‘Waist nog wel?’ – Nanne Tepper, 1962-2012

10 november, 2014 (09:23) | Daniël Rovers

Tepper portretVandaag precies twee jaar geleden maakte Nanne Tepper een einde aan zijn leven. Zijn inzet als schrijver, dat wat je zijn poëtica moet noemen, was de ‘grandeur van de teloorgang’, en preciezer gezegd: hoe je die grootsheid voelbaar kunt maken in een verhaal. In zijn werk overheerst de nostalgie naar een verleden dat vooral zo paradijselijk is omdat het buiten het bereik van gezond verstand valt. Wat heb je ook aan gezondheid? Weliswaar raakt het heden verstikt door dat zwelgen in hoe het ooit was, maar dat hoeft niet onprettig te zijn.

Iedereen beseft wel dat je het verleden niet kunt herhalen. Gedane zaken nemen geen keer. Bullshit, vindt aankomend schrijver Hille Veen in De avonturen van Hillebillie Veen, kijk maar naar mijn manuscript! Daarin ligt mijn jeugd in Veendam en de liefde voor mijn nimfijn Yvonne opgebaard. Als zij het leest zal ze niet anders willen dan het vuur van onze liefde opnieuw opstoken. Hilles vriend repliceert: ‘Da’s wat anders mienjong… “waist nog wel” is iets anders den “wilst nog wel”.’

Nanne Tepper was de auteur van De eeuwige jachtvelden, De vaders van de gedachte en De avonturen van Hillebillie Veen, romans waarvan de kwaliteit per titel exponentieel minder werd. Dat is vooral te wijten aan zijn waanzinnig goede debuut, over de Oost-Groningse doktersfamilie Prins en de liefde tussen broer Victor en zus Lisa, een roman die tot de beste vijf Nederlandstalige romans van de vorige eeuw behoort.

In De eeuwige jachtvelden gunde Nanne Tepper zijn held Victor de zoete teloorgang – via Oude Huizen naar Groningen, Amsterdam, Parijs en terug naar huis – die hemzelf in zijn leven niet gegeven was. Aan het einde van het boek zijn Victor en Lisa voor even weer herenigd in het paradijselijke Groningse gehucht van hun jeugd. ‘Het klinkt in zijn hoofd en het is schril en lelijk, als een gevecht… Pathos, in muziek volledig acceptabel.’

In alles wat na zijn dood over Nanne Tepper geschreven is, teksten waarin herinneringen werden bovengehaald, brievenboeken aangekondigd, een eerdere poging tot zelfdoding gereconstrueerd, bleef onduidelijk waarom zijn spreekwoordelijke ganzeveer opdroogde, hoe hij in de versukkeling raakte, waarom hij op het einde van zijn leven alleen nog maar de auteur was van sardonische Engelstalige comments op obscure Amerikaanse muzieksites. Hoe en waar je ook leest, nergens een duidelijke oorzaak of verklaring. En natuurlijk is zo’n verklaring er uiteindelijk ook niet. Wat evengoed geldt voor dat raadselachtig goede debuut van destijds. Hoe is dat er ooit gekomen?

Waarschijnlijk de kernzin in zijn oeuvre, halverwege De eeuwige jachtvelden: ‘Maar wat viel er meer met het leven te beginnen dan het te romantiseren?’ Nanne Tepper bouwde in zijn boeken aan een eigen familie, een eigen thuis zoals ooit J.D. Salinger, die andere voortijdig gestopte schrijver, dat deed.Niet om het verlangen te stillen in oosterse berusting, maar om het, op nabokoviaanse wijze, volledig bot te vieren.

Kees ’t Hart heeft geschreven dat Nanne Tepper zichzelf ‘ten koste van alles’ in een staat van het ‘gelukkige schrijverschap’ kon brengen. Dat is een mooie en ook wel troostende diagnose achteraf.

Zijn dialogen zijn gemaakt voor de bühne, zijn metaforen sprankelen, hij had het goocheme van een aforist. Bijvoorbeeld deze: ‘De hemel boven Oost-Groningen: het plafond van zijn jeugd en misschien ook van zijn kunnen.’ Of hier, over Amsterdam: ‘Van dit krenterig decor werd je losjes en lacherig. Hier was de Hollandse ironie geboren.’

De mooiste zin uit het oeuvre is wat mij betreft een onopvallende. Hij heeft een rustig jambische gang en versnelt haast ongemerkt bij de adjectieven op het einde: ‘Haar kamertje was verduisterd, maar boven haar bed stak een geruststellend, onhoorbaar zoemend, lichtgroen lampje in het stopcontact.’ Oké, dat zal wel sentimenteel klinken, zo met die twee verkleinwoorden erin. Maar wat moet je anders als je ooit ook zelf zo’n groen lampje in het stopcontact in de kamer van jou en van je zus hebt gehad?

Het laatste hoofdstuk van De eeuwige jachtvelden is een naar verluidt faulkneriaanse (maar ik heb Faulkner nooit gelezen) innerlijke monoloog van de overleden Directeur van de plaatselijke bank. Hij beschrijft de dag van zijn eigen begrafenis en ziet vanuit het zolderraam hoe Lisa en Victor allebei gekomen zijn om hem de laatste eer te bewijzen. De slotregels van het boek luiden:

‘En ik hang voor dat dakraam en zie de avond over de velden en de zon die achter de einder dooft en er spoelt iets warms door dat wat van mij over is en dood zal ik wel niet meer gaan en als ik door het dakraam vloei en de avonden van altijd ruik, zie ik in mijn hoofd mijn oude vriend Zonnebloem die mij bij een elleboog pakt en zegt: “Mien beste kerel, waist nog wel…”’

Het is bijna twintig jaar geleden dat De eeuwige jachtvelden verscheen. Misselijkmakend toch, dat zoveel tijd zo ongemerkt voorbij kan gaan?

————

Daniël Rovers (1975) schreef de essaybundels Bunzing en De figuur in het tapijt, de romans Elf en Walter en een bundel (anti)reisverhalen getiteld De zon is het probleem niet. Met Iannis Goerlant vertaalde hij David Foster Wallace’ De bleke koning.  In Tirade 450 publiceerde Rovers een ‘tirade tegen zichzelf’ en in Tirade 453 het verhaal The Killing Fields. In het komende nummer van Tirade, Tirade 456, vind je een essay van Daniël Rovers over Jeroen Mettes en diens N30.

Foto Nanne Tepper: dbnl.

Reageer >