Keuzes en verleidingen

Komt een vertaler weleens in de verleiding de vertaling mooier te maken dan het origineel? ‘Aan deze verleiding dient eenvoudig weerstand te worden geboden. Niet dus.’ Paul Beers. En hoeveel eigenaardigheden uit het oorspronkelijke boek mogen voor de Nederlandse lezer verzacht worden? ‘Nooit! Over mijn lijk! Het Nederlands blijft in beweging als het hardhandig geconfronteerd wordt met wat als on-Nederlands wordt ervaren.’ Wilfred Oranje.
En hoe groot is de verleiding de eigen vertaling later weer te herzien? ‘Ik zou al mijn vertaling graag willen herzien.’ Arthur Langeveld. Is een vertaling eigenlijk ooit af? ‘Nee.’ Hero Hokwerda.
Allereerst maar die verleiding. Want ondanks de categorische afwijzing van Paul Beers, moeten er toch ook vertalers zijn voor wie een lelijke zin of een evidente fout zo pijnlijk zijn voor de ogen dat een interventie onvermijdelijk wordt. ‘Die verleiding moet je natuurlijk zien te weerstaan, maar dat is niet altijd even eenvoudig. Soms ontdek je fouten in de tekst,’ schreef Kees Merkcs. ‘Een leuke bij Čapek in zijn beschrijving van Nederland (Prenten van Holland) is zijn opmerking dat hij op ‘de eilanden Marken en Volendam’ was.’ Arthur Langeveld schreef dat hij het mooier maken weliswaar zorgvuldig trachtte te vermijden en bleek dezelfde mening toegedaan als Wilfred Oranje - ‘De vertaling moet net zo knarsen als het origineel doet’ - maar rekende het herstellen van fouten niet tot het verfraaien. ‘Bij Dostojevski komen nog wel eens wat kleine ‘slordigheden’ voor van het genre ‘liedjes op de gitaar zingen’ waar natuurlijk wordt bedoeld ‘liedjes bij de gitaar zingen’, ‘liedjes met gitaarbegeleiding zingen’. Meestal worden deze in de loop van het vertaalproces bewust of onbewust gecorrigeerd.’
Hier gaat het om het dus om het herstellen van een fout, een vrijheid die zelfs Paul Beers zich zonder twijfel zou veroorloven, maar we bedoelden eigenlijk: mag je, ook al er geen sprake is van een evidente fout, een kromme tekst in vertaling alsnog recht buigen? Iemand die de verleiding wel voelde om in te grijpen in een tekst - overigens niet vanwege de kromheid van tekst, want daar kan bij de overhavige schrijver toch nauwelijks sprake van zijn - is Roel Schuyt. ‘Een enkele maal voel ik die neiging bij het werk van Ismail Kadare (...) Kadare zelf schrijft erg droog en zakelijk (...) Af en toe wat sappiger kan, maar zeker niet te veel...’
Iets sappiger, dat is ongeveer de uiterste grens. Hoewel, het ligt welllicht ook aan het boek dat vertaald moet  worden. Wilfred Oranje zei bij slechte schrijvers voortdurend de behoefte te voelen om het origineel te verfraaien, maar vond tevens een doeltreffend middel tegen deze aandrift: ‘Ik weiger zulke boeken te vertalen.’ Maar wat nu als dat slechte boek toch een meesterwerk is dat er beter van zou worden als het eens goed onderhanden zou worden genomen? Jan H. Mysjkin: ‘Je zou kunnen stellen: als een origineel mooier moet worden gemaakt om een goede vertaling op te leveren, dan kun je het beter laten, want dan deugt het origineel niet (of niet genoeg).’ Maar dat is volgens Mysjkin een veel te rigide redenering. ‘Umberto Eco noemt De graaf van Montecristo het beste boek uit de wereldliteratuur, maar vindt het beroerd geschreven. Geen wonder, wanneer je weet dat Alexandre Dumas niet één keer de drukproeven heeft gelezen of heeft laten lezen door wat vandaag een kopijvoorbereider heet. Eco verdedigt het standpunt dat de vertaler bij dit boek rustig de rol van redacteur op zich kan nemen, Dumas werkte tenslotte zelf samen met ‘nègres’, dus waarom niet met een vertaler 140 jaar na zijn dood. Ik heb de raad van Eco in mijn oren geknoopt, toen ik aan de eerste integrale vertaling in het Nederlands van De graaf van Montecristo ben begonnen – een halfmiljoen woorden, dames en heren, ik ben er dertig maanden mee bezig geweest, zaterdag, zon- en feestdagen inbegrepen. Misschien is mijn vertaling ook beroerd, maar niet zo beroerd als het origineel. Hoe het ook zij, de betoverende vertelling is nog altijd die van Alexandre Dumas.’
