Op de bühne

24 november, 2010 (15:25) | Nico Dros

multatuliOf ik het nu in zijn biografie uit 2002 heb gelezen of in een ander boek weet ik niet meer. In elk geval werd over Multatuli opgemerkt dat hij, behalve een groot schrijver, ook een begenadigd redenaar – om niet te zeggen: voordrachtskunstenaar – was. Je kon zijn voordrachten bezwaarlijk lezingen noemen, want hij had nooit enige tekst op papier staan. Neen, hij improviseerde, hij stak van wal, raakte begeesterd en was in die staat bij machte om voor de vuist weg samenhangende beschouwingen, fraai gecomponeerde vertogen, voor het publiek af te steken.
Aan zulke beweringen kan ik slechts voor een klein deel geloof hechten. Het is weer een van die mythen waarmee de mensen een begenadigd individu plegen te omweven. Het is vergelijkbaar met de vaak gedane, ondoordachte bewering dat Multatuli zijn grote werk Max Havelaar in een periode van vier of vijf weken zou hebben geschreven…
Multatuli, die op latere leeftijd vanwege geldzorgen verscheidene tournees door het land ondernam, was natuurlijk in staat tijdens zo’n voordracht à l’improviste op deze of gene actuele kwestie vlijmscherp en met esprit te reageren. Maar het feit dat hij een lange beschouwing feilloos uit zijn mouw wist te schudden, lijkt me een oude imponeertruc waar meer sprekers in het openbaar zich van bedienen: men zet het vertoog vooraf op papier; het is doordacht opgebouwd met enkele retorische spanningsbogen om de toehoorders bij de les te houden; en het eindigt met een slothoofdstuk dat in de taal van de hartstocht is geschreven zodat de boodschap een vurige gloed krijgt. Deze tekst leert de spreker uit zijn hoofd en draagt hem op natuurlijke, onnadrukkelijke wijze voor,  met korte pauzes waarin hij de indruk wekt diep na te denken. Zo raakt het publiek er allengs van overtuigd naar een vertoog te luisteren dat op het moment zelf zowel spontaan als gestileerd ter wereld komt dankzij het uitzonderlijke esprit van de redenaar.

Vandaag de dag schijnt het ook van groot belang te zijn dat een schrijver langs de zalen gaat om er een optreden te verzorgen. Zijn oeuvre is niet genoeg meer, de performance van het ventje of het vrouwtje zelf is eigenlijk belangrijker. Er zijn schrijvers, wier werk niet eens bijzonder is, die altijd onderweg zijn naar een optreden in de zaal of voor een of ander massamedium. Die hebben een goede uitstraling, zijn rad van tong, hebben de juiste connecties of ogen vooral mooi en uitdagend. Een kleine minderheid onder de auteurs voelt zich zelfs kiplekker op de bühne. Die gaan, vaak in een groepje, op tournee langs de theaters. Daar lezen ze beurtelings voor uit eigen werk; sommige hebben voor de gelegenheid zelfs sketches geschreven.
Ik ben bepaald geen liefhebber van zulke voorstellingen. Als uitzondering moet ik een voordracht noemen van Gerard Reve begin jaren ’80 in De Brakke Grond te Amsterdam. De voorlezingen van de schrijver met zijn sonore stem gaven diens fragmenten werkelijk iets extra’s. Het was trouwens een merkwaardige avond waarbij de optredende schrijver geen enkel contact met zijn publiek leek te kunnen maken. Zijn voorlezingen en opmerkingen tussendoor veroorzaakten meerdere keren salvo’s van gelach in de zaal, terwijl de schrijver onbewogen neerzag op het tumult. De keren echter dat Reve wel bewust een grapje maakte, en zijn gelaat zich zelfs plooide tot een glimlach, begreep het publiek hem niet en bleef het stil.

Gerard Reve kon het misschien, maar in zijn algemeenheid geldt dat de auteur en de bühne contamineren. De noodzaak om als schrijver op te treden leidt meestal tot branchevervaging met teleurstellend resultaat. Want waar heeft zo’n optredende schrijver het dan eigenlijk over? Meestal blijft een vertoog over een brandende maatschappelijke kwestie achterwege. Blijft over: het eigen werk en nog wat clichés over het schrijfproces. Oersaai.
Meelijwekkend wordt het wanneer een auteur zich per se als acteur meent te moeten manifesteren. Wat bewoog iemand als Adriaan van Dis – schrijver, journalist en tv-presentator van naam –  een act op te voeren in de voorstelling die aan het Boekenbal van 2010 voorafging? Blijkbaar had hij er vooraf zelf veel zin en vertrouwen in – hij kondigde zijn optreden zelfs aan in een of ander tv-programma – en wie weet heeft hij zelf ook van dit uitstapje genoten. Maar voor iedereen die het moest aanzien was zijn poging tot acteren een marteling. Uitsloverij die voor toneelspel moest doorgaan. Tijdens zijn act kleurde zijn hoofd steeds roder. De vrees leek gerechtvaardigd dat er een bloedvat tussen zijn oren op knappen stond. Waar zijn sketch over ging zou ik werkelijk niet meer weten. Ik was onderwijl vooral in de weer met plaatsvervangende schaamte, met jeuk en opvliegers. Daarna was er de opluchting dat het voorbij was en dat de gelegenheidsacteur niet in een beroerte was gebleven.

Het leeuwendeel van de schrijvers vindt het niet fijn om voor het voetlicht te moeten treden. Maar ze doen het wel, omdat het van ze verlangd wordt en het een bescheiden honorarium oplevert. Dat iemand zich ongemakkelijk of onbeholpen op de bühne gedraagt kan een enkele keer ontwapenend of charmerend werken, maar meestal pakt het ongelukkiger uit. Die twintig tot dertig vrouwen op leeftijd die het publiek vormen zijn gelukkig altijd vol begrip voor die stoethaspels die met verkeerde dictie voorlezen en over hun eigen zinsbouw blijven struikelen.
Het vooruitzicht te moeten optreden werkt ontwrichtend in een schrijversleven. Iemand vertelde me jaren geleden: ‘Ik werd eens gevraagd een lezing te geven in het Haags congresgebouw voor een publiek van vier- of vijfhonderd mensen. De week in aanloop tot het evenement ben ik voortdurend aan de schijterij geweest. De dag zelf, in de trein van Amsterdam naar Den Haag, hoopte ik oprecht dat we bij Hoofddorp of Lisse zouden ontsporen. Ik had er stevige verwondingen voor over om maar niet te hoeven optreden. Eenmaal in de zaal was mijn maag door de zenuwen zo van streek dat projectielbraken dreigde. Pas toen ik bemerkte dat de spreker vóór me er een zootje van maakte – hij was onvoorbereid, dacht het wel uit zijn mouw te kunnen schudden – kreeg ik mijn zelfvertrouwen terug en wist toen het mijn beurt was de zaal zelfs te veroveren. Op dat moment was het fijn, maar wat schiet je daar als schrijver verder mee op?’

De ultieme schrijversdroom ziet er zo uit: je schrijft een boek dat ineens allemachtig verkoopt in alle uithoeken van het Avondland. Iedereen heeft het over dat boek, niemand over de schrijver. Je bankrekening groeit als een tumor. Op een dag is het zover: je kunt van nu af aan verborgen leven en in stilte schrijven. Je hoeft je nooit meer aan het volk te vertonen.



1 reactie >