Tekenen

14 oktober, 2018 (09:26) | Arjen van Lith

Print

Sinds ik weer in Austin zit, ben ik aan het tekenen. En altijd als ik teken voel ik me schuldig omdat ik me eigenlijk met woorden zou moeten bezighouden. Met schrijven, verdomme. Vandaar dat ik een dag verlaat ben met dit stukje.

Mijn moeder kon goed tekenen. Mijn vader ook, en mijn zus. Ik herinner me een herfstige vooravond aan de eettafel in Krommenie, het zal een woensdag geweest zijn, want ik had de hele vrije middag zitten werken aan een portret van David Bowie, op wie ik toen openlijk verliefd was. Ik was begonnen in potlood, maar voor de schaduwen en highlights mocht ik een stukje houtskool en de kneedgum van mijn moeder gebruiken. Af en toe kwam ze even kijken en legde een koele, vochtige hand – alsof ze net groenten had gewassen – tegen mijn gloeiende achterhoofd, precies in de knik waar de nek begint. Ik zag dat als aanmoediging.

Toen mijn zus de kamer binnenliep, lag mijn tekening vanuit haar oogpunt op z’n kop, wat sowieso een handige tip is om technische foutjes eruit te halen; je ziet ‘t meteen als er iets niet klopt. ‘Wie is dat?’, vroeg ze terwijl de voorbeeldfoto nog gewoon op tafel lag. ‘David Bowie’, zei ik, want ik ben altijd pas in tweede instantie snedig. ‘David Bowie?’, zei mijn zus, nu een half octaaf hoger. ‘Dat is niet David Bowie; dit is David Bowie.’ Ze trok het potlood uit mijn hand en krabbelde in de kantlijn van de krant een driehoek met een kuif en het was David Bowie.

[Het doet me nog altijd een beetje pijn dat ik als enige in onze familie niet in het poesiealbum van mijn zus sta. Mijn moeder staat erin met een voor haar doen ondermaats Holly Hobbie-plaatje in viltstift; mijn vader met een doodeng vetkrijtlandschap vol zwevende ogen en neuzen; zelfs wildvreemde vriendinnen zonder enig aantoonbaar creatief portfolio staan erin, maar ik niet, want – ik citeer – ‘dat zou het niveau maar naar beneden halen’.]*

Bij ons thuis moest je tekenen uit de vrije hand, want alleen dan was het artistiek verantwoord. Daar was mijn zus, die later als enige in de familie gediplomeerd kunstenaar zou worden, heel rechtlijnig in. Elk hulpmiddel was vuil spel. Zelfs gummen was verboden.

Mijn opa diende als voorbeeld van hoe het niet moest: in de hal van zijn appartement in Amsterdam-Zuid hing een portret van Johannes de Doper dat hij minutieus had opgeschaald en overgenomen uit een katholiek prentenboek. Als je goed keek, kon je her en der kleine gaatjes van een passer in het papier zien zitten. Dunne hulplijnen, kaarsrecht getrokken langs zijn vooroorlogse stalen liniaal, vatten het gebogen hoofd van De Doper in een fijnmazige matrix, alles perfect gespiegeld langs een gestippelde middenlijn. Ik mocht het niet zeggen, maar ik vond het prachtig, het menselijk gezicht als werktuigbouwkundig instrument.

Misschien komt het doordat ik linkshandig ben, maar ik heb de klare, spontane lijn nooit in de vingers gekregen. Niet zoals mijn moeder of mijn zus. Uit de losse pols is mijn lijn te los, te aarzelend, en dus speel ik vals waar ik kan. Met mijn geodriehoek, met mijn laptop en met Ctrl+Z. Alleen het eindresultaat telt.

______________________

* Ik schrijf dit niet om medelijden op te wekken, maar om aan te geven dat niemand ongeschonden zijn jeugd doorkomt.

De bovenstaande illustratie is werk in uitvoering, losjes gebaseerd op Eros Bendato van de Poolse kunstenaar Igor Mitoraj (1944-2014), op het Brutalisme, en op allerlei omgetrokken standbeelden door de geschiedenis heen, van Lenin tot Saddam Hoessein. Ik weet nog niet precies hoe, maar het is de bedoeling deze afbeelding op monumentaal formaat in het straatbeeld van Austin te plaatsen ter gelegenheid van de Midterms, de tussentijdse verkiezingen in november.

Arjen van Lith is journalist en schrijver. Hij debuteerde in 2015 met de verhalenbundel Mijn Snor bij De Harmonie en publiceert diverse korte verhalen in (literaire) tijdschriften. De meeste maanden van het jaar woont hij in Austin, Texas, waar hij actief is in het verzet.

Reageer >