Wat weet ik?

5 juni, 2013 (10:39) | Menno Hartman

2013-06-05_104028Er zijn weinig mensen die ik zo goed ken als Michel Eyquem, beter bekend als Michel de Montaigne. Daar zijn drie heel goede redenen voor. In de eerste plaats is daar de man zelf. Op een kasteel nabij Bordeaux zit aan het einde van de 16e  eeuw in een kasteeltje dat volgestapeld is met boeken uit voornamelijk de klassieke oudheid een man die op zeker moment overweegt zijn tijd te vullen met schrijven over het onderwerp waarvan hij het meeste weet, of waarnaar hij het nieuwsgierigst is: zichzelf. Al schrijvend brengt hij en passant een geheel nieuw genre ter wereld, het essay, een probeersel. Hij maakt wat het essay nu als definitie geworden is: een speels-geleerde beschouwing met iets persoonlijks als uitgangspunt, fris opgetast met citaten van andere schrijvers. Er zijn niet veel vroegere boeken waarin zo hartgrondig getwijfeld en heroverwogen  wordt – gezocht naar wat een mens beweegt, hem bezighoud, wat hij voelt en denkt. Bij het lezen van Montaigne hoor je de stem van de schrijver, je bent te gast in zijn hoofd.

Het tweede belangrijke aspect dat me in staat stelde Michel de Montaigne zo goed te leren kennen is de vertaling van meestervertaler Hans van Pinxteren. Ik moet kennis nemen van veel literatuur door vertalingen en steeds vaker voel ik de behoefte zo’n vertaler persoonlijk te gaan bedanken, maar nooit zo sterk als na lezing van Van Pinxterens vertaling van dit werk. Hoe kan ik krachtiger mijn enthousiasme over ritme en helderheid van zijn Nederlands etaleren dan door een citaat? Het gaat om het begin van het essay III,3:

b ‘Wij moeten ons niet al te zeer door onze stemmingen er emoties laten bepalen. Ons grootste talent is het vermogen ons aan te passen aan allerlei manieren van zijn. Wie zich vastketent aan één bepaalde levensvorm, en daarmee alle andere buitensluit, bestaat wel, maar leeft niet. De mooiste geesten zijn uiterst wendbaar en speels, c Hier volgt een eer­betoon aan Cato de Oudere: Zijn geest was zo wendbaar en nam alles zo makkelijk in zich op dat het bij al wat hij ondernam net leek alsof hij alleen daarvoor in de wieg was gelegd.

b Als ik mij zo zou kunnen vormen als ik wilde, zou ik geen enkele vorm (al was die nog zo goed) aannemen waar­uit ik mij niet los kon maken. Het leven is een steeds wisse­lende, veelvormige beweging, zonder enige regelmaat. Wie voortdurend achter zichzelf aan loopt en zozeer een speel­bal van zijn neigingen wordt dat hij er niet van loskomen of ze omvormen kan, is geen vriend van, laat staan een meester over zichzelf: hij is zijn eigen slaaf. Ik zeg dit omdat ik het tegenwoordig maar moeilijk vind mijn geest te bevrijden van de hinderlijke eigenschap geheel op te gaan in dat waar­op hij zich richt; want hij kan zich alleen aan iets wijden als hij zich hevig inspant. Hoe onbetekenend het onderwerp ook is dat mijn geest wordt voorgezet, hij zal het zo opblazen en uitrekken dat hij er zijn krachten totaal voor moet inzet­ten.’*

Het is deze helderheid die de lezer doet doorlezen. Waar gaat dit heen? De grote spanning van De Montaigne lezen is in die vraag vervat. Eén enkel moment van onhelderheid zou die spanning tenietdoen. Ze zijn er niet, de vertaler heeft even helder kunnen schrijven als De Montaigne denken kon.

De derde reden dat ik maar met moeite en veel denkkracht  de naam Michel de Montaigne van mijn lijstje  ‘wie nodig ik uit voor de picknick  aanstaande zondag’ kan houden is de uitgever.

De uitgave van de essays van De Montaigne is een van de slimste die ik ken. Waarom? Er is veel moed en inzicht voor nodig geweest het gecanoniseerde werk van deze grote denker uit de Franse renaissance in 10 thematisch geordende deeltjes uit te geven. Het werk is losgeplukt en verzameld in aantrekkelijke, dunne, gebonden boeken met stofomslag  in voorname verzorging van Jacques Janssen met titels als: De sporen van het vuur. Essays over liefde en wellust en Ik ben nogal klein van stuk. Essays over de ijdelheid. We kunnen zeker weten dat daar heel wat puristen over gevallen zijn. Maar het is wat een uitgever van klassiek werk doet: nadenken over hoe oud materiaal als nieuw op te dissen. Als je je met stijgende bewondering een aantal keren door de tien delen hebt heen gewerkt doemt de gelukzaligheid op van een Nieuwe Volledige Lezing: dat van de essays in hun chronologisch verband. Que sçay-je? ‘Wat weet ik’, vraag je je dan met de Montaigne opnieuw af.

 Probeer er eens eentje, ze beginnen halverwege de pagina als je hier klikt.

 

* wat betekenen de lettertjes b en c? De tekst is gemarkeerd met letters a,b, c, ze geven fasen van schrijven aan: a is de eertse druk, in 1580, b de tweede, uit 1588 en c wat de Montaigne er tot zijn door aan toe bleef voegen.

1 reactie >