En wat nu als de vertaler weliswaar strikt aan zijn principes wil vasthouden, maar de auteur niet maalt om al die scrupules, zoals Hero Hokwerda meemaakte toen hij het werk van Kostas Tachtsís ging vertalen. De schrijver ‘met een goed ‘bekkend’ Grieks, reageerde nogal eens korzelig op mijn al te preciezerige vertalersvraagjes: ach joh, als het maar goed klinkt, maak er maar wat van, en later vroeg hij niet geheel zonder argwaan aan een andere Nederlander: die vertaling van Hokwerda, leest en bekt die wel goed?’ En bovendien: ‘Als iets niet goed geschreven is, ligt het voor de hand te zeggen: maar waarom vertaal je het dan? Maar als ik in een bloemlezing een verhaal van Vasilis Vasilikós er beslist in wil hebben (omwille van schrijver en onderwerp), en als ik dan merk dat er allerlei (syntactische en andere) onvolkomenheden in zitten (Vasilikós is in sommige opzichten zeker een goed schrijver, maar hij is ook een veelschrijver bij wie het er weleens slordig toe wil gaan), dan ga ik in de vertaling heus niet alle foutjes ‘meevertalen’, en dan maak ik de vertaling dus mooier – mea culpa, mea minima culpa...’
Een beroerd stilist of slordig werkend auteur kan dus nog steeds een goed schrijver zijn, een schrijver die zelfs baat kan hebben bij een vertaler die de kamer eens duchtig afstoft en het meubilair herschikt. Toch kan die opvatting niet overal op bijval rekenen. ‘In principe vind ik het niet de taak van de vertaler om van een slecht boek via de vertaling een beter boek te maken,’ antwoordde Edgar de Bruin. ‘Eigenlijk zou je een slecht boek helemaal niet moeten willen vertalen. Ik heb zelf in het begin van mijn loopbaan één keer die fout gemaakt en de uitgever verweet me dat de vertaling niet goed was, terwijl het volgens mij aan het boek zelf lag, al geef ik achteraf toe dat het ook niet een van mijn best gelukte vertalingen is. Wellicht is een slecht boek vertalen moeilijker.’ Maar ook de striktheid van De Bruin kent grenzen: ‘Ik vind het wel geoorloofd om er soms iets mooiers van te maken wanneer je het doet als compensatie. Soms kun je een taalkundig knappe passage, woordgrap e.d. niet adequaat overbrengen, terwijl elders in de tekst bijvoorbeeld het Nederlands je als het ware uitnodigt om er iets mooier van te maken, waarmee je dus op die plek het origineel overstijgt. Zo handhaaf je een bepaald evenwicht binnen de context van het boek. Het gaat om het uiteindelijke resultaat en om het effect op de lezer. Dus binnen zekere grenzen veroorloof ik me wel wat, maar mooier maken mag geen doel op zich zijn. Goede boeken zijn al fraai genoeg van zichzelf, en wie zegt dat als ik er zelf iets mooiers van maak, iedereen dat dan ook mooi vindt? Dat is toch een kwestie van smaak.’
