Rouaud

Écrire, c’est tout un roman is afkomstig uit La fiancée juive, in 2008 verschenen bij Gallimard. In deze bundel, bestaande uit acht wat kortere essayistische teksten, gaat Rouaud vooral in op autobiografische gegevens die de basis hebben gevormd voor zijn schrijverschap.

Een lang gedicht vormt de afsluiting van de bundel. Met deze lofzang op La fiancée juive sluit Rouaud in zekere zin sombere kinderjaren en jeugd af die in hoge mate getekend zijn geweest door de vroegtijdige en onverwachte dood van zijn vader.

Bij het boek is een cd toegevoegd met het door hemzelf in de vorm van een blues op muziek gezette en uitgevoerde (zang en gitaar) gedicht.

Vertaling: 2de jaars werkgroep van de VertalersVakschool, Amsterdam.

Cora Bastiaansen, Fred Bleumer, Henriëtte Gorthuis, Meile Tamminga, Hester Tollenaar, Marianne Kaas.

***


SCHRIJVEN, EEN HEEL VERHAAL

Jean Rouaud

Gesteld, er is een oververzadigde markt waarop maar een miniem percentage van de productie zijn weg vindt terwijl het leeuwendeel in de papiermolen verdwijnt, en daarnaast een onverschrokken eenling zonder financiële middelen die desondanks voornemens is zich er een plaats te veroveren. U zult onmiddellijk tot de conclusie komen dat zo iemand geen verstandig bedrijfsleider is. U zult het bij het juiste eind hebben, hij is romancier.

Wat vertelt ons dit? Een verhaal dat al heel vroeg begint, met, tja, met wat precies, het plezier in schrijven of de wens om schrijver te worden. Het plezier in schrijven kan voldoende vervulling vinden in het schrijven van brieven of van een dagboek. Beroemde dagboek- en brievenschrijvers, daarvan komen we er wel een paar tegen in de literatuurgeschiedenis, maar om als auteur te worden erkend, dat was niet hun voornaamste zorg. Via indiscrete vrienden hebben we  kennis kunnen maken met hun bijzonder talent, terwijl voor iemand die schrijver wil worden het publiceren van een boek een niet te vermijden tussenstation is, een conditio sine qua non om als schrijver te worden erkend.

Want daar gaat het u om, de erkenning van een vermeend talent. Vóór elke andere overweging. Dat wil zeggen dat u meteen al de hoogst onwaarschijnlijke hypothese ter zijde schuift dat u door het schrijven in uw levensonderhoud zou kunnen voorzien. Wat betekent dat u verreweg het grootste deel van uw tijd, van uw krachten, van uw denken zult besteden aan een bezigheid waarvan u pertinent zeker weet dat u er, tenzij u een ongehoord geluk ten deel valt, niet van zult kunnen leven. In deze kwestie hebt u dus niets te winnen, alleen een roem die des te onzekerder is omdat u het aan het nageslacht moet overlaten om te beoordelen of u werkelijk over talenten beschikt. Het komt er dus op neer dat u van de schrijversroem die u nastreeft, waarschijnlijk nooit de vruchten zult plukken. Trouwens, zou dat tijdens uw leven wel het geval zijn, dan zou u betwijfelen of die roem zich na uw dood zal voortzetten.

Na dit te hebben vastgesteld, en de condities verbonden met uw entree in de literatuur duidelijk te hebben omschreven, doet zich de vraag voor: schrijven, voor een aspirant-schrijver lijkt dat een vanzelfsprekende zaak (hoewel u op een bepaald moment graag op uw woord zou worden geloofd, het haast ongepast vindt dat u met iets voor de dag moet komen, zwart op wit, iets wat kan worden gelezen, kortom), schrijven dus (want in de volgende fase is wel duidelijk dat daaraan niet valt te ontkomen), schrijven, maar wat? Zeker, u hebt er aardigheid in om zinnen te maken, woorden achter elkaar te zetten, te goochelen met het werkwoord. U vindt zelfs dat u dat niet zo slecht afgaat, maar zinnen, om wat onder woorden te brengen?

Resumerend: u bent denker noch essayist noch filosoof. Dat zou u weten, knappe koppen zouden het hebben gesignaleerd. Vervolgens leert een snelle inventarisatie van de uitgeverswereld, waarvan het bestaan van uw boek afhangt, u dat er geen poëzie wordt uitgegeven behalve in samizdatbladen, geen toneel mits het stuk wordt gespeeld, geen korte verhalen tenzij de auteur al enige naam heeft, dus wat blijft er over? Wat kan een man zonder eigenschappen in deze fin de siècle publiceren? Een rondgang door de boekhandel is voldoende om het antwoord te krijgen, dat kinderlijk eenvoudig is: een roman. Een roman, weet u het zeker? Is dat alles wat u me te bieden hebt?

In de tijd van mijn studie aan de universiteit, begin jaren zeventig (een studie die weinig voorstelde en die voor sommigen aanleiding was alles uit de kast te halen om ons te laten zien dat de literatuur zich niet langer op hetzelfde terrein bewoog als vroeger, in de glorietijd van de bourgeoisie en haar scribenten, maar in de randgebieden – kioskromans, Kuifje en co.), in die tijd was de romancier, dat weet ik nog, niet echt in aanzien, niet veel meer dan een idioot. Aanzien genoten alleen de grote theoretici van het denken, de theoretici tegen wie de verhalenverteller-zonder-meer het moest afleggen. Vandaar de conclusie dat praten over Flaubert beter was dan Flaubert zijn.

Maar aangezien er niets anders op zit, vooruit dan maar. Dan maar een roman. Iets waartoe u zich verbindt bij gebrek aan beter, waarbij u zich schoorvoetend neerlegt. Behalve dan, een klein inconveniