En verder niets dan loodgieterswerk

30 mei, 2012 (16:24) | Sander Kollaard

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik zag deze foto in een boek over de fotografie van architectuur. Mijn eerste gedachte was: wat zou Rudy Kousbroek hierover hebben geschreven? Toen: maar wacht eens even, volgens mij heeft Kousbroek hierover geschreven. Ik dus naar de boekenkast, het rijtje Kousbroeken doorbladeren, niets. Dat overtuigde me niet: ik weet nog steeds zeker dat Kousbroek over deze foto heeft geschreven. Kennelijk heb ik dat stuk niet: wie mij eraan kan helpen, graag.

Maar goed, terug dan maar naar de eerste vraag: wat zou Kousbroek over deze foto hebben geschreven, als hij dat niet al had gedaan?

Ik denk niet dat hij zou hebben geschreven over de loodgegoten wirwar. Die is opvallend maar voorzover ik kan zien klopt het allemaal. Het is hooguit wat grof en onhandig, maar een raadsel zie ik niet.

Hij zou denk ik wel hebben gewezen op een aantal details, zoals het stukje zeep in de houder op de rand van het bad. Misschien zou hij de lucht van een vergelijkbaar stukje zeep uit zijn Indische jeugd hebben beschreven, of een meisje dat naar die zeep rook, of de tuin waarin hij dat meisje zag, of het jurkje dat ze droeg.

Hij zou ook hebben gewezen op iets dat ik niet meteen zag – nou ja, ik zag het wel, maar schreef het meteen toe aan de stand der fotografie in 1934, en zag het dus eigenlijk niet: waarom zijn dat stukje zeep, de kranen en de spiegel witgeschilderd? En in het verlengde daarvan: waarom die toiletbril dan niet? Een raadsel: Kousbroek zou er beslist iets over hebben geschreven.

 

 

 

 

 

 

 

Pas nadat ik de foto al een paar keer had bestudeerd, dacht ik aan John Updike. Updike (1932 – 2009) is de schrijver van vier boeken over Harry Angstrom – Rabbit voor de vrienden die hij niet heeft. Het eerste boek is geschreven en speelt rond 1960 en de volgende drie delen steeds een decennium later. Zo vertelt Updike niet alleen over een ouder wordende Amerikaanse man, maar ook over zijn veranderende land.

Toen Susanna en ik de boeken lazen, min of meer simultaan, hielden we niet op elkaar voor te lezen, het ene mooie zinnetje na het andere. Vaak schoot een van de twee al lezend in de lach en vroeg de ander gretig: wat is er, waarom lach je, lees eens voor… Zo ging dat ook met het zinnetje dat me, kijkend naar de foto van het merkwaardige loodgieterswerk, weer te binnen schoot. We lagen al in bed, Susanna schoot in de lach, ik vroeg wat er was. En toen las ze dat zinnetje voor.

Het staat in het laatste deel van de tetralogie, Rabbit at rest. Harry mijmert over Ronnie Harrison, waarmee hij vroeger als jochie op straat speelde en die sindsdien zijn pad is blijven kruisen. In alle vier delen komen we hem tegen. Harry heeft een hekel aan hem: Ronnie met zijn grote mond, gladde grapjes makend, de lolbroek van het stel, de verzekeringsagent met de snelle babbel. Altijd worden we herinnerd aan de knuppelachtige pik waarmee Ronnie, tot Harry’s afgrijzen, onder de douche na het sporten pronkte. Met enig genoegen registreert hij hoe Ronnie’s haar geleidelijk dunner wordt. Jarenlang heeft Harry een affaire gehad met Ronnie’s vrouw, Thelma. Op het nachtkastje naast het bed stond Ronnie’s portret: als ze neukten voelde Harry Ronnie’s blauwe ogen up his ass.

Maar met de jaren komt er een ander gevoel bovendrijven, een zekere verbondenheid, alsof de relatie door de duur ervan alsnog gewicht krijgt. ‘Harry feels that Ronnie has always been with him, a presence he couldn’t avoid, an aspect of himself he didn’t want to face but now does.’ Met die verzoening weet Harry ook zijn afkeer van Ronnie te relativeren. De manier waarop dit wordt beschreven – het zinnetje waarvan Susanna in de lach schoot en vervolgens ik ook – is vintage Updike.

‘That clublike cock, those slimy jokes, the blue eyes looking up his ass, what the hell, we’re all just human, bodies with brains at one end and the rest just plumbing.’ 

Reageer >