reactie Halbo Kool

n.a.v  Nick van Tilburg, 'Halbo C. Kool: zijn rol in De Avonden en relatie tot Gerard Reve.' In: Tirade 427.

Halbo Kool

PRO DOMO

Van Tilburg neemt in zijn artikel over Kool en Reve veel gegevens - ook onjuiste - en opinies over uit het tendentieuze Kool-artikel van Jeroen Brouwers. Knip en plakwerk leidt tot nogal wat kleine vertekeningen. Een paar opmerkingen. Briefcitaten uit het Halbo Kool archief.

Van Tilburg/Brouwers schrijft 'bij het verschijnen van zijn (Kools) tweede bundel Scherven ... bleek men eigenlijk  al op hem te zijn uitgekeken' , volgt het van Vriesland citaat dat 'deze bundel geen nieuwe gezichtspunten opende' maar zonder Brouwers toevoeging 'deze criticus bleef toch 'een gevoel van vertrouwen (behouden) in de langzamen en boerschen groei van deze Groninger'. Greshoff schreef n.a.v. dezelfde bundel o.a. 'Kool heeft de toekomst nog voor zich'  en een jaar later in een brief 'Het (Verlaine gedicht) beviel mij zeer. Mag ik het voor G(root) N(ederland) hebben? Daar zou je mij een groot plezier mee doen'. Nee, het ging niet 'Hierna bergafwaarts met Kool'. Onzin, Kool is dan 25, net in Amsterdam, vindt werk als journalist bij Het Volk in Amsterdam, trouwt, scheidt en trouwt opnieuw, publiceert gedichten, schrijft literaire kritiek o.a.voor het Critisch Bulletin, Den Gulden Winckel en de radio, stelt bloemlezingen samen met Kelk, schrijft tegen het fascisme, etc. Hij heeft zijn draai gevonden en telt in Holland's letterentuin.

Van Tilburg citeert Brouwers opnieuw m.b.t. de briefwisseling tussen ter Braak en du Perron. Het citaat 'stukjes met gelul' moet 'het gelul van HCK' zijn, de reactie van du Perron op Kool's kritiek in Den Gulden Winckel (nov. 1935) van De korte baan: nieuwe Nederlandsche verhalen, bijeengebracht door Marsman en du Perron. Een jaar later schrijft du Perron echter 'Beste Halbo, Het was erg aardig van je aan mij te denken. Ik was van plan je in Amsterdam op te zoeken, maar ... slamatt llingal! hartelijke groeten van je EdP'. In 1937 liegt Kool's critiek over Ter Braak's Douwes Dekker en Multatuli in Den Gulden Winckel (mei 1937) er niet om. En wanneer Kool in Groot Nederland (1937 pp 278-80) over Coster schrijft en du Perron niet spaart, toornt ter Braak 'zoveelste verraad inderdaad van wel een heel klein 'klerkje'', een verwijzing naar Julien Benda, La trahison des clercs: 'Diegenen wiens rol het is de eeuwige en belangeloze waarden, als rechtvaardigheid en redelijkheid, te verdedigen en die ik de klerken noem, hebben deze rol verraden ten gunste van pragmatische belangen'. Heel wat anders en vernietigender dan iemand 'smalend 'een klerkje' te noemen. Dit keer komt - wel bij Brouwers maar niet meer bij van Tilburg - du Perron zelfs enigszins voor Kool op en schrijft 'Kool is nooit een 'klerkje' geweest' maar heeft het ook over 'rosse bollert'  en 'lul-van-blanus'. Verdragen de Forum-goden soms Kool's kritische beschouwingen over hun werk niet? Tenslotte schrijft Fred Batten in 1939 aan Kool: 'Uit naam van mijn vriend E. du Perron zend ik U den hierbijgaanden tegenzang van zijn hand op het bekende 'Heldendicht' van George Kettmann' met het verzoek die te publiceren.

Anders dan van Tilburg/Brouwers schrijft was Kool na de oorlog tot 1949 (soms zeer kritisch) bestuurslid van de Bezige Bij. In 1949 nam Hans Redeker zijn plaats over na voor het bestuur voorgedragen te zijn. Secretaris Foppema (25/9/1949): 'Er moest dus gestemd worden ... 7 stemmen op Redeker, 3 op jou (Kool) en 1 blanco. Onder de elf stemmers bevond zich volgens Fokkema ook ... v/h Reve. Maar hoe die gestemd heeft ...

