De onweerlegbare Harry Mulisch

13 februari, 2015 (18:28) | Daniël Rovers

De_letterpiloot voorplatPrecies vijfentwintig jaar geleden schreef Willem Jan Otten in Tirade een essay over Harry Mulisch als essayist. Het is een hogere vorm van kritiek die Otten bedrijft. Misschien zou je het een zeer selectieve vorm van prijzen moeten noemen. Je kunt iemand het graf in prijzen.

Harry Mulisch is een schrijver – en hij is niet de enige Nederlandse auteur, denk aan W.F. Hermans – die zich laatdunkend over essayisten heeft uitgelaten. Niet omdat ze te veel praatjes hadden en onnodig veel in het Engels en Duits citeerden, zoals Hermans beweerde, maar omdat ze niet filosofisch genoeg waren of durfden te zijn. Mulisch constateerde bij essayisten een gebrek aan precisie en uithoudingsvermogen, wat ze bovendien nog zelf toegaven door hun werk te betitelen als ‘probeersel’.

Maar als Willem Jan Otten de opstellen van Mulisch leest, treft hij er juist veel essayistiek in aan – en dat is precies de reden waarom hij Mulisch leest. De filosofische passages slaat hij daarentegen liever over; ze gaan snel vervelen.

“Ik verval al snel in verveling zodra proza denksystemen weergeeft of uitwerkt. Alles wat ook door anderen in eigen bewoordingen zou kunnen worden gezegd of samengevat, verliest onwillekeurig mijn aandacht. Misschien speelt mij de poëzie parten, zijnde de vorm van literatuur die buiten zijn eigen verwoording weinig betekenis heeft. Ik zoek hoe dan ook naar zinnen die niet zozeer gedachten uitdrukken als wel mij de sensatie bezorgen aan het denken te zijn. Wat dat voor zinnen zijn; wat ‘aan het denken zijn’ precies inhoudt; en wat het precies voor elektriciteit is die zich dan aan je bewustzijn meedeelt, dat weet ik welbeschouwd pas op het moment van lezen zelf. Het gaat hier om ervaringen. Zinnen die je een ervaring bezorgen.”

Willem Jan Otten noemt het essayistische proza van Mulisch betoverend en onweerlegbaar, maar stelt vast dat de ware ervaring er ontbreekt. Bij Mulisch prevaleert de verklaring boven het onbegrip. Hij denkt vanuit de conclusie.

Otten geeft twee voorbeelden. Ten eerste Mulisch’ verslag van de grote demonstratie tegen de plaatsing van kernraketten in 1981. Mulisch beschrijft hoe een gezamenlijke schreeuw zich door de kilometerlange optocht verplaatst, een Kreet die hij een ‘afschuwelijke angstkreet’ noemt en waar de geëngageerde auteur aan meedoet, ‘lachend als iedereen’. Maar hoe kun je nu lachend meedoen met een ‘afschuwelijke angstkreet’? vraag Otten zich af. Het kan niet anders dan dat Mulisch dit pakkende contrast pas tijdens het schrijven toegevoegd heeft. Er is fictie van de ervaring gemaakt.

Het tweede voorbeeld is een passage uit een reisverslag, waarin Mulisch beschrijft hoe hij, in een bootje op de Ganges, dankzij de jongen die hem roeit, het ‘volledige gemis aan historisch besef’ in India ervaart.  Niet waar, schrijft Otten, ook die ‘ervaring’ moet pas later, tijdens het schrijven van de tekst zijn ontstaan.

En dan gebeurt er iets moois, iets heel essayistisch. Otten vraagt zich plotsklaps af, in een zin die meteen ook een alinea is, hoe hij dat nu zo zeker weet. Het verbluffende antwoord luidt: “Ik weet het natuurlijk niet zeker.”

—————-

Op vrijdag 20 februari vindt in Perdu De avond van het essay plaats. Christophe van Gerrewey, Thijs Lijster, Nina Polak en Daniël Rovers spreken over hun favoriete essays – van Roland Barthes, Walter Benjamin, Joan Didion en Willem-Jan Otten. Aanvang: 20.00 uur.

 

Reageer >