graffiti mag spuiten.

Het grote verschil met schrijven is dat je bij tekenen en schilderen gewoon een muziekje kunt opzetten. Dat je niet per se in je diepste lijden hoeft te tasten voor een productieve werkdag, maar ook zonder gedoe een lijntje kunt overtrekken, of in mijn geval uitsnijden. En het is meditatief. Veel valt terug te brengen tot eenvoudige, repeterende handelingen die je ook gedachteloos hoogwaardig kunt uitvoeren. Als ik niet zo goed had kunnen leren, was ik naar het grafisch lyceum gegaan.

Bij stencilafbeeldingen gaat de meeste tijd zitten in de voorbereiding. Voor iedere kleur of gewenste dekkingsgraad ontwerp en snij je een apart sjabloon. Hoe meer sjablonen, des te gedetailleerder en kleurrijker het eindresultaat. Vanwege de korrelige kwaliteit van de originele zwart-witfoto heb ik het simpel gehouden: aan de snor moet je zien wie het is.

Bovenaan de heuvel, met uitzicht op de skyline van Austin, ging het aanbrengen van de afbeelding razendsnel. Wandje witten, sjablonen in positie en spuiten maar. Er had zich een groepje mensen om ons heen verzameld toen ik de laatste stukken karton wegtrok – bijna een onthulling. Voor extra monumentaal effect schilderden we ook het betonvloertje ervoor wit, zodat King wat meer, hoe zeg je dat, Lebensraum kreeg.

Het was druk. Ik was bezweet en ontdekte dat ik mijn trouwring zwart had gespoten. Ik poseerde naast een meisje met een grote 7 op haar T-shirt, het rugnummer van Colin Kaepernick. Andere bezoekers maakten selfies en groepsfoto’s op één knie. Een oudere man met een heel dun vlechtje stond minutenlang zwijgend naar de afbeelding te knikken. Iemand vroeg of ik dit politiek bedoelde.

Inherent aan street art is de vergankelijkheid ervan. Dat is niet erg. Niets is heilig, niets gefixeerd, documentatie is alles. Ik had mijn best gedaan om een serene, museale omgeving voor MLK te creëren die gepaste afstand gebiedt en ik hoopte dat de aard van de afbeelding bij veel, zo niet alle Amerikanen respect en hopelijk wat terughoudendheid zou afdwingen. Toch wist ik dat ik het onvermijdelijke slechts tijdelijk op afstand kon houden. Uiteindelijk zal ook Martin Luther King Jr. verdwijnen onder een verse laag piemels en protestleuzen.

Ik had alleen niet gedacht dat het zó snel zou gaan.*

_______________________

* Het rechterdeel van de foto is genomen op zondagochtend 26 november 2017, nog geen dag na plaatsing van de afbeelding (zie linkerdeel).

 

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas. Als hij niet schrijft, maakt hij af en toe straatkunst.

Reageer >
 

Jun’ichirō Tanizaki

30 november 2017 (9:11) | Menno Hartman | Geen reacties

brugIn de slipstream van Murakami, – die zich in zo’n populariteit verheugen mag dat er complete festivals rond zijn werk uit de grond gestampt worden – bereiken nu toch ook steeds meer Japanse schrijvers het grote publiek. Na Kenzaburo Oe is Kazuo Ishiguro de eerste auteur met Japanse achtergrond  die recentelijk de Nobelprijs ontving. Daarvoor hadden we in 1968 nog Yasunari Kawabata. Drie Groten dus. Maar vergeet het Japanse bibliotheekje van Coppens & Frenks niet.

Ishiguro’s debuut A Pale View of Hills, is een opmerkelijk Japans verhaal, dat zich vooral in het naoorlogse Nagasaki afspeelt. Een opvallende overeenkomst met werk van bijvoorbeeld Murakami is een dunne grens die het verhaal soms scheidt van het surrealistische of horror-achtige. Duister is het hier en daar.

In februari verschijnt bij Van Oorschot Junpei Gomikawa’s Menselijke voorwaarden een zeer omvangrijke en buitengewoon Japans meesterwerk in een vertaling van Jacques Westerhoven. Nu al in de winkels dit boek van Jun’ichirō Tanizaki: De brug der dromen.

