Blokker, aan een bezoek gedachten bij

29 augustus 2016 (9:45) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

20160821_123637

Thuis

oost best

west

Huisje

een kruisje

heeft z’n

elk

Thuis

uit samen

uit

Huis

de kat als

is de muizen

tafel op dansen

van

Thuis

Het klokje

Nergens tikt tikt

het zoals

IMG-20160820-WA0001Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Reageer >
 

Happy doomsday

28 augustus 2016 (8:00) | Marjolein Takman | Geen reacties

Photo credit audrey_sel via Flickr

foto audrey_sel via Flickr

Afgelopen zomer heb ik werk gedaan waarvoor ik me wel moest concentreren, maar niet echt veel na hoefde te denken. Sterker nog, te veel nadenken werd afgeraden. Mensen die te veel nadenken hebben namelijk de neiging om uiteindelijk geen beslissing te nemen en nergens aan toe te komen, en dat kon het betreffende project niet gebruiken. In de eerste week maakte ik een playlist aan die ik Anger Issues noemde. Het was niet zo dat ik de hele tijd boos was, maar agressieve muziek vulde de leegte in mijn hoofd die het niet-nadenken achterliet.

Mijn collega’s hadden ook hun manieren om bezig te blijven naast het bezig blijven. Op sommige dagen praatten ze veel. Hun gesprekken gingen over alles van Ajax tot Augustinus. Eén van mijn collega’s vertelde dat hij had gehoord dat er steeds meer “doomsday preppers” in Nederland zijn. Dat zijn mensen die hun kelder volstouwen met blikken bonen zodat ze kunnen overleven als er een nieuwe wereldoorlog uitbreekt of andere apocalyptische situatie ontstaat. Ik ben geen doomsday prepper. Als doomsday eraan komt, denk ik dat ik toch liever aan de gevolgen sterf dan dat ik verder leef in een bunker vol blikvoer.

Toen ik de agressiviteit zat was, wendde ik me tot podcasts. Ik vond een podcast van NPR: Invisibilia, waar ik uren naar luisterde. Wat het punt is van deze serie weet ik niet precies. Elke aflevering draait om een soort “onzichtbare kracht”. De eerste aflevering die ik luisterde heette “How to become Batman”, en uiteraard was die titel de voornaamste reden dat ik het aanzette.

Het verhaal begint met een anekdote over ratten. Een wetenschapper had twee groepen ratten die hij weggaf aan mensen die de rat een week lang moesten voorbereiden op het doorlopen van een labyrint. De ene groep mensen kreeg te horen dat hun rat bovengemiddeld slim was. De andere groep mensen zou een domme rat mee naar huis nemen. Dat waren beide leugens. Er waren geen domme of slimme ratten, ze waren min of meer hetzelfde.
Een week later deden de ratten de test. De ratten die bij mensen hadden gewoond die dachten dat ze een slimme rat in huis hadden, deden het veel beter dan de “domme” ratten. ‘It wasn’t even close,’ zei de wetenschapper.

Dit voorbeeld was de aanloop  naar het voornaamste onderwerp van de podcast: een blinde man die in zijn opvoeding nooit had gehoord dat hij iets niet zou kunnen omdat hij blind was. Als kind klom hij in bomen, hij fietste en rende. Hij verloor zijn weliswaar wat tanden toen hij tegen een lantaarnpaal rende, maar zijn zintuigen ontwikkelden zich zo goed dat hij een belevingswereld heeft die gelijk is aan dat van een ziend persoon. Vandaar de titel “Batman”.

Waar het uiteindelijk om draaide, was de kracht van verwachtingen. Als we verwachten dat iemand iets niet kan, heeft dat daadwerkelijk invloed op de prestatie van die persoon. Een rat wordt dommer als je hem behandelt alsof hij dom is. Een blinde man wordt beter in het leren kennen van zijn omgeving als je hem niet vertelt dat hij het niet kan.
Dezelfde avond vertelde ik dit alles vol enthousiasme aan mijn vriendin.
‘Dat is al jaren bekend en dat heet het Pygmalion-effect,’ zei ze droog.
Ik hoorde aan haar stem dat ze er iets aan toe had willen voegen als “maar jij luistert nooit naar mij, dus daarom ontdek je dit nu pas.”

