Ramboetan

22 oktober, 2014 (04:22) | Gilles van der Loo

DSC_0224Het ramboetanseizoen is voorbij. Ik kan het moeilijk accepteren en sla ze in wanneer ik ze maar zie. Javaanse Surinamers verkopen de vruchtjes nog overal langs de weg, maar weten zelf ook dat het einde nadert.

Een verse lychee heeft frisheid bovenop het weeë zoet, iets wat je meestal niet meer terugvindt tegen de tijd dat ze in Nederland aankomen. De ramboetan (en alleen de dagverse) is veel meer dan dat: een sappig, friszoet genot van een zuurtje in zachtstekelig en bijna cyclaamkleurig vel, dat aan Nadim meteen de benaming egelballetje ontlokte.

Op de eerste dag in Paramaribo was het raak, en sindsdien heb ik een standing order bij de mevrouw op de markt. Als ze lekker zijn: 3 bossen voor Gil.

Suriname en haar klimaat maken het onmogelijk je lang zorgen over dingen te maken. Wat er ook aan de hand is (een afgekeurd manuscript, problemen op kantoor), als ik met een tas vol egelballen naar huis sjok, glijdt het door de barsten in het asfalt de rode aarde in.

Geloof me, ik doe mijn best om mijn zorgen te koesteren en aan te wakkeren met alle neurotiek die ik in me heb, maar het gaat gewoon niet. System override. Als een goedaardig virus dringt dit land je poriën binnen, waarna het je bloedbaan insluipt en fluitend in de weer gaat aan je binnenste. Die knoppen kunnen wel om, zegt het. En dat daar heb je ook niet nodig. Wat hangen die besognes hier rond? Hop, buiten met die bende. 

Vergeten is gemakkelijk, hier. Zo gaven we een vriend een lift door de stad, een Surinamer die ooit zijn land verliet vanwege Bouterse en de zijnen en hier terugkwam met het oog op verzet. Hij vertelde ons dat Bouterse op dit moment waarschijnlijk de beste persoon is om Suriname te leiden.

‘Ik ben de jaren ’80 niet vergeten,’ zei hij. ‘Maar Bouterse is wie de mensen willen en hij doet tegenwoordig een hoop goed.’

‘Maar moreel gezien, dan?’

Onze vriend glimlachte en tikte mijn arm aan. ‘Ga hier rechts. We zijn vlakbij. Wat ik zeg: Bouterse is wie de mensen willen.’

Ik sloeg af, stak mijn vrije hand in de tas met ramboetans die tussen ons in stond en dacht na over mijn volgende vraag. Ik zou respectvol aandringen, me vastbijten, uiteindelijk écht antwoord van hem krijgen.

‘Daar is het,’ zei hij, en wees naar een kleine ijswinkel met een roestig klimrek ernaast. Ik parkeerde, trok mijn sleutel uit het contact en zette de gepelde ramboetan tussen mijn tanden. Terwijl we uitstapten om softijs voor Nadim te kopen overviel het me opeens weer in al zijn hevigheid: dat het seizoen bijna was afgelopen.

 

Reageer >