Niet-bestaande gedichten II

3 juni, 2019 (11:25) | Daan Doesborgh

Dichter Daan Doesborgh schreef in 2016 zijn laatste gedicht. Door Salinger kwam hij op het idee om niet-bestaande gedichten te analyseren, om toch nog iets te vangen van de gedichten die er maar niet uit willen komen. Dit is aflevering twee.

 

De bundel sluit af met het lange, verhalende gedicht ‘Jacobsladder’. In dit gedicht worden twee personages geïntroduceerd. De een, Enkidu, staat huilend in een veld vol zonnebloemen. De ander, Djibriel, valt uit de lucht. In de namen van de personages lezen we verwijzingen naar het Gilgamesj-epos (Enkidu, de betreurde vriend van hoofdpersoon Gilgamesj) en Salman Rushdie’s Duivelsverzen (Djibriel, die aan het begin van de roman uit de lucht valt). Het gedicht opent vrij filmisch, als Enkidu de tijd bevriest en beschreven wordt hoe alles stopt met bewegen, de zonnebloemen in het veld, en de vogels in de lucht en ook, het gedicht neemt hier een macabere wending, het ontploffende vliegtuig in de lucht. De combinatie van een ontploffend vliegtuig en een zonnebloemenveld roepen een vrij ondubbelzinnige associatie met het neerstorten van vlucht MH17 op.

Enkidu begint een ladder te bouwen om de nu stil in de lucht hangende Djibriel te kunnen bereiken. Indachtig de titel van het gedicht, Jacobsladder, kunnen we nog een derde klassieker in de wereldliteratuur aan het topzware boeket verwijzingen in dit gedicht toevoegen, namelijk de Bijbel, die beschrijft hoe Jakob op een nacht een ladder uit de hemel neer ziet dalen, waarop engelen klimmen. Toch wordt de symboliek in het gedicht nergens teveel, omdat de thematische zwaargewichten volledig uit hun context tegenover elkaar worden geplaatst, wat een nieuwe, nog onbekende context creëert.

Naarmate Enkidu hoger komt met het bouwen van zijn ladder worden de beschrijvingen van het in het noodlot bevroren vliegtuig gedetailleerder. In dit steeds dichterbij komen is makkelijk het beeld van een neerstortend vliegtuig te herkennen dat, hoe banaal het ook klinkt, immers ook steeds dichterbij komt. Bijzonder aangrijpend is de strofe waarin Enkidu de eerste in hun val stilgezette passagiers bereikt, en uiteindelijk door een wolk zwevende lichamen klinkt, die achtereenvolgens als een zwerm, een sneeuwstorm en een archipel worden omschreven. In de eerste twee metaforen lijkt de dichter voor de verleiding te bezwijken om nóg meer literaire verwijzingen aan het gedicht toe te voegen, dit keer uit het Lied der Dwaze Bijen van Martinus Nijhoff, maar door de laatste, niet in het rijtje passende metafoor wordt die lezing ook weer onmogelijk gemaakt. Het is alsof de auteur steeds speelt met de mogelijkheid om het gedicht té rijk aan intertekst te maken, om dan op het laatste moment toch bij te sturen en de fragiele balans in stand te houden.

Aan het slot van het gedicht ontaardt de monoloog van Enkidu in een treurzang. Hij heeft tussen alle uit het vliegtuig geworpen lichamen eindelijk dat van Djibriel gevonden, maar ziet dat hij te laat is. Op het punt waarop Enkidu zijn val heeft bevroren, was Djibriel al dood. De magische ingreep in de werkelijkheid kwam te laat, is voor niks gebleken, en er rest Enkidu dan ook niets anders dan met een kalm uitgesproken commando de tijd weer voort te laten razen. Het vliegtuig scheurt verder uiteen, de lichamen regenen naar beneden en Enkidu blijft achter aan het topje van een ladder die nu naar een leeg stuk lucht blijkt te voeren.

 

Reageer >