Nachtelijk bezoek

29 december, 2010 (00:41) | Nico Dros

bloedOpspelend maagzuur zorgde ervoor dat ik even voor tweeën mijn bed verliet om een handje havervlokken te eten. Terug in bed lag ik te malen over alledaagse zorgen. Een daarvan was wat voor bijdrage ik in godsnaam nog op deze site zou moeten plaatsen. Na zeven weken was ik wel eens door mijn onderwerpen heen. Dat impulsieve schrijven had iets van persen zonder te hoeven poepen. Nog een week, dacht ik, dan heb ik geen blog meer aan mijn been, en is er weer alle ruimte voor de roman. En terwijl die gedachte in mijn sluimerende geest oplichtte, meende ik te horen dat de keukendeur vanuit de tuin zachtjes werd geopend. Meteen was ik klaarwakker. Al die tijd had mijn vrouw in volle overgave naast me liggen slapen. Daarbij draait ze zich ongeveer twee keer per uur om en maakt dan kirrende geluidjes. Nu haperde haar ademhaling even, alsof zij ook onraad bespeurde, maar daarna sliep ze weer verder. Haar zoon was ’s ochtends door zijn vader opgehaald om bij zijn familie de tweede kerstdag door te brengen. Hij zou pas over twee dagen terugkomen. Had ik dat raspende geluid van die deurkruk soms in een droom gehoord? En was de achterdeur dan los geweest? Dat laatste leek bij nader inzien waarschijnlijk. Eerder die avond had ik de poes vergeefs naar binnen geroepen, en me voorgenomen het nog eens te proberen. Maar ik was het vergeten, zoals ik de deur ook niet had afgesloten. Ik hoorde niets meer, behalve het hameren van mijn hart in mijn borstkas, en toch leek het me dat er iemand was. Nu haar zoon er niet was, brandde er geen enkel lichtje in de gang. Zag ik iets van een klein schijnsel onder de spleet van de deur? Een, twee minuten later hoorde ik iets kraken. Dat geluid herkende ik als afkomstig van een vloerplank, een schuin afgezaagd uiteinde vlakbij het deurgat naar de voorkamer. Daar bevond hij zich dus. Nu kwam ik voorzichtig overeind, blij dat ik een hemdje en een onderbroek aan had. Ik weet heel goed hoe ik in het donker zonder rumoer om dat bed heen naar de deur kan komen. Moest ik eigenlijk doodstil zijn om de ander te verrassen? Of juist kabaal maken en hem daarmee de stuipen op het lijf jagen? Ik besloot tot het eerste. De sluipgang door huis had ik vaak geoefend in tijden van slapeloosheid die nog niet ver achter me lagen. Zelfs de deur maakte geen geluid toen ik hem opende en voorzichtig de gang betrad. Er scheen een kleine lichtbundel in de voorkamer, in de hoek waar de boekenkast staat. Daar stond ook mijn laptop op een rijtje boeken, een nogal dure Apple, die mijn vrouw heeft voorgeschoten. Ik wist de kamer zonder gerucht te bereiken en deed meteen het licht aan. Hij stond met zijn rug naar mij toe, een joch van nog geen twintig. Hij had zo’n grijs katoenen sweater aan met een capuchon die hij over zijn hoofd had getrokken. Heel even verstarde hij toen het licht aanschoot, en daarna draaide hij zich half om. Hij had het witte kleinood al in zijn hand.
‘Zet die laptop weer terug!’ beet ik hem toe.
Hij deed het, smeet hem bijna weer terug op de plank met boeken en draaide zich weer om. Nu zag ik voor het eerst iets van zijn gezicht. Een stevige neus, puberale beharing rond zijn mond, ingevallen wangen en toegeknepen ogen. Toen ik de eerste stap in zijn richting zette ging zijn rechterhand naar een zak van zijn sweater, en op dat moment stormde ik naar hem toe, omdat ik vermoedde dat hij een mes wilde pakken. Mijn voornemen om hem met links vol op zijn gezicht te beuken lukte slechts gedeeltelijk. Hij bewoog zijn hoofd nauwelijks maar toch schampte mijn vuist langs zijn hoofd, al trof ik zijn oor wel voluit. Op datzelfde moment raakte mijn gebogen rechterknie hem vol in de buik (hoewel ik het op zijn kruis gemunt had) en hij met een diepe keelklank een hoeveelheid lucht uitstiet. Hij maaide met links om zich heen. Een worsteling volgde, waarbij ik zijn rechterarm afklemde. Toen gebeurde er twee dingen tegelijk: mijn vrouw in de aangrenzende kamer begon te schreeuwen, wat me de gedachte deed opvatten dat er misschien een tweede insluiper was. Tegelijk voelde ik een helse pijnscheut in mijn rechterteen die toch al zo gevoelig was na een ongelukje tijdens een verhuizing. Die paar seconden van weifeling benutte de jongen om langs me heen te schieten en via de gang en de keuken naar de tuin te ontsnappen. Ik haastte me naar de slaapkamer en vond mijn vrouw daar, alleen op bed, ineengedoken, jammerend.

