‘MIJN INTELLECTUELE VRIENDEN ZIJ ZIJN WATJES’*

9 juni, 2014 (03:23) | Martijn Knol

???????????????????????????????‘Ja! Ho! Stop! Als je d’r langs wilt, moet je eerst vijf brokjes betalen! Nee hoor, grapje, hahaha! Loop maar gewoon om me heen… Maar wat ik me afvroeg… doet Tirade ook verzoekstukken? Ja? Fijn. Ik vind die maandagstukjes de laatste tijd namelijk een beetje… soft… een beetje… hoe zal ik ’t zeggen?… een beetje POEZELIG… moehahaha! Maar serieus: mag ’t vandaag een beetje ongepolijst?… een beetje ruw? Een beetje streetwise? De wereld is groter dan bibliotheken, musea en concertzalen hè? Dat vind jij ook? Goed zo. Zet ’m op, knul!’

In Marguerite Duras’ De minnaar kijkt een volwassen Française terug op de relatie die zij als vijftienjarig schoolmeisje had met een ruim tien jaar oudere Chinese man, in Vietnam. Het meisje stamt uit een kil, hard gezin, ‘Een gezin van steen’. De vader van het meisje is overleden. Haar Franse moeder en Franse broers discrimineren haar Chinese minnaar.

Over de gezamenlijke diners in Chinese restaurants in Saigon vertelt de protagoniste:

‘Die avonden verlopen alle op dezelfde wijze. Mijn broers schrokken en richten nimmer het woord tot hem. Ze kijken ook niet naar hem. (…) De twee eerste keren waagt hij het erop, hij probeert het verhaal te vertellen van zijn belevenissen in Parijs, maar tevergeefs. Het is alsof hij niet had gepraat, alsof niemand iets had gehoord. Zijn poging verzandt in de stilte. (…) Mijn broers zullen nooit het woord tot hem richten. Het is alsof hij onzichtbaar voor ze was, alsof hij niet dicht genoeg was om door hen te worden opgemerkt, gezien, gehoord. Dat omdat ik hem om mijn vinger wind, omdat ervan wordt uitgegaan dat ik niet van hem houd,  dat ik met hem omga om het geld, dat ik niet van hem kan houden, dat dat onmogelijk is, dat hij alles van me zou kunnen verdragen zonder dat zijn liefde ooit uitgeput raakte. Dat omdat hij een Chinees is, omdat hij geen blanke is.’*

De lijdzaamheid waarmee de Chinese minnaar het zwijgen van zijn disgenoten ondergaat, maakt de vernedering nog pijnlijker.

Wat een verademing, daarentegen, is de manier waarop de verteller van Yahya Hassans gedicht Verhuizing reageert als hij zich verneukt voelt:

IK VERNIELDE DE HELE HUT MET EEN GROTE KOEKENPAN

EERST ALLE RAMEN

DAARNA KAMERPLANTEN POTTEN BORDEN GLAZEN

IK TRAPTE DE DEUREN IN EN GOOIDE DE KAST OM

TROK DE LADEN ERUIT EN BRAK DE KASTDEUREN AF

DE GROEPSLEIDERS HIELD IK OP AFSTAND

MET MIJN ZAKMES

Hahaha, zo doe je dat!

Het debuut van Hassan (1995), Deense zoon van Palestijnse vluchtelingen, leest als een autobiografie in vrije verzen. Aan het binnenwerk/de opmaak te zien is het boek bedoeld als poëzie, maar de gedichten lezen net zo weerstandloos als een bundel goedgeschreven, kort proza.

Hassans boek verhaalt over een criminele jeugd in een Deense prachtwijk en op internaten en is doorregen met moslimkritiek en herinneringen aan Libanon. De gedichten zijn rauw, kwaad en hilarisch – dankzij alle achtervolgingen, inbraken en vechtpartijen kunnen ze concurreren met actiefilms, televisiejournaals en de misdaadpagina’s uit Panorama en De Telegraaf.

Criminelen en kunstenaars stellen hun eigen wetten:

 

BESTE MAATJES

 

VANDAAG ZAL IK

DE GORDIJNEN NIET OPENDOEN

IK ZAL ONTBIJTEN EN DOUCHEN

EEN KOP KOFFIE DRINKEN EN GENOEGEN NEMEN MET EEN SIGARET

IK ZAL EEN GEDICHT SCHRIJVEN EN DE KRANT LEZEN

EN NA LANG AARZELEN

EEN BOEK UIT MIJN VERZAMELING KIEZEN

MAAR ÉÉN TELEFOONTJE VAN EEN NEEF

EN IK SNEL DE DEUR AL UIT

MET HANDSCHOENEN IN MIJN ZAK EN GEREEDSCHAP IN MIJN TAS

 

Leve het welzijnswerk en de goede bedoelingen. Maar van agressie gaat soms ook iets geruststellends uit. De criminelen van vandaag zijn de ondernemers en wetenschappers van de toekomst.

Tiradestreetwise.

Soundtrack:  Head cornerstone, Bob Marley.

Volgende week:  ‘Wat een raar geluid…’

Noten

*Marguerite Duras, De minnaar (1985 [1984]), vertaald door Marianne Kaas.

*Yahya Hassan, Gedichten (2014 [2013]), vertaald door Lammie Post-Oostenbrink.

 *De titel van dit stukje is een citaat uit Yahya Hassans gedicht MEGADICHT (Gedichten, p.160).

Reageer >