Vrijer beroeper

21 augustus, 2019 (09:25) | Gilles van der Loo

IMG_2002Het voordeel van een vrij beroep is dat je zelf je rooster maakt. Dat betekent onder andere dat ik kan besluiten om een ochtend te niksen, met Otis de hond in de zon te zitten zolang als me dat nodig lijkt. Ik had zoiets nog nooit gedaan.

De strengste baas die ik ooit had: ik plan mijn dagen tot de nok toe vol, en als er echt geen werk meer te doen is, ligt er altijd nog een klus in huis, een telefoontje met een vriend die ik nodig weer moet spreken, of een plan om uit te werken dan wel voor te leggen.

Wat er precies veranderd is weet ik niet, maar de laatste dagen geef ik mezelf soms vrij. Vanochtend las ik de krant met een espresso. Ik aaide Otis de hond, las een hoofdstuk uit een boek, las een stukje van mijn eigen laatste boek. Oot begon te piepen en ik besefte dat hij uit moest. Met de riem over mijn schouder wandelde ik hem naar de rivier.

Een stad, zegt Issa in Het jasje van Luis Martín, moet een rivier hebben. Dat klinkt mooi en romantisch, maar bijna alle steden hebben een kanaal of rivier.

De zon wentelde zich in de golfjes van het IJ en lichtte de gebouwen ook van onder uit, hun ramen als de lampen in een lichtmast. Ik ging zitten op de brede kaderand en probeerde van mijn telefoon af te blijven. Niets doen, daar moet je inkomen. Zoals beginnen aan een boek: het kost moeite voordat je erin zit en je mee kan laten voeren.

Verderop lag een man van mijn leeftijd in een strandstoel; hij bewoog niet, maar zijn onrust drong zich zelfs met dertig meter afstand aan me op. Tegenwoordig zijn de vreemdste figuren mannen en vrouwen van mijn leeftijd.

Mijn verlangen naar afleiding was niet zo groot dat ik hoopte dat de man met me zou komen praten, maar het scheelde weinig.

Pontjes kruisten elkaar. Aken drongen IJwater uiteen en ik dacht aan Gijs, die in deze rivier gevonden werd.

Zijn lach is kwijt. Ik weet niet mee hoe die klonk, terwijl ik zijn humor zo vaak mis.

Acht jaar, chico, zei ik tegen een schipperende meeuw. De hoogbouw op de Westerdoksdijk speelt die beesten parten, zelfs de wind is niet veilig voor de menselijke hand.

Hoewel ik niet langer dan drie minuten gezeten kon hebben, werd het tijd om op te staan.

Voor een kiosk met terrasje dronk ik koffie, meed praatjes met een roedel vaste gasten. Ik zat op een bank en volgde Otis, die bezig was een waterdicht territorium af te vlaggen. Na een paar minuten zat elk staand vlak in een straal van vijftig meter onder de pies.

‘Goed werk, man,’ zei ik toen hij tevreden terugkwam. Ik bedankte de mevrouw van de kiosk en maakte een grap die ze niet begreep. Dat gebeurt vaak als ik een tijdje geen mensen heb gesproken: ik moet nog in mijn taal komen, of eerder in de taal van anderen.

Eenmaal thuis probeerde ik de krant uit te lezen, maar het lukte niet. Ik keek op mijn horloge zonder de tijd te registreren, vouwde mijn laptop open en klokte in.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

Reageer >