Vliegeniers

10 oktober, 2017 (06:30) | Pieter Kranenborg

De agent schraapte zijn keel.

Vier uur vijftien, bureau Amberlecht, zei de agent tegen het opnameapparaat, dat midden op tafel stond. Verhoring van Helen Nietstemaren en Jan Nietstemaren. Halverwege het verhoor zal Karel Lievemeier uitgenodigd worden om de ruimte te betreden en deel te nemen. Helen Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, zei Helen.

Jan Nietstemaren, bent u gereed om uw verklaring af te leggen?

Ja, mompelde Jan.

Dan kunnen we beginnen, zei de agent vrolijk. Mevrouw Nietstemaren, klopt het dat u het vuur aangestoken heeft?

Ja, dat klopt, zei Helen. En het spijt me van de schuur van de buurman.

Meneer Lievemeier, bedoelt u, zei de agent, wijzend naar het opnameapparaat.

Ja, sorry. Maar ik wil graag uitleggen hoe het gebeurd is.

Gaat uw gang.

Ik weet dat er niets meer van te zien is, want het is natuurlijk allemaal verbrand. En Jan liet het aan niemand zien, dus niemand wist het. Maar hij bouwde een vliegtuig in onze schuur.

Klopt dat, meneer Nietstemaren?

Jan knikte.

De agent wees naar het opnameapparaat.

Ja, zei Jan, dat klopt.

Jan was iemand tegengekomen, op het strand, een vliegenier uit Noorwegen. Hij bezat een bos, toch Jan?

Dat had hij geërfd, zei Jan.

Ja, dat had die Noor geërfd. Zijn grootvader had een bosbouwbedrijf opgericht, dat door zijn vader uitgebouwd was, tot een van de grootste houtleveranciers van Noorwegen.

Klopt, zei Jan.

© Mike Sandlin

Maar die Noor, die moest daar niets van hebben, die wilde dat bedrijf niet overnemen. Zijn familie was daar heel boos over, maar hij trok zich er niets van aan. Hij liet een stukje van het bos kappen, en op de open plek die zo ontstond bouwde hij, met het hout dat daar gestaan had, een vliegtuig. Toen dat af was, liet hij een rechte strook kappen in het bos, als landingsbaan, en toen is hij met zijn vliegtuig opgestegen en weggevlogen. Dat was ongeveer een jaar geleden. Hij vloog over de Noordzee en landde op het strandje bij Wendelgum, net toen Jan de hond aan het uitlaten was, toch Jan?

Hij zei dat hij niet van plan was terug te gaan, zei Jan. Hij ging verder, hij zou wel zien. Hij had heel weinig geld.

En toen is het dus allemaal begonnen, zei Helen.

Wat een prachtig verhaal, zei de agent. Iemand die leeft voor schoonheid en vrijheid, hè, en de materiële zaken afwijst.

Jan knikte instemmend.

Goh, zei de agent.

Moet ik het verhaal niet afmaken? vroeg Helen verontwaardigd.

Ja, excuus mevrouw, gaat u door.

Vanaf die dag was Jan helemaal in de ban van die Noor. Ik werd er gek van. Jan is nu woedend op me, hè, maar normaal kan hij lange verhalen houden hoor. Die geschiedenis van die erfenis en de ruzie met de familie heb ik tig keer moeten aanhoren, daarom kan ik het zo precies navertellen. Nou, voordat ik het wist was hij alle troep uit de schuur aan het ruimen en begon hij karrenvol hout en metaal naar binnen te rijden. Ik ga een vliegtuig bouwen, zei hij! We maakten geen wandelingen over het strand meer, we lazen niet meer samen de krant. Soms kwam Jan niet eens mee om te eten. Ik eet wel in de schuur, zei hij dan.

Een stilte.

Ik werd er zo ongelukkig van, zei Helen, met een snik in haar stem. Daarom heb ik het gedaan.

Je had het recht niet, zei Jan nors.

En wat is dat precies, wat u gedaan heeft? vroeg de agent.

Op een avond was Jan weer de hond aan het uitlaten op het strand. Toen heb ik een zak takken en oude kranten overgegoten met wodka. En die heb ik in het vliegtuig gelegd en in brand gestoken. Ik had er genoeg van. Ik deed het met opzet, dat beken ik. Maar niet dat van de schuur van de buurman…

Ja, zei de agent. Want, even voor de duidelijkheid, zei hij tegen het opnameapparaat, de schuur van buurman Lievemeier is ook tot de grond toe afgebrand, toen het vuur oversloeg. Daar zullen we zo verder over praten. Ik wil eerst van u beiden weten wat er gebeurde toen u thuis kwam, meneer Nietstemaren.

Ik kwam thuis en opeens was het weg, zei Jan. Ik heb het niet eens zien gebeuren. Dat vind ik het ergste. Er ligt nu een groot, stinkend zwart gat naast ons huis. Alsof het vliegtuig er nooit was.

Maar u hield zich verder kalm? vroeg de agent.

Ja. Maar ik ben woedend. Ik moet verdomme kunnen doen wat ik wil. Helen had niet het recht mijn vliegtuig in brand te steken, zei Jan, luider nu.

Ach, ja, alles gaat voorbij, hè? zei de agent.

Wat zegt u nou? zei Jan.

Alles gaat voorbij! Dingen veranderen, vliegtuigen verbranden, zei de agent, en hij ging losjes achterover zitten.

Daar gaat het niet om, zei Jan. Het gaat om wat er hier gebeurd is.