Die befaamde compensatieregeling - probeer wat je noodgedwongen op de ene plaats verliest, te compenseren op een andere plaats in de tekst - kwam ook terug in het antwoord van Hans van Pinxteren. ‘Bij de vertaling van experimentele teksten, zoals Rimbauds Illuminations en Artauds L’Ombilic des limbes, was mijn uitgangspunt het experiment zichtbaar te maken in mijn taal. Dat betekent: zo dicht mogelijk bij het origineel blijven, en tegelijkertijd het Nederlands in een veld van associaties trekken dat naar spanning en geladenheid vergelijkbaar is met het Frans. Deze opzet heeft ertoe geleid dat in mijn uiteindelijke vertaling ook momenten staan met een pregnanter beeld of een grotere klankrijkdom dan het origineel op dezelfde plaats vertoont. Dit ter compensatie voor andere momenten in de tekst waar de vertaling noodgedwongen minder was, en niet omdat ik bezweken was voor de verleiding iets mooier te maken dan het is. Ik heb jarenlang deelgenomen aan de workshop poëzievertalen van James Holmes. De belangrijkste regel die hij me heeft bijgebracht is die van de equivalentie - gebaseerd op het uitgangspunt dat je als poëzievertaler moet streven naar een uitkomst die niet onderdoet voor de oorspronkelijke tekst. Omdat de gelijkwaardigheid dikwijls niet op dezelfde plaats bereikt kan worden, volgt daaruit dat je een eventueel verlies, zo je de kans daartoe ziet, in de omringende tekst moet terugwinnen. Deze regel is bij dit soort experimentele teksten voor mij zoveel als wet geworden. Neem nu in Illuminations, ‘Enfance IV’ de zin ‘Je vois longtemps la mélancholique lessive du couchant d’or.’ Letterlijk vertaald staat er: ‘Ik zie langdurig het droefgeestig loog van de gouden zonsondergang.’ In een van de laatste kladversies die ik van deze tekst maakte, kwam ik uit op: ‘Ik zie heel lang het droefgouden koningswater van de zonsondergang.’ Deze opeenvolging van klanken durfde ik naast het Frans te zetten. Wel heeft in het Nederlands het beeld er een dimensie bij gekregen, want koningswater, dat in de chemie bekend staat als het enige mengsel waarin goud, de koning der metalen, oplost, is nu eenmaal een veel bijtender middel dan loog. Toch heb ik voor dit woord gekozen, niet alleen omdat het iets van Rimbauds spel met de taal, zijn ‘alchimie du verbe’, overbrengt, maar ook omdat het in dit zinsverband het rebelse karakter accentueert van zijn experimentele poëzie.’
En dan waren er nog de vertalers die de vraag liever wat theoretiser benaderden, zoals Rokus Hofstede. ‘Hier (en elders) zou de gestelde vraag eerst op zijn vooronderstellingen moeten worden getoetst voordat een aanzet tot antwoord mogelijk is. De vraag lijkt te suggereren dat de schoonheid van een tekst iets is wat nauwkeurig kan worden aangeduid en gemeten, dat de vertaler de verleiding moet weerstaan zijn tekst op te leuken, dat trouw aan een tekst zo niet slaafse dan toch nederige navolging vereist enzovoort. Maar zodra een vertaler de vormeigenschappen van een origineel wil overbrengen, leukt hij noodgedwongen op; een alliteratie die in de ene zin niet werkt, kan in de volgende wonderen doen; elke goede vertaling is een her-schrijving, een re-productie, een sub-versie. En zelfs al zijn in een goede vertaling bonheurs d’expression aanwijsbaar die in de originele tekst en taal ontbreken, latente associaties die de lezers van de originele versie missen, daar is het de vertaler niet in eerste instantie om te doen. Zijn verantwoordelijkheid is het ontwikkelen van een visie op een tekst, een visie waaraan afzonderlijke stilistische keuzes hun overtuigingskracht ontlenen. Een vertaling is dus geen optelsom van plussen en minnen, geen eenvoudige verdeling van winst- en verliesposten – een clichématig beeld dat vooral wordt gebruikt om de nadruk op de minnen en de verliesposten te leggen. Elke vertaler maakt zijn tekst mooier dan hij is: die tekst bestaat immers nog niet in zijn taal, en ook als hij al wel bestaat, bestaat hij niet, want wat gezegd is, kan altijd anders worden gezegd.’
