De Ruis

10 april, 2014 (07:41) | Gilles van der Loo

02 IMG_0113Eens per jaar rijd ik met mijn zoon naar de verste uithoek van ons land om daar een weekje te logeren. Hoewel Nadim – onlangs gestopt met middagslapen – zelfs op zijn beste dagen veel werk is voor twee ouders, kost hij mij in Zeeuws-Vlaanderen als tijdelijk alleenstaande vader nauwelijks moeite.

Dankzij de wifi in het witte huisje op de dijk gaat mijn werk gewoon door. De dagelijkse excursies naar zee, noch de ultrakorte nachten (geen gordijnen in Nadims kamertje) kunnen verhinderen dat ik hier zelfs meer gedaan krijg dan in de stad. 

Ik heb daar maar één verklaring voor: de afwezigheid van De Ruis. Je merkt het als je aankomt, de koffers in je auto laat liggen en met een koud blikje bier voor de deur gaat zitten luisteren naar het tikken van de afkoelende motor. Een slow-mo achterwaarts vallen, alsof een stellage van drukte je al die tijd op je tenen gehouden heeft. 

De ruis – volgens mij standaard onderdeel van het randstedelijk leven – merk je pas bij het wegvallen ervan.

Bedoel ik lawaai? Ja.

Bedoel ik iets overdrachtelijks wat anderen met behulp van het woord energie zouden proberen te benaderen? Ook.

Het contrast tussen situatie A (met ruis) en situatie B (zonder) moet niet te groot worden, want dan gebeuren er rare dingen. Zo reed ik ooit in één ruk in een vijftien jaar oude Ford Fiësta van Amsterdam naar Jutland, waar de familie van mijn ex-vriendin een houten huis aan een klein meer bezat. Voorafgaand aan die 800 rammelende kilometers had ik drie weken lang elke dag elf uur bediend in een van de drukste zaken van Amsterdam. Toen ik in Gråne aankwam hing er een enorme rookgele maan boven het spiegelgladde meer. Het huis had geen elektriciteit en de dichtstbijzijnde lantaarnpaal was twintig kilometer verderop. Kort en hard: de sensorische deprivatie (A-B) die mijn brein die eerste nacht in de grenen bedstee overviel, zette het ertoe aan een extreem levensechte trol naast mijn bed te produceren, die vervaarlijk grijnsde in het licht van mijn flakkerende aanstekervlam. 

Hier in Zeeuws Vlaanderen heb ik nog geen dingen gezien die er niet zouden moeten zijn. Er komt dan ook drie keer per dag een auto langs, en gisteren was zelfs de postbode aan de deur. Ik besloot geen grap te maken over zijn opvallend puntige oren.  

Reageer >