De laatste lach – Groeten uit Harkdorp (II)

1 juli, 2013 (10:06) | Martijn Knol

Ik smijt het portier van mijn Jeep dicht, steek een Camel op en volg Eelco de wei in. Zij aan zij lopen we door het hoge gras. Bij iedere stap slaan de ritssluitingen van mijn laarzen zacht tinkelend tegen de leren schachten – het gerinkel van sporen. Hoog boven ons drijven wolken over.

Bij het beest van mijn keuze, een kolossale, volgroeide Blonde d’Aquitaine, trek ik m’n gun uit m’n schouderholster en zet de loop op haar prachtige, krachtige, onverzettelijke kop. De snuivende ademhaling van de kudde. Het knappende geluid waarmee rundertongen gras van de wei scheuren.  Het koebeest weet wat er gaat gebeuren – maar ze blijft staan, gefixeerd door mijn intense, dwingende, hypnotiserende blik. Langzaam laat ik mijn wil van mijn hoofd via mijn hals, schouder, bovenarm, onderarm naar de spieren in mijn wijsvinger stromen. Gestaag meer druk uitoefenen op de trekker.

‘Een wei verderop heb ik ook nog een paar knollen staan,’ zegt Eelco, ‘daar kunnen we zo wel even naartoe lopen.’

Ik draai mijn gestrekte arm een kwartslag en plant de loop van mijn gun op de borst van Eelco, iets rechtsboven zijn borstbeen, ter hoogte van zijn hart.

‘Wat?’

‘Verderop staan ook nog een paar vette knollen. Misschien zit daar ook iets voor je tussen.’

‘…’

Met mijn duim span ik de haan van mijn gun. Eelco begint te lachen.

‘Pas je wel op? Die dingen kunnen zomaar afgaan.’

‘Mijn blaffer blaft alleen als ik dat wil.’

‘Gelukkig.’

‘Dat hangt er vanaf,’ zeg ik en haal de trekker over.

Het schot werpt Eelco meer dan een meter naar achteren – ruggelings landt hij in het gras. En blijft daar liggen.

Ik loop naar hem toe. De kogel heeft zowel zijn overall als zijn borstkas aan flarden getrokken. Met wijd open ogen ligt hij naar de lucht te staren – alsof zijn blik de hemelvaart van zijn uitgetreden geest volgt.

Ik hurk bij het stoffelijk overschot neer. Na een laatste hijs van mijn Camel neem ik de peuk tussen duim en wijsvinger en druk de roodgloeiende punt tegen Eelco’s oogbol. Het sist als een minibiefstuk in een gourmetpannetje.

‘Gij zult mijn naam niet ijdel gebruiken,’ fluister ik terwijl de laatste sigarettenrook mijn mond uitstroomt.

Ik kom overeind.

Er is as achtergebleven op Eelco’s oogwit, de peuk is van zijn gezicht in het gras gerold.

Terwijl ik, de gun nog in mijn hand, naar het lijk sta te staren, voel ik de woede opkomen die je vóór een daad als deze zou hebben verwacht. Bijna mechanisch richt ik mijn gun en begin het magazijn leeg te schieten op Eelco’s stoffelijk overschot. Ik mik op de romp, maar ook Eelco’s armen en benen beginnen zo wild te schokken dat het wel lijkt of mijn gun een defibrilleerapparaat is waarmee ik wijlen Eelco probeer te reanimeren.

Nadat mijn wapen is uitgerookt, sta ik minutenlang te kijken naar de rotzooi die ik heb aangericht. Het is alsof ik in een vuur staar. Boven mijn hoofd worden de wolken talrijker, donkerder.

Het leegschieten van mijn gun heeft me eerder verwilderd dan gekalmeerd… Met de geestdrift van een doorgeslagen vandaal die na een overtreding in de zondagmiddagamateurcompetitie het veld op is gestormd om de arbiter fysiek te kapittelen, begin ik Eelco’s gezicht en schedel kapot te trappen.

Eerst breek ik zijn neus, vervolgens de botten in zijn kin, kaak, jukbeenderen en ik trap net zo lang door tot ook zijn schedel helemaal is gebroken en er van zijn hoofd weinig meer rest dan een platte bloedvlaai. Krak, krak, krak – sop,sop.

Deze haat is zelfhaat.

Want voor zelfhaat heb je als kwaliteitsslager alle reden. Dat kan ik je verzekeren.

Wat is mijn opdracht als (inval)slager?

Leeghoofden een volle maag bezorgen.

