De val van Zwarte Piet

11 oktober, 2014 (07:27) | Anne-Marieke Samson

Albert Heijn besloot deze week om Zwarte Piet in de ban te doen. En Amsterdam besloot het uiterlijk van de pieten bij de intocht van Sinterklaas redelijk radicaal te veranderen, geen rode lippen, minder zwarte gezichten. Tegelijk liet een Nederlandse vereniging (die ook een nogal gekleurd boekje uitbracht over waarom Zwarte Piet geen racisme is) weten voornemens te zijn om Sinterklaas, inclusief Zwarte Piet, op te nemen op de lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed. Kortom de Zwapi-discussie is weer lekker op gang. mj black or white

Bij mijn Franse buurvrouw Odile kwam Zwapi het huis niet in. Ik weet nog dat ik me als kind afvroeg of dat racisme was. Het was ergens begin jaren negentig, ik geloofde niet meer in Sinterklaas (maar mijn zusje nog wel) en racisme was ongeveer even populair als nu. Nelson Mandela was vrij, de wereld protesteerde tegen apartheid. Ik had een fruit of the loom t-shirt met Racism Beat It erop. En MJ zong It don’t matter if you’re black or white, terwijl hij danste met indianen en bosjesmannen, met als spetterende afsluiting van de clip een gezicht dat volgens de aller-modernste technieken veranderde van kleur en van haardracht, maar ondertussen steeds bleef lachen.

Mijn buren moesten lachen toen ik vroeg waarom zwarte mensen bij hen niet welkom waren. Het ging niet om zwarte mensen, maar om Zwarte Piet, zei buurman. Mijn buurman, zo vertelden ze me toen, had mijn buurvrouw toen zij net in Nederland woonde uitgenodigd op een sinterklaasviering waar hij Piet zou spelen. Om indruk op haar te maken had hij zich extra dom gedragen, en zich enthousiast tegen zijn zwartgeschminkte kop geslagen als hij door Sint werd gecorrigeerd. De aanwezige kinderen hadden geschaterlacht. Maar buurvrouw was na afloop geschokt, en in het geheel niet gecharmeerd. “Si(e)nterklaas i(e)s een raci(e)st”, had ze gezegd. En natuurlijk had ze gelijk, zei buurman toen. Hij deed voor hoe hij lamgeslagen van schrik en spijt zijn armen omlaag liet vallen, toen hij zijn nieuwe geliefde boos weg zag fietsen omdat hij onschuldige kinderen een negentiende-eeuws karikatuur had voorgeschoteld van een luie, domme, zwarte man.

De les die ik daar toen uit getrokken heb is dat racisme geniepig is. Kennelijk kun je een racist zijn en daar geen idee van hebben. En het is dus zaak om mensen daarop te wijzen (er even vanuitgaand dat mensen geen racist willen zijn). Maar hoe pak je zoiets aan? “Ik ken moslims”, zei laatst iemand bij een etentje met yoga-vrienden, “die leiden zo’n goed leven, daar kunnen jij en ik nog een puntje aan zuigen.” Toen ik daarop zei dat ik een jood kende die ook een uitzonderlijk goed leven leidde, kreeg ik de vraag of ik antisemiet was. chimmy

Ik las een tijdje terug Americanah van Chimamanda Ngozi Adichie. Daarin zet Adichie (overigens zonder enige bitterheid en met een prettige dosis humor) een redelijk angstaanjagend beeld neer van alledaags racisme in Amerika (dat overigens niet voorbehouden is aan witten of Amerikanen). Hoofdpersoon Ifemelu, een Nigeriaanse fellow aan een Ivy-league universiteit ontkomt er niet aan dat haar omgeving denkt dat ze achterlijk is, of een beetje vies, of bijzonder sterk; dat ze raar haar heeft, of een virtuoos ritmegevoel, dat ze haar leven lang honger leed, voor oorlogen is gevlucht of alleen maar biologisch eten at (of juist niet, want waarom zou iemand naar de Amerika komen als er biologisch eten in Nigeria was).

Ik ben zelf één keer in mijn leven geconfronteerd met iets dat op racisme leek. Een medestudent uit een ver land, met wie ik ooit een paper moest schrijven, stak een pleidooi af dat de joden de tweede wereldoorlog over zichzelf hadden afgeroepen. De joden zaten namelijk destijds in de bancaire sector en vroegen woekerrentes. Geen wonder dus dat de mensen daartegen in opstand kwamen. Ik weet nog dat mijn hersenen op volle toeren draaiden toen hij dat uitlegde. Ik dacht, niet boos worden, rustig blijven. Maar hoe reageer je op zoiets? Ik begon onhandig en ietwat betweterig uit te leggen dat het leed dat de joden, nee, laten we beginnen bij mijn familie, ten deel was gevallen in de oorlog op geen enkele wijze verdiend was en ook weinig te maken had met woekerrentes. De medestudent leek dat allemaal niet te horen, want hij was te verbaasd om iets anders. “Ben jij joods?”, riep hij uit. “Maar, maar… jij bent heel aardig!”

Toen we (allebei) bijgekomen waren van de schrik bekende de medestudent dat hij eigenlijk nog nooit met een jood had gepraat. Zijn moeder leerde hem als kind dat de joden hem zouden komen halen als hij niet naar haar luisterde. “Joden hebben namelijk horens, en eten kindertjes. Daar maakte ze me bang mee”, zei hij lachend, omdat hij inmiddels oud genoeg was om te weten dat dat een grapje was; een klein leugentje van ouders om de kinderen zoet te houden.

3 reacties >