Aldo en Siegfried

3 november, 2010 (15:45) | Nico Dros

faunEen roman kan extra bekoring krijgen wanneer ergens in de tekst een beeld opdoemt dat  de lezer overrompelt – soms onmiddellijk of anders vele hoofdstukken later alsnog – omdat in dat ene tafereel de essentie van het hele verhaal wordt geopenbaard. Aan den weg der vreugde van Louis Couperus  (1907)  is een verhaal dat  zo’n wezenlijk, metaforisch tafereel bevat. De kleine roman gaat over een tragische liefde van een vrouw uit het Noorden en een man uit het Zuiden. Couperus  beschrijft de nog jonge vrouw – Emilia –  als een tere, bijna doorschijnende gestalte in het wit. Zij is nerveus, troosteloos, melancholiek en zo labiel dat zij ieder moment in huilen kan uitbarsten. Wanneer zij ergens in Toscane in een landelijk hotel verblijft om er te kuren leert zij een Italiaan kennen. Deze Aldo, een gewezen legerarts met een primitieve en ongecompliceerde natuur, houdt ervan door het heuvelland en de wouden te zwerven. Hij doet dan ook denken aan een faun met zijn robuuste gestalte, wild krullende haren en `wreedrode’ mond.  Zij, die nog nooit geleefd heeft, ziet hem voor het eerst terwijl hij speelt op een simpel houten fluitje. Met dit kleine instrument, een ocarina, lokt hij petiterige, kwetsbare en nerveuze hagedisjes naar zich toe om ze tam te maken en hun een blijk te geven van zijn kinderlijke liefde…

kindsoldaatDe laatste roman van Harry Mulisch, Siegfried (2001),  is net als zijn meeste andere romans  rijk aan beelden. Maar er is één tafereel in het verhaal dat door zijn aangrijpende en (terloops) onthullende karakter werkelijk onvergetelijk mag heten. De roman gaat over de gevierde Nederlandse schrijver Rudolf Herter die vanwege literaire promotieactiviteiten enkele dagen in Wenen doorbrengt. Als hij tijdens een interview laat weten bezig te zijn met een boek waarin het echte gelaat van Hitler zal worden onthuld, neemt  een stokoud Weens echtpaar contact met hem. Deze twee echtelieden hebben de Führer indertijd jarenlang gediend en weten veel bijzonderheden over hem te vertellen. Een van de best bewaarde geheimen rond de dictator is de zoon die hij ooit bij zijn minnares Eva Braun heeft verwekt.  De jongen – Siegfried – groeit op in het verborgene, als een pleegkind van het Oosterijkse echtpaar.

Terwijl Herter in de bedompte Weense bejaardenwoning deze geschiedenis met verbijstering aanhoort, verstrijken de uren en is het onderhand tijd voor het middageten. De oude vrouw vraagt Herter of hij een boterham mee-eet. Hij stemt toe, temeer daar de man laat weten dat hij de helft nog niet gehoord heeft. Dan schrijft Mulisch:

`In het keukentje drukte Julia met haar linkerarm een groot, rond, roodbruin brood tegen haar borst en met een lang mes sneed zij er plakken af op een manier, die hem deed rillen. Nergens ter wereld werd brood zo gekeeld.’

Dit beeld geeft een voorschouw van de verdere geschiedenis, want wanneer na jaren van vernietigende oorlog het Derde Rijk op instorten staat, en de nazileiders tot zelfmoord besluiten, zal ook de jonge Siegfried dit lot moeten delen.

Allen met literaire ambitie, beginnend of gevestigd, doen er goed aan het oeuvre van Mulisch te (her)lezen. Vanwege de curieuze verhalen en het ideeëngoed. Maar vooral vanwege de metaforiek, de beelden uit taal gehouwen. Want, zoals Mulisch zijn alter ego Rudolf Herter laat zeggen: het gaat er niet om wat er verteld wordt, maar hoe het verteld wordt.


Reageer >