Thuis zocht ik naar Pygmalion op Google. Dat blijkt een beeldhouwer geweest te zijn die zo’n perfecte vrouw beeldhouwde dat ze tot leven kwam en hij kinderen met haar kon maken. Dat gaat toch net wat verder dan ratten soepel door een labyrint rennen. Maar desondanks was ik meer in de war dan op elk ander willekeurig moment.

Die hele podcast klonk me zo verrekte logisch in de oren dat ik me afvraag welke van mijn overtuigingen ik nog meer moet laten varen. Moet ik toch naar Zuid-Limburg verhuizen? Zijn mensen wel op aarde om elkaar lief te hebben? Is het echt de moeite om boter op warme toast te doen?  Ik verwacht soms dat het naar regen zal ruiken als ik naar buiten loop. Verder verwacht ik vooral teleurstelling. Doomsday preppers verwachten tenminste nog om te kunnen gaan met de ellende die op ze af komt.

Sinds ik overtuigd ben van de kracht van verwachtingen, is er iets veranderd. Ik overweeg toch een bunker te bouwen voor als ik ooit ga geloven in Doomsday. Het kan een heel klein hoekje van mijn kamer worden. Ik denk niet dat ik voor eten ga zorgen, maar er zal wel iets te doen zijn. Misschien kunnen we een tekening maken. Misschien steek ik wat kaarsen aan met de hellevuur we waar ons in bevinden. Het belangrijkste is dat er een deur in de bunker komt, zodat we naar buiten kunnen als de wereld in elkaar stort. Ik denk dat het nog best gezellig zal worden.

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Reageer >
 

Toevallige ontmoetingen

26 augustus 2016 (7:32) | Marko van der Wal | Geen reacties

In alle vroegte zat ik bij een gate op Schiphol te wachten op mijn vlucht naar Kreta. Mijn aandacht werd getrokken door een bekende die op de rolband stond. Ik was nog niet goed en wel wakker, en had mijn ogen nog niet goed uitgewreven. Hij had blijkbaar hetzelfde, want ik zag zijn hoofd vorsend bewegen, terwijl hij langzaam naderbij kwam. Tegelijkertijd schudden we ons hoofd ten teken van herkenning.

Ik gaf hem een hand en liep met hem mee tot het einde van de band. We vermeden clichés als ‘jij hier?’ en ‘goh, wat toevallig nou!’, omdat we voelden dat het niet aangaat zoiets uit te spreken. Hij zou de andere kant op reizen, met het toestel een gate verderop. Hij moest net aan mij denken, zei hij, want ik ben de enige die hij kent die een flat-white bestelt.

Toen hij de slurf naar het vliegtuig in ging zwaaide ik, maar ik weet niet of hij het heeft gezien. De rest bleef onbenoemd.

Iets meer dan tien jaar geleden was ik met mijn ouders en zus aan de westkust van Amerika. Tussen Los Angeles en San Francisco bezochten we Hearst Castle, een megalomaan kasteel van de krantenmagnaat Hearst op wiens leven de film Citizen Kane is gebaseerd. Het is een van de meest bezochte bezienswaardigheden van de omgeving. Bij het aanpalende restaurant dook ineens een oud-klasgenoot van mij op, en toen zijn zusje. En toen hun ouders, met wie de onze een beleefdheidsgesprekje begonnen – veel viel er niet te zeggen.

We kenden elkaars vakantiebestemmingen niet van tevoren, maar we waren elkaar toch tegengekomen. Als het onmogelijk was elkaar zelfs op een afgelegen plek aan de andere kant van de wereld te ontlopen, dan is qua toevallige ontmoetingen alles mogelijk.

Op de eerste dag van mijn reis ontmoette ik twee Quebecois die net begonnen waren aan hun maandenlange zwerftocht door Europa. Een paar dagen later, in een stad honderd kilometer verder, kwam ik ze weer tegen. Ze zouden hun weg net als ik naar het zuiden van het eiland vervolgen. Op de weg terug gebeurde iets soortgelijks, toen bleek dat een paar gasten van de nacht ervoor me waren gevolgd naar de stad waar mijn reis was begonnen en zou eindigen.

Maar de vreemdste toevalligheid dook op na de vakantie. In het Archeologisch Museum van Kreta stonden ik en mijn reisgenoot versteld, niet alleen van de vondsten maar ook van de vondsten waarvan we niet wisten dat die zich hier bevonden. Hij schreef over de Schijf van Faistos: ‘Het is een rare gewaarwording wanneer je onverwachts oog in oog staat met iets waarvan je wist dát het bestond en wat het precies was, maar waarvan je geen idee had dat het daar op die plek voor je neus te zien zou wezen.’

