Fragiele romantiek van het falen

6 oktober, 2013 (13:59) | Simone van Saarloos

Ze zeggen dat het podium erotiserend werkt. Dat geldt waarschijnlijk alleen voor rocksterren, want als er iets is wat de mens gelijkvormig maakt (en dus de-erotiseert, want voor het erotieke is de suggestie van exotisch nodig, zelfs als het exotische in herkenning zit – in combinatie met het verbodene, wordt het familiaire exotisch), zijn het wel een macbook als spiekbrief en een powerpointsheet in de rug.

1377110_10152019034195934_1766661867_nZo stond de grote Nicholas Nassim Taleb (auteur van onder meer De zwarte zwaan) erbij, in het Tuschinski theater afgelopen vrijdag in Amsterdam. De lezing die hij op uitnodiging van Nexus hield, was ongeacht fantastisch. Daar deden mac noch powerpoint aan af.

Naderhand liet hij zich door Nieuwsuur rondvaren, zodat hij ‘s avonds zes minuten op televisie was. Terwijl hij vertelde, zocht de regie de gracht af voor een zwarte zwaan. Dat zou een mooi, toevallig beeld opleveren.

Het toeval speelt een belangrijke rol in de theorie van Taleb, die hij in Antifragiel. Dingen die baat hebben bij wandorde uiteenzet. Zo simpel mogelijk opgesomd: al het organische bestaat uit willekeurige gebeurtenis. Dat maakt het leven fragiel. Maar die kwetsbaarheid is niet altijd negatief (vandaar: antifragiel, niet als tegengestelde van fragiel, maar ter viering van het vruchtbaar fragiele), want het organische ontwikkelt zich volgens een s-curve en willekeurige gebeurtenissen zijn soms destructief, dan weer productief en stimulerend. Het onvoorspelbare is dus niet per se gevaarlijk. We zijn echter geneigd te denken van wel, omdat de economie geen natuurlijk s-curve kent en vooruitgang in een duidelijk rechte lijn zodoende vanzelfsprekend lijkt. Economische groei kent geen natuurlijk plafond en mist de noodzakelijke spontaniteit van ‘trial-and-error’ waarmee organismen doorgaans overleven, falen en verbeteren. Of zoals Taleb het verwoordde: ‘Ik kan mijn lichaamsgewicht niet verdubbelen in één dag, maar mijn vermogen wel.’

Hier hoort nog een interessante uitweiding bij over het belang van uitgesmeerde impact en trauma in kleine tikjes in plaats van verzameld gewicht in één keer, maar daarover een andere keer. Taleb maakte in elk geval aannemelijk hoe een kleine muis robuuster is dan een grote olifant.

Ik zat bovenin, op het balkon en dacht aan een recent interview van Wim Brands met de Amerikaanse schrijfster Lionel Shriver. Voor haar nieuwste roman, Big Brother, liet ze zich inspireren door de dodelijke obesitas van haar eigen broer. Kwetsbaar groot en extreem ongezond, al spreekt Shriver even fel over het andere uiterste: het lichaam als tempel. Mensen hebben een obsessie met uiterlijk, doen alles voor perfect slank of opgepompte spieren, maar vergeten de geest.

Volgens mij maakt het niet zo gek veel uit of mensen nou hun lichaam of hun geest als tempel beschouwen, het is de hedendaagse maakbaarheid die een illusie van controle biedt en ons blind maakt voor de fragiliteit, de organische spontaniteit van het bestaan.

Deze week mocht ik op de foto met drie godenzonen: geblokt, kaal en glanzend. Ze hadden het over welke voeding goed was voor een droge (doorzichtige) huid1381927_10152016651195934_2086879993_n, streken hun haren glad of juist wild, bliezen hun spieren op voor de spiegel.

Later die dag zat ik aan een sterfbed. Blauwe plekken, slappe huid over weggevroten spieren. Fragiel, hangend aan het allerlaagste puntje van de s-curve, zonder hoop op ooit nog omhoog.

Ik dacht aan de godenzonen, die waarschijnlijk in de sportschool waren na een portie magere kwark en kip. Hoezeer Taleb het bereiken van een mechanische, zogenaamd onkwetsbare extreme ook bestrijdt: ik begreep die pompende jongens beter dan het hoopje dood op gestreken lakens. En daarbij: heeft niet ieder mens recht op een tempel?

Aan het bed gezeten zag ik weinig schoonheid in de organische tekening van het leven: gerimpeld vel dat zich op geen enkele manier meer laat kneden. Die aanblik van rommelig en reliëfrijk, appelleert volgens Taleb aan de menselijke natuur: avontuurlijk en onvoorspelbaar. Daarom kan moderne kunst hem niet bekoren. Hij vindt het gladde strakke van moderne kunst zelfs een beetje gevaarlijk.

Toch zou je kunnen betogen dat Rothko’s ‘Black on Grey’ of Newmans ‘Who’s Afraid of Red, Yellow and Blue’ juist een uitdaging in eenvoud en verstilling bieden. De gladstrakke oppervlakken waarmee we ons dagelijks omringen, zijn immers vol geluid en beweging. Stilstaand zwart vereist een andere blik.

Met eenzelfde fascinatie keek ik naar de strakgespannen huiden van de modellen op de shoot: als een welkome anomalie. Onbekend (exotisch) maakt bemind.

Lionel Shriver waarschuwt natuurlijk terecht dat deze gladde perfectie de norm wordt. Wie anders is, faalt niet alleen als model, maar als mens überhaupt. Toch is mislukking volgens Taleb juist een groot goed. Zonder de durf om te falen is er ook geen kans op slagen. Trial-and-error houdt de s-curve golvende. ‘We should be extremely favorable to those who fail. It’s not an individual experience, it’s for collective benefit.’

Ook hier gaf hij een simpel voorbeeld (alweer over eten). Als we altijd en alleen volgens vaststaand recept zouden koken, ontstaan er nooit nieuwe gerechten en smaken. We zouden bovendien aan ingrediënten gebonden zijn en hulpeloos blijken bij verandering van bijvoorbeeld klimaat of locatie.

‘Ik kom uit Lebanon, dus ik maak graag humous. Met trial-and-error probeer ik mijn humous te verbeteren, een beetje meer van dit, een snufje minder dat,’ zei Taleb.
‘En ach, wanneer het dan toch mislukt, geef ik het gewoon aan mijn nietsvermoedende buren.’
Gelach in de zaal.

Theoretisch is falen natuurlijk hartstikke noodzakelijk, maar uiteindelijk geef je mislukking toch liever aan anderen weg.

 

 

Reageer >