De toeschouwers van Calabrië

21 mei, 2013 (15:22) | Merijn de Boer

14530408_125568061483Ik kijk naar de Giro d’Italia. Op het moment dat ik dit schrijf is er een kopgroep vooruit, met meer dan vijf minuten voorsprong op het peloton en nog 70 kilometer te gaan. Er zitten twee Nederlanders tussen: Wilco Kelderman en Pieter Weening. Van allebei heb ik nog nooit gehoord.
            Er was nog even sprake van dat er een Nederlander om een podiumplaats zou strijden. Robert Gesink stond aan het einde van de eerste week nog derde, maar kreeg afgelopen zaterdag een ‘inzinking’ en verloor daarmee vier minuten op Vincenzo Nibali, de leider in de roze trui. Gesink is niet alleen een pragmaticus maar ook welbespraakt. Aan een journalist van nusport.nl vertelde hij: ‘Succes komt niet op bestelling. Het is niet zoals bij de Chinees: doet u mij maar een ritzege en een top tien-klassering.’
            Dat ik op een dinsdagmiddag naar de Ronde van Italië zit te kijken, komt door Dino Buzzati (1906–1972). Nadat ik zijn boek De woestijn van de tartaren had geleden, over de jonge luitenant Drogo die wordt gestationeerd in een verlaten fort en daar zijn leven lang niet meer vandaan komt, wilde ik alles lezen wat er van Buzzati vertaald was.
            Ik las een verhalenbundel, De betoverde burger, die ik erg goed vond, en een andere roman, Een liefde, die me tegenviel. Ik stuitte ook op een verslag van Buzzati van de Ronde van Italië. Buzzati was verslaggever voor de Corriere della Sera en kreeg in 1949 opdracht om artikelen te schrijven over de Giro. Meer dan drie weken lang reisde hij mee met de wielerkaravaan en deed verslag van het duel om de eerste plaats tussen de grote renners uit die tijd, de Italianen Fausto Coppi en Gino Bartali. De eerste won uiteindelijk.
            Interessant aan Buzzati’s verslag is dat hij als een volslagen leek over het wielrennen schreef. In zijn derde artikel voor de krant biechtte hij op: ‘Door allerlei omstandigheden die waarschijnlijk te maken hebben met de grillen van het noodlot – en het zou zinloos zijn daar nu nog over te gaan zeuren – heeft de man die op dit ogenblik de kroniek van de Ronde van Italië schrijft nog nooit een wielerwedstrijd op de weg gezien.’ Buzzati was toen in Palermo, waar de Giro van start ging. Voorafgaand aan de wedstrijd liet hij zich onderrichten door ervaren sportjournalisten. Een van hen vertelde dat het vooral ging om het eten ’s avonds. Volgens hem was de Ronde van Italië voor een journalist niets anders dan ‘een gastronomische pelgrimstocht door Italië van restaurant naar restaurant’.
            De andere collega’s waren serieuzer en gaven hem een spoedcursus wielrennen. Buzzati bleef echter een leek, en gelukkig ook maar, want juist daarom is zijn verslag zo fascinerend. Een van zijn mooiste artikelen was zijn negende, geschreven in Salerno, op 24 mei, ’s nachts. Hij maakte er een brief van, gericht aan de twee renners die om de roze trui vochten: ‘Beste Coppi en weledele heer Bartali, degene die u aanspreekt is inzake wielrennen een complete onbenul; hij weet niets van derailleurs en verzetten, hij heeft geen duidelijk besef van de koerstactiek en de afgelopen dagen is het wel voorgekomen dat hij, temidden van al die experts, zulke onnozele vragen stelde dat het bijna aanstootgevend was.’ Op deze manier gaat hij nog anderhalve pagina verder, tot hij uiteindelijk uitkomt bij de vraag: ‘Hebben jullie toen jullie door Calabrië reden, de mensen die jullie opwachtten goed gezien? Herinneren jullie je die duizenden en duizenden gezichten die krampachtig naar jullie toegekeerd waren, ongeacht leeftijd of beroep, boeren, herders, moeders, metselaars, kleine meisjes, monniken, carabinieri, afgeleefde oudjes, burgemeesters, ambtenaren, straatvegers, leraren, en die onafzienbare drommen kinderen?’ De rest van het stuk gaat over hen, de toeschouwers van Calabrië.

Reageer >