Van Tilburg vermeldt Kools bundel Roodboek uit 1947 nergens. De hele paragraaf 'In 1948 nam hij ontslag ...' is op veel punten onjuist. Kool vertaalde, schreef literaire kritiek, bleef tot midden jaren zestig bij de Wereldomroep en werkte pas daarna voor de E.E.G. In 1950 verscheen zijn lange gedicht Een sleutelromance en het Nieuw Vlaams Tijdschrift nam eind 1954 een cyclus Elf rondelen van hem op. Daarna schreef hij weinig poëzie, wel een pamflet, Muze zonder corset (1955) over experimentele poëzie en organiseerde in 1966 enkele opmerkelijke poëzie-avonden in het Mickerytheater. Zijn laatste poëtische actie, de samenstelling van de bundel Morgengave voor Meerminnen, op het titelgedicht na een keuze uit eerder gepubliceerd werk en wellicht afronding en afscheid van zijn leven, lag bij de drukker op het moment van zijn dood.

Van Tilburg schrijft dat Kool 'vlak na de oorlog aanvankelijk (met den Brabander) bevriend was geweest', dit moet sinds 1933 zijn. De anekdote is onvolledig, de bron, Geen letterheren van Elburg over de eerste jaren na de oorlog, vermeldt 'Zijn (den Brabander) hekel aan ... Halbo (C.) Kool, een aversie waaraan de roddelverhalen over het vaderschap betreffende Den Brabanders oudste dochter Marianne (* midden jaren dertig) niet vreemd zullen zijn geweest, uitte zich in de hulpzin: 'Schrijft Halbo Kool poëzie?' Volgt dan het bekende verhaal. Geen 'roddelverhalen' maar een feit, en zelfs ik neem den Brabander niets kwalijk. Toch schreef den Brabander in 1950: 'Beste Halbo, Hedenmiddag luisterde ik naar Ritter, die je Sleutelromance besprak. In langen tijd heb ik geen verzen gehoord of gelezen, die mij, vooral door hun eerlijken eenvoud, maar ook om hun kundigen bouw, zoo hebben ontroerd ... Ik heb de pest aan poëzie, maar deze koop ik'.

Van Tilburg/Brouwers schrijft dat Kool 'kort voor zijn dood vanuit Hilversum opnieuw verhuisde naar Amsterdam, om daar eenzaam op een huurkamer de rest van zijn treurige bestaan door te brengen' zonder - hoe verbijsterend ook - dat te vergelijken met wat Reve en vooral Luiting zeggen. Rond de jaarwisseling 1968 trekt Halbo inderdaad in bij Elsa den Hertog die in Amsterdam een benedenwoning met een tuin had. Halbo is in de wolken. Dat was hij ook toen hij in 1961 (of 62) introk bij Liesbeth Mögelin, psychologe, volgens wie Halbo manisch depressief was. Maar terug naar Elsa. Van trouwen hoor ik niets, kan ook niet zomaar want mijn moeder leeft nog en mijn ouders zijn alleen van tafel en bed gescheiden. Eind mei krijg ik een paniektelefoontje van Elsa. Halbo is sinds één of twee dagen vertrokken en nog niet terug. Ze vreest het ergste. Mijn reactie, maak je niet druk, niets nieuws, hij duikt wel weer op. Later die week belt de politie bij mij aan, vraagt of ik Halbo Kool ben en of ik maar even mee wil komen. Wat ik doe, maar ik weet al genoeg. Vroeger had Halbo ons - wij waren drie - altijd gezegd dat wanneer hij er een eind aan zou willen maken en dat alleen niet meer redde, wij hem zouden moeten helpen. Als je dat te vaak hoort geloof je niet meer zo in zelfmoord zelfs al had hij, twaalf jaar oud, al geprobeerd zich de polsen te openen. Achteraf vertelde Elsa dat Halbo samen met haar zelfmoord had willen plegen. Het summum van dichterlijke romantiek. Zou dat soms het huwelijk geweest zijn waarover Reve en Luiting het hebben?!

5 reacties >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.427 Nr.428 Nr.429 Nr.430 Nr.431
 
intro / voorproeven / meesterwerken / vertaaldiscussie / reactie Halbo Kool / van Finland tot Japan / besprekingen / Rouaud
 
 
428/reactie