Junk

6 april, 2015 (00:06) | Martijn Knol

vuurtoren b‘Als je altijd alleen maar over ’m zit te zeiken, waarom ga je dan niet bij ’m weg?’

‘Dat kan niet zomaar als je ’n kind hebt.’

‘Waarom niet? Dacht jij dat Dostojevski zou instorten als je bij ’m wegging? Die heeft zo weer een ander, hoor. En daar maakt ie dan ook weer ’n kind mee.’

‘…’

‘Moet ik z’n remleidingen doorsnijden? Of zal ik ’m overhoop knallen?’

‘Björn, doe normaal!… En je moet Pjotr geen ‘Dostojevski’ meer noemen, dat vind ik echt niet leuk.’

‘Ga dan bij ’m weg.’

‘Hij heeft me nodig! Dat jij nou zo goed voor jezelf kan zorgen.’

‘Weet je wat? Rot meteen maar weer op. Ga maar lekker naar Dostojevski. Dahaag.’

Ik duw haar van me af, maar ze grijpt de hals van m’n shirt en trekt er zo hard aan dat we de naden horen knappen. Lachend laten we ons op bed vallen.

‘Moet je nog terug naar kantoor?’

‘Misschien vanavond nog even. Jij?’

‘Ik heb om vijf uur een bezichtiging.’

‘Godverdomme.’

Ze kijkt me aan, droevig en vrolijk tegelijk, trekt me dichter naar zich toe.

*

Winter, anderhalf jaar eerder. We waren een paar dagen foetsie. Samen. Mijn broer zat een halfjaar in India en omdat ik zijn planten verzorgde, konden we dag en nacht terecht in zijn appartement. Ze was tegen me aangekropen op de bank en las een script op basis van een roman van James Salter of F. Scott Fitzgerald. Een slokje wijn, een pagina dialoog. Opeens legde ze het scenario weg en vroeg:

‘Wanneer was jij ’t gelukkigst? Ooit? Tot nog toe?’

‘Op onze trouwdag.’

‘Niet gemeen doen. Eerlijk antwoorden.’

‘Die week in ’t huis van je zus.’

‘Ja.’ Ze keek me blij aan. Opgelucht dat mijn antwoord met haar te maken had. ‘Alles was zo… intens… Voor m’n gevoel hebben we daar een jaar gezeten.’ Ze zette haar glas op tafel en liep van de bank naar het raam.

‘Sneeuw!’

*

Ze kan douchen zonder dat haar haar nat wordt. Haar gezicht is nog knalrood. Soms leest ze me voor uit scenario’s, vandaag verdwijnt haar bril ongebruikt in de tas. Ze ziet er tien jaar jonger uit dan toen we hier een paar uur geleden aankwamen.

‘Doe m’n rits even dicht.’ Ze heeft haar rug naar me toegedraaid. Ik leg mijn hand in haar nek. Ze is onweerstaanbaar in deze jurk. Alleen haar eigen, blote huid staat haar beter. Het liefst zou ik de marineblauwe stof in één beweging van haar lijf rukken, als cadeaupapier. Rot toch op met je bezichtigingen. Ik heb zin om haar op haar knieën te dwingen en ’r te neuken tot ze de slappe lach krijgt, stil wordt en alleen nog maar kan kreunen en hijgen.

‘Björn? Please?’

Als ik de rits van haar jurk heb dichtgetrokken loopt ze naar het dienblad met waterkoker en kopjes op het dressoir. Ze pakt een hand verpakte paaseitjes uit de schaal ernaast, stopt die in haar tas. Voor haar dochtertje.

‘Blijf nog even? Laat die filmlui de schijt krijgen.’

‘Jezus Christus, Björn, ’t is echt maar goed dat we niet samenwonen, want dan zouden we de hele dag niks anders doen dan vrijen.’

First world problems.’

‘…’

‘Ik denk dat ik je oor d’r af ga bijten. Als aandenken.’

‘Ik zal jouw snikkel er eens af bijten. Waar zijn m’n autosleutels?’

‘Die heb ik uit ’t raam gegooid.’

Ik probeer luchtig te doen, maar ze kijkt dwars door me heen. Met de rug van haar hand aait ze over mijn wang.

‘Zorg je wel dat je af en toe iets eet?’

‘…’

‘Alles komt goed, lieverd. Sneller dan je denkt. Echt.’

Ik weet niks meer te zeggen. Ze trekt haar jas aan. Ik pak mijn telefoon. Als ze in de deuropening naar de gang staat, noem ik haar naam. Zodra ze over haar donkerblauwe schouder kijkt, maak ik een foto. Haar hoofd vult het schermpje van mijn iPhone. Bruine krullen, grote groene ogen. Een location hunter met de looks van een Oscar winnares.

*

Ik sta in m’n blote lul achter de vitrage. Even later zie ik haar beneden naar haar veel te grote auto lopen. Haar hoge hakken accentueren hoe klein ze is. Net een schoolmeisje op de schoenen van haar moeder. De aanvechting mijn vuist door de ruit te slaan en haar naam uit te schreeuwen. Kom terug! Kom terug! Ik leg een hand op het glas. Het gewicht van alle jaren die we niet samen hebben doorgebracht lijkt de lucht uit m’n lijf te persen.

Haar lippen tintelen nog op de mijne. Mijn handen gloeien na van haar kuiten, haar bovenarmen, haar kont. Voor ze instapt kijkt ze naar de geblindeerde hotelgevel. Naar de verkeerde kamer, naar de verkeerde etage. Ze start de auto en rijdt het parkeerterrein af.

Ik draai me om. Ik heb het gevoel dat ik in de fik sta. Nu godverdomme het hele interieur kort en klein slaan. De kreukels die we in de lakens hebben geneukt, de ingedeukte kussens. Ik ga op de rand van het bed zitten. Even lijkt het of ik moet overgeven – dan begin ik, tot mijn eigen verbazing, voor het eerst in tien, vijftien, twintig jaar te huilen. Minutenlang.

Als ik, nadat ik mijn gezicht heb gewassen, de badkamer uitkom, zie ik dat er een hemelsblauwe envelop uit mijn jaszak steekt. In de envelop zit een correspondentiekaart en een sleutelhanger die ik eerder heb gezien: de vergeelde gummi vuurtoren met daaraan de sleutel van het duinhuis van haar zus. Op de voorkant van de kaart staan onze beide namen in een krans van zelfgetekende hartjes, achterop een datum en een tijd.

Nog zes dagen en twintig uur – dan herrijs ik uit mijn as.

 

————–

Portret Martijn Knol (foto Koos Hageraats) web

Martijn Knol (1973) is schrijver en Tirade-redacteur. De duiker (2003), Aphinar (2007), Alles kan kapot (2011), Elders (2014). Verder: korte verhalen, essays, besprekingen, blogposts.

 

 

 

 

Volgende week: Zadie Smith, geïnterviewd door Arnon Grunberg.

 

Reageer >