Mondriaan in Flevoland

15 oktober, 2018 (09:03) | Milo van Bokkum

flevolandEr is maar één provincie waarvan ik lang heb gedacht dat het handig is om je er per auto te verplaatsen. In Nederland volstaat meestal de fiets – met hulp van de trein – als ideaal exploratiemiddel, maar in Flevoland gelden andere regels. Als alle normale verhoudingen tussen afstand, vegetatie en bebouwing verwrongen worden, vraagt dat wellicht ook om ander vervoer.

In 2012 besloot ik impulsief naar een kennis te fietsen in Biddinghuizen. Dat eindigde in een vrij dramatische Odyssee. Uitgedroogd en verbrand stond ik met mijn stadsfiets op het exacte midden van de Flevopolder, op de kruising van de Vogelweg en de Reigerweg, met nog een flink aantal kilometers te gaan.

De bijna uitgestorven Vogelweg bleek dertig kilometer lang geen bewoonde wereld te doorkruisen. Voor en achter me lag een groene woestijn van bijna Amerikaanse allure, het enige gebied in Nederland waar je in je auto veilig de cruise control kan aanzetten.

(Overigens biedt de trein ook iets van een alternatief om de vijandigheid te lijf te gaan: op de Hanzespoorlijn zie je het – zoals zo vaak in Nederland – meteen. Komend vanuit Overijssel, door de tunnel, zijn alle boompjes, coulissen en huizen meteen verdwenen. De beweging van het windmolenleger slaat in eerste instantie valselijk over op de rest van het landschap: even denk je dat er van alles gebeurt.)

Mijn favoriete Zomergasten-moment stamt van twee jaar terug, toen ik ademloos naar de tv keek terwijl landschapsarchitect Adriaan Geuze uitlegde hoe de Flevopolder in feite een abstract Mondriaanschilderij is. Het midden is bijna geometrisch perfect ‘vrijgemaakt’, de randen zijn opgevuld met plaatsen als Almere en Zeewolde.

Dat maakt het binnenland handig voor de landbouw. Maar het creëert als bijeffect een bijna cynisch, gedisciplineerd, zwijgend, tuchtig landschap, waar alle menselijkheid uit verdwenen is, als een Bordewijk-klaslokaal. Als Dostojevski schrijft dat Sint-Petersburg de meest opzettelijke stad ter wereld is, dan is de Flevopolder het meest opzettelijke landschap.

Of is dat de verkeerde blik? Is het nog wel een landschap als niets aan het toeval is overgelaten, als het helemaal niet ‘bedoeld’ is als landschap? In het kleine boekje Recht door Zee van Maarten Metz – een van mijn helden – doet de relatief onbekende auteur verslag van een aantal nachtelijke voettochten over rechte paden naar het middenin Flevoland gelegen landschapskunstwerk Observatorium van Robert Morris. Het is een knettergekke onderneming waarbij Metz bij vlagen al lopende bijna in slaap valt. Een enkele keer denkt hij luchtspiegelingen waar te nemen.

Metz neemt Flevoland van begin af aan eigenlijk niet serieus. Hij ziet de provincie – en de onbewuste echo naar Mondriaan mag duidelijk zijn – als één groot abstract landschapskunstwerk, een uitnodiging aan de kijker om met het gebied te interacteren en om er jezelf te onderzoeken. Dat maakt het geheel dragelijker: mooi of lelijk wordt het niet, wel een stuk spannender.

Toen ik eerder deze zomer voor een tweede keer, zes jaar later, bij mijn kennis in Biddinghuizen langsging, pakte ik dan ook weer de fiets. Wéér eindigde ik zwetend langs een autoweg, met te weinig water op zak. De bomen boden niet genoeg beschutting, mijn huid vocht tegen verbranding. Maar ook was er voor het eerst die ongewone sensatie: de zeldzaamheid van bewegen ín abstractie, het op pad zijn in symmetrie.

—-

Milo van Bokkum (Amsterdam, 1994) is freelance journalist. Momenteel is hij correspondent Noord-Nederland bij NRC Media en volgt o.a. de ontwikkelingen rond de gasproductie in de provincie Groningen.

Reageer >