Alle bolbuikjes die hier door het dorp waggelen… grotendeels de schuld van het fokking kwaliteitsvlees dat Eelco, mijn broer en ik de mensen voeren… al die honderden kilo’s koe die we door de spijsverteringskanalen van de Harkdorpers hebben gejaagd, moet ik voor straf de hele dag langs m’n winkelruit zien schuifelen… En we blijven stunten met onze prijzen en we blijven proberen de mensen tot meer en meer consumptie te verleiden, want het is eten of gegeten worden in de slagerswereld dus iedere cent is er één… receptjes uitdelen… stukjes worst laten proeven… glimlachen, lulpraatjes aanhoren…

Ik steek m’n afgekoelde gun terug in het schouderholster. Nadat ik me heb uitgerekt en losgeschud, begin ik uitgetrapte tanden te verzamelen en tast ik net zo lang in het gras tot ik alle patronen heb gevonden. De luchtvochtigheid is gestegen, de wind steekt op. Aan een zoom van de wei bewegen populieren.

Ik wikkel het stoffelijk overschot van mijn veehouder in een oude schapenvacht die ik altijd achterin mijn Jeep heb liggen voor het geval ik bij vrieskou ingesneeuwd raak of de mogelijkheid van een amoureuze picknick zich voordoet en sleep hem even later, door het dorp, naar de slagerij.

In het keukentje achter de winkel was ik mijn handen in een royaal stuk regiosoap.

‘Gij zult mijn naam niet ijdel gebruiken,’ fluister ik opnieuw. Daarna werp ik mijn hoofd in mijn nek en begin hysterisch te schateren; het is alsof ik niet zelf lach, maar een vreemde kracht zich van mijn stembanden bedient. De rillingen lopen me over de rug.

Ik drink een paar glazen water en loop naar het raam. Het stortregent. Alsof de goden de laatste restjes Eelco uit de wei willen wegspoelen voor hij wordt vermist. Een paar uur noodweer en dan is alleen het gaspedaal van mijn Jeep nog kleverig van het bloed.

Einde van deze episode.

‘En waar is die Eelco nou?’

‘Verhuisd naar de Foetsieweg nummer 0.’

‘…’

‘De kleine verdwijntruc noemen wij goochelaars dat. Het teruggoochelen wordt een stuk lastiger.’

‘Maar hoe kom je nu aan je slachtvee?’

‘Koop ik bij de vrouw van Eelco. Lekker wijf trouwens.’

 

Tirade – meedogenloos.

 

‘Mag ik een suggestie doen voor een soundtrack?’

‘Mmm?’

Passenger. Holes in our hearts.

‘…’

‘Hahaha! Schitterend!’

‘Ja, leuk. Maar nee: de soundtrack voor de hele Hakdorp, ik bedoel Harkdorp serie is en blijft: If you want blood – you got it.

Volgende week: Haar mailtjes werden wel beantwoord, maar haar liefde niet – tragedie te Rome.

In voorbereiding: Verse eieren – Groeten uit Harkdorp (III)

Inside anekdote: na Groeten uit Harkdorp I en Land* boden zowel Uitgeverij De Sissende Slang áls Uitgeverij De Happende Haai me via mijn literair agent, Paul Zeeprest, een contract aan voor het schrijven van ‘een boekje’ over Harkdorp. Je zult begrijpen dat ik me nog liever laat injecteren met terminale bloedkankercellen – ja hoor, steek de naald maar recht in de hersenstam, druk maar leeg dat reservoir – dan dat ik jou, jullie, hier teleurstel door in te gaan op dergelijke concernverzoeken (maar zo ondiplomatiek heb ik me natuurlijk niet uitgelaten tegenover de betrokken contactpersonen – laten we het alsjeblieft wel een beetje gezellig houden met elkaar!).

En hé… wees nou niet zo overgevoelig om vanwege een klein grapje over KANKER meteen je ‘mening’ te geven in het reactieformulier hierboven/onder, want dan ga ik vanavond op mijn knietjes, handen gevouwen, voor mijn bedje zitten om de Here Jezus te vragen jou voor je gesputter te straffen met Handlepra – en aangezien ik één van Zijn Favoriete Kostgangers Aller Tijden ben, maakt dat de kans groot dat hij mijn gebedje inwilligt en jij de volgende keer dat je weer iets achterlijks wilt intikken opeens naar een toetsenbord met je eigen afgevallen vingers zit te staren. Ja, knul, ja meid… had je je maar met je eigen zaken moeten bemoeien…

Publiek, ik veracht u met grote innigheid, schreef Multatuli. Van mij had ie dat laatste woordje wel mogen weglaten.

‘Ah, Publikumsbeschimpfung… heerlijk!’

‘Graag gedaan. Eikel.’

‘Hahaha! Schitterend, kloothommel.’

Tot volgende week rakkers.

En of je je even op Tirade abonneert.

1 reactie >