Zijn essay Lofzang op de schaduw is terecht befaamd, al was het alleen maar omdat je je in een Europees essay zo moeilijk kunt voorstellen dat er pagina’s lang de lof gezongen wordt van lekker op het schijthuis door de kieren heen naar het bos kijken. Een verfrissend architectonisch essay dat je ook weer eenvoudigweg doet uitzien naar het duister. Maar veel van zijn verhalen zijn verrassend. Ik vond in deze bundel naast het geweldige voorwoord van Jos Vos, de vertaler – zo lees je maar weinig voorwoorden – de verhalen De brug der dromen,  en Het geheim, Omtrent mijnheer Van de Groenheuvel echt heel bijzonder.

In dat laatste verhaal schrijft een regisseur in zijn testament aan zijn knappe vrouw die zijn muze en belangrijkste actrice was een ontmoeting met een man die veel meer van zijn vrouw bleek te weten dan hijzelf. Wat met een onschuldig tekeningetje van het precieze kuiltje in haar kin  en de loop van haar hals begint, eindigt in een verrassend onaangename apotheose. een profetisch verhaal over massacultuur.

Wanneer je eerst het schaduwessay leest en dan de rest, dan valt de schaduw van dat essay over alles heen, het is een vast motief in Tanizaki’s werk. Duister en schaduw als ruimte voor verlangens en dromen. Maar ook een platonisch besef het echte leven niet te leiden. Ook die van de perverse zakenman in het filmverhaal:

‘Als je iemands hele lichaam kent, behalve een of twee delen, kun je daaruit opmaken hoe de rest eruit ziet, zoals je bij een algebraïsche vergelijking onbekende grootheden afleidt uit bekende. Aan dit principe getrouw, beweerde de man dat hij  de nog onbekende delen van je lichaam had ‘afgeleid’ door alle stukjes naast elkaar te leggen die hem uit filmscènes bekend waren. Zo was hij aan de weet gekomen hoe je bilspieren in zon en schaduw werden gedompeld.’

 

——-

img_2482Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot en was redacteur bij Tirade.

 

Reageer >
 

Samen schrijven

29 november 2017 (9:30) | Gilles van der Loo | Geen reacties

Bilingual 026Anne-Marieke Samson stelde voor dat zij, Wytske Versteeg en ik samen een verhaal zouden schrijven. We spraken af in een café en op weg naar die afspraak bedacht ik al hoe ik zou gaan melden dat ik daarvoor geen tijd had.

Er was nóg een reden waarom ik nee moest verkopen: ik heb in elke periode maar een beperkte hoeveelheid verhaal in me en dit nieuwe plan zou aandacht wegtrekken van de roman waar ik aan werk.

Het was een koude avond. Ik bestelde koffie met Calvados en liet me meeslepen in hoe we dit project zouden kunnen aanpakken en wat de kern van ons verhaal zou zijn. Het stemmetje dat nee zei viel al snel weg in het geraas van het Rembrandtplein (we zaten op het verwarmde terras van Schiller).

Ik luisterde naar A.M. en Wytske en bedacht dat er in een jaar maar een paar momenten zijn waarop ik me écht schrijver voel. De presentatie van een eigen boek is zo’n moment, de presentaties van anderen zijn dat ook wel. Ik gaf de laatste tijd les en dat helpt: jezelf horen praten over hoe dat nou moet, een boek schrijven. Maar in het komende semester kan ik wegens drukte geen cursus / lesblok meer verzorgen.

Ik fantaseerde mee over een onderwerp, personages, de opbouw van wat we al snel een novelle noemden. Het begon te regenen en werd rustiger op het plein. Mijn nee leek met het avondvolk opgelopen en om de hoek verdwenen.

Schrijvers werken alleen. Soms mailen ze elkaar, meestal over leestips. Ze zien elkaar op presentaties, bij interviews en – als ze mazzel hebben – op het boekenbal.

Maar schrijven is communiceren, dus is er altijd een belangrijke ander, degene van wie je mag aannemen dat hij luistert, op de juiste momenten knikt en geraakt wordt als jij dat zelf ook bent. Het geluk van de schrijver is dat hij niet afhankelijk is van de reactie van zijn publiek om kunst te kunnen maken. De ellende schuilt er (onder andere) in dat wat hij aan het maken is niet kan worden bijgestuurd naar gelang de reactie van zijn publiek mee- of tegenvalt.

