Allerbeste Johannes,

18 november, 2009 (16:36) | Brief

0-oxford_university_students_academic_dressAl een maand lang zie ik op tegen deze brief, maar nu deze brief-blog langzaam ten einde loopt voel ik me verplicht je te schrijven.
Ik heb tot nu toe in mijn leven geen enkel persoon gekend die een beter mens was dan jij. Want Johannes, mensen kunnen veel over je zeggen, bijvoorbeeld dat je een ‘vreemde verschijning’ was, een einzelgänger die toch het liefste onder de mensen was, iemand die veel klaagde maar weinig ondernam, die het nooit gelukt was een vrouw te vinden, dat allemaal vast en zeker. Maar nooit zullen ze kunnen beweren dat je een slecht mens was. Je was oprecht en sprak de waarheid, was gul en loyaal naar vrijwel iedereen en je geloofde in god. Over dat laatste herinner ik me ellenlange gesprekken waarin je uitlegde dat je je heel goed in kon denken dat iemand als ik niet geloofde. Dan haalde je Spinoza aan, ik geloof niet dat je Spinoza hebt gelezen, maar je dronk wel glazen wijn in het gezelschap van mensen die dat wel hadden. Over die mensen zei je altijd dat ze prachtige banen hadden, lieve vrouwen en kinderen en dat je stinkend jaloers op ze was.

Op je zestiende ging je van school omdat je vader aan een hartinfarct was overleden. Je vertelde hoe je bij Albert Heijn werkte en dat jullie gezin zo arm was dat je soms bij het naar huis gaan het vlees dat over datum was onder je jas stopte. Je was de oudste van het enorme gezin en lange tijd de kostwinner. ‘Maar wat had ik graag willen studeren jongen, en daarom moet jij gaan studeren!’ zei je dan.
En hoe vaak ik ook tegen je zei dat ik niet wilde studeren, mijn school niet eens af wilde maken, gewoon wilde werken, op sommige drukke dagen daar in dat bedrijf waar we samen werkten, zuchtte je diep en zei je: ‘Als je gaat studeren kom je hier weg, kijk naar mij, ik kom hier nooit weg.’
En het trieste was dat je er inderdaad nooit weg kwam. Je werkte daar 38 jaar en al die jaren lang voerde je ongeveer dezelfde taken uit. Veel was er niet veranderd, op een computersysteem na waar je niets van begreep en wilde begrijpen.
‘Dit wordt mijn dood!’ riep je elke zaterdagmiddag als het druk was. Soms zong je luidkeels J.S. Bach’s cantate BWV 60:

“Es ist genung;
Herr, wenn es dir gefällt,
so spanne mich doch aus!
Mein Jesus kömmt;
nun gute Nacht, o Welt!
Ich fahr ins Himmelshaus,
ich fahre sicher hin mit Frieden,
mein großer Jammer bleibt danieden.
Es ist genung,
es ist genung.”

Je sloeg daarna dan een paar keer op een tafel of trapte iets kapot, meestal was dat een plastic bekertje dat je uit de prullenbak haalde; je wilde namelijk niemand belasten. Klanten keken je verschrikt aan en dachten: die nette man, hoe is het mogelijk!
‘Ik werk hier al 38 jaar, vindt u het gek?’ zei je dan en haalde je schouders op.

Kort daarna stond ik elke zaterdag alleen, want je werd ziek. Tussen de chemokuren door werkte je soms een halve dag alsof er niets aan de hand was. Maar toen volgde een reeks operaties omdat de ziekte zich zo verspreid had dat er niets meer aan te doen was. Je sprak met me over de geweldige doktoren in het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis en herhaalde meteen weer dat je had willen studeren, misschien wel oncoloog had willen worden, iets in ieder geval, niet zo eindigen als nu, zei je. Ik herinner me die woorden als de meest verdrietige, want over god sprak je nauwelijks meer en dat maakte me bang, want een mens moet iets hebben om zich aan vast te houden, of ík nu denk dat dat onzin is of niet.
‘Beloof me toch dat je gaat studeren en iets van je leven maakt,’ waren de laatste woorden die je tegen me sprak, want daarna vertrok ik naar het buitenland en hadden we geen contact meer.

De echte schaamte, de echte reden waarom deze brief zo lang geduurd heeft is dat toen ik eenmaal terugkwam en je belde, je telefoonnummer buiten gebruik was. Ik ging langs je huis waar niet werd opengedaan en geen gordijnen meer hingen. Ik informeerde hier en daar maar niemand kon me een antwoord geven tot ik contact opnam met het bedrijf waar we ooit samen werkten. Ze zeiden alleen: ‘Ja, hij heeft het niet gered.’
Ik wilde toen iets vernielen maar mijn prullenbak was leeg.
Ik hoop gewoon dat je nooit vergeten wordt, jij als voorbeeld van een werkelijk goed iemand met zoveel ongeluk in zijn leven dat je bijna zou gaan geloven dat als er een god bestaat, deze blind of doof is.

David Pefko

4 reacties >