Ziekenhuis, oorlog en andere woorden

28 april, 2013 (09:46) | Simone van Saarloos

Crowded-Swimming-Pool-Tokyo-1Op de eerste van de drie middelbare scholen waarop ik heb gezeten, vroeg de techniekleraar ons eerstejaars: ‘Wat kan moeiteloos alle vormen aannemen?’ We waren in het handarbeidlokaal in de kelder, op de houten werkbanken zaten verfvlekken die zich lieten lezen als wolken – dartelende hondjes, briesende drakenkoppen en bloedvlekken van ecoline.

De techniekleraar heette Cliff en hij droeg bergschoenen en een kaki-kleurig overhemd, zo een als crocodile hunter Steve Irwin ook had. Een flinke hanger van bot of steen hing tussen de open knoopjes, het zwarte touwtje dat er aan vastzat verdween in zijn borsthaar. Hij leek meer op een surfdude annex bosjesman dan op een techniekleraar, alsof hij op doorreis was en het handarbeidlokaal slechts een tijdelijk station was, een per ongelukke pleisterplaats.

            ‘Water’, zei Cliff. ‘Water neemt moeiteloos alle vormen aan.’

Hier denk ik aan, nu ik in het ziekenhuis zit op een afdeling waar ik niet moet zijn. (Ik ben hier niet voor mezelf, maakt u zich geen zorgen.) Ik ben in het ziekenhuis omdat ik op bezoek moet, maar ik ben naar deze andere afdeling gedwaald omdat ik van het ziekenhuis houd. Als ik kon zeggen waar dat precies in zit, hield ik er waarschijnlijk niet zo van. Wie teveel bezig is met het opdiepen van oosprong en wortels, ziet niet dat er daarboven iets groeit.

Afgelopen week hoorde ik een gesprek met Hans Jaap Melissen. Elke maand vertrekt hij naar Syrië om verslag te doen van de oorlog. Radio1 wilde van hem horen over ‘de psyche van de oorlogsverslaggever’. De presentator vroeg waarom hij niet wekelijks of voortdurend of in ieder geval nu in Syrië was.
            ‘Ik heb ook nog een gezin. Tenminste, net nog wel’, antwoordde Melissen. Net nog wel. De oorlogsverslaggever houdt er rekening mee dat het bestaan van zijn gezin, sinds zijn komst in de radio-studio, niet vanzelfsprekend is. ‘Ik heb wel een zekere fascinatie voor de dood’, erkende hij: ‘In ieder mens zie ik een toekomstig lijk.’ (Wortels die je niet moet uitgraven)

Wat hem natuurlijk ook aantrok, is dat een oorlogsgebied, althans voor een buitenlandse journalist, een ‘wereld in een wereld’ is. Waar je komt, je onderdompelt en weer gaat, waar alles radicaal anders is, andere wetten gelden.

Wat voor hem de oorlog is, is voor mij het ziekenhuis. Hier binnen balt een diverse bevolking samen – Sjonnies en Jan-Willems, Somaliërs en Leidenaren – , verbonden onder de noemer van ellende – een beetje zoals met het Koningslied.

Ziekte is verschrikkelijk, de dreiging van de dood is verschrikkelijk, de kinderafdeling, EHBO en IC zijn verschrikkelijk. Maar verschrikkelijkheid geklonterd in één gebouw heeft iets veiligs. Buiten de draaideuren verspreidt de verschrikkelijkheid zich, vertroebelt het de lucht en weet je nooit óf en wanneer en van welke kant het je verrast. In oorlogstermen: in het ziekenhuis is verschrikkelijkheid een front – groots, dreigend, maar overzichtelijk – daarbuiten een gevaarlijk onvoorspelbare groep guerilla strijders.

Verschrikkelijkheid is dus een beetje als water. Zet er een gebouw voor neer, en het verzamelt zich.

(Overigens moet je uitkijken voor oorlogs- en krijgersmetaforen in combinatie met ziekte. Voor het waarom, lees Susan Sontags Illness as a metaphor of wat Karin Spaink schrijft over Pink Ribbon)

Ik zie een man, hij zit onder de kapstok in de wachtkamer. De mouw van een jas –  rood, winters nog – hangt vlakbij zijn gezicht. Hij frummelt door een showbizz-blaadje en blijft hangen bij Bram M.. Misschien gelooft hij in een wet die zegt dat het leed van een ander, het jouwe opheft. Dat wanneer de wereld instort voor Bram, het zijne nog wel even gestut staat. Bijgeloof of irreële logica waar ook Melissen zich schuldig aan maakt: ‘Soms denk ik: heb ik mijn geluk verbruikt? Het gaat al zo vaak goed.’

Omdat er niet nog een showbizz-blaadje ligt, steek ik mijn been in de lucht (omdat, steek: irreële logica). Ik houd het gestrekt als een soldaat (voor Melissen), kijk naar mijn zwarte panty en zoek het woord voor de blauwe plekken of ijsbloemen of de mini-mierenhoopjes in de stretchstof. Ik bedoel die beschadiging die ontstaat wanneer je met je panty ergens tegen aan schuurt. Dat is iets anders dan een ladder. Daar smeer je doorzichtige nagellak op zodat ie niet verder uitdijt, maar tegen dit probleem helpt niets.

Moeiteloos vormen ze zich niet, woorden. Maar ze proberen er altijd te zijn, waar dan ook. ‘At the end of the day words, like us human beings, are made of water. They can be shaped and reshaped endlessly.’, las ik laatst bij de Turkse schrijfster Elik Shafak.

Ik denk aan mijn techniekleraar annex bosjesman annex surfdude Cliff en dat de W voor mij vooral van woorden is. In de woordenwereld spoelt water alles altijd symbolisch weg. Dit is gewoon het ziekenhuis.

Ik zoek het bordje naar de afdeling terug. Oncologie. Verschrikkelijkheid samengebald. Het is oorlog (sorry Susan, sorry Karin).

 

3 reacties >