‘Van dat gedicht krijg ik een soort vechtlust…’

20 februari, 2015 (08:00) | Annemieke Gerrist, Wim Brands

Deel XIII van de correspondentie Gerrist-Brands, Brands-Gerrist:

 

Annemieke Gerrist TwitterprofielfotoDag Wim,

Toen ik zelf 14 was kreeg ik Do not go gentle into that good Night van Dylan Thomas onder ogen. Sindsdien lees ik het regelmatig, vooral als ik ergens de moed vandaan moet halen om iets moeilijks of engs te gaan doen. Het gedicht wordt waarschijnlijk vaak gelezen bij overlijden. Zelf krijg ik van dat gedicht een soort vechtlust; alles doen, voordat ik ooit zelf op dat bed lig te sterven en vecht tegen de vraag of ik iets heb gedaan, heb bereikt.

Eens per maand gingen mijn zus en ik vroeger een lang weekend naar Arnhem, vanuit Zeeland. We noemden Arnhem ‘de lichtjesstad’. We kwamen er meestal ‘s avonds aan, de stad lag dan in het donker. In de straten rondom het station gloeide de stadsverlichting: van de hotels, de straatverlichting, de slingers van lampjes in winkelstraten. En zeker wanneer het winter was, tijdens de feestdagen.

Toen ik overigens op een reünie was een aantal jaren geleden, waren er oude klasgenoten die al die tijd (zo’n 25 jaar) Zeeland nog nooit verlaten hadden.

Later, veel later, zag ik een documentaire die ik nooit meer heb teruggevonden. Ik moet daaraan denken omdat het over mijn reizen naar de stad ging. Eén scene met een jongetje is in mijn hoofd gebrand. Het jongetje werd gevolgd, hij pendelde tijdens de documentaire tussen de twee huizen van zijn vader en moeder heen en weer.

De documentairemaakster had hem even apart genomen, nadat hij uit de auto van zijn vader was gestapt, in de straat waar hij woonde bij zijn moeder. Een jongetje met rood haar, hij zat op een schommel.

Hij ging heen en weer, keek de vragenstelster glazig aan, in een diepe stilte, terwijl de vrouw doorging met vragen stellen. Hij schommelde, en kon lang niks zeggen. Hou toch op met die vragen, schreeuwde ik naar de tv. Toen het jongetje uiteindelijk begon te praten, en uitlegde waar hij allemaal aan dacht heb ik de tv heel snel uitgezet.

Ik weet zeker dat het gebied waar het jongetje in gevangen zat, en wat ik met een schok herkende, het gebied is waar mijn poëzie en mijn tekeningen ontstaan.

Misschien kan ik dit gebied wel eens gaan onderzoeken en beschrijven, of tekenen, nu durf ik nog niet. Van het dorp waar ik woonde tot de grote stad was het 3 1/2 uur reizen, schommelend tussen het ene en het andere.

Naar welke stad ging jij voor het eerst?

Groet,
Annemieke

—————–

Wim Brands TwitterprofielfotoDag Annemieke,

toen ik tien was gingen we naar Arnhem. Mijn moeder had een rijbewijs, mijn vader kon niet rijden. Ik herinner me dat mijn moeder midden in de stad in paniek raakte door de drukte en bijkans hysterisch werd toen een buschauffeur zijn deur opende en terwijl hij rustig doorreed op zijn voorhoofd tikte omdat hij haar rijgedrag onverantwoord vond.

Als plattelander voelde ze zich buiten de bebouwde kom van haar gemeente al snel niet meer op haar gemak. Net als boer Weenink die op latere leeftijd zijn rijbewijs haalde maar tijdens zijn eerste grote reis op een rotonde door angst werd bevangen en naar verluidt talloze rondjes heeft gereden alvorens hij door de verkeerspolitie naar de berm werd gedirigeerd.

Van het bezoek aan Arnhem herinner ik me door de nervositeit van mijn moeder en het geschamper van mijn vader niet veel meer.

Vandaar dat in mijn geheugen het eerste bezoek dat ik aan Amsterdam bracht altijd als eerste herinnering aan een stadsbezoek naar boven komt.

Ik ging met een buurtgenoot, een vervelend ventje dat in Den Haag was geboren en mij eigenlijk maar een boer vond.

Ik was veertien.

We hebben drie dagen in het huis van zijn broer in de Nieuwmarkt gebivakkeerd. Een gekraakte woning, zoals veel woningen in die Amsterdamse buurt in de jaren zeventig werden bewoond door krakers, veelal studenten. Eerlijk gezegd was ik stiekem op de hand van wethouder Lammers die de woningen wilde slopen, ik gaf geen cent voor de zogenaamde betrokkenheid van de studenten die dezer dagen wel ergens op het platteland zullen wonen.

Ik woon intussen al weer zeer lang in Amsterdam en ben voorlopig niet van plan te vertrekken. In die jaren zeventig had ik het intussen een verschrikkelijk idee gevonden om in deze stad te moeten leven. Ik herinner me dat ik alle dagen misselijk werd als ik buiten was. Ik kon niet tegen de stadslucht, de drukte benauwde me. Ik was blij dat we na drie dagen terugliftten.

Toen ik later Abel zag van Alex van Warmerdam waarin Abel op een bepaald moment stilstaat op straat terwijl hij links en rechts gepasseerd wordt begreep ik direct hoe hij zich op dat moment moest voelen, terugdenkend aan mijn eerste bezoek aan Amsterdam.

Nu ik dit schrijf moet ik plotsklaps denken aan de zwerver die in de omgeving van het Centraal Station vaak ongenaakbaar stilstond, als een standbeeld.

Abel.

Hij was zo smerig als ik nog nooit een zwerver smerig heb zien zijn. Tot mijn verbazing las ik na zijn dood een verhaal over hem in De Volkskrant. Hij was een begaafd muzikant geweest, speelde zelfs in het Concertgebouw, raakte aan de drugs. Eindigde op straat.

Misschien dat ik eens zou moeten proberen de stad vanuit zijn perspectief te beschrijven, in een gedicht.

Hoe zou jij dat doen?

vrgr

Wim

 

 

1 reactie >