Een wereld aan verhalen

20 november, 2019 (08:54) | Gilles van der Loo

IMG_3255Het duurde even voordat ik doorkreeg dat je nooit moet zeggen dat schrijven je makkelijk af gaat. Weinig lijkt in de literaire wereld meer irritatie te wekken.

Tien jaar geleden zei ik aan de lopende band van dat soort dingen. Niet om op te scheppen over mijn vruchtbaarheid, maar omdat het echt zo voelde. Er is tijd nodig om door te krijgen wat dit werk precies van je vraagt.

Het schrijft zichzelf.

Ik hoef alleen maar op te schrijven wat mijn personages denken en doen. 

Ik heb meer verhalen in me dan ik schrijven kan.

Ik was een kleuter met een kartonnen zwaard die zich opwindt over de minimumleeftijd voor soldaten. Toch kan ik het de beginner niet kwalijk nemen dat hij dit soort dingen zegt. Laat er alsjeblieft een periode in je carrière zijn dat je het zo ervaart. De keerzijde komt toch wel.

De romantiek van het schrijverschap bestaat alleen aan de buitenkant. Vroeger leefden we in harde armoede, tegenwoordig hebben we er drie banen bij om niet in armoede te hoeven leven. Geen erkenning zal ooit genoeg zijn.

We doen het omdat we ons slecht voelen als we het niet doen. Omdat we ons geweldig voelen als het lukt en een verhaal – voor heel even – zichzelf lijkt te schrijven. Of juist helemaal niet, maar na dagen schaven in de buurt komt van wat we voor ogen hadden.

Na verloop van tijd kunnen we niets anders meer. Schrijven maakt je ongeschikt voor werken in teamverband, onder een baas en onder tijdsdruk. Uiteindelijk maakt het je – dat geloof ik echt – ongeschikt voor alles behalve het eigen werk.

Slim is anders. Gezond is ook anders.

Er kleeft noodlottigheid aan het schrijven, en dat is onmiskenbaar romantisch.

________________________________________________

Optie 8Gilles van der Loo (Breda, 1973) is schrijver en recensent. Hij was redacteur van Tirade en zijn fictie verscheen online en in diverse bladen. Bij Van Oorschot publiceerde hij de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de romans Het laatste kind en Het jasje van Luis Martín.

 

Reageer >