Weerloos

5 augustus, 2013 (08:58) | Martijn Knol

Vorige week nodigde ik je hier uit om Tirade te volgen op Twitter of ons te ‘bevrienden’ op Facebook. Die uitnodiging werd gretig aanvaard: vele tientallen intellectuelen, Facebookende huisvrouwen (m/v), studenten en Zelfstandigen Zonder Personeel En Zonder Iets Omhanden begonnen ons stante pede te volgen.

En dat is dom.

Het was namelijk een val. Een lok-oproep.

We wilden alleen de digitale meelopers er even uitvissen.

Auteurs en aspirant-auteurs onder onze nieuwe volgers en vrienden kunnen toekomstige publicaties in Tirade dus wel op hun buik schrijven.

Hahaha, sukkels! Het was een val! EEN VAL!

Nee, hoor. Grapje. We vinden het juist hartstikke leuk dat je ons volgt/onze hartsvriend (m/v) bent en als nieuwe volger/vriend word je verzocht z.s.m. je fysieke postadres aan de administratie van Tirade door te geven, want om de neurodegeneratieve werking van de sociale media te compenseren, willen we je graag een Tirade Verrassingspakket voor de Complete Geestelijke Verzorging toesturen met daarin, onder meer, alle reeds verschenen delen uit de Russische Bibliotheek, zes jaargangen Tirade, een Cees Nooteboom kleurplaat (‘Opa Cees is tachtig jaar geworden… help jij hem alle kaarsjes een vrolijk kleurtje te geven?’), viltstiften, een glitterbril waarmee je op eigentijdse wijze de blits kunt maken in een van de vele boekendisco’s die ons prachtland rijk is, een hoela hoep om je moves mee te oefenen, en nog véél, véél meer…

Nee, hoor… grapje! Hahahaha! Zoek het gewoon lekker zelf uit met je sociale media, kan ons het schelen wat je daar uitspookt, zolang je je maar gewoon op Tirade abonneert, onze nummers leest, en het ge-eikel op dit blog een beetje volgt, vinden wij, vind ik althans, alles best.

Nee, hoor, grapje! Behalve dat laatste dan!

Godverdomme… ik weet zelf gewoon niet meer wat ik meen en wat niet…

Het is bijna griezelig!

Nou, goed… sla de alinea’s hierboven gerust over, het schrijvertje is warmgedraaid, dus dan kunnen we nu… beginnen! Joehoe! Hahaha! Kopje koffie, mijnheer Knol? Lekker Eline*, zet daar maar neer, dankjewel… zo, een vriendschappelijke pets op je secretariële achterste… klats!… en laat me nu alsjeblieft een minuutje of drie met rust, want ik moet even wat hoogwaardige ongein inkloppen voor de intellectuele voorhoede van Nederland (want dát mag ook weleens gezegd worden!).

Deze week een stukje onder de eenvoudig bedrieglijke titel: post.

Post

Toen mijn gezin en ik alweer viereneenhalf jaar geleden naar Florence* emigreerden – mijn kinderen, die kleine arrogante kutsnobs, zeggen altijd Firenze – maakte ik me vooral zorgen over de postbestelling. De Italiaanse posterijen, de Poste Italiane, zijn berucht (traag, onbetrouwbaar), zeker, maar tot op heden – knock on wood – is er nog nooit iets zoekgeraakt. Brieven, rekeningen, tekeningen, cadeautjes en pakketjes… het komt allemaal ongeschonden aan. Ook de post die wij naar Nederland, de VS en het verre oosten versturen bereikt, voor zover ik kan nagaan, allemaal netjes z’n bestemming.

      Vooralsnog.