Saskia van der Lingen: ‘Ook deze kwestie heeft te maken met de afbakening van de vertaaleenheid. Het is onmogelijk om op woord- of zinsniveau alle stijlmiddelen van de brontekst te honoreren, maar aan de andere kant bieden zich in de doeltaal soms mogelijkheden tot bijvoorbeeld woordspel of alliteratie aan op plekken waar daar in de brontekst geen sprake van is. Vrijwel elke vertaler zal daar, onder het mom van ‘compensatie’, gebruik van maken. Voorwaarde is natuurlijk wel dat de ingreep past in de stijl van de brontekst als geheel. Een hele tekst ‘mooier’ maken dan hij is is niet de bedoeling – althans niet bij literaire vertalingen.
Wel ben ik geregeld in de verleiding de interne logica van een tekst te verbeteren. Dat kan gaan om feitelijke onjuistheden in non-fictie, maar ook om foutjes in de ‘continuity’ in een roman. Zo had ik eens een personage dat op een bank ging zitten om een bladzij later weer van een stoel op te staan. Of je aan die verleiding toegeeft, hangt af van de uitgever en eventueel van de auteur. Bij moderne literatuur van levende schrijvers, die dikwijls uit manuscript wordt vertaald, is een mailtje aan de auteur dikwijls voldoende om de inconsistentie te verhelpen, zowel in de vertaling als in het manuscript.
Een verleiding waaraan ik niet heb toegegeven deed zich voor in de Nieuwe Bijbelvertaling. In 1 Koningen 12 wordt het gezag van Rechabeam, de zoon van de overleden koning Salomo, betwist. Zijn tegenstanders dagen hem uit en Rechabeam reageert geprikkeld: ‘Mijn pink is dikker dan het lid van mijn vader!’ Natuurlijk hebben mijn vertaalkoppelgenoot Peter Booij en ik met de gedachte gespeeld om voor het Hebreeuwse woord dat traditioneel als ‘lendenen’ wordt vertaald maar in feite een eufemisme is voor geslachtsdeel – niemands pink is dikker dan de lendenen van zijn vader – het Nederlandse woord te kiezen dat qua woordbeeld en klank één letter dunner is dan ‘pink’ en dat qua register precies zou passen bij de toon van de getergde jeugdige spreker. Met het oog op de doelgroep hebben we van deze gedachte afgezien.’
Het laatste woord, voor wat dit onderdeel betreft, is aan Theo Kars, een van de weinigen in dit gezelschap die niet alleen vertaalt, maar ook vertaald wordt. ‘Ik ben nooit ook maar één ogenblik in de verleiding gekomen een brontekst bij het vertalen te verfraaien. Ik ben van mening dat een vertaler de knecht van de schrijver is wiens werk hij vertaalt. Hij moet het nooit beter willen weten dan zijn meester. Ik vind het een doodzonde als een vertaler een schrijver probeert te verbeteren, en heb in mijn hoedanigheid van schrijver zelf ervaren hoe ergerlijk het is als een betweterige vertaler je overstemt. Vertalen dat volgens een Italiaans gezegde per definitie tot verraden leidt, komt in zo’n geval zelfs neer op verkrachten.’