 Ik was heel rustig nadien en heb haar verteld wat zich buiten onze slaapkamer heeft afgespeeld. Halverwege mijn relaas onderbrak ze me en zei:‘Eerst de achterdeur op slot.’ Dat heb ik gedaan en vervolgens heb ik een longdrinkglas cognac ingeschonken en daar hebben we beurtelings van gedronken, terwijl ik haar vasthield en koesterde. De nagel van mijn grote teen rechts bleek gespleten. Het bloedde hevig, maar de pijn zakte spoedig. Voorzichtig wikkelde ik een handdoek om de bewuste voet, om het bed niet te bevlekken. In de gang en keuken waren veel sporen van bloed. De poes was intussen door het luikje de keuken ingekomen en deed zich er tegoed aan. Ze vluchtte met een donkerbruine snuit naar buiten. Ik heb alles opgedweild, terwijl mijn vrouw wezenloos naar het tafereel stond te kijken. Of we de politie niet moesten bellen, vroeg ze me. Maar ik zei dat het geen enkele zin had, omdat de dader was gevlogen. Daarna zijn we in bed gekropen en is ze in slaap gevallen. Nu en dan rilde ze alsof ze het steenkoud had. ’s Nachts ben ik er nog even uitgeweest en heb de laptop even in mijn handen genomen.
De volgende ochtend leek de situatie weer bijna normaal. Ons ontbijt stelde niet veel voor.  Mijn vrouw at alleen een paar mandarijntjes en bedankte voor koffie. Na zeven jaar moeiteloze onthouding verlangde ik er ineens naar om een sigaar op mijn nuchtere maag te roken. Verder was ik de kalmte zelf. Maar dat veranderde toen ik in de keuken kwam en door het raam spiedend een ontdekking deed. In de sneeuw die de tuin bedekte was een bloedspoor. Verwonderd ging ik naar buiten om het beter te kunnen bekijken.
‘Ben je hier vannacht ook geweest?’ klonk het achter me.
Ik schudde het hoofd.
‘Dus dit is niet jouw bloed?’
‘Nee.’
‘Dan was dat bloed in de gang en keuken misschien ook niet allemaal van jou.’
‘Zou kunnen.’
‘Moeten we dan toch de politie niet bellen?’

 We hebben er mot over gekregen, want ik wil per se niet dat er politie bijkomt. Wanneer er een Amsterdamse rechercheur is langs geweest staat er een uur later een reporter van De Telegraaf op de stoep. En voordat je er erg in hebt figureer je met naam en al in een spectaculaire reportage vol burgerleed. Het is niet mijn ambitie om dankzij deze verwikkeling tot het blanke boegbeeld van Wakker en Weerbaar Nederland uit te groeien, te worden uitgeroepen tot een echte jongen van Jan de Wit in het hartje van Bos en Lommer.
Sinds we die sporen in de tuin hebben gevonden, is er iets aan mijn vrouw veranderd. Ze oogt niet langer nerveus, eerder ijzig kalm. Herhaaldelijk stelt ze me indringende vragen, alsof het een verhoor betreft. Ik heb niets te verbergen, maar sommige details zijn me zelf ook duister. Meerdere keren heb ik haar verzekerd dat er geen mes in het spel is geweest. Bij alles wat ik zeg, kijkt ze me onderzoekend aan en doet er vervolgens het zwijgen toe. Het lijkt alsof we allebei op een ontknoping wachten. Mijn verlangen naar een sigaar krijgt onderhand iets onbedwingbaars. Maar de tabakswinkel is achthonderd meter verderop. Ik loop nogal moeilijk en het is glad buiten.

1 reactie >