Groter dan je zelf bent

9 april, 2014 (10:34) | Menno Hartman

‘Wanneer de lente komt,

En als ik dan al dood ben,

Zullen de bloemen net zo bloeien

En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.’

 

Dit  is een fragment van een gedicht van Pessoa. Het stond in de poëziekalender van dit jaar op 20 maart. Nu ik nadenk over de kalender van volgend jaar komen er altijd een aantal favorieten langs waarvan ik weet dat ze langs zullen blijven komen. In mijn geval hoort Pessoa daarbij.  J.C. Bloem bijvoorbeeld ook en Drummond d’Andrade, Milosz, Kavafis, Szymborska, Gerhardt. Nou ja. Heel wat.

Nu zou ik De Dijk niet snel in dit rijtje zetten, maar deze regels:

‘En ik weet nog een nacht
Daar moet ik nog een hemel hebben staan
Een hemel waar het wemelt
Van de gratis diamanten.’

Hans_Dahl_Norwegian_art

Hans Dahl, ‘Bij de fjord’

raken ergens aan Pessoa. Waar? Dat je je verleden kunt rubriceren, dat is wat er denk ik spreekt uit deze regels, dat je in je herinneringen een dag hebt, die ongewoon mooi was, waar je kunt verwijlen. Ik heb bijvoorbeeld een dag van dit type in Oslo ‘staan’.  Ik was de hele dag alleen, de hele week trouwens, maar deze dag was uitzonderlijk mooi. Nadat ik naar het National Museum was geweest, heb ik een goed deel van de dag rondgelopen in een Hans Dahlsfeer. Zie hiernaast. Een wonderlijke schilder, Dahl,  omdat er steeds naast het zoet idyllische net iets meer is.  

Dat deze dag nu voorbij is, maakt me eigenlijk niet zoveel uit. Ik weet nog een dag, daar heb ik nog een onvergetelijk havengezicht staan, en ik heb er een in Schotland, met bloeiende brem, blauwe zee en witte huisjes en de warmte van een lange zomerdag die zwaar op het land rust. Ook het kale gegeven dat het nu in Oslo zo’n dag kan zijn levert me wat op, daar beleef ik plezier aan. Ook zonder dat ik er ben.

Op dezelfde manier abstraheert Pessoa zijn persoon van het bestaan, en ook hij vindt daar blijkbaar een zekere mate van troost in, al klinkt troost te huilerig. Hij lijkt te beweren in dit fragment dat een prachtige dag na zijn verscheiden evenzogoed een prachtige dag is. ‘Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn’ schrijft hij verderop.  Waarom is deze eenvoudigste constatering van een waarheid als een koe nu toch poëzie waar je naar terugkeert?  Omdat het net als in het liedje van de Dijk de wereld wat groter maakt dan je zelf bent. En dat is een onuitsprekelijke opluchting.

 

(Tips en verzoekjes voor de volgende poëziekalender, voor Ester Naomi Perquin en mij? Mail, titels en gewenste datum. Gehonoreerde verzoeken verdienen een exemplaar. )

Reageer >