Bij de presentatie van Imme Dros’ nieuwe vertaling van de Odysseia, gisteren, zag ik aan een ketting om haar hals een replica van de Schijf van Faistos hangen.

 

Marko van der Wal (1989) is opgeleid als classicus, redacteur van Tirade en werkt bij Uitgeverij Van Oorschot. Sinds drie jaar blogt hij bijna wekelijks voor tirade.nu.

Reageer >
 

De bouwende bokser

24 augustus 2016 (16:30) | Menno Hartman | Geen reacties

Tadao

een lang pad, een steen, een paal en een muur…

Als ik ernstige koorts heb droom ik gebouwen. En ook in gezonde toestand is mijn dromen opvallend vaak architectonisch van aard. In momenten van verveling schets ik plattegronden van badkamers, hele mooie. Mijn nieuwe architectonische held is Tadao Ando. Deze zomer bezocht ik het Lee Ufan Museum op het eiland Naoshima. Een geweldige combinatie van kunst van deze Koreaanse meester, en omgeving en architectuur, omdat kunstenaar zowel als architect zichzelf een gelijksoortige zen-achtige beperking op lijken te leggen.

Waardoor het een lichamelijke beleving is naar Ufangs kunst te kijken in Ando’s gebouw. Het klopt bij elkaar. En het levert veel minder of een andersoortige informatie dan je gewend bent in een museum. Vooral veel minder denk ik.

LEE-UFAN-MUSEUM-NAOSHIMA

halverwege binnen en buiten

Iets dergelijks beleef je ook in het Guggenheim in New York: de architectuur van het gebouw helpt heel erg de kunst die het etaleert te waarderen.

Wat gebeurt er nu eigenlijk als je bij aanlopen een lang pad, een steen, een paal en een muur ziet? (figuur 1)

Het lijkt me een nieuwe variant op een in Japan oud principe, dat van de zen-tuin. De compositie van de stenen daarin is grondig overdacht, is gericht op 1 kijkpunt, en representeert de wereld. En lijkt nadenken te bevorderen. Heel eenvoudige balans, om de kijker die geconfronteerd wordt met die balans zich te laten afvragen wat die balans betekent. En na even nadenken erachter komen dat je denkt dat die balans niets betekent, maar dat het heel plezierig is ernaar te kijken. Dat het dus balans is. En dat je er even bij moet gaan zitten.

Iets dergelijks geldt voor als je de muur gepasseerd bent en een stuk gelopen hebt, dan geraak je bij de tweede foto, je bent nog niet binnen, maar ziet in een overgangsplek zowel het binnen waarheen je gaat als het buiten vanwaar je komt.

De meest verfrissende gedachte is nog wel dat deze Tadao Ando niet eindeloos in zenboeken heeft zitten studeren, of heel veel post-constructivistische meesterwerken gelezen heeft, nee, hij was vrachtwagenchauffeur, en bokser. Een selfmade architect.

Ik droom nog even door.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Reageer >
 

Gedachten bij een generale

22 augustus 2016 (10:38) | Roos van Rijswijk | Geen reacties

800px-SlagroomtaartEr repeteert een amateurorkest in de kerk te M., ik ben in M. omdat ik er iets wil eten tijdens een fietstocht. Voor de kerk staat zo’n man die overal bij hoort, de dorpsvereniging, de blaaskapel, de feestcommissie, de bewonersvereniging en de vrienden van de lokale natuur – hij lokt me de kerk in.

‘Het is de generale,’ roept hij me na als ik onwillig de glazen draaideuren door ga, in die draaideuren ruikt het sterk naar koffie en koek.
Het is een sobere kerk, ik loop over de graven naar waar het orkest zit en sla ondertussen folders en een lidmaatschap van de lokale omroep af.

Later lees ik op Wikipedia dat de laatste begrafenis in de kerk op 30 december van het jaar 1830 heeft plaatsgevonden, maar er staat niet bij wie er dan als laatste begraven is en of er een beslissing aan vooraf is gegaan, of er misschien eigenlijk wel drie mensen begraven moesten worden die dag maar dat er maar één de laatste kon zijn in de kerk die verzakte op de holtes die lijken achterlieten, dat de rest het met een sober kerkhofje moest doen, onder het gras en niet onder steen, verder weg van God en zonder de gedachte dat hun eigen familie nog decennia met de voetzolen het graf zou bepotelen. Ik vraag me af of er tijdens die laatste begrafenis in 1830 mensen ongepast nostalgisch werden, nog even genoten van de plechtige treurigheid die versterkt werd door het gewelf.