Nu werk ik elke maandag aan twee bladzijden voor Het debuut van Job C. Zwaluw. Over een paar weken zien we elkaar om te bespreken waar het allemaal heen gaat, om de lijnen op elkaar af te stemmen. Mijn deel van Het debuut is op mijn manier geschreven, maar ik merk dat er iets anders is, dat ik aan Anne-Marieke en Wytske denk terwijl ik werk. Alsof de onzichtbare lezer waar ik altijd tegen praat opeens bij me in de kamer staat. Staan. Alsof ze bij me in de kamer staan.

Een ochtend per week zit ik met zijn drieën in de witte kamer. Het is onwennig, het is druk, maar het is niet alleen.

Ik heb heel erg zin in onze tweede afspraak. Het gaat vast prachtig worden.

____________________________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) was redacteur van Tirade. Sinds 2010 publiceerde hij online en in diverse bladen. Hij schreef de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind. In 2016 verscheen zijn sterk autobiografische roman Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >
 

Doorslaan

25 november 2017 (6:09) | Arjen van Lith | Geen reacties

Deurknop

In een interview met het tijdschrift Vulture zei John Cleese dat het verschil tussen Amerikanen en Engelsen het duidelijkst zichtbaar is wanneer het bovenste laagje beschaving afbladdert. ‘In America when men go wrong they become psychos, whereas in England they become wimps.

Van Engelsen heb ik geen verstand, maar verder heeft Cleese gelijk. Zelfs in een relaxte stad als Austin staan er beangstigend veel mensen op doorslaan. Vanochtend nog, bij Starbucks: ‘I swear to god, I’m gonna fucking KILL somebody!’ brulde een dieprood aangelopen businessvijftiger met een headset vlak voor me in de rij. Achteraf denk ik dat hij ‘t niet tegen mij had, maar op zo’n moment handel je instinctief. In een razendsnelle reflex schakelde mijn lichaam over op het noodprotocol voor acute risicosituaties – ik trok m’n nek in, draaide mijn pupillen weg en begon in het fladdertempo van een kolibrie met mijn ogen te knipperen, zoals je ook wel doet vlak voordat een bijl op je neerkomt.

Bij het stoplicht zag ik Dave, een voormalig dakloze veteraan uit de straat die ondanks zijn verbeterde woonsituatie nog dagelijks op zijn oude bedelstek komt buurten. We rookten een Marlboro en ik vroeg hem of hij blij is met zijn nieuwe huisje. Hartstikke blij: ‘If they ever come ‘vict me, I’m-a find me someplace high ‘n start shootin.’

Verdwaald in The Home Depot, waar het assortiment van nature al veel maniakken aantrekt, trof ik bij het tuingereedschap twee dikke rednecks die hun doorslagmoment net achter de rug hadden. Een crime passionel misschien, of anders een familiedrama. Een van hen leek kortgeleden te hebben gehuild. De ander droeg een zonnebril en keek steeds nerveus om zich heen terwijl ze een pikhouweel, twee scheppen en een kettingzaag in hun karretje laadden. De huil-redneck zag me staren en fluisterde iets tegen zijn vriend terwijl zijn bloeddoorlopen kraaloogjes beurtelings van hem naar mij flitsten. Het waren geen geharde criminelen, denk ik, maar Fargo leert ons dat juist incompetentie kan leiden tot een gruwelijke moordspiraal waarin steeds nieuwe getuigen uit de weg geruimd moeten worden. Ik had grondverf nodig en geen bezem, maar toch greep ik er eentje uit het rek en snelwandelde richting de kassa.

De plastic beschermhoezen over de achterbank konden ook bedoeld zijn om de boel schoon te houden, maar ik had meteen spijt van deze Uber-rit terug naar huis. Aangeschoten na een etentje bij een vriendin, mijn M. op zakenreis, Barry White op maximaal volume en een zwijgende bestuurder met een leren pet die me via de achteruitkijkspiegel scherp in de gaten hield; alle ingrediënten voor een lustmoord waren aanwezig. Op Google Maps volgde ik stiekem de route, zodat ik me bij de minste afwijking direct uit de auto kon werpen.

’s Nachts hoor je hier weinig. Alleen de goederentrein die door de stad boemelt en af en toe een langgerekt ‘FUUUUUUUUCK!’ van iemand wiens leven in elkaar stort aan de andere kant van het blok. Zeg dat wel, denk ik terwijl ik naar beneden loop om nogmaals het nachtslot te checken. Fuck. Vroeger was ik zorgeloos.

