Ik bevestig dat ik leef

22 september, 2014 (11:51) | Martijn Knol

Of neem de branding. Stukgeslagen/ op de rotsen is zij niet werkelijk verslagen,/ maar herneemt zich en is daarin poëzie. Remco Campert, Poëzie is een daad*

Sans Tableau1)  De nacht

In ‘t licht van etalages, buitenreclames en straatlantaarns gaan dichters en literatuurliefhebbers op in stappers, penoze en wachtende taxichauffeurs. Ik denk aan Roland en Marko en Barry en aan Tjitske (zwaai!) en aan Laurens Ham en zijn vriendin en aan Marjolijn en aan Kira en haar Tirade 454 gedicht en aan de genereuze aankondigingen van Piet Piryns en Ester Naomi Perquin… Maar vóór alles denk ik aan Remco Campert… dit zal voor altijd De Nacht van Campert blijven… Godsamme. Die voordracht, het applaus. Eigenlijk was het Camperts eerste postume optreden – de hemelvaart van een levende. Die broze kracht op dat podium: zo ziet onsterfelijkheid eruit.

‘En toch, en toch… En tóch…,’ zeg ik tegen mijn vriendin terwijl we zoeken onder welke plataan we mijn Jaguar onze fietsen ook alweer hadden geparkeerd, ‘ondanks alle prachtige poëzie… het mooiste gedicht van de avond: ben jij.’

‘Tyn, ‘t is drie uur geweest.’

‘MAAR IK MEEN HET!!’ mijn Bart-Chabot-doet-Simon-Vinkenoog-imitatie neigt net iets teveel naar Sjef van Oekel.

Tien minuutjes fietsen – slalommen tussen zwalkende studenten. Jammer dat The Kik Armand en Lucky Fonz III had thuisgelaten. Maar daar staat tegenover dat de schoenen van Remco Campert net zo kobaltblauw waren als die van mijn vriendin. Haar vest was dan weer iets donkerder kobalt, net als dat van Marjolijn van Heemstra trouwens.

Als we thuiskomen, blijkt mijn imaginaire dochter er nog niet te zijn. Ze heeft in de nacht van vrijdag op zaterdag gelogeerd bij een collega in Rotterdam en zou zaterdagavond zelf weer naar huis komen. Mijn vriendin gaat naar bed, ik pak een boek om de tijd te doden tot ik mijn collega kan bellen. ‘We niksen de klok rond en fiksen het gat in ons hoofd,’ declameerde Leonard Nolens een paar uur eerder.

2)  Brusselmans*

God, wat hebben we het toch gezellig met elkaar in de NED-LIT… babbeldebabbel, borrel de borrel, twitter de twit… we lijken godverdomme wel een stel ouwe wijven… Hoog tijd om es een collega helemaal kapot te maken… es even kijken… kom jij maar eens naar voren… Herman Brusselmans!… Met je grote bek. En je zelfingenomen smoel. En je lange haar. Laat maar es zien wat voor boekske je nou weer gebakken hebt… Zeik?! Oké, geinige titel… blader, blader, lees, lees… haha!… hahahaha!… Oké, haha… best lachen, geinig gedaan… Maar ‘t is ook wel pathologisch, die grappenmakerij van je… als je álles belachelijk maakt – het genre van de policier, de roman/fictie in ‘t algemeen, het dagelijks leven, staande uitdrukkingen, het kantoorleven, seks, mongolen – dan laad je vooral het vermoeden op je dat je de stress der ernst niet kunt verdragen, geen seconde… Of zie ik dat verkeerd? Mmm? En moet dit soort stand-up proza nou echt per se gedrukt en verspreid worden? Ik vind ‘t meer iets voor een blog of om in drievoud uit te printen en uit te delen aan je beste vrienden… Nee, niet gelijk kwaad worden… ik denk dat je werk veel interessanter wordt als je niet in iedere scène of iedere zin meteen op zoek gaat naar de komische ontsnapping… Wat jouw werk nu per saldo overdraagt is levensangst… Zeik is een kaassoufflé zonder kaas… knap dat je ’m zoveel smaak kunt geven, maar voeden doet ie voor geen meter… Zo. Tot ziens in de Blaffetuur.

3) Raadsels

Om half acht, zondagochtend, bel ik mijn Rotterdamse collega om te informeren waarom mijn dochter nog niet thuis is. Heb ik me vergist? Zou ze twee nachtjes blijven? ‘Er logeert hier helemaal niemand,’ antwoordt ze, ‘ik weet niet waar je ‘t over hebt. Wie ben jij eigenlijk? Nee, sorry, je naam zegt me helemaal niks… En nu ga ik ophangen, want ik sta een konijn te villen.’

Voor ik nog iets kan zeggen, verbreekt ze de verbinding. Ik schiet in de lach.

Wat een raar gesprek! Is dit een sadistische grap? Het machtsspel of de machinatie van een narciste? Een onleesbare poging om me te castreren of te vernederen? Of is dit toneelstukje bedoeld om me op te voeden? Wil ze me laten zien wat er kan gebeuren als je je puberdochter zomaar bij een collega laat logeren? Of… of is er iets afschuwelijks gebeurd? Een ongeluk, ontvoering, verdwijning – en is dit een onbeholpen manier om tijd te winnen?

4) LINDA en REMCO

We – de Tirade redactie – hadden het plan om allemaal de LINDA Questionnaire te beantwoorden die onze zaterdagse gastblogster, LA SAMSON, kreeg of krijgt voorgelegd. Maar het is me nog niet helemaal duidelijk uit welke vragen die bestaat. Mijn antwoorden houd je, geloof ik , dus nog tegoed. Maar… mocht LINDA willen weten wat mijn favoriete dichtregel/strofe is… REMCO CAMPERT, afgelopen zaterdag:  Poëzie is een daad/ van bevestiging. Ik bevestig/ dat ik leef, dat ik niet alleen leef.

5) Straks

Maandagochtend. Mijn dochter is nog steeds niet thuis. Ik ben niet zo’n tobber die meteen het allerergste gaat denken… Natuurlijk blijft ‘t door mijn hoofd spoken dat ze is ontvoerd, verkracht, verminkt, vermoord. Misschien is ze inmiddels al in vijfenveertig stukken gesneden en als rosbief geserveerd aan afgetrainde zakenlui, opgewekte redacteurs van concernuitgeverijen en andere wereldverbeteraars. Ik zou nog een keer naar Rotterdam kunnen bellen. Maar ik vertrouw mijn collega. Was mijn dochter iets ergs overkomen, dan had er al lang een inspecteur à la Jean-Pierre Zeik voor de deur gestaan. Ieder moment kan ik de sleutel in het voordeurslot horen. Straks is ze gewoon weer thuis, ongeschonden. Alles komt goed.

—–

Volgende week: Samuel.

*Boekskes

Herman Brusselmans, Zeik, Prometheus (2014).

Remco Campert, Poëzie is een daad, uit: Het huis waarin ik woonde, De Weekblad Pers Groep (1955).

1 reactie >