De generale repetitie verloopt dramatisch; de dirigent moet regelmatig stoppen om aanwijzingen te geven, zelfs ik hoor dat het vals is en uit de maat, vooral één toetertje dat overal scheef bovenuit jammert, steeds gevolgd door een hoestende viool.
Arm orkest.
Vanavond is de lokale omroep er, ze staan al op te bouwen, en dan zitten alle muzikanten aan die onhandige blazer vast. Na afloop moeten ze hun familie uitleggen dat hij nieuw is, die blazer, of het zoontje van de dirigent. Arme ooms en moeders, die dan moeten zeggen dat de dwarsfluit of de klarinet of de altviool wél heel goed klonk, en dat ze dat dan iets te enthousiast zeggen omdat ze na anderhalf uur stroeve kutmuziek luisteren met hun billen op keiharde bankjes eindelijk een kopje koffie mogen, al is die koffie waterig en smaakt hij naar de geur van nat karton. En dat de neefjes en nichtjes heus wel weten dat er gelogen wordt, zelfs door tante Els die altijd op een kussentje mag zitten omdat ze het aan haar rug en haar karakter heeft, dat ze niks waard zijn als hoboïst en als mens, dat ze de muziek niet snappen en de Bijbel niet snappen en dat hun jaarlijkse hoogtepunt altijd een kringverjaardag met slagroomtaart van de HEMA zal blijven, een half puntje, want ze zijn op dieet.

Onder hun voeten slaan 30.000 dooien de handen voor hun holle ogen.

IMG-20160820-WA0001Roos van Rijswijk is redacteur van Tirade. Ze publiceerde proza in diverse tijdschriften en de roman Onheilig (Querido, 2016).

Reageer >
 

Als alles geluid maakt

21 augustus 2016 (9:39) | Marjolein Takman | Geen reacties

Foto: Rushen (Flickr)

Foto: Rushen (Flickr)

Negentien jaar woonde ik op een helling boven een soort sloot. Ik rolde vaak van de helling af. In de zomer telde ik kikkers. Dat was niet moeilijk, want er waren er heel veel. Elke groene kikkerkop die boven het water uitstak was één kikker. Dus ik telde er heel veel dubbel, maar vergat ook alle kikkers die even niet boven water waren. Het zou me niet verbazen als er honderd kikkers in die sloot lagen. Honderd kikkers die vooral ‘s nachts kwaakten.

Tegenwoordig hoor ik ’s nachts geen kikkers meer, maar een collectief van geluiden waar ik aan heb moeten wennen. De manier waarop hier een deur dichtslaat. De stem van het vriendje van mijn huisgenoot – het is de stem van een jongen die zelf niet weet hoe hard hij praat. Het gerochel van de afvoer. Het gevoelsleven van de boiler. Ik ben zo lang gewend geweest aan niks dan kikkers, dat elk ander nachtelijk geluid een kanonschot is geworden.

Een paar kilometer van de sloot met honderd kikkers ligt een voetbalstadion waar wel eens een dance-event wordt georganiseerd. Ik heb geruchten gehoord dat de organisatie de omwonenden kaartjes geeft voor dat soort evenementen zodat ze een nacht kunnen feesten in plaats van een nacht wakker liggen. Ik denk niet dat het zin heeft gehad, want een paar kilometer van het stadion ligt een sloot met honderd kikkers waar de geluiden van dreunde bassen nog te horen zijn. Als je iedereen in een straal van het stadion tot de sloot een kaartje wil geven, moet het stadion een kelder, een zolder en een trap naar de maan krijgen om alle mensen een nacht te kunnen laten feesten in plaats van een nacht wakker liggen.

Honderd kikkers maken geluid zoals alles altijd geluid maakt. Honderd kikkers brengen veel meer geluid voort dan een tv op normaal volume, een paar gipsmuren verderop. Honderd kikkers onder je raam brullen harder dan een dance-event op afstand. Maar het geeft niet, omdat een kikker zoveel makkelijker te begrijpen is. Ik heb kikkers gezien. Ik begrijp een kikker zoals ik mijn eigen stemgeluid ook begrijp. Het spreekt vanzelf. Waarom een stereo zo kan dreunen, waarom een tv zo kan zeuren, begrijp ik niet.

