Moby

18 mei, 2013 (13:41) | Marko van der Wal

‘Waarom is bijna iedere stoere, gezonde knaap met een stoere, gezonde ziel in zijn bast er wel een tijdje wild van om naar zee te gaan?’ vraagt Ismaël zich af in het eerste hoofdstuk van Moby Dick.* Mijn hoofd staat er vandaag niet naar om daarover te filosoferen, maar gelukkig geeft Ismaël zelf een antwoord op die vraag: ruige jongens missen instinctief het water, want alleen daarin weerspiegelt zich hun ruwheid en ‘het niet te pakken spook dat leven heet’. Voor alle figuren in Moby Dick is het zilte nat de onontbeerlijke voorwaarde van het bestaan. Ik hoop dat collega Merijn tijdens zijn zeiltocht over de Noordzee iets van die ‘sleutel tot alles’ heeft mogen proeven – windkracht zes heeft daar ongetwijfeld aan bijgedragen.

Moby Dick is een van mijn lievelingsboeken. In mijn exemplaar zit nog steeds het zand van het strand waar ik het voor het eerst las. Het is een boek voor de lange adem: kapitein Achabs zoektocht naar de witte walvis wordt voortdurend onderbroken door uitweidingen over walvisvangst en zeilen. Dat verklaart wellicht waarom ik zoveel mensen ken die in Moby Dick gestrand zijn, maar wat mij betreft maken die vele digressies het verhaal over de jacht alleen maar spannender. Melville neemt gerust de ruimte om een catalogus van walvissoorten op te nemen. Passages waarin aan dek de pleuris uitbreekt door bijvoorbeeld een plotselinge storm geeft hij meestal verbatim weer. Voor overgehaalde landrotten (‘gaffel het tuig!’) is dat uiterst leerzaam.

Na de verhalen van Biesheuvel, die uiteraard doordrenkt zijn met Melvilliaanse wendingen, is het lezen van Moby Dick een logische stap. Het integraal opgenomen Toen wij uit Rotterdam vertrokken in ‘Storm op zee’ is slechts een geval van beheerste gekheid in vergelijking met hoofdstuk 40 van Moby Dick, waarin de voltallige bemanning een voor een aan het woord komt als ware het een toneelstuk. En dat in een storm op volle zee. Het hoofdstuk begint ook met een lied, dat ik hier (uiteraard) in zijn geheel weergeef:

HARPOENIERS EN MATROZEN
Vaarwel en tot weerziens, Spaanse liefjes!
Vaarwel en tot weerziens, liefjes uit Spanje!
De kapitein heeft bevolen…

EERSTE MATROOS UIT NANTUCKET
Hé jongens, niet zo sentimenteel; dat is slecht voor de spijsvertering! Neem een opkikker, doe als ik! (Hij zingt en iedereen valt in.)
De kapitein stond op het dek,
Een kijker in zijn hand,
En tuurde of hij zo’n heerschap zag,
Ze spoten bij ieder strand.
Hé jongens, de ton in de sloepen,
En houdt de brassen bemand,
Dan pakken we wel zo’n fijn geval,
Kom aan, hand over hand!
Koppen op, rug recht, laat de moed nooit zakken,
Want de harpoenier gaat de walvis pakken!

Misschien is waanzin de oplossing voor het raadsel van de aantrekkingskracht der zeeën. Op een schip heersen de grillen van de kapitein, daar kan geen matroos aan ontkomen. Er zit dus niets anders op dan mee te gaan in de onstuitbare tunnelvisie van de leidsman, het punt aan de horizon, Engeland, de witte walvis – wat het ook is. Wild zijn van de zee komt voort uit een verlangen naar ongestrafte bandeloosheid en het bezweren van angst, waar de hoge baren zich uitstekend voor lenen. In de woorden van Ismaël (begin hoofdstuk 41):

Ik, Ismaël, was een van die mannen; mijn kreten waren opgestegen met de andere, mijn eed was gelast aan de hunne, en ik schreeuwde harder en hamerde en beklonk mijn eed heftiger omdat ik inwendig bang was. Ik voelde een wild, duister medeleven; Achabs onblusbare vete leek de mijne. Met gespitste oren luisterde ik naar de geschiedenis van dat moorddadige monster tegen wie ik en alle anderen onze eed van geweld en wraak hadden gezworen.

 

* Vertaling van Barber van de Pol.

Reageer >