Hoezeer een vertaler geneigd is literaire eigenaardigheden van de taal waaruit hij vertaalt glad te strijken, hangt vooral af van de noodzaak daartoe. Hoe verder een literatuur van ons verwijderd is, in geografische en taalkundige zin, hoe groter de verschillen die in de vertaling overbrugd moeten worden. Vandaar ook de uiteenlopende antwoorden die op deze vraag worden gegeven. Zo heeft Gerd Busse in het geheel geen last van verschillen die overbrugd moeten worden. ‘Ik denk dat er niet zoveel ‘literaire eigenaardigheden’ in het Nederlands zijn waar een Duitse lezer niet ook gevoelig voor is. Dus er valt bij het vertalen meestal niet zoveel aan te passen.’ Aanmerkelijk lastiger wordt het als de taal waarin het origineel geschreven is dwingt tot aanpassingen. ‘In zowel het Albanees als het Servo-Kroatisch kun je aan het taalgebruik zien of iemand een islamitische achtergrond heeft, en daarvan in een literaire tekst gebruikmaken,’ schreef Roel Schuyt. ‘In Kadare’s roman Het donkere jaar (dat speelt aan het einde van de Tweede Balkanoorlog, 1913) blijkt dat duidelijk uit de manier waarop de leden van een strijdgroep rond Esad Pasha zich uitdrukken, met een veelheid aan leenwoorden van Turks-Arabisch-Perzische origine. Hoe kleurrijk en prachtig ook gedaan, dat is in het Nederlands bijna niet weer te geven. Wel was er veel van de pathetische, geëxalteerde stijl in deze passages te redden.’ En nog een voorbeeld: ‘In De nieuwkomers laat de verteller (Lojze Kovačič, de auteur zelf) zien hoe hij met zijn Zwitsers-Duitstalige achtergrond langzaam en moeizaam Sloveens leert, tot vermaak van de mensen om hem heen, die hem vaak vierkant uitlachen. Hij verstaat soms dingen verkeerd en vooral haalt hij de stemhebbende en stemloze klanken door elkaar. Af en toe heb ik dat in de Sloveense vorm overgenomen, met een verklaring in de tekst zelf. Met Nederlandse middelen weergeven lukte een enkele keer, maar niet altijd, ook al omdat in het Sloveens de tegenstelling tussen de k en g (stemloze en stemhebbende velare occlusieven) een andere is dan in het Nederlands (waar de g staat voor een fricatief). Geheel overnemen en in voetnoten de vertaling geven, zoals in de Duitse vertaling is gedaan, vond ik wel heel netjes en verantwoord maar niet leuk, dus heb ik vaak gekozen voor een simpele vertaling in het Nederlands met daarbij iets als ‘zei ik op mijn manier’ of ‘stuntelde ik...’’
‘Een terugkerend probleem is het gebruik van spreektaal in de Tsjechische literatuur,’ aldus Edgar de Bruin. ‘Dat is daar veel meer ingeburgerd dan in het Nederlands. Het gaat daarbij niet om een bepaald jargon of slang, daar kun je nog wel mee uit de voeten, maar om het wijdverbreide fenomeen dat in de spreektaal op morfologisch niveau woorden worden verbasterd. Zo wordt bijvoorbeeld aan het eind van een woord de ‘ý’ een ‘ej’–‘dobrý’ (goed) wordt zo ‘dobrej’ – of woorden beginnend een ‘o’ krijgen er een ‘v’ voor – ‘okno’ (raam) wordt zo ‘vokno’. En zo zijn er nog meer voorbeelden te bedenken. Op dit niveau heb je weinig mogelijkheden in het Nederlands, terwijl het origineel door een dergelijk taalgebruik een specifieke, eigen kleur krijgt. Je kunt compenseren door bijvoorbeeld vormen als ’r , ’n,’t,es,e.d. te gaan gebruiken, maar als je dat te vaak doet, wordt de tekst er ook niet fraaier op. Extra complicatie is dat het bezigen van spreektaal in het Tsjechisch niet sociaal bepaald is, het wordt van hoog tot laag gebruikt, terwijl dat in Nederland wordt geassocieerd met plat taalgebruik of een lagere sociale klasse. Je moet dan vaak je toevlucht zoeken tot een bepaald taalgebruik, bepaalde woorden, om iets van die spreektalige connotatie uit het origineel over te brengen. Je kunt ook spelen met de zinsbouw en op subtiele wijze nuances aanbrengen. Het is dus niet de bedoeling om de vertaling opeens vol te stoppen met Bargoense woorden of straattaal. Het gaat om meer. Als je het over het fenomeen spreektaal hebt, dan zie je dat bij iemand als Topol–hij staat bekend om zijn gebruik van spreektaal, die vaak nog een extra dimensie krijgt door de afwisseling met poëtische passages –dat die spreektaal zo onlosmakelijk met zijn boek verbonden is, dat je dus wel met je eigen taal moet gaan spelen, zoeken naar diverse taalniveaus. En dat is ontzettend leuk om te doen; puzzelen, dingen uitproberen. Daarom vind ik bijvoorbeeld het vertalen van dialogen leuk. Je hebt dan een veel grotere vrijheid.