Soms komen er midden in de nacht twee motorrijders op de parkeerplaats staan en ik kan niks anders doen dan de lamellen opzij schuiven en naar buiten staren tot ze wegrijden. Als het half vijf in de ochtend is en een diepe stem zich door drie lagen rubber in mijn gehoorgang dringt, is dat een tv binnen een straal van drie tot vijf vierkante meter van mijn hoogslaper. Het getik is de verwarming. Het gekraak is het bed van mijn buurmeisje. Ik luister altijd liever naar kikkers.

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Reageer >
 

Rio

20 augustus 2016 (13:42) | Arjen van Lith | 1 reactie

Speedo2

Op Bagdad en Johannesburg na was Rio de Janeiro de gevaarlijkste stad van de wereld toen M. en ik daar vakantie vierden. Dat was in 2008, toen alles economisch nog geweldig ging in Brazilië.

We logeerden in Ipanema, waar onze vriend A. – een flamboyante Nederlandse modeontwerper van pensioengerechtigde leeftijd – een penthouse bewoonde met zijn 26-jarige inheemse mooiboy A2. In ons gezelschap bevonden zich verder nog A3, een steenrijke voormalige leernicht van 85 die zijn hele Rolexverzameling op vakantie had meegenomen, en C., het ternauwernood postadolescente inruilmodel van A2, met golvend halflang haar, vochtige Bambi-ogen en een wrede mond. A2 en C. lagen elkaar niet zo, maar daar merkten wij weinig van; wij hadden onze eigen badkamer.

A2 groeide op in een soort grot in de provincie Minas Gerais. Toen hij zes was, werd zijn vader door bendeleden doodgeschoten. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een Nederlandse verblijfsvergunning.

Tijdens een pool party vertelde C. me dat hij een dag eerder een vrouw naast hem voor het stoplicht in elkaar had zien zakken. Geraakt door een verdwaalde kogel. C. groeide op in de favelas van Rio. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok iedere dag naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een creditcard van de zaak.

M. en ik hadden gelukkig nog weinig gemerkt van de gevaren van Rio, totdat we na een bezoekje aan het schokkend povere Museo de Arte Moderna (MAM) terugkeerden in het penthouse. A2 en C. waren er op dat moment niet, maar A. en A3 wel: kwijlend en lallend kropen ze over de parketvloer, terwijl het op dat moment nog geen half vier was. In de deuropening naar de logeerkamer waar A3 zijn horlogecollectie had uitgestald, stond een grote, vreemde man die een zure zweetlucht verspreidde. Onze plotselinge entree op de plaats delict had hem zichtbaar van zijn stuk gebracht, maar hij herpakte zich snel, professioneel. Hij stelde zich voor als a friend of your friends en wees naar de vloer, waar A. intussen de bankleuning aan het droogneuken was en A3 al bijna sliep, half gewikkeld in het vloerkleed.

‘Hier is iets niet goed’, merkte M. op, de slimste van ons beiden.

Hoe we de indringer de deur uit hebben gewerkt, staat me niet meer helder voor de geest. Ik herinner me alleen dat ik instinctief mijn verleidelijkste glimlach opzette en hem heupwiegend richting de dienstlift probeerde te lokken, terwijl M. ‘Sjoeh! Sjoeh!’ riep en met zijn armen maaide. Achteraf vermoed ik dat onze aanwezigheid op zich al genoeg was: een paar gedrogeerde bejaarden kon hij met gemak aan, maar nu stond hij onverwacht tegenover twee vitale nichten in de kracht van hun leven.

A. en A3 zijn in totaal twintig uur buiten westen geweest. Op het politiebureau verklaarden ze dat de verdachte hen op een terras steeds opnieuw rondjes had gegeven en dat hij een vreemd soort balletje-balletje met hun glazen had gespeeld. Daarna werd alles wazig.

‘Toch jammer’, liet A3 door de agent optekenen. ‘Op een bepaalde manier was hij giga-charmant.’