______________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

Hoarding

24 november 2017 (13:00) | Marko van der Wal | Geen reacties

Toen ik bezig was het grofvuil aan de straat te zetten kwam er net een dame uit een busje gestapt.

‘Zo, grote opruiming? Fijn hoor, ik ben op zoek naar van alles. Jullie hebben zelfs plastic bloemen, zie ik.’

‘Daar hebben we er nóg wel een paar van. Hebben?’

‘Nee, moeders is niet gek. Ik kan niet alles zomaar meenemen. Dan zou ik dit er ook bij krijgen, zeker?’ zei ze terwijl ze met een aluminium tafelpoot of wat daarvoor doorgaat naar de stapel wees.

Onder de lantaarnpaal stonden, met dank aan de buren, onder meer een bankstel (hoekmodel), een lage kast, drie matrassen en een soort kinderledikant, met daartussen allerhande zooi. Terwijl ik het laatste van onze lading ging halen graaide zij tussen de aangespoelde vuilniszakken en de uitgespreide kleding. Toen ik terug was had ze alles wat ik net naar buiten had gebracht in haar busje gemikt. Behalve het neppe Perzische tapijt.

Toen ik hierover aan iemand vertelde was de reactie dat ze weleens een zelfbewuste hoarder kon wezen. Iemand die tegen de klippen op dingen hamstert dus, en dat kan van alles zijn. Sommige leggen erop zich toe zoveel mogelijk van één ding op te potten, terwijl andere juist alles bij zich willen houden. Ik hoorde laatst een voorbeeld van iemand die nooit reclamefolders weggooit, waardoor het huis nu vol flyers ligt. In het bijzonder die van de lokale pizzaboer.

Een hoarder verschilt van een verzamelaar doordat-ie geen hiërarchie in al die spullen weet aan te brengen. Verzamelaars zijn er over het algemeen op gebrand de samenstelling hun verzameling te verbeteren door wat toe te voegen of te laten afvloeien. Hoarders zijn daarin niet geïnteresseerd omdat het hun niet gaat om de waarde van afzonderlijke spullen maar om het in stand houden van het geheel. (Dat wil niet zeggen dat een verzamelaar geen trekken van een hoarder kan hebben of andersom.)

De vraag waarom iemand aan het hamsteren slaat wordt meestal zo beantwoord: van de persoon in kwestie is vroeger, in de jeugd, iets afgepakt en dat verdriet is nooit overwonnen. Om zulk verlies te voorkomen koestert iemand een verzameling spullen.

Dat lijkt mij kort door de bocht maar niet onaannemelijk. Interessanter vind ik de vraag waarom de een zich toelegt op pizzafolders en de ander alles opscharrelt wat-ie bij het scheiden van de markt maar kan vinden. Soms hangt dat helemaal niet samen met het voorwerp uit bovenstaande theorie.

Ik sluit af met een voorbeeld van iemand die alles hamsterde. Toen ik net Amsterdam kwam wonen deelde ik een appartement met huisbaas W. Hij ging steevast aan het eind van de dag naar het Waterlooplein om daar het overgebleven spul te halen. Zodoende stond het huis vol met allerhande dingen waarvan ik me al vrij snel niet meer afvroeg waar ze goed voor waren. Mijn kamer had ik ‘gemeubileerd’ gehuurd, wat betekende dat het net als de rest van de ruimte als opslaghok diende. Toen ik op een goed moment een aantal kitscherige schilderijtje naar de gang had verplaats zei W. streng dat ik ze beter aan hem kon geven, ‘want die konden nog weleens geld waard zijn’. De koelkast stond in de badkamer en als je wilde douchen moest je eerst een kuub spullen verplaatsen.

Desondanks hielden we het goed met elkaar uit. Ik mocht gebruikmaken van zijn verzameling muziekinstrumenten, maar toen ik een keer zijn Korg Mini had gepakt werd hij boos. Dat was niet de bedoeling. Wat er achter zijn hoarding zat weet ik niet. Voordat ik het hem kon vragen verhuisde ik en W. overleed na een kort ziekbed.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds vier jaar blogt hij voor tirade.nu.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
 
Nr.466 Nr.467 Nr.468 Nr.469
 
bestel
 
 
voorpagina