Punt is echter dat de literaire conventies in Nederland helaas nogal conservatief zijn waar het vertalingen betreft, althans bij vertalingen uit een zogeheten kleine taal, zoals ik dat heb mogen ervaren. Zo zei een redacteur me eens dat vertalingen er niet zijn om het Nederlands te vernieuwen. Het is dus soms wel een beetje schipperen en je moet er soms voor knokken. Toch mag ik niet klagen, want zodra je werk vertaalt van een bekendere auteur, dan kun je je meer veroorloven, zeker ook als je de uitgever van het stilistische belang kunt overtuigen.
Hoe dan ook, als je vertaalt, moet je ook voor ogen houden dat je vertalingen voor Nederlandse lezers bestemd zijn. Ik heb er geen probleem mee om af en toe een passende, verklarende bijzin in te voegen, bijvoorbeeld als begrippen of namen in de tekst voorkomen die een Nederlandse lezer niets zeggen, terwijl die in de context van het boek wel een rol spelen. Sommigen kiezen ervoor om met voetnoten te werken, maar daar heb ik een afkeer van. Of je moet helemaal niets doen, indachtig de woorden van een auteur die eens tegen me zei: ‘Als de lezer niet weet wie die of die bekende persoon is die ik mijn boek noem, dan slaat hij maar een encyclopedie open of gaat maar op internet kijken.’
Sommige vertalers hebben in de loop der jaren de teugels wat laten vieren om de Nederlandse lezer meer tegemoet te komen. ‘Zo neem ik af en toe mijn toevlucht tot ‘interpretatief’ vertalen: als in het Poolse origineel een begrip of persoon voorkomt, waarvan ik kan aannemen dat de Poolse lezer daar een duidelijke connotatie bij heeft, probeer ik in een paar woorden aanvullende informatie te geven en in de context te plaatsen, bijvoorbeeld: [de negentiende eeuwse schilder van historische taferelen] Jan Matejko,’ antwoordde Esselien ‘t Hart op de vraag. ‘Misschien zijn het wel ontoelaatbare praktijken, maar alles voor de lezer!
Ook in de kwestie van het handhaven van Poolse voornamen ben ik niet meer zo streng als vroeger. Zo heb ik in De grens van Zofia Na[l]kowska een van de vrouwelijke hoofdpersonen uiteindelijk maar Elizabeth genoemd, want wat heb je eraan als de Nederlandse lezer toch El[z]bieta in gedachten niet realiseerd als Elzjbjèta. Dan vormt zo’n naam toch een struikelblok en alweer: alles voor de lezer.’
Arthur Langeveld noemde een ander voorbeeld: ‘Veel hedendaagse Russische schrijvers hanteerden een stijl die sterk door Nabokov en door andere modernisten uit de jaren twintig is beïnvloed. Het spelen met taal en met allerlei verwijzingen naar en grappen over andere Russische schrijvers is er soms even belangrijk als het vertellen van een verhaal. Dit kan voor de niet-Russische lezer zeer vermoeiend zijn. Soms is het goed al dat taalspel ietsje af te zwakken. Met de vertaling van negentiende-eeuwse klassieken zijn er wat dit betreft opmerkelijk weinig problemen.’
Hero Hokwerda: ‘Als Griekse volzinnen mij al te lang worden om goed in het Nederlands weer te geven, wil ik ze weleens opknippen, maar dan zonder de tekst als geheel in een korte-zinnenstijl om te zetten (die wordt in het Grieks óók wel gehanteerd, dus die moet daarvoor gereserveerd blijven).’
