In memoriam Erik Menkveld

2 april, 2014 (11:30) | Menno Hartman

Erik MenkveldErik Menkveld was redacteur van Tirade vanaf nummer 383 in het jaar 2000 tot aan nummer 421 in 2007. Dat is een reeks van 39 nummers waarin de veellezer en veelweter Menkveld zich kon laven aan de rijke functie van redacteur die hij daarvoor al bekleedde bij uitgeverij De Bezige Bij en nadien bij Uitgeverij Cossee. Naast schrijver, dichter, essayist en drummer was  Menkveld eigenlijk vooral redacteur. En programmamaker, bij Poetry en later bij de SLAA  in Amsterdam, waar ik hem  in 2007 beter leerde kennen.  Zijn essaybundel Met de meeste hoogachting was toen net uit, 16 brieven aan bewonderde kunstenaars en 1 ‘aan het nageslacht’ die toen al nauwelijks met droge ogen te lezen was. De brieven bewezen de grondigheid van zijn waardering. In een persoonlijk verhaal over hoe het zo gekomen was dat hij bijvoorbeeld aan John Coltrane verslingerd raakte, confronteert hij de lezer met wat échte studie is. Menkveld beluisterde dan ook meteen alles van zo’n kunstenaar. En toen ik  – als Thomas Mann-fan – een programma voorstelde over deze schrijver bracht hij me de volgende dag vier verfilmingen van zijn werk langs die ik nog niet kende. Menkveld was in de laatste jaren docent aan het Rijnlands Lyceum, een functie die ook uit het hart gekomen moest zijn want hij deelde zijn kennis graag.

De breedheid van zijn interesse moet hij zelf soms ook als een manco ervaren hebben: zo breed geïnteresseerd zijn en dan zo grondig, dat levert een klein oeuvre op van een hoog soortelijk gewicht: drie dichtbundels, een essaybundel en een lijvige roman Het grote zwijgen.

Toen Merijn de Boer en ik als zijn redacteurs met deze roman bezig waren, vroegen we ons op zeker moment af hoe hij de toon van de componisten Alphons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen zo goed in het gareel wist te houden. Bronnenonderzoek leerde dat Erik – wat hadden we ook kunnen verwachten – in de tien jaar die er tussen zijn eigen werk als redacteur van de biografie over Vermeulen en het schrijven van deze roman lagen, werkelijk alles had gelezen. Elke snipper Diepenbrock, elke snipper Vermeulen, alle stukken in De Amsterdammer, alles over Mengelberg, maar ook alle vertalingen van Diepenbrock, alle Gids-artikelen.  Zo hier en daar kwamen we een letterlijk citaat tegen, netjes ingepast in de context van wat toch heel duidelijk zijn verhaal was.

In een film van Kees Hin en K. Schippers  over het Merkelbach-archief had Menkveld in een flits een foto van een onbekende dame gezien, van wie hij wist dat ze het voorplat van de roman moest sieren.  Hoewel hij dus voor zeker stelde wat hij slechts in een flits had waargenomen kon Menkveld toch geduld opbrengen met zijn redacteuren die her en der over de tekst  wel wat op te merken hadden. Schrijver én redacteur.

In de roman speelt een georkestreerd lied van Diepenbrock, Im großen Schweigen een belangrijke rol, op een tekst van Nietzsche.  Deze tekst beweegt heel Nietzscheaans van kalm esthetisch naar wanhopig en woedend. Hier is het nog kalm en fraai. Ongeveer zoals ook de wereld was toen we op een zomers hete zevende mei in 2011 in Het Concertgebouw zijn grote roman ten doop hielden bij de uitvoering van  de Missa van Diepenbrock.

 

Das Meer liegt bleich und glänzend da, es kann nicht reden.

Der Himmel spielt sein ewiges stummes Abendspiel

mit roten, gelben, grünen Farben, er kann nicht reden.

Die kleinen Klippen und Felsenbänder,

welche in’s Meer hineinlaufen wie um den Ort zu finden,

wo es am einsamsten ist, sie können alle nicht reden.

Diese ungeheure Stummheit, die uns plötzlich überfällt,

ist schön und grausenhaft, das Herz schwillt dabei.

Oh der Gleissnerei dieser stummen Schönheit!

 

Erik was een man van de geest, een poeta doctus die ik heb leren kennen als een hartelijke en warme persoonlijkheid die met een droog lachje bijzonder veel vrolijkheid kon brengen.

1 reactie >