Niet-bestaande gedichten I

25 mei, 2019 (11:19) | Daan Doesborgh

Als je een beroep hebt, en je bent er een beetje goed in, dan hoef je in principe niet zo snel bang te zijn dat je dat helemaal kwijtraakt. Er moet heel wat gebeuren voordat een bakker die lekker brood maakt ineens objectief goor brood bakt. Zo’n omslag gebeurt eigenlijk alleen in de AD Oliebollentest – en in de poëzie.

Op 7 januari 2016 schreef ik voor het laatst een gedicht. Het was niet slecht, ik heb het daarna nog vaak voorgedragen, en het was voor mijn doen ook nog eens erg lang. Maar daarna was het klaar. Aangezien ik dichter ben (hoe lang na je laatste gedicht mag je jezelf nog zo noemen?) was dat nogal een probleem. Dat probleem heb ik in de afgelopen drie jaar op zich aardig opgelost, ik werk aan een roman, ik kan nog steeds de rekeningen betalen, maar dat wil niet zeggen dat ik me erbij neerleg dat een belangrijk deel van mij in coma ligt. Ik twijfel er niet aan dat ik op een dag het volgende gedicht ga schrijven, maar dat kan morgen zijn, of over nog eens drie jaar.

Het was J.D. Salinger die me een plan aanreikte om er misschien iets aan te doen. In Seymour, an introduction is de verteller aan het woord over zijn overleden broer Seymour Glass, de auteur van een onbekend, klein, maar zeer sterk oeuvre aan gedichten, sterk geïnspireerd op de Japanse poëzietraditie. Ik weet dit allemaal alleen maar uit Salingers boek, want Seymour Glass bestaat niet, en zijn gedichten dus ook niet. Toch wordt een aantal gedichten in het boek besproken, zonder er een letter uit te citeren, want daar heeft de weduwe van Seymour een stokje voor gestoken. Ik citeer hieronder de beschrijving van het gedicht dat de grootste aantrekkingskracht op mij uitoefende:

The other poem, the last one in the collection, is about a young suburban widower who sits down on his patch of lawn one night, implicitly in his pajamas and robe, to look at the full moon. A bored white cat, clearly a member of his household and almost surely a former kingpin of his household, comes up to him and rolls over, and he lets her bite his left hand as he looks at the moon.

Volgt een analyse van dit gedicht dat dus, nogmaals, niet bestaat. Daardoor wordt het gedicht, voor mij althans, onweerstaanbaar. Het heeft namelijk alle potentie die deze scène in zich draagt, zonder ooit iets van die potentie in te hoeven leveren in de uitvoering. Er is namelijk geen uitvoering. Hier, op het Tiradeblog, wil ik een reeks beginnen met analyses van gedichten die niet bestaan. Als ik geen gedichten kan maken, misschien kan ik dan wel al die gedichten beschrijven die niet uit mijn vingers komen, en hopen dat ik ze zo tevoorschijn kan lokken, of anders hopen dat een analyse van een niet-bestaand gedicht ook een soort gedicht kan zijn.

Wat ik na drie analyses in ieder geval alvast geleerd heb, is dat het een essentiële greep was van Salinger om die weduwe dat citeerverbod op te laten leggen. In de eerste pogingen om niet-bestaande gedichten te beschrijven, vond ik dat ik er wel uit moest kunnen citeren. Maar dan ontstaat er geen niet-bestaand gedicht, dan ontstaat er een lulverhaal rond een paar ongebruikte ideetjes.

