Een scheetanekdote

1 oktober, 2013 (10:13) | Merijn de Boer

Ik lees de stukken van Rutger Lemm altijd met veel plezier. Hij schrijft grappig en eerlijk over herkenbare dingen. Over ouders, over falen en een tijdje geleden, in het kader van de Vieze Week op hard//hoofd, over het laten van scheten in het bijzijn van je geliefde.
          
Aanvankelijk wilde ik in deze blog naar aanleiding van dat laatste onderwerp zelf ook een boekje opendoen. Voor mijn gevoel zou ik een heel Privédomeindeel kunnen schrijven over het laten van scheten in het bijzijn van mijn vriendin. Maar het leek haar voor een Tiradeblog wat minder geschikt materiaal. Daarom nu een andere, minder intieme maar zeker niet minder enerverende scheetanekdote:

9200000010638987Een paar weken geleden beklommen we samen de hoogste berg van de oostelijke Pyreneën: de Pic (je schrijft het met een c) du Canigou. De beklimming was onderdeel van een meerdaagse huttentocht, een manier van vakantievieren die ik iedereen kan aanraden die de nacht graag doorbrengt op een slaapzaal met snurkende en zich in kunstgebitten verslikkende bejaarden. Vreemd genoeg is een overnachting in een dergelijke hut, waarbij er zo min mogelijk comfort wordt geboden (ik geloof dat dat onderdeel is van de alpinistencultuur), duurder dan een standaardhotel in Parijs. Maar het is een manier om enkele dagen achter elkaar in de bergen te blijven.
            Op die slaapzaal lagen tegen de muren twee rijen uiterst dunne matjes. De matjes waren tegen elkaar aan geschoven, zodat het eigenlijk onmogelijk was om een nacht lang geen lichaamscontact te krijgen met je buurman of buurvrouw op leeftijd. Dit alles slechts ter inleiding van de scheetanekdote. Er werd op die slaapzaal wat afgeprutteld – alsof we gevangen werden gehouden in een kamer vol wellustige petomanen – maar dat is niet waar ik het nu in detail over wil hebben.
            Ik wil het nu namelijk eerst even over Ton Joosten hebben. Iedere Nederlander of Vlaming die ooit door de Pyreneeën heeft gewandeld, kent hem. Hij is de goeroe en alleenheerser als het gaat om het schrijven van wandelgidsen over dit gebied. Door de gemoedelijke en soms persoonlijke toon krijg je het idee dat je hem leert kennen tijdens het wandelen. Zo biecht hij ergens op dat hijzelf de hutten bij voorkeur vermijdt en liever ergens in de natuur bivakkeert. Een natuurmens dus, die weliswaar zijn brood verdient met het schrijven van wandelgidsen voor toeristen maar zich liever omringt met marmotten en gemzen.
          
Ton was tijdens het wandelen eigenlijk altijd bij ons. ‘Wat zegt Ton hierover?’ ‘Volgens Ton moeten we hier naar links.’ ‘Ton raadt ons aan om hier te lunchen.’ Aan het eind van de beschrijving van de huttentocht die wij gemaakt hebben, schrijft Ton: ‘Ik hou het erop dat je zult terugkijken op een geslaagde kennismaking met de “gigant van het oosten”.’ Deze zin hebben we tijdens het wandelen regelmatig herhaald. Prachtige formulering, ‘ik hou het erop’. Zo leer je Ton kennen.

OLYMPUS DIGITAL CAMERADe Pic du Canigou wordt jaarlijks door veel toeristen beklommen. Daarbij maakt het niet uit of je kortademig of slecht ter been bent. Het pad dat via de noordkant naar de Pic leidt, gaat zo geleidelijk omhoog dat het zelfs in een rolstoel goed te doen moet zijn. Helaas voor ons koos Ton voor, zoals hij zelf schrijft, ‘de minder courante route’.
         
Over de finale van de klim schrijft hij: ‘Hier en daar zul je de handen moeten gebruiken, maar echt moeilijk wordt het niet.’ Op het moment dat ik dacht te zullen sterven op een rotswand, voelde ik een intense woede opkomen vanwege de woorden ‘hier en daar’.
            De beschrijving van de ‘minder courante route’ van de Pic du Canigou is een zorgvuldig geplande, in genuanceerde bewoordingen verpakte moordaanslag van Ton Joosten. Het is vooral deze zin die een verticale muur op bijna drieduizend meter hoogte doet overkomen als de beklimming van de heuvel bij Kraantje Lek: ‘Voorzichtig baan je je trapsgewijs een weg naar de top, waarbij af en toe enig eenvoudig handen- en voetenwerk nodig is.’ Hoeveel nuanceringen heeft een mens nodig, vraag ik me af als ik dit, veilig en wel op een stoel onder zeeniveau, teruglees. Af en toe, enig en eenvoudig schrijft hij. Juister en minder misleidend was geweest: de gehele tijd, vrijwel onmogelijk en levensbedreigend. Nog nooit in mijn leven heb ik zoiets engs meegemaakt. Vlak voordat we bij de steile schacht uitkwamen die recht omhoog naar de top leidde, passeerden we een groepje professionele klimmers. Verbijsterd keken ze ons na terwijl we, toen nog goedgemutst, onze mogelijke dood tegemoet gingen. ‘Sans corde! Sans corde!’ riepen ze uit. Mijn vriendin hoorde het gelukkig niet. Die was net als ik vol vertrouwen in Ton.
            We trokken ons op aan de richels en zeiden telkens tegen elkaar dat we vooral niet om moesten kijken, want dat het dan helemáál eng werd. Natuurlijk was dat het eerste wat we daarna deden. Een schijnbaar eindeloze afgrond lag achter ons. ‘Wil je alsjeblieft niet doodgaan?’ vroeg mijn vriendin steeds. Ook legde ze uit wat er zou gebeuren als ik misgreep of me zou optrekken aan een loszittende steen. Al die tijd was ik aan het praten om haar gerust te stellen en tegelijk voelde ik hoe een intense en nooit zo ervaren angst bezit van me probeerde te nemen. Ik moest er alles aan doen om de paniek niet toe te laten.
            Meer dan een uur verbleven we op die verticale muur. ‘Kijk daar, wandelstokken!’ riep ik op een gegeven moment. Ik dacht dat de nabijheid van mensen haar gerust zou stellen. ‘Dat is een kruis,’ riep ze met een trillende stem terug, ‘van iemand die hier is doodgegaan.’
            Zij was als eerste boven. Op een gegeven moment kwam er een draai in de schacht, waarna er nog maar enkele tientallen meters naar de top restten. Daar aangekomen troffen we een groepje Fransen aan, dat volkomen ontspannen zat te lunchen met camembert en rode wijn. Zij hadden blijkbaar de courante route genomen. Toen ze ons plotseling uit het niets zagen opdoemen, begonnen ze te klappen. Ik zakte neer op een rots. Omdat er nauwelijks ruimte was, kwam ik min of meer tussen de lunchende Fransen in te zitten. Toen pas liet ik de paniek toe. Een harde, luidruchtige scheet ontsnapte me. De Fransen en mijn vriendin keken me verschrikt aan. ‘Pardon,’ zei ik ernstig. En tegen mijn vriendin: ‘Dat was uit angst. Pure angst.’

1 reactie >