_______________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >
 

Dodenakker bij nacht

18 augustus 2016 (10:24) | Menno Hartman | Geen reacties

IMG_3262Dit vriendelijkst baasje woont in Koyasan in een machtige ceder op de grootste begraafplaats van Japan. Tweehonderdduizend graven liggen in avondlijke flarden mist verstrooid over bergen in een bos van mos en onder enorme ceders, op de plaats waar de monnik Gobodashi (弘法大師 The Grand Master Who Propagated the Buddhist Teaching) in het jaar 816 vond dat een tempelcomplex moest verrijzen. De man was op reis naar China geweest en had voornemens een boeddhistische orde te stichten in Japan. In de bergen van Nara, onder Osaka trof hij een hooggelegen dal met toppen eromheen die in de verte een gelijkenis met een lotus opriepen. Dat moest de plek worden.

‘S Avonds wordt de begraafplaats sprookjesachtig verlicht door duizenden lampjes die in stenen graflampen geplaatst zijn. Ik liep op zo’n nacht naar de tempel aan het uiteinde van de begraafplaats, daar namelijk waar ook het mausoleum van Gobodashi is.  Hij is weliswaar niet dood, maar is in gepeins verzonken sedert het jaar 835. De lucht was dreigend.

IMG_3257We zijn in Nederland niet erg gewend ‘s nachts over begraafplaatsen te lopen, maar deze tempel moet van de orde  24 uur per dag open zijn. In het dorp waar ik vandaan kom ging ik rond middernacht wel eens op een kerkhof kijken wat er gebeurde. Jeugdige nieuwsgierigheid. Er gebeurde nooit wat. Maar door de weinig  definitieve vorm van doodzijn die in de christelijke wereld gepropageerd wordt, kun je opstanding verwachten en dat maakt kerkhofbezoek wat ongemakkelijk ‘s nachts. En daarbij de wetenschap dat sommige doden niet schijnen te accepteren dat ze dood zijn. Wanneer je over een boeddhistisch kerkhof loopt weet je dat de zielen behorende bij de knekels die daar rusten, zich thans in een andere levensvorm ophouden. Dat maakt de knekels bij voorbaat minder boosaardig. Het helpt ook dat op sommige graven een logo van Mitsubishi te zien is, of Toyota, het bedrijf waar de brave afgestorvene arbeidzaam was. Wie vreest nu geesten van zulke keurige werknemers? Al was er ook een zerkje van een 12e eeuwse non waarvan werd beweerd dat je met je oor erop het schreeuwen in de hel kon horen. En elders bevond zich een put waarvan de mare ging dat hij geen weerspiegeling gaf van wie binnen drie jaar sterven zou. Helemaal gezellig was het er dus niet.

En er zijn voldoende ‘geest-verhalen’ in de Japanse cultuur die de kerhofwandelaar toch nog op ongemakkelijke gedachten kon brengen. En het leek ook nog te gaan regenen.

Maar ik had goede zin. Ik ging Gobodashi bemoedigen. Het valt niet mee tenslotte, 12 eeuwen zitten mediteren in afwachting van de boeddha van de toekomst, opdat je kunt bemiddelen tussen hem en de mensen.

IIMG_3260k was helemaal alleen, het was een fraaie tocht, na een hete dag viel opeens toen ik in de tempel aangekomen was een sluier van dichte regen neer, het geluid van regen gecombineerd met krekels die oorverdovend de mis zingen zal ik niet licht vergeten. Honderden bewerkte koperkleurige lampen hingen boven de gaanderij om de tempel heen. Aan de achterzijde was ruimte om wierook te branden en een kaars. Helemaal in het midden van de achterzijde liep een klein paadje naar een wit gebouwtje met een open deur waarin slechts donkerte. De verblijfplaats van Gobodashi. Religieus opgevoed als ik ben komt mij geen neiging tot blasfemie lastig vallen op dat soort momenten. ik boog dus diep en hield die pose even aan, ook omdat ik me afvroeg hoe het zou voelen na dat halfuur terug lopen in de stromende regen. Ik maakt mijn ronde af en verbaasde me over de muziek en vooral intensiteit van deze Japanse bergregen.

Aan de voorzijde van de tempel viel mijn oog op een rek met precies één keurig ingevouwen paraplu. Mitsubishi.

Reageer >
 

Wat je moet met mensen die huilen in het openbaar

14 augustus 2016 (9:39) | Marjolein Takman | Geen reacties

foto: Pascale Maramis

foto: Pascale Maramis

Ik had een keer een discussie met een docent over de functie van literatuur, zoals iedere aan zichzelf twijfelende schrijver dat wel eens heeft. Ik zei dat ik literatuur een behoorlijk nutteloos fenomeen vond- ik was ergens kwaad over denk ik.
‘Maar ik lees boeken als troost,’ zei mijn docent, ‘dan heeft het  toch nut?’
Niemand anders doet zoiets, dacht ik.

