Žižek over onze nomadische toekomst

1 oktober, 2015 (08:00) | Menno Hartman

chatwin-songlinesHet artikel van Slavoj Žižek in de Groene Amsterdammer van vorige week is − niet verrassend − een van de zinnigste stukken recentelijk verschenen over de migratie. Als Žižek al een aantal minder makkelijk te verteren waarnemingen heeft gedaan, schrijft hij ook nog: ‘De voornaamste les die uit dit alles kan worden getrokken is derhalve dat de mensheid zich moet gaan voorbereiden op een ‘plastischer’ en nomadischer levenswijze: plaatselijke of mondiale veranderingen in het leefmilieu kunnen leiden tot de noodzaak van ongekende, grootschalige sociale veranderingen. Een ding is wel duidelijk: de nationale soevereiniteit zal radicaal geherdefinieerd moeten worden en en nieuwe soorten mondiale samenwerking zullen moeten worden uitgevonden.’

Omdat ik Žižeks film ‘A perverts guide to Ideoligy’ zag, hoor ik hem dit uitspreken met dat hele vette Sloveense accent van hem.

Ik leerde recentelijk pas denken over ‘dans’ in termen van poëzie; choreografen spreken een taal waarin rijm, citaat, karig woordgebruik, herhaling en lyriek, de kijker als begrippen kunnen helpen abstracter te proeven van wat het ziet. Of er over na te denken.

Zoals poëzie een manier is om naar dans te kijken, zo kunnen poëzie en muziek eveneens een manier zijn om een land te definiëren. Dit geweldige concept, dat Bruce Chatwin een boek kost om goed uit te leggen, geldt voor de nomadische Aboriginals in Australië. Chatwin beschrijft dit in zijn prachtige Songlines. Nooit eerder  las ik zo’n boek! Naast een enorme kennis en belezenheid is de fantastische  wendbaarheid van Chatwin als verteller zo’n wonder in dit werk. Elk gesprek, elke uitweiding, elke flashback staat ergens, maar niet éen op éen, in dienst van het grote vraagstuk: begrijpen wat de songlines of liedpaden, voor de Aboriginals betekenen, en waarom dit nomadische tijds-, en ruimte-aspect botst met het westers denken.

Kort en dus beperkt betekent de ‘songline’ iets als dit: hun wereld, Australië, is door de voorvaderen bij elkaar ‘gezongen': zij zongen wat zij zagen en zo ontstond de wereld. Denk ook aan het christelijke equivalent van God die in Genesis de dingen ‘noemt’. Door het continent lopen lange routes die zijn opgedeeld in afstanden die aan een stam of persoon behoren, zij kennen ook letterlijk het ‘lied’ van die tocht, je zingt wat je gaat zien. Land kennen is dus bij het land horen en het lied van dat land kunnen zingen. Dat verklaart dan ook het onbegrip jegens nieuwkomers die zomaar onbekend land pikken, het pijn doen door er treinen doorheen te laten snijden.

De essentie van het Aboriginal leven is daarmee beweging, en muziek en taal. Leven is: verplaatsing naar waar het beter is. De mens een eeuwige vluchteling. Hun land is een lange lijn die ‘hun land’ is wanneer ze daar zijn. Een plastische, nomadische levenswijze die misschien geen antropologische verleden is, maar een blik op de toekomst.

Reageer >