Lichaam

20 juli, 2009 (10:48) | Blog

In het najaar van 2001 vond er op de doorgaans zo praktische e-maillijst van de Werkgroep Vertalers van de VvL een heuse intellectuele discussie plaats. Inzet was de vraag hoe het werk van een literair vertaler moet worden gezien: als ambacht, of als uitvoerende kunst?

Martin de HaanDe hele vraag kan op het eerste gezicht tamelijk onzinnig lijken, omdat de twee mogelijkheden elkaar niet echt uitsluiten, maar het achterliggende meningsverschil is dat allerminst: de ‘ambacht’-optie werd verdedigd door mensen die de identiteit tussen brontekst en vertaling wilden benadrukken, de ‘uitvoerende kunst’-optie door mensen (om precies te zijn vooral ikzelf) die het vooral het verschil tussen brontekst en vertaling interessant vonden. Ambacht staat voor vaardigheid, techniek, herhaalbaarheid, uitvoerende kunst staat voor interpretatie, visie, eenmaligheid; de keuze tussen die twee hangt uiteraard nauw samen met de vraag hoe je je als vertaler tot je vak wenst te verhouden.

De discussie leek mij interessant genoeg voor een minder terloopse voortzetting op een openbaar podium, dus schreef ik een polemische ‘Stelling’ voor het vertaaltijdschrift Filter (8:4), in de hoop dat andersdenkende vertalers erop zouden reageren. Die stelling luidde kortweg: ‘Literair vertalen is een uitvoerende kunst,’ en ik betoogde dat elke goede vertaling een ‘subjectieve maar volledig dienstbare visie’ op de brontekst veronderstelt, die uiteindelijk is geworteld in het lichaam van de vertaler, ‘het filter dat een vertaling tot een eenmalige, niet-herhaalbare taalhandeling maakt’.

En inderdaad kwam er meteen in hetzelfde nummer van Filter al een reactie, zij het uit geheel onverwachte hoek: ik werd links ingehaald door het duo Winibert Segers en Henri Bloemen, dat mijn stelling pareerde met de tegen-stelling dat vertalen ‘géén overeenkomst, géén gelijkenis, géén afbeelding, wel verschil’ is, ‘eerder metonymie dan metafoor’, kortom ‘vrouw’. Die nadruk op het verschil in plaats van op de overeenkomst vertoonde een opvallende gelijkenis met mijn eigen standpunt op de e-maillijst, maar dit keer was ik zelf de gebeten essentialistische hond, want ‘de vergelijking van het vertalen met het uitvoeren van een muziekstuk is een uitgewerkte metafoor’ die uiteindelijk toch ‘haar beperkend, mannelijk karakter’ toont, aldus mijn nieuwe opponenten. Immers: ‘Wie vertalen metaforisch definieert, wil grijpen, beheersen, binnendringen, toe-eigenen, vervangen, zich in de plaats stellen: man zijn. Het metonymische daarentegen is het contigue, het ontsnappende, het zich onttrekkende, het anders en elders zijn.’

In mijn ietwat ludiek getoonzette weerwoord (in Filter 9:1) ging ik in op het bijzonder mannelijke beeld van het vertalen als vrouw, met name door te stellen dat je het metaforische (de overeenkomst, de gelijkenis, de afbeelding) nooit kunt wegstrepen zonder tegelijk het vertalen zelf kwijt te raken, ‘net als die onhandige vader die zijn kind samen met het badwater door het raam gooide’. En ik citeerde een zin van de Amerikaanse literatuurwetenschapper Paul de Man (what’s in a name?) die me de situatie goed leek samen te vatten: ‘The relationship between the literal and the figural sense of a metaphor is always metonymic, though motivated by a constitutive tendency to pretend the opposite.’ Vertaald naar het vertalen: de relatie tussen brontekst en vertaling mag dan uiteindelijk altijd metonymisch zijn omdat verschuiving (een kernbegrip in de vertaalwetenschap: vertaalfouten heten daar ‘ongemotiveerde semantische verschuivingen’) onontkoombaar is, toch gaat van een vertaling altijd een metaforische aanspraak uit, de illusie van (of hoop op) een overeenkomst met de brontekst. Het een is niet denkbaar zonder het ander.

Wat ik in mijn weerwoord destijds niet schreef, maar misschien wel had moeten schrijven, is dat mijn stelling ‘literair vertalen is een uitvoerende kunst’ helemaal geen metafoor of vergelijking was: het was eenvoudigweg een definitie, naar keurig taxonomisch model. Literair vertalen is niet als een uitvoerende kunst, literair vertalen is een uitvoerende kunst, omdat het op zoekende, niet-mechanische wijze een bestaand taalkunstwerk omzet in een nieuw taalkunstwerk. Het enige wat aan mijn definitie ontbrak was wat in de aristotelische taxonomie differentia specifica wordt genoemd, het onderscheidende kenmerk van een species binnen een genus. Vul zelf maar in: literair vertalen is een uitvoerende kunst… die een bestaand literair werk probeert te herscheppen in een andere taal. Waarbij ‘bestaand’ overigens niet moet worden gelezen als ‘voor eeuwig vastliggend’, want de uitvoering concretiseert, actualiseert, creëert het origineel. Zoals de befaamde vertaler Dolf Verspoor ooit schreef: ‘Het kunstwerk bestaat niet objectief. Kunst komt alleen over in de vorm van interpretatie, van vertaling. Het kunstwerk is essentieel mobiel, al naar gelang van degenen die het in zich opnemen, al naar gelang van de tijd.’

Dat vind ik nog steeds een overtuigende benadering. Toch zit een aantal dingen in mijn oude formulering me nu niet lekker meer, met name de combinatie van begrippen als ‘subjectief’ en ‘visie’ (die uitgaan van beheersing en onderwerping aan een bewuste intentie) met een begrip als ‘lichaam’ (dat eerder staat voor het onbeheersbare, de driften). Rokus heeft al aangekondigd dat hij na zijn thuiskomst een lofrede op de subjectiviteit zal houden aan de hand van de onlangs overleden vertaler en theoreticus Henri Meschonnic. Zelf kies ik nu voor het lichaam: het lichaam van de vertaler, dat als ruis ingebakken zit in de vertaling en er de eigenheid van uitmaakt.

Martin de Haan


5 reacties >