De laatste tijd help ik veel vreemden met dingen sjouwen. Fietsen, tassen, kinderwagens, vuilniszakken. Zolang ik niks hoef te zeggen, doe ik voor iedereen mijn uiterste best. Ben je verward, emotioneel of uitgeput: ik draag je tassen drie trappen omhoog, maar ik ga geen goed gesprek met je voeren. Ik tref ook wel eens mensen die geen praktische hulp nodig hebben, maar om een of andere reden onbedaarlijk zitten te huilen op een treinbankje. Daar doe ik niks voor, al zou ik soms wel willen dat ik dat kon.

Op de middelbare school was ik onderdeel van een behoorlijk hecht vriendengroepje, maar als iemand huilde, hield ik afstand. Er waren mensen in die groep die goed konden omgaan met jankende mensen. Als de persoon in kwestie weer enigszins aanspreekbaar was, kwam ik langs en vertelde ik anekdotes over irrelevante dingen. Mijn ouders kwamen een keer thuis van een vakantie met een design-eier-ontdopper. Er is een straat in Amsterdam-Noord die Melkweg heet en ik ben benieuwd of ik de enige ben die daar ooit van in de war is geraakt. In Denemarken spoelen heel veel kwallen aan. In feite wil ik mensen troosten door ze zomaar wat te vertellen.

Er zijn talloze films en series waarin ook gejankt wordt in het openbaar, maar dat zijn vaak hele subtiele momenten. Een man loopt alleen over straat en realiseert zich dat hij de liefde van zijn leven op een vliegtuig naar Tuvalu heeft laten gaan en dat hij haar nooit meer gaat zien. En dat rolt er één traan over de wang van de geëmotioneerde en daar blijft het bij.

In de film Whiplash zit een scene waarin de hoofdpersoon ten overstaan van een complete jazzband wordt uitgescholden door zijn docent. Hij begint met een subtiele traan, maar dan zegt zijn dirigent: ‘Are you one of those single tear people?’. De traan escaleert tot een huilbui waarbij de hoofdpersoon wordt gedwongen om heel hard te roepen dat hij overstuur is. Het is beschamend, zoals publieke huilbuien vaak beschamend zijn. En dichtbij iemand komen die zich schaamt heeft iets gevaarlijks, net als dichtbij een gewond dier komen. Die geef je geen boek als troost. Daar vertel je niks tegen.

Marjolein TakmanMarjolein Takman (1991) schrijft voornamelijk proza. Ze studeerde onlangs af in Creative Writing met een novelle. In 2014 stond ze in de finale van Write Now, en ze droeg voor op diverse podia. Verder heeft Marjolein de ambitie om een boek te schrijven dat je wervelend zou kunnen noemen.

Reageer >
 

De interimmer

13 augustus 2016 (9:15) | Arjen van Lith | Geen reacties

beeld column 45 De interimmer

De eerste keer dat ik de interimmer zag, was op een dinsdagmiddag in 2009 op de redactievloer van een grote nieuwsorganisatie waar ik werkte als freelance redacteur en voice-over, en waar hij de bezem door ging halen. Meteen voelde ik een bijna fysieke afkeer, een antiperistaltische walging die ik doorgaans alleen reserveer voor ongedierte en andere ziekteverspreiders.

Ikzelf en de meeste mensen om me heen beschouwen mij als een vriendelijk en vergevingsgezind type. Eigenlijk haat ik helemaal niemand, behalve dus de interimmer. En bijna zeven jaar na dato haat ik hem nog steeds met alles wat ik in me heb. Soms mijmer ik onder de douche over wat ik tegen hem had moeten zeggen tijdens mijn functioneringsgesprek, want in tweede instantie kan ik heel vilein uit de hoek komen. Ik snuffel – anoniem – regelmatig rond op zijn Facebookpagina en gniffel in mijn vuistje als hij dikker is geworden of wanneer zijn relationship status nog altijd op single staat. Als ik een film zie waarin plotseling iets zwaars uit de lucht komt vallen – The Truman Show, A Fish called Wanda, United 93* – dan denk ik: daar had de interimmer ook kunnen staan.

