Rio

20 augustus, 2016 (13:42) | Arjen van Lith

Speedo2

Op Bagdad en Johannesburg na was Rio de Janeiro de gevaarlijkste stad van de wereld toen M. en ik daar vakantie vierden. Dat was in 2008, toen alles economisch nog geweldig ging in Brazilië.

We logeerden in Ipanema, waar onze vriend A. – een flamboyante Nederlandse modeontwerper van pensioengerechtigde leeftijd – een penthouse bewoonde met zijn 26-jarige inheemse mooiboy A2. In ons gezelschap bevonden zich verder nog A3, een steenrijke voormalige leernicht van 85 die zijn hele Rolexverzameling op vakantie had meegenomen, en C., het ternauwernood postadolescente inruilmodel van A2, met golvend halflang haar, vochtige Bambi-ogen en een wrede mond. A2 en C. lagen elkaar niet zo, maar daar merkten wij weinig van; wij hadden onze eigen badkamer.

A2 groeide op in een soort grot in de provincie Minas Gerais. Toen hij zes was, werd zijn vader door bendeleden doodgeschoten. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een Nederlandse verblijfsvergunning.

Tijdens een pool party vertelde C. me dat hij een dag eerder een vrouw naast hem voor het stoplicht in elkaar had zien zakken. Geraakt door een verdwaalde kogel. C. groeide op in de favelas van Rio. Mooi, redelijk slim, onopgeleid en gay, schafte hij op z’n zestiende zijn eerste Speedo aan en trok iedere dag naar de stranden van Rio, op zoek naar een rijke westerling voor een bord eten, een buskaartje of eventueel een gelukkig huwelijk. Met A. won hij uiteindelijk de jackpot, inclusief zijden overhemden, carrièrekansen en een creditcard van de zaak.

M. en ik hadden gelukkig nog weinig gemerkt van de gevaren van Rio, totdat we na een bezoekje aan het schokkend povere Museo de Arte Moderna (MAM) terugkeerden in het penthouse. A2 en C. waren er op dat moment niet, maar A. en A3 wel: kwijlend en lallend kropen ze over de parketvloer, terwijl het op dat moment nog geen half vier was. In de deuropening naar de logeerkamer waar A3 zijn horlogecollectie had uitgestald, stond een grote, vreemde man die een zure zweetlucht verspreidde. Onze plotselinge entree op de plaats delict had hem zichtbaar van zijn stuk gebracht, maar hij herpakte zich snel, professioneel. Hij stelde zich voor als a friend of your friends en wees naar de vloer, waar A. intussen de bankleuning aan het droogneuken was en A3 al bijna sliep, half gewikkeld in het vloerkleed.

‘Hier is iets niet goed’, merkte M. op, de slimste van ons beiden.

Hoe we de indringer de deur uit hebben gewerkt, staat me niet meer helder voor de geest. Ik herinner me alleen dat ik instinctief mijn verleidelijkste glimlach opzette en hem heupwiegend richting de dienstlift probeerde te lokken, terwijl M. ‘Sjoeh! Sjoeh!’ riep en met zijn armen maaide. Achteraf vermoed ik dat onze aanwezigheid op zich al genoeg was: een paar gedrogeerde bejaarden kon hij met gemak aan, maar nu stond hij onverwacht tegenover twee vitale nichten in de kracht van hun leven.

A. en A3 zijn in totaal twintig uur buiten westen geweest. Op het politiebureau verklaarden ze dat de verdachte hen op een terras steeds opnieuw rondjes had gegeven en dat hij een vreemd soort balletje-balletje met hun glazen had gespeeld. Daarna werd alles wazig.

‘Toch jammer’, liet A3 door de agent optekenen. ‘Op een bepaalde manier was hij giga-charmant.’

_______________________

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2014 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceerde diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij werkt aan een bundeling van de brieven die hij ooit aan zijn kapper schreef en aan een roman over zijn opgroeien in dorpsmetropool Krommenie.

1 reactie >