Ik ben niet de eerste auteur uit de NED-LIT die eenmaal gevestigd in den vreemde een verhoogde belangstelling ontwikkelt voor het lot van zijn poststukken. Zo noteerde mijn al in de jaren zeventig geëmigreerde collega W.F. Hermans – die bij zijn vlucht uit Nederland bleef steken in Parijs – onder het pseudoniem Age Bijkaart in een stukje in Het Parool van 23-09-1978 (waarin hij onder meer de Franse en de Nederlandse posterijen met elkaar vergelijkt): ‘Zo weerloos als een brief in een brievenbus zou eigenlijk een staande uitdrukking moeten zijn. Psychopaten gaan soms de brievenbussen langs, gieten er een scheut benzine in, gooien er een brandende lucifer achteraan. Maar dit gebeurt niet dagelijks.’

Maar het gebeurt wel. Nog steeds. Ook in NL.

Zoals NRC Handelsblad – een krant die ik, gelegen in mijn Florentijnse hangmat, al uit heb (iPad, pdf) tegen de tijd dat de papieren uitvoering nog op de mat bij mijn Nederlandse vrienden moet vallen – vorige week, 29/07/13, berichtte, ik copy-paste: ‘Futloze bezorger steekt post in brand Door onze correspondent MAASTRICHT. Een bezorger van POSTNL heeft post voor adressen in delen van de dorpen Swalmen en Posterholt (bij Roermond) verbrand. De 26-jarige vrouw zei geen zin meer te hebben in het afleveren van de stukken. (…) PostNL heeft geen idee hoeveel post in vlammen is opgegaan. De meeste stukken zullen verloren zijn gegaan. Mocht er alsnog wat worden teruggevonden, dan wordt die post nabezorgd. PostNL zegt dat het gaat om een incident.’

Lachen!

Uitgerekend in de week dat de gedigitaliseerde versie van Jacques Tati’s klassieke postbodefilm Jour de Fête (1949) in roulatie ging. Over die film kunnen we, overigens/by the way, kort zijn: wie hem nooit zag móet ernaartoe. Wie hem al eens gezien heeft, wíl er naartoe. [En nu is het een kwestie van discipline om de afslag Il postino te negeren.]

het oude frankrijkIk ben zo ontvankelijk voor alle posttijdingen omdat ik net een boekje heb gelezen dat een Nederlandse kennis me had toegestuurd omdat het dorpje dat erin wordt beschreven hem wel wat aan Harkdorp deed denken. Het boekje, Het oude Frankrijk/ Vieille France, dateert uit 1933, is geschreven door Roger Martin du Gard (RMG) en roept een dag uit het leven van een postbode op. RMG spreekt zelf van ‘dit simpele album met dorpsschetsen’ en volgens de verantwoording is HOF/VF ‘het enige tragikomische boek’ dat hij, RMG, ooit heeft geschreven.

Ik kende Roger Martin du Gard – in 1937 werd hem de Nobelprijs voor Literatuur toegekend – alleen van het sterke De verdrinking, dat een jaar of vijf geleden in NL vertaling verscheen. Zijn werk – een oordeel dat ik inmiddels baseer op twee boekjes – doet wel wat denken aan dat van Proust en van Nabokov, maar is wat ‘gewoner’, ‘warmer’ , ‘menselijker’.

Vieille France beschrijft, zoals gezegd, één dag uit het leven van een postbode,  Paul Joigneau heet ie. Hij blijkt de spil van het dorp. Niet alleen omdat hij iedereen uithoort, maar ook omdat hij brieven open stoomt en de informatie die hij zo opdoet doorspeelt aan de burgermeester en inzet voor zijn eigen machinaties. PRISM avant la lettre. Toch is het niet, of niet alleen, dit kluchtige uitgangspunt dat Vieille France zo aardig maakt; Martin du Gard schetst mooie portretten van de dorpelingen – de eenzame oude man wiens kunstgebit niet meer past en die daarom, net als zijn kat, alleen nog maar in melk gedoopt brood eet, is onvergetelijk – maar vooral weet hij zijn personages, het dorp waarin zij wonen, de landelijke zomerdag waarop hij zijn vertelling situeert zo zintuiglijk en lichamelijk te beschrijven.

