Koningslied

20 april, 2013 (11:11) | Marko van der Wal

Het officiële lied dat namens het ganse Nederlandse volk aangeboden zal worden aan de nieuwbakken koning, is eindelijk klaar. Sinds gisteren is de tekst te raadplegen op verschillende nieuwssites en op YouTube zwerft een studioversie rond die af en toe geen sjoege geeft. De slierten van reacties onder de berichten kennen geen einde, noch lijkt er enige grens aan de collectieve verontwaardiging. De makers moeten het zwaar ontgelden; er is in geen velden of wegen iemand te bekennen die het Koningslied serieus neemt, ook niet in de krant of bij Pauw & Witteman.

Laten we wel wezen, het is natuurlijk een onmogelijke opgave om een tekst te schrijven waar een hele natie tevreden mee zou zijn. Om die beer-op-de-weg te pareren hebben de schrijvers hun toevlucht genomen tot ‘de tekstuele inzendingen van het Nederlandse volk’. Het Koningslied moest hét literaire Gesamtkunstwerk van het jaar worden, een geschenk zijn schenkers en de koning waardig. Een experimenteel-poëtisch project zoals in de vorige eeuw, geen objet trouvé maar een objet demandé.

Nu het eindresultaat van die Herculesarbeid er is, wordt het tijd voor een degelijke close reading. Het lied opent met eenzaamheid en vertwijfeling: ‘Daar sta je dan / Je zag dit moment al zo vaak in je dromen’. Bij de eerste regel kan gemakkelijk ‘…met je mond vol tanden’ worden aangevuld. De eerste strofe schept een helder beeld van een koning op het balkon van het paleis op de Dam, en iedereen kan zien dat hij niet op zijn gemak is. Hij wordt aangesproken met ‘je’, ik kan me althans niet voorstellen wie er anders bedoeld kan zijn. ZKH is hier een gelijke, laat dat duidelijk zijn.

Er is geen ontkomen aan zijn opgave, hoe vertwijfeld hij ook moge overkomen. De tweede strofe opent namelijk met een emfatische herhaling van de eerste zin. Deze keer kan ‘…met je goeie gedrag’ worden aangevuld. Het koningschap is een door god gegeven levensdoel: ‘Ieder mens heeft een taak in dit leven (…) Iedere stap die je zette leidde naar hier’, want sommigen worden nu eenmaal windbuil, anderen dichter. Dat de verse koning niet hoeft te vrezen blijkt uit het bemoedigende ‘Wij lopen met je mee’, waarbij ‘wij’ het vulgus moet zijn, in pluralis maiestatis. Het volk zal de hand van de koning wel vasthouden als dat nodig is.

De derde strofe sluit naadloos bij die gedachte aan, ook al is de ‘wij’ hier om poëtische overwegingen veranderd in ‘ik’: ‘Door de regen en de wind / Zal ik naast je blijven staan / Ik bescherm je tegen alles wat komt’. Alhoewel, de volgende regels lijken juist op een omkering van die gedachte te zinspelen, niet dat het volk zijn koning chaperonneert maar de koning juist het volk beschermt. ‘Ik zal waken als jij slaapt’ is een referentie aan de televisierede van premier Colijn. ‘Ik behoed je voor de storm’ is een adunaton om het beeld van zwaar weer te versterken. Wie er in zwaar weer verkeert is niet te herleiden, dat kan zowel het volk zijn (economische crisis) als het koningshuis (toekomst monarchie). De ‘ik’ houdt ‘je’ vrij van gevaar (zie ‘Hou je veilig’) zolang de ‘ik’ leeft. Indien door middel van ‘ik’ de koning gefocaliseerd wordt, betekent ‘zo lang als ik leef’ eigenlijk ‘tot ik de troon opgeef’. De metrische invulling (spondee) van deze strofe doet suggereren dat het hier gaat om een refrein.

Het vervolg is echter een rap die het refrein doorbreekt. De rap begint met ‘Een strijd, twee levens’, een verwijzing naar ‘één rijk…’. Het overkoepelende beeld is dan ook dat van één volk met één beschermer, of één beschermend volk met een koning als beschermeling. De beelden volgen elkaar snel op: ‘we’ staan schouder aan schouder, als leeuwen en als pauwen. Zelfs als Piet Hein, zoals ‘En hoe klein we ook zijn / Onze daden zijn groot’ benadrukt. Het kan hier ook een allusie op de uitspraak ‘waar een klein land groot in kan zijn’ betreffen. Er is in dit gedeelte sprake van twee opmerkelijke fenomenen, namelijk enerzijds bilocaliteit (‘loop voor jou (…) en zal achter je blijven staan’), en anderzijds ontologische twijfel (‘geloof in jou zolang we bestaan’). Doordat die verzen rijmen versteken ze elkaar in hun boodschap. De afsluitende verzen ‘Ik bouw een dijk met m’n blote handen / En hou het water bij jou vandaan’ is een verwijzing naar het feit dat de koning opgeleid is als waterbouwkundige.

Na de rap keert het lied terug naar filosofischer thematiek. ‘Laat me weten wat je droomt’ zet de toon voor de hele strofe. ‘En als je ooit je weg verliest’ is een poëtische verwoording, waarop wordt gevarieerd met het daarna volgende ‘Ik wijs je de haven in de duisternis’, een ingenieuze mixed metaphor waarbij tegelijk land en zee aan bod komen. Ook de gedachte is hier tweeledig, er is enerzijds sprake van dromen die waarheid zullen worden, anderzijds van bescherming door, dan wel van de koning.

Verreweg het interessantste deel van het lied, zowel literair als cultureel, is de catalogus van W. ‘De W van Willem / Drie vingers in de lucht’ is een beeld dat blijft hangen. Met drie vingers van één hand komt men door het ganse land. Het poëtische beeld is ontleend aan de gewoonte om met drie vingers drie bier te bestellen. Verderop passeren onder andere de W van water, welkom, wakker en stamppot eten. Die laatste twee springen direct in het oog vanwege de referentie aan de krant van wakker Nederland en de traditionele winterse avondmaaltijd. Het levert een gewaagde combinatie van laagculturele elementen op die afsteekt bij de hoogdravende toon van de catalogus. De afsluitende regels ‘Met de schouders naast elkaar / En dus roepen we vandaag van’ betekent zoveel als ‘zij aan zij zingen wij ons lied’. Voor het gebruik van het woord ‘van’ in de zin van dat wordt gezegd van ‘roepen van’ verwijs ik door naar Paulien Cornelisse.

Niettemin betreft het hier een ideale opmaat voor en terugkeer naar het refrein. Nog twee strofes gaat het lied door met een herhaling van meesterzetten tot de slotregel volgt: ‘Hou je veilig zo lang als ik leef’.

1 reactie >