Die eerste pogingen hadden ook vaak het karakter van een recensie, en nog een spottende ook. Het lukt steeds beter om dat eruit te schrijven, en zo sec mogelijk het gedicht alleen te beschrijven en analyseren, maar niet beoordelen. Voor de eerste aflevering ga ik valsspelen: de eerste versie van deze analyse stond zó vol citaten, dat ik ze onder elkaar kon zetten en de facto tóch een gedicht had geschreven. Maar ik vind het moeilijk te bepalen of het een goed gedicht is, dus voorlopig tel ik ‘m niet mee. Want natuurlijk heb ik in de afgelopen drie jaar wel pogingen ondernomen om gedichten te maken, die pogingen soms ook tot een voltooide tekst gebracht, maar telkens had het niet het niveau van een professionele dichter, en dat is wel waar ik op wacht. Voor nu heb ik de analyse ontdaan van citaten en herschreven. De volgende aflevering in deze, laten we eerlijk zijn, onregelmatig verschijnende reeks, wordt een echte. Een gedicht waar geen woord van bestaat, of ooit bestaan heeft.

 

 

 

Niet-bestaande gedichten I

Het gedicht met de titel ‘Moord’ valt enigszins uit de toon, een compact, wat hermetisch gedicht, fragmentarisch ook, bijna in de stijl van Tonnus Oosterhoff. Voor de oplettende lezer is het meteen al wel duidelijk dat de bosrand die in de eerste regel wordt geïntroduceerd er een is waar een akelige sfeer hangt. Als verderop iemand wordt geïntroduceerd die het koud heeft, is het onheilspellende voorgevoel al haast bewaarheid geworden.

Maar die akelige sfeer zit ook al meteen in de eerste regel, waar in het woord bosrand al het woord bosbrand verstopt zit. Er is maar één achteloos weggeworpen sigaret voor nodig en de lichte bosrand is een lichtende bosbrand, wil de dichter maar zeggen. Ook het woord ‘gewoon’, toch een woord dat normaal elke verdachtmaking weg moet nemen, maakt de zaak verdacht. Als iets écht gewoon is, hoeft dat immers niet meer te worden benadrukt. Het beeld van de snelweg die zijn adem inhoudt draagt daaraan bij.

Vanaf de tweede strofe is het steeds duidelijker mis. De regels scheppen het beeld van iemand die iets akeligs aantreft. Er wordt gehuild, maar niet meteen, en het beeld wordt opgeroepen van iemand die vertwijfeld met zijn handen zwaait, in onmacht misschien. Het gedicht prikt letterlijk en figuurlijk verder door het over schuldige naalden te hebben. Bij een bosrand denk je dan al gauw aan dennennaalden, maar het woord schuldig impliceert die ándere betekenis van naalden. De plek en de daad lopen in elkaar over.

De volgende strofe suggereert dat we hier getuige zijn van forensisch onderzoek. Een lijkzak wordt dichtgeritst, in een eerdere regel is het al begonnen te waaien, maar de rits stopt het wapperen van de lijkzak. Deze lezing wordt dan weer gefrustreerd door een regel waarin sprake is van spelen. Forensisch onderzoek en spelen zijn zo ongeveer tegenovergesteld aan elkaar, en breken komt er al helemaal niet bij kijken.

Het slot is op dezelfde manier problematisch. Wie zegt er tegen wie dat hij of zij niet moet klappertanden? In combinatie met de rits die dichtgaat denk je aan iemand die het koud heeft. Is dat het slachtoffer? Die kan niet meer klappertanden, de titel is immers ‘Moord’. Horen we hier een agent die het dode lichaam tegen beter weten in toespreekt? Moet de dode zich niet meer bekommeren om het lichaam? Of speelt de agent hier good cop tegen de moordenaar, als hij het heeft over niet bang te zijn iets achter te laten? Toe maar, laat iets achter waar we je mee kunnen pakken.

Voortdurend wordt de lezer op het verkeerde been gezet. Kijken we door de ogen van de politie, van de moordenaar, van het lijk misschien wel? Wie praat er tegen wie, en wat proberen ze te zeggen? Daarmee is dit gedicht zelf net als een lijk in het bos. Hoe langer je het bestudeert, hoe meer antwoorden én vragen het oproept. Elke theorie die tot een verklaring moet leiden, laat nog te veel losse eindjes liggen, daar aan die bosrand. Een gedicht dat nog lang een open dossier zal blijven.

 

 

Reageer >