De liefde voorbij

29 april, 2014 (06:39) | Marko van der Wal

Vorige week had ik het over de gedichten ‘Je bent’ en ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ van Jan Hanlo. Hoe je ze ook wilt uitleggen het blijven onversneden liefdesgedichten, en volgens mij horen ze bij elkaar. De teneur is in beide vrijwel hetzelfde en ze hebben alle twee een kraakheldere opsomming om de blanke huid van iemand die nooit arbeid heeft verricht te beschrijven. In ‘Zo meen ik dat ook jij bent’ luidt die: ‘als melk / als leem / en ’t bleke rood van vaal gesteent / of porselein’. Net zoals in ‘Je bent’ is dat een reeks met vier delen, waarvan het laatste ofwel breekbaar (‘porselein’) ofwel kortstondig is (‘zilver dat men krijgt ter leen’). Hanlo lijkt zo een Oudgrieks schoonheidsideaal te schetsen, inclusief al zijn vluchtigheid. Een tetracolon met climax! – zou je kunnen zeggen.

Verliefdheid is een van de dingen des levens die snel kunnen verkruimelen, dat had Hanlo ook goed in de smiezen. Liefde is – breek me de bek niet open – nu eenmaal net kwikzilver. Behalve de twee genoemde zoete versjes schreef Hanlo nog een gedicht dat gemakkelijk in dit rijtje van je-gedichten past. Het heeft alleen een heel andere strekking, want van lelies, rozen en koraal is absoluut geen sprake. In het derde gedicht, ‘Je’, wordt de liefde in de kiem gesmoord. Het begint namelijk zo: ‘je kwam eens binnen / en je wachtte / het ging beginnen / en je lachte // het was een ja / maar het werd een nee’. Je ziet hier iets opbloeien, maar als met een slag in het gezicht gaat alles verloren. Een totaal ontspoorde date of een slechtnieuwsgesprek, zo klinkt het. Volgens de statistieken heeft iedereen het wel eens zo zout gegeten.

Zulke kleine romantische rampen treden meestal op wanneer de verwachtingen te hoog gespannen zijn, of als je te diep onder de indruk van iemand raakt. Iemand die zoiets werkelijk expliciet heeft durven opschrijven is Max de Jong (1917–1951), in zijn grote gedicht ‘Heet van de naald’ – zijn laatste. Het zou later zijn meest bezielde gedicht blijken, in één ruk opgeschreven met zo’n sensationele noodzaak dat hij het zo nodig nog met zijn eigen bloed zou hebben voltooid. De derde strofe gaat zo: ‘we zijn elkaar misgelopen / ik heb het verkeerd gedaan / ik was te zwaar geïmponeerd / dan doe je alles fout’ Het hele gedicht lang blijft De Jong worstelen met zijn mislukte liefde, tot hij aan het einde inziet dat het uitsluitend aan hem lag. Hij berust uiteindelijk in zijn lot van de gedumpte minnaar: ‘jammer is zo iets.’

De andere kant van het spectrum is de-donder-jij-nu-maar-oppoëzie. Wat dat aangaat grijp ik wederom naar de grote singer-songwriters, ditmaal niet Joni Mitchell maar Bob Dylan. Zijn plaat Blonde on Blonde staat voor een groot deel in het teken van nummers die zeggen: mooi geweest, schluss, tabee. In ‘Most Likely You’ll Go Your Way’ zingt hij: ‘I’m gonna let your pass / And I’ll go last / Then time will tell just who has fell / And who’s been left behind / When you go your way and I go mine.’ Zo’n militair-strategische opvatting van de liefde mag dan wel zo oud zijn als de weg naar Rome, die zinnen blijven rauw op je dak vallen.

En zelfs dan kan het nog erger. Liefdesperikelen, niet aan de verwachtingen voldoen, de deur gewezen worden – het meest hartverscheurende is toch dat je blijft vasthouden aan De Onbereikbare en je verdere leven moet slijten in triestheid. In de moderne Nederlandse poëzie heeft Slauerhoff dat gevoel met lichte trom uitgevent, bijvoorbeeld in zijn gedicht ‘Vida triste’. (Gek genoeg maakte ik eerder kennis met de Portugese versie, waaraan ik een flinke dosis saudade heb overgehouden.)

Vida triste

Gedoemd om droevig te leven
Wordt ieder die te veel liefheeft;
Nog nooit hield mijn hart het tegen,
De liefde die groot verdriet geeft.

Weer zocht tevergeefs aan jouw borst
Mijn gemartelde hart zijn rust,
Dat wil troost voor brandende dorst
En wordt niet gelescht door lust.

En altijd lijden en boeten
Moet men voor iedere daad,
Tot de wellust der laatste zoete
Liefkoozing in dood vergaat.

Hoe lang men soms kan omhelzen,
Eens is weer de tijd vervloden;
Kan men dan nooit die helsche
Vervloekte passie dooden?
Ik weet het, liefde is zonde
En dus kreeg ik ook mijn straf:
Ik ben voor eeuwig gebonden
Aan iemand die nooit om mij gaf.

Wel heeft hij mij veel streelingen
En liefkoozingen gedaan,
Nooit kon hij mijn liefde bevredigen,
Dat kan zeker niet bestaan.

Ik weet wel, lijden en boeten
Moet men voor iedere daad,
Tot de wellust der laatste zoete
Liefkoozing in dood vergaat.

Hoe lang men soms kan omhelzen,
Eens is weer de tijd vervloden;
Kan men dan nooit die helsche
vervloekte passie dooden?

 

Vida triste

Condenado a viver triste
É sina de quem muito ama.
Nunca tu, meu coração, resististe
Ao amor que a dor inflama.

Mais uma vez meu torturado coração
Buscou abrigo no teu peito, inutilmente;
Não há quem lhe console a sede ardente
Nem ele se farta das delícias da paixão.

E sempre, para qualquer acto,
Há que pagar com o sofrimento,
Até que a doçura do último tacto
Acabe por morrer num lamento.

Por mais que os corpos se enlacem
Um dia tudo passa e só fica a solidão.
Haverá porventura alguém
que mate o fogo de tão maldita paixão?
Eu sei que amar é pecado
Por isso também a mim o céu castigou
Fiquei pra vida amarrado
A quem sempre me enganou

Jamais o amor me faltou
Com ternuras e afagos
Mas libertar meus anseios,
Nunca de tal se lembrou.

E sempre, para qualquer acto,
Há que pagar com o sofrimento
Até que a doçura do último tacto
Acabe por morrer num lamento.

Por mais que os corpos se enlacem,
Um dia tudo passa e só fica a solidão.
Haverá alguém capaz de matar
O fogo de tão maldita paixão?

 

Voor wie er nu nog geen genoeg van heeft: de soundtrack.

Reageer >