Moet je bijvoorbeeld kijken hoe mooi ie hoofdstuk XV opent:

‘Gedurende het kwartier dat Joigneau in die kroeg heeft gezeten, is de lucht betrokken. In het bos is het net een hete oven. Er zijn dichte zwermen muggen, net alsof het al aan het einde van de middag is; de geur van paddenstoelen blijft vlak boven de grond hangen. In het dennenbos knispert de rossige grond als beschuitkruim onder de fietsbanden, geen zuchtje wind beweegt de grote waaiers van varens die op hun spichtige stengels oprijzen.

‘Vooruit Pic! Hup, vooruit Mirabole!’ roept hij de honden toe, die hem met de tong uit de bek volgen en zich om de haverklap met een dof geluid op de grond laten vallen om dan meteen weer verder te gaan, hijgend en wel.

In de richting van Ville-Grande komt aan de horizon een grote donkere wolk opbollen. En terwijl Joigneau het dorp binnenrijdt, kondigt ver verwijderd gerommel het onweer aan.’ (2009;p.68)*

Vooral die ‘rossige grond’ die ‘als beschuitkruim’ onder de fietsbanden knispert’ vind ik prachtig.

Net als het ‘opbollen’ van die grote donkere wolk.

Er staan ook een paar nare, pijnlijke passages in het boekje. Maar ja: da kannie anders hè? Anders isset geen li-te-ra-tuur! Literatuur moet schuren. Anders kun je net zo goed de hele dag grote, zachte, zoete slagroomtaarten  gaan zitten eten en je grotemensenPamper vol poep scheten.

Het oude Frankrijk is niet meer leverbaar, maar je kunt het nog wel bestellen via boekwinkeltjes.nl  En dan maar hopen dat jouw postbode niet net op de dag dat ie jouw exemplaar van Roger Martin du Gards Het oude Frankrijk zou bezorgen, een of ander weiland of schoolplein oploopt om zijn lading kaarten, brieven, pakjes in de fik te steken.

Fin

‘God, wat leuk… het einde sluit aan op het begin… Geniaal is hij die de cirkel vierkant maakt, stelde Freek de Jonge ooit, maar fijn dat ie bij jou nog ouderwets rond is.’

‘Ja, jammer alleen dat jij de vorm nu tot een ei trekt, rekt door d’r nog een beetje achteraan te gaan zitten ouwehoeren.’

‘Sinds het Modernisme zien we een werk alleen nog voor vol aan wanneer het op zichzelf reflecteert.’

‘Dan zie je het maar niet voor vol aan.’

‘Wat ga je volgende week voor ons maken, mijnheer Chagrijn?’

‘Geen flauw idee. Geen stukje waarin ik aan het slot de opening nog even laat oplichten denk ik.’

‘Wat jammer. Je moet je nooit iets aantrekken van kritiek.’

‘En van goede raad?’

Tirade – als de post een cadeautje mag zijn.

‘Je klefste slogan ooit.’

Voor een lofzang op Pablo Bergers Blancanieves (2013) is hier helaas geen ruimte meer – dat komt een andere keer, mevrouw, mijnheer.

Noten

*Eline = Eline Struweel, p.a.

* Wij zijn destijds hiernaartoe verhuisd omdat hier, in het katholieke zuiden, veel meer markt is voor grote goochelshows, en voor circus in het algemeen natuurlijk (Zampanò! Zampanò!), dan in het sobere, fantasieloze, calvinistische Nederland; op het uitbundige, bonte aanplakbiljet waarop mijn voorstellingen worden aangekondigd staat zelfs (ik vertaal): ‘Er is maar één Italiaan die beter goochelt dan Martino Knollio – en dat is de paus.’

* Het oude Frankrijk  (vertaald uit het Frans door Jan Keppler). Vieille France (1933). In 2004 verschenen bij Comenius, in 2009 herdrukt door Uitgeverij L.J. Veen.

Reageer >