Theo Kars: ‘Bij het vertalen streef ik naar goed lopende (een van mijn maatstaven is daarbij : goed hardop voorleesbare) zinnen. De lezer mag aan mijn Nederlands niet kunnen afleiden wat de brontaal is. Lange zinnen splits ik vaak, omdat in het Nederlands anders dan in het Frans en in het Spaans nauwelijks gebruik kan worden gemaakt van het geslacht van zelfstandige naamwoorden, waardoor het bijvoorbeeld niet mogelijk is om door middel van de uitgangen van onvoltooide deelwoorden op begrijpelijke wijze een reeks bijzinnen aan een hoofdzin te koppelen. De regels die in Frankrijk en Spanje voor tutoyeren en vousvoyeren gelden, wijken af van de onze. Om boekerig Nederlands te voorkomen laat ik in een vertaling vaak iemand eerder beginnen met tutoyeren dan in de bronteksthet geval is.’
Jan H. Mysjkin: ‘Ik vertaal bij voorkeur teksten die tegen de geldende literaire conventies in gaan. Helaas heeft ‘de Nederlandse lezer’ er geen behoefte aan, te weten hoezeer hij daar behoefte aan heeft. Literaire eigenaardigheden worden door mij niet omzeild, maar naar beste vermogen in het Nederlands ingewerkt (ingepeuterd, ingevijld – ook wel eens ingehakt, als het niet anders kan). Voorbeelden? De poëzie van Velimir Chlebnikov en André du Bouchet, de romans van Arno Schmidt, de dadataal van Hugo Ball, Francis Picabia en Tristan Tzara.’

‘Geen enkel product van creatieve arbeid is ooit af. Dit geldt ook voor vertalingen. Je moet als vertaler perfectionistisch zijn, maarna publicatie van je werk je er ook bij kunnen neerleggen dat het niet volmaakt is,’ schreef Theo Kars. Dat vond ook Paul Beers. ‘Een vertaling is nooit ‘af’ in de zin van: niet voor verbetering vatbaar.’ Ook Wilfred Oranje mag ook nog graag sleutelen aan eerdere vertalingen. ‘Ik heb heel wat vertalingen herzien (Auerbach, Nietzsche, Fontane, Freud), en dan ben ik zelf mijn ergste vijand.’Hans Boland: ‘Ik herzie mijn vertalingen altijd weer, zodra ik de kans krijg.’ Het mooiste antwoord kwam van Jan H. Mysjkin: ‘Een tekst is nooit af. Voor een vertaling is dat evident, je kunt blijven sleutelen. Een origineel lijkt wel eens af, maar dat lijkt dus alleen maar zo. Een vertaling is de beste manier om het origineel te herzien, zo om de kwarteeuw ongeveer.’ Edgar de Bruin gaf een vergelijkbaar antwoord. ‘In feite is een vertaling nooit af, maar dat geldt ook voor sommige boeken. Ik ken veel schrijvers die als ze nu een bepaald boek zouden schrijven, ze dat anders zouden doen. Veel schrijvers schromen ook niet om nieuwe uitgaven van hun werk te herzien en er soms dingen in te veranderen of erin te schrappen. Zo is het ook met een vertaling, al kun je daar moeilijk passages uit gaan schrappen. Als ik nu een boek zou moeten vertalen dat ik drie of vier jaar geleden heb vertaald, zou ik vast bepaalde dingen anders doen. Noem het voortschrijdend inzicht, veranderde smaak. Als ik een vertaling zou mogen herzien dan is dat mijn allereerste vertaling: De ingenieur van de menselijke ziel, het magnum opus van Josef Škvorecký. Echt een fantastisch boek. Ik heb het overigens destijds samen met mijn medestudente Katka Kolmaš vertaald en onder auspiciën van Kees Mercks. Als ik die vertaling zou mogen herzien, zou dat een geschenk zijn, al vrees ik dat het op een compleet nieuwe vertaling zou uitdraaien.’
