Thomas Blondeau (1978-2013)

22 oktober, 2013 (16:17) | Simone van Saarloos

Afgelopen donderdag zou Thomas als ‘mooiboy’ komen. Eerbiediger gezegd: met zijn charmant accent en evenzo fijnzinnige voorkomen zou hij twee teksten voorlezen, een brief van Ted Hughes over het werk (en de dood) van zijn vrouw Sylvia Plath en het gedicht ‘To His Coy Mistress’ van Andrew Marvell. Beide teksten werden ingebracht door talkshow-gasten Eva Rovers en Katie Roiphe, maar het waren teksten die door Thomas zelf gekozen hadden kunnen worden.

Woensdag smste Thomas dat hij zijn optreden als mooiboy misschien moest missen. Hernia, ‘plots opgestoken’. Hij was nog in Antwerpen. ‘Grote voordeel: dokters verdoven je hier. Onverdoofd bevallen is hier barbaars. Nu altereren tussen hete straal en ijsberen. Toitoitoi morgen’. Hij schreef ook dat de verdoving hem wat ‘Eline Veresk’ maakte.

In zijn brief betreurt Hughes hoe de laatste gedichten van Sylvia Plath in de betekenisgevende schaduw van haar dood zijn komen te staan. Kort na het schrijven van de Ariel-gedichten, pleegde ze zelfmoord. De gedichten werden veelal gelezen als voorbode, terwijl haar echtgenoot het moment van haar zelfverkozen dood toevallig acht. Hij leest in de Ariel-gedichten juist hernieuwde levenskracht. Haar dood heeft die interpretatie verstomd. De brief is een waarschuwing, of een pleidooi. Een pleidooi voor het blijven zien van de open ruimte in de woorden. Het overlijden van de schrijver mag niet tot een donkere schaduw uitdijen waardoor het werk zijn kleurschakeringen kwijtraakt.

In het zeventiende eeuwse gedicht van Marvell probeert de spreker zijn minnares tot seks te verleiden. Eerbiediger gezegd: het gedicht waarschuwt voor de tijd, die ons op de hielen zit. Hadden de spreker en de minnares een eeuwigheid gehad, dan zou hij voor het bewonderen en beminnen van alleen al haar ogen en voorhoofd een eeuw uittrekken. Maar die tijd is er niet, de dood ligt altijd om de hoek: ze moeten het er nu van nemen.

The Grave’s a fine and private place,

but none I think do there embrace.

Zaterdag zei Thomas in een prachtig cover-interview met nrc.next: ‘Ik geloof heilig in het adagium: doe elke dag iets waar je bang voor bent.’

En ook: ‘Vaak zie ik ook op tegen ontmoetingen – een angst is het niet, maar ik moet me ertoe zetten.’ Dat straalde niet van hem af. Hij was zo’n fijne aanwezigheid, ging met zoveel aandacht in gesprek. Zo charmant en innemend dat je altijd achterbleef om terug te geven. En zorgzaam op een wijze die hem zo natuurlijk leek. Een jaar geleden zat ik zes weken met mijn been omhoog op bed. Thomas stelde voor om langs te komen, met whisky. Bij gebrek aan Vlaamse dokters en hun paardenmiddelen, achtte hij sterke drank noodzakelijk. Op het laatste moment belde ik hem af, ik schaamde me: op bed en verkrampt van pijn zou ik geen goed gezelschap zijn. ‘Och pop’ en ‘Beterschap’.

Toen ik het interview zaterdag in nrc.next las – ‘Bijna iedere afspraak wil ik eigenlijk afzeggen. Dat doe ik natuurlijk niet.’ – schaamde ik me opnieuw. Ik had ons wél afgezegd. We hadden moeten drinken, natuurlijk. Whisky als waardige medicijn tegen sociale schaamte en fysieke pijn. Al had Thomas inmiddels wat beters gevonden: de liefde.

Maar wie iets prachtigs vindt, is nog niet uitgezocht. Het was hem zo gegund, verdomme, verdomme! Het was hem zo gegund: die liefde, geluk, een volgende (en daarop volgende) roman, elke dag een stap over de angst, het leven. I can’t go on, I’ll go on. En verder.

Vrijdag stuurde hij dat het beter ging, ‘Nog een paar dagen moederland, denk ik.’ En aansluitend wel drie keer: ‘Ik maak het goed, de volgende keer.’

Dat dat niet meer kan, is onverteerbaar. 

Reageer >