Paassprookje

31 maart, 2013 (19:19) | Marko van der Wal

De paasdagen gaan dit jaar gepaard met twee noodzakelijke kwaden: de ingang van de zomertijd en het invullen van de belastingaangifte. De tijd die nodig is om te herstellen van dat eerste zou zomaar gelijk kunnen zijn aan de tijd die nodig is om het tweede te voltooien. Dat lijkt mij voor een heleboel mensen genoeg reden om vandaag maar in bed te blijven en onwillekeurig naar het plafond te staren.

In Gontsjarovs Oblomov komt de gelijknamige hoofdpersoon ook niet veel verder dan dat. Hij breekt zich in de eerste paar hoofdstukken het hoofd over een brief die hem vanaf zijn landgoed is toegezonden. Daaruit blijkt dat ‘alles naar wens gaat’. De korenoogsten zijn verbrand, aangevreten of door vorst verloren gegaan. Zo’n brief is Oblomov, net als elke andere brief, te veel. Hij stagneert, stopt het geschrift weg en probeert zich aan zijn plichten te onttrekken door zich af te zonderen in zijn kamer, op zijn bed, en daar te blijven tot de wereld vanzelf een aangenamere plek is geworden.

Wie niet tot de oblomovistische overtollige mens wil verworden maar ook geen zin heeft in de belastingaangifte, en gewoon een beetje wil blijven dromen, kan beter zijn toevlucht nemen tot het werk van Vsevolod Garsjin. Hoewel zijn naam niet erg bekend is – zijn oeuvre is ook niet groot – kent iedere Rus zijn sprookje over De bereisde kikker praktisch van buiten. Het begint zo: ‘Zij zou tot het eind van haar dagen in voorspoed hebben geleefd – tenzij ze door een ooievaar zou zijn verorberd, dat had uiteraard ook nog gekund – maar het liep anders. Er gebeurde iets.’

De kikker krijgt bezoek van een groepje eenden, die op doorreis zijn naar het Zuiden. Wanneer de kikker de eenden hoort praten over hoe het daar is, ontbrandt in haar het verlangen mee te gaan en iets van de wereld te zien – maar natuurlijk, ze kan niet vliegen. Na vijf minuten in blubber te hebben nagedacht komt ze met een briljante list: ‘“Ik heb iets bedacht, ik heb iets verzonnen!” riep ze. “Twee van jullie moeten een takje in de snavel nemen, elk aan een eind, zodat ik me daar met mijn kaken aan vast kan klemmen, in het midden. Dan stijgen jullie op en vlieg ik mee aan dat takje. Als jullie maar niet kwekken en als ik maar niet kwaak, dan gaan we er iets machtig moois van maken, dat zal je zien!’

Garsjin vertelt het op een ontgoocheld meedogenloze en afstandelijke toon, net als in zijn andere verhalen. Tegelijkertijd is De bereisde kikker zo ontroerend dat iedereen die het voorgelezen krijgt direct in zwijm valt. En degene die het voorleest kan maar beter een briefje opstellen: ‘Ik deel u mede, geachte fiscus, dat alles naar wens gaat. De klok is gelijkgezet en afgelopen dagen heb ik Garsjin gelezen.’ Teruggaaf gegarandeerd.

1 reactie >