Op verloren momenten in de trein denk ik met een mengeling van nostalgie en leedvermaak terug aan de kledingstijl van de interimmer. Hij droeg gestreken spijkerbroeken met een vouw in de pijpen en had een duidelijke voorkeur voor alles met een Ferrarilogo erop: rugbytruien, bodywarmers, honkbalpetjes, duikhorloges, het beschermhoesje van z’n iPhone en de sleutelhanger van zijn leasebak – een matgrijze Volkswagen Passat die niet alleen doodsloeg op het rood van zijn favoriete merk, maar ook op dat van zijn opgezwollen cholesterolkop. Ik ben niet religieus opgevoed, maar nu ik de interimmer ken, geloof ik dat er een speciaal hoekje in de hel bestaat voor statusgeilers met een comb-over en een T-shirt onder hun hemd. Wansmaak is de achtste hoofdzonde.

Van nature ben ik een zonnig mens. Iedere ochtend word ik wakker met een liedje in mijn hoofd, dat ik vervolgens de hele dag zing, neurie en fluit. Soms blijft één bepaald nummer onbedoeld langer hangen, zoals bijvoorbeeld I Don’t Like Mondays van the Boomtown Rats (1979), dat ik op m’n twaalfde de hele zomervakantie niet meer uit mijn kop kreeg. Op die manier worden zelfs de grootste meesterwerken een marteling, behalve de vaderlandse klassieker Onze Jan is manager geworden van Joop Visser. Ik zong de onderstaande coupletten toen de interimmer me op staande voet door de beveiliging uit het Mediapark liet verwijderen**, en sindsdien kan ik er geen genoeg van krijgen:

Nooit een vak geleerd
Z’n handen staan verkeerd
Onze Jan is manager geworden

Nergens voor geschikt
Heeft ie ‘t geflikt
Onze Jan is manager geworden

Werken lukte nooit zo goed
Maar nu vertelt-ie hoe het moet
Onze Jan is manager geworden

Heel soms zie ik ze weleens schuifelen door de stad, voormalige collega’s, lotgenoten waartegen de interimmer vlijtig zijn ‘dossiertjes opbouwde’ met als enig doel om ze zo snel mogelijk te laan uit te pesten. Geknakt zien ze eruit, stuk voor stuk, met gebogen hoofden en het hele jaar door een loopneus. Achteraf heb ik nog geluk gehad: een harde knip is vaak beter dan uitgesmeerd lijden.

In het boek The Long Walk van Stephen King***, over een wandelmarathon zonder finish waarin iedereen die zich niet aan de regels houdt, wordt doodgeschoten, blijft één van de deelnemers bijna tot het laatst toe overeind, op de been gehouden door zuivere haat jegens een andere loper. Ik schaam me niet om toe te geven dat het bij mij ook zo zit.

Zelf heeft hij er geen idee van, maar de interimmer is een vast personage in mijn leven geworden. The man I love to hate. Met z’n middelmaat, z’n ellebogenwerk en z’n managersgelul inspireert hij me al jaren om hem in variërende verschijningsvormen helemaal kapot te schrijven. Ik visualiseer hem aan de overkant van het net als ik achtersta in een tennispartij. Er gemakshalve van uitgaande dat mijn geluk zijn ongeluk betekent, motiveert de interimmer me iedere dag opnieuw om extra te genieten van de kleine succesjes in mijn leven en, in alle eerlijkheid, om überhaupt mijn bed uit te komen. Daar verdient niemand anders de credits voor.

Dankzij de interimmer ben ik een beter mens geworden.

_____________________

* respectievelijk een studiolamp, een betonblok (of een flinke vriezer) en een vliegtuig.

** Achteraf hoorde ik dat de interimmer bang was dat ik hem aan zou vliegen, maar dat is laster. Ik liep op dat moment op krukken vanwege een venijnige zweepslag, opgelopen tijdens de atletiekdag van mijn neefje M. waar ik meteen bij het startschot van het eerste spel – een slalomparcours met M. in een winkelwagentje van de Lidl – veel te hard afzette en een gapend gat in mijn kuitspier scheurde. Nog altijd trekt mijn rechterbeen een beetje, en vlak onder mijn knieholte voel ik tegenwoordig precies wanneer het gaat onweren.

*** King schreef The Long Walk (1979) onder het pseudoniem Richard Bachman.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef, en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

Reageer >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 < 2010 <2020
 
2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016
 
Nr.462 Nr.463
 
bestel
 
 
voorpagina