Ach ja, zei de agent, u komt er samen wel uit. Weet u, hij ging voorover zitten en keek Helen en Jan allebei even aan, u zou u eens moeten verdiepen in de oude Japanners. Die hebben hier veel interessants over geschreven. De schoonheid van het leven ligt volgens hen in haar vergankelijkheid. Het afbranden van uw vliegtuig zouden zij als iets waardevols hebben beschouwd.

Jan probeerde te protesteren, maar kwam niet uit zijn woorden.

Maar dan is er nog de kwestie van de heer Lievemeier, zei de agent, want het afbranden van zijn schuur zou volgens het recht toch een misdrijf genoemd kunnen worden waar u, mevrouw Nietstemaren, technisch gezien schuld aan heeft. Ik zal hem even binnenlaten. Hij stond op, liep naar de deur, en riep via een luikje Karel Lievemeier naar binnen.

Een moment later zaten Karel en de agent aan tafel.

Nou, Karel, zei de agent. Het blijft fascinerend, hè?

Ja, zeg dat wel, zei Karel. Je wordt toch weer geconfronteerd met je eigen eindigheid.

En je kersenboom, staat die er eigenlijk nog? vroeg de agent.

Afgebrand, zei Karel.

Goh, zei de agent.

Mag ik u even onderbreken, zei Helen, moeten we niet doorgaan met het verhoor?

Oké, goed, zei de agent, ik vraag dit voor de procedure: meneer Lievemeier, dient u een aanklacht in tegen mevrouw Nietstemaren?

Oh, nee, zei Karel. Dit hoort bij het leven, hè.

Dat maakt het nog niet goed, zei Jan geërgerd.

Ik kan me wel steeds door tegenslagen droevig laten maken, maar waarom zou ik dat doen? vroeg Karel.

Ik heb ze al verteld over de oude Japanners, zei de agent. Als meer mensen zouden beseffen dat vergankelijkheid het leven mooi maakt, zou ik hier minder vaak zitten.

Ik snap niets van dit verhoor, zei Helen.

Uw man twijfelde nog over of hij u zou aanklagen, zei de agent. Vandaar. Het leek me goed dit eerst allemaal even besproken te hebben. Dat ik suggereerde dat Karel u misschien wel wilde aanklagen, is misschien niet zo netjes, maar het maakte dit verhoor mogelijk en dus onze gezamenlijke reflectie. Dus, meneer Nietstemaren, klaagt u uw vrouw aan?

Jan aarzelde.

Iedereen wachtte op zijn antwoord.

Die Noor is neergestort, flapte Helen eruit.

De drie mannen keken haar verbaasd aan.

© William Hook

Dat denk ik, tenminste, zei Helen. Er was een paar weken geleden een Noor neergestort voor de kust van Frankrijk, in een zelfgebouwd vliegtuig. Jan leest de krant niet meer, dus die heeft dat niet meegekregen, maar het is echt waar.

Jan keek haar aan, hij raakte zichtbaar steeds meer in de war.

Hmm, zei de agent. Ik dacht dat u het vliegtuig in brand stak omdat u de liefde van uw man miste, maar nu is het opeens om hem te behoeden voor een ongeluk?

Nou, ja, allebei, stamelde Helen. Het was misschien een beetje egoïstisch, maar ook een beetje voor hem.

Maar ongelukken gebeuren, hè, zei Karel.

De agent knikte instemmend. Het kan zomaar gebeuren. Daar moet je je bewust van zijn, maar niet door laten tegenhouden. Al had uw man zich te pletter gevlogen tijdens het najagen van zijn vrijheidsdroom, dan was de keus om op te stijgen nog steeds de juiste geweest. Het heeft geen zin om angstvallig in onze huizen te zitten wachten tot iemand ons komt vertellen dat alles veilig is, hè, dat gaat niet gebeuren.

Stel je voor! zei Karel lachend.

Dus, meneer Nietstemaren, vroeg de agent, klaagt u uw vrouw aan?

Hij keek Jan indringend aan.

Nee, zei Jan resoluut. Hij stond op en liep de ruimte uit.

Helen ging achter hem aan. Ze volgde Jan het bureau door, terwijl hij met snelle passen naar de uitgang liep.

Eenmaal buiten stond de lucht in brand met het blauwe vuur van de vroege avond. Het licht leek eerder afkomstig van de hemel dan van de zon, alsof de lucht een groot stuk gekleurd papier was gewikkeld rond een reusachtige lamp. Onder dat licht reden ze over de landweg terug naar huis, in hun eigen gedachten verzonken.

Toen ze het zijweggetje naar hun erf insloegen, zei Helen: Dat van die Noor was niet waar. Ik deed het voor mezelf.

Wist ik wel, zei Jan. Ik heb nog contact met hem.

Hij parkeerde de auto voor het huis. Ze stapten niet uit. Een tijdje keken ze naar het zwarte gat dat naast het huis lag en dat de invallende duisternis van de avond naar zich toe leek te trekken, zwijgend naast elkaar gezeten in de auto, terwijl de grote lamp boven hen zachtjes gedimd werd.

Toen draaide Jan zich om en keek Helen aan.

Zal ik dan maar een nieuwe bouwen? vroeg hij, met het spoor van een glimlach. Voor twee personen?

 

Deze tekst kwam tot stand in het kader van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de stichting Biermans-Lapôtre, en werd ook op de website van deBuren gepubliceerd.

 

Pieter Kranenborg (1994) volgt de masteropleiding Urban Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde verhalen in Tirade en Hollands Maandblad en in 2016 won hij de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs. Afgelopen mei verscheen bij Van Oorschot zijn debuut: de verhalenbundel Astronaut. Zie ook https://pieterkranenborg.wordpress.com/

Reageer >