Cactus

22 februari, 2011 (15:44) | Maartje Wortel

imagesGeheel tegen de adviezen van Annie M.G. Schmidt in (die in een interview zei dat ze liever niet met schrijvers omging omdat het valse secreten zijn) had ik schrijfster F. uitgenodigd om, geheel tegen de adviezen van mijn moeder in, pannenkoeken te komen eten.

Mijn moeder zegt dat pannenkoeken geen volwaardige maaltijd zijn. Daar ben ik het niet mee eens, ik vind dat alles waar je (1) geitenkaas of (2) hagelslag overheen kan gooien sowieso een volwaardige maaltijd is.

Ik had mijn kamer opgeruimd en het raam opengezet. Het gehele meubilair zat inmiddels onder de poedersuiker maar dat was wel gezellig en het rook ook nog lekker én het zorgde ervoor dat ik het raam weer dicht kon doen, zodat de straatgeluiden en de kou opnieuw buitengesloten zouden worden.

Ik was aan tafel gaan zitten, spelend met de stroop die ik langzaam heen en weer door de fles liet lopen. Ik dacht: ‘Precies zo voel ik me,’ en toen zag ik de plant. Hij stond in de hoek bovenop mijn platenspeler. Hij was dood, hartstikke dood. Je hoefde geen plantenliefhebber te zijn om dat te zien, dode dingen herken je meteen.

Schrijfster F. had mij diezelfde kamerplant voor mijn verjaardag gegeven, (in oktober) omdat het haar was opgevallen dat ik helemaal geen planten in huis had. Sinds ik wél een plant in huis had was het mij eerlijk gezegd zelf niet opgevallen dat de plant er was en praktisch gezien was hij ook al van mij heengegaan natuurlijk.

Ik wilde F. niet meteen bij binnenkomst al voor het hoofd stoten met die plant, ze zou denken dat ik een vals secreet ben, misschien had ze daar niet eens een dood cadeau voor nodig. Van de andere kant kon ik die plant ook niet ineens zomaar wegdoen nu, ze zou onmiddellijk zien dat de plant ontbrak. Als ze al gezien had dat er een plant ontbrak voordat er überhaupt een plant was, dan zou het nu het eerste zijn dat ze zag. Bovendien: F. is een schrijfster en schrijvers kijken over het algemeen erg goed. (?)

Er zat niets anders op: ik liet de plant dood in de hoek staan, met een schaar knipte ik de verrotte bladeren weg. Dat deed de aanblik van die plant min of meer geweld aan, al die halve bladeren.

Toen F. binnenkwam zei ze: ‘Wat ruikt het hier lekker.”Ja,’ zei ik zenuwachtig. Om alle ongemak voor te zijn zei ik: ‘Die plant die ik van je gekregen heb is dood.’ Daar leek F. niet echt van onder de indruk. Ze zei: ‘O?’ wat ik als een aanmoediging zag. (Leg maar eens uit hoe dat kan dan.) Ik zei iets over een pot en een bord en bijna nooit thuis en lekkend water en dat experiment met melk en de platenspeler en honden die bladeren opeten.’Oké,’ zei ze weer, terwijl ik een pannenkoek op haar bord gooide en dacht: ‘Een pannenkoek is inderdaad een toetje.’

‘Er bestaan ook planten die je geen water hoeft te geven,’ zei F. ‘Ik neem er wel een keer één voor je mee.’ 
Ik verslikte me in een rozijn. Straks stond er een vetplant op mijn platenspeler om me eraan te herinneren dat ik voor niets of niemand kon zorgen. Misschien werd het tijd dat ik een aantal adviezen op zou gaan volgen.

2 reacties >