Hoewel aan de verleiding een oude vertaling te herzien alleen gevolg kan worden gegeven als een uitgever tot een herdruk bereid is, heeft een redelijk aantal vertalers dat voorrecht toch mogen smaken. Paul Beers: ‘Ik ben in de gelegenheid gesteld mijn vroege vertalingen van Gombrowicz’ Dagboek en Verhalen te herzien.’ Kees Mercks: ‘Zelf heb ik twee eerder vertaalde boekjes hervertaald, hetgeen moge duiden op de onvolkomenheid van de oudere vertaling, en bovendien kreeg ik van de uitgever de gelegenheid bij nieuwe uitgaven van mijn Hrabal-vertalingen deze te herzien, waardoor ik mijn eigen vertaling nog eens kritisch kon bekijken.’
Verder zijn er vooral wenslijstjes, zoals van Gerd Busse. ‘Een vertaling die ik graag nog eens had willen herzien is het boek van Han Israëls over Schreber: Vater und Sohn, een boeiende biografie over twee personen die in de geschiedenis van de psychoanalyse en de pedagogiek een belangrijke rol hebben gespeeld. Ik heb toentertijd een slechte Duitse vertaling van Schreber, vader en zoon hardhandig geredigeerd maar achteraf vaak gedacht dat je het boek eigenlijk nog eens een keer zou moeten vertalen om recht te doen aan het origineel.
Rob van der Veer: ‘Toch zou ik nog weleens een oude vertaling willen herzien, al was het alleen maar om het boek zijn rechtmatige titel terug te geven en iets te laten herwinnen van wat er verloren is gegaan doordat ik het niet rechtsreeks uit de brontaal heb kunnen vertalen. Normaal gesproken maak je bij een herziening gebruik van de ervaring en kennis die je hebt opgedaan sinds de eerste verschijning, maar in het geval van De betoverde berg van Etienne van Heerden komt daar iets anders bij. De oorspronkelijke versie, Toorberg, was geschreven in het Zuid-Afrikaans, maar omdat er kennelijk niet zo snel een uit het Zuid-Afrikaans werkende vertaler te vinden was en de uitgever wist dat ik bij het vertalen van André Brink werkte met zijn Engelse en Zuid-Afrikaanse versie, kreeg ik Toorberg aangeboden. Er bestond een Engelse vertaling, Ancestral Voices door Malcolm Hacksley, en die zou als uitgangspunt dienen, met daarnaast de oorspronkelijke versie. Toorberg betekent eigenlijk ‘toverberg’, ‘berg met toverkracht’, maar het boek mocht geen Toverberg heten, want er bestond al een boek dat De toverberg heette. Tja.
Wat ik bij een herziening zou doen, is de Engelse vertaling naar het tweede plan schuiven en eigenlijk alleen van Van Heerdens eigen tekst uitgaan. Ik was destijds al na één bladzijde in de ban van het Toorberg en vond het een boek om Zuid-Afrikaans voor te leren. Inmiddels is mijn passieve kennis van die taal beter geworden en denk ik het boek meer recht te kunnen doen dan destijds het geval was. Overigens is Van Heerden na De betoverde berg terechtgekomen bij Riet Goossens-De Jong en Robert Dorsman, en dat was de beste oplossing. Een omwegvertaling wordt al gauw een parafrase, maar als dat ook opgaat voor De betoverde berg, wil ik het euvel graag alsnog verhelpen.
Maar er zijn er ook die al huiveren bij het idee. ‘Nooit. Mijn eerste vertalingen durf ik niet meer in te zien, maar die moeten vast herzien worden,’ antwoordde Aai Prins.

2 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.427 Nr.428 Nr.429 Nr.430 Nr.431
 
intro / voorproeven / meesterwerken / vertaaldiscussie / reactie Halbo Kool / van Finland tot Japan / besprekingen / Rouaud
 
Keuzes en verleidingen / De afgelopen twintig jaar
  1