Voorzichtige beteekenis

8 oktober, 2015 (08:00) | Menno Hartman

monkey_orchidsIk zal ten onder gaan aan verbanden, een man die met velletjes papier met woorden erop en verwijzingen eenzaam aan een bureau zit, zoals het verhaal gaat over de laatste jaren van  J.H. Leopold. Bladerend in zijn Schetsen in fragmenten kwam ik de zinsnede ‘Groen zijn de oevers, lachend het land / / Aihime zee verlevendigd’ tegen, daar kauw ik al weken op. Zijn biograaf J.D.F. Halsema weet het ook niet. ‘. Ik heb altijd gedacht dat het Grieks of Japans moest zijn, Grieks zat er altijd al veel in zijn poëzie, de laatste jaren kwamen China en Japan geducht opzetten. Het is ook niet uit te sluiten dat het gewoon een mooi zelfgemaakt woord is, dat deed hij wel vaker (zoals ‘Balanje sorne kwintië’).’

Verbanden zijn het rijm van de wereld, rijm is bedacht om verbanden te suggereren. Lezend raak je hoe dan ook, meer of minder verward in naar elkaar verwijzende kennis. Hoe meer je ziet, weet, leest, hoe talrijker die verbanden. In dit blog had ik voor het eerst kennisgemaakt met krabbetjes die op samoerai leken, nu vond ik bovenstaande ‘Monkey Orchids’ een bloem die op een aap wil rijmen. We weten wel wat Darwin daarvan vond, dat Czesłav Miłosz op zijn beurt een mening over Darwin had, las ik pas in de nieuwe bundel beschouwingen over poëzie van Benno Barnard Mijn gedichtenschrift, een beetje narrig soms maar zeer inspirerend als poëzielezer:

[…] Charles Darwin, gemankeerd geestelijke, maakte met spijt
zijn theorie van de natuurlijke selectie bekend, want hij voorzag
dat deze de theologie van de duivel zou dienen,

aangezien ze triomf van de sterken en de ondergang van de zwakken
verkondigt, wat precies het program van de duivel is –
die daarom de vorst van de wereld genoemd wordt. […]
Barnard schrijft dan in zijn fraaie beschouwing: ‘Eind 2006 verscheen de vertaling van Theologisch traktaat (het origineel is van 2001). Niet onmiddellijk een titel die in onze contreien op bijval kan rekenen: en dat geldt nog sterker voor de strofen over Darwin en de duivel in bovenstaand gedicht. Maar dankzij Miłosz – die Darwin treurend bijvalt – is het pas werkelijk tot me doorgedrongen dat de nazi’s de natuurlijke selectie probeerden te versnellen. Sindsdien tob ik over de vraag waarom zoveel mensen doen alsof de evolutieleer een opluchting is na het christendom.
Miłosz lezend heb ik ook mijn verknochtheid aan de christelijke esthetiek opnieuw gevoeld – de metaforen, de verhalen, de liturgie, de muziek, de architectuur – en ben ik me zorgen gaan maken over een vorm van seculier obscurantisme die christendom-analfabeten helpt kweken. Alsof het al niet erg genoeg is dat er wellicht geen genade voor ons stervelingen bestaat.
Miłosz als tegenstander van de barbaren – ik prefereer een sublieme onredelijke mening boven een banale rationele.’
Precies een conclusie die Bas Heijne had kunnen trekken in zijn essay onredelijkheid. (In de auto hoorde ik de ballade van Jacques Brel met daarin de tekst ‘En ik de superarrogante, ik haal nog steeds mijn eigen woorden aan’ ook liedteksten sluiten zich moeitelaaos aan bij de gezochte verbanden.) De vruchteloze verbandenlegger die ik in deze dagen ben grijpt dan weer naar de reeks citaten die een onderdeel vormen van het boek dat ik nog lees, Chatwin’s Songlines, alwaar ik Konrad Lorenz tegenkom, On Aggression (of eigenlijk: Das sogenannte Böse: Zur Naturgeschichte der Aggression, zouden daar verbanden zijn met De genealogie der moraal van Nietzsche, of Die Geburt der Tragödie, of Jenseits von Gut und Bose?) een interessant pendantboek, dit aggressieboek van Lorenz, lijkt me van On Killing: The Psychological Cost of Learning to Kill in War and Society een boek van Dave Grossman dat ik klaar heb liggen om te lezen, en bijna heb ik Lorenz al besteld, als ik me realiseer dat die dierenkijker van een Lorenz, die dus ook verstand van mensen heeft, lijkt en ergens rijmt op Gerald Durrell, de broer van Lawrence (Lorenz) Durrell wiens Alexandria Quartet ik als heel lang wil laten vertalen-  en wiens mooie Encounters with animals ik ooit aantrof in de bibliotheek van A. Roland Holst in zijn huis aan de Nesdijk in Bergen, waar hij achter een haag van riet dichtte ‘Sommigen verdwijnen in het niet, ik in het riet.’

En dan zijn we weer bij de dichter de radeloze woordenzoeker, en voordat ik Correspondences erbij haal, van Baudelaire, Kavafis vanwege het Alexandria, of mijn favoriete mopperkont Cioran…

Genoeg! Zolang je ‘genoeg’ kunt zeggen, hoef je nog niet naar een gesloten afdeling.

Halsema ried dit gedicht van Leopold nog aan, als ik toch nog doorkauwen wil, schitterend:

IN dezen tuin zijn saamgelegd
geelbruine en witte en zwarte steenen,
gevoegd, gezocht, dat elk wat zegt
in een allengs opkomend meenen,

bedoeld door een die niet meer is
de velerlei gevormde vlakken
en met in de vakken
voorzichtige beteekenis

gebleekten in het aangezicht
der zon, gewasschen door den regen,
rillende open plekken tegen
het plat invallend hemellicht,

en stil en toeziend aan de kant
de ceders en de blauwe den,
wistaria’s, de jonge plant
van irisbloemen, die ik ken.

wachtend ook zij
wetend

van dat, wat in hun midden ligt.

O lief en teeder onvermogen
tegen het gruwzaam element;
dat wankels nog iets blijven moge,
en strijd met het geweten end.

7 reacties >