‘T is new to thee

2 mei, 2019 (11:01) | Menno Hartman

71RdCoZKehLDit zijn levende buitenlandse schrijvers van wie ik geen boek kan overslaan:

Michel Houellebecq, Judith Schalansky, Patrick Modiano, Daniel Kehlmann, Rachel Cusk, Ian McEwan, Ferdinand von Schirach, Julian Barnes, Rebecca Solnit, Sandro Veronesi, Paul Auster, Edward StAubyn, J. M. Coetzee.

Ik kijk ze hun woorden uit de mond, ben soms ook teleurgesteld, maar vind het belang van hun werk zo groot dat ik er echt op zit te wachten. Dat ik een aantal belangrijke stemmen mis, dat accepteer ik omdat ik ook graag dode schrijvers lees. Selectie zit ingebakken in ieder lezen, er is altijd meer.

Ian McEwans Machines like me lijkt met de laatste Houellebecq  – Serotonine – een rondje lichte teleurstellingen te worden. McEwan vertakt de tijd naar een in details andere werkelijkheid in de jaren ’80, ’90 waarin de techniek wat sneller ontwikkeld is dan in in onze realiteit, de Beatles nog bestaan, de Falklandoorlog anders beslist is, Alan Turing nog leeft en  een hele grote is geworden in de wereld van de informatietechnologie. De hoofdpersoon koopt een robot voor een klein kapitaal, er zijn er wereldwijd van deze kwaliteit maar 20. Met zijn buurvrouw ontspint zich een relatie sinds ‘Adam’ er is. Ze besluiten samen zijn persoonlijkheidsinstellingen in te voeren, allebei de helft, zodat als bij een kind ze voor de helft ‘verantwoordelijk’ zijn voor wie hij gaat zijn, Adam.

In het Verenigd Koninkrijk heeft de dystopie en lange geschiedenis, alsook de ‘gemaakte mens’. Mary Shelley’s Frankenstein or the Modern Prometheus is van 1812, George Bernard Shaws adaptatie van de klassieke Pygmalion is van 1913. Aldous Huxleys Brave New World van 1931. Orwells 1984 is anagrammatisch van 1948, en brave new world’ is een Shakespeare-citaat uit The Tempest, (1610):

Miranda

Oh, wonder!
How many goodly creatures are there here!
How beauteous mankind is! O brave new world,
That has such people in ’t!

 Prospero

‘Tis new to thee.

 

McEwan gebruikt dus naast een oude naam (zijn vrouwelijke hoofdpersoon heet ook Miranda) een oude angst in zijn boek: kunnen we kennen wat we maken, is het sterker dan wijzelf. De Turing lijn is daarin interessant dat de roman uiteindelijk een sterk uitgewerkte Turing test is:  ‘an attempt to define a standard for a machine to be called “intelligent”. The idea was that a computer could be said to “think” if a human interrogator could not tell it apart, through conversation, from a human being.’

McEwan lijkt niet sterker voor de dag te komen dan  Spike Jonze met zijn film Her en tapt uit een zelfde vaatje: kun je verliefd worden op een machine, hoe nauwkeurig kunnen we ontwerpen wat beter en sterker is dan wij, en kunnen we dan nog afstand doen van onze suprematie? Hoe ver zijn we bovendien hiervan verwijderd? Hoewel Machines like me een aantal huiveringwekkende scènes bevat lijkt McEwan vooral op filosofisch vlak in te leveren. De vraag wordt nog nergens erg pregnant. En Turings test lijkt makkelijk te passeren als de hoofdpersonen op cruciale momenten niet de echt belangrijke vraag stellen.

Je zit op het puntje van je stoel bij deze McEwan, maar zakt toch wat teleurgesteld weer naar achteren als hij de kans laat lopen op het scherp van de snede zijn zaak te bevechten, angst te zaaien zoals Shelley deed door haar Adam in de zelfgemaakte mond te leggen:

“There is love in me the likes of which you’ve never seen. There is rage in me the likes of which should never escape. If I am not satisfied in the one, I will indulge the other.”

——-

 IMG_6285Menno Hartman (1971) is uitgever bij Van Oorschot.

Hier andere stukjes over Houellebecq, over McEwan, over Solnit, over Coetzee, Kehlmann, Barnes, Modiano, Von Schirach.

Reageer >