W.F. Hermans en Jacques Gans

19 november, 2013 (14:13) | Merijn de Boer

img22804Ik bladerde door het register van Boze brieven van Bijkaart, een boek dat ik vorige week op het Waterlooplein kocht. Daarbij stuitte ik onder andere op de lemma’s ‘Lutjebroek, Geheime Landheer van, zie Reve, G.K. van het’ en ‘Volksschrijver, Nederlands Meest Miskende, zie Reve, G.K. van het’.
            Via het register kwam ik ook op een stuk van Hermans dat ik ooit al eens had gelezen maar daarna nooit meer kon terugvinden. Het gaat daarin over Hermans’ poging om in een café te schrijven. Aan het begin van zijn carrière dacht hij nog dat dat hoorde bij het romantische bestaan van een schrijver.
           
De schrijver door wie hij vooral op dat idee was gebracht, was Jacques Gans, iemand die in de woorden van Simon Carmiggelt ‘sinds jaar en dag de gewoonte had, de beschaving op de tenen te gaan staan’. Gans had het namelijk in een van zijn stukken over zijn ‘schrijfcafé’ gehad en die term had grote indruk op Hermans gemaakt.
            ‘Schrijven in een café – nou, het sprak toch zeker vanzelf dat dit iets was dat je alleen in een Parijs café echt kon doen!’
            In 1949 ging Hermans naar Les Deux Magots en in de rest van het stuk gaat het uiteraard over de mislukking waar deze onderneming op uitliep. ‘Ik kon me niet meer voorstellen dat iemand echt in een café ging zitten schrijven,’ schrijft Hermans, ‘zolang hij nog ergens een dak boven zijn hoofd had. Ik zou het nooit meer doen.’
            Aan het einde van dit stuk deelt hij nog een sneer uit aan degene die hem op het idee had gebracht: ‘Zijn [Jacques Gans’] boeken zie je nergens meer, geloof ik. En als ik het wel heb, schreef hij trouwens bijna niets bijzonders.’
            Hermans schreef dit in 1976. Dat Hermans hier doet alsof hij niet precies wist hoe het zat met die Gans en zijn literaire werk, is opmerkelijk als je de voorgeschiedenis kent. Hermans was in de periode dat hij in Les Deux Magots ging proberen te schrijven juist heel erg geïnteresseerd in Gans. (Wat natuurlijk alleen al blijkt uit het feit dat hij Gans’ schrijfgewoontes probeerde te kopiëren.) Hij schreef niet één maar twee lovende recensies over Gans’ briljante roman Liefde en goudvissen. En hij voerde Gans als personage op in zijn novelle Hermans is hier geweest.
            Gans maakte zich onmogelijk bij Hermans door in 1955 partij te kiezen voor Adriaan Morriën in diens ruzie met Hermans. Hij noemde hem bovendien een ‘ietwat blauwige treiterige kwal’ en hij verweet hem ‘wezenloze lafheid’ tijdens de rechtszaak over Ik heb altijd gelijk.
            Hermans sloeg terug met – helaas voor Gans – een van de beste stukken uit Mandarijnen op zwavelzuur. Volgens zijn biograaf Willem Maas moest Gans zelf ook lachen om dat stuk.
            Mede door Hermans’ publieke vernietiging van Gans is diens roman Liefde en goudvissen een van de meest ondergewaardeerde boeken uit de Nederlandse literatuur geworden.
            Jeroen van Kan is bij VPRO Boeken begonnen met het project Boekencast: een programma waarin mensen vertellen over een boek dat grote indruk maakte maar dat tamelijk onbekend is. In december vertel ik over Liefde en goudvissen. Jeroen schreef alvast een blog over Gans en over zijn oom Ed van Kan, die net als Gans ‘het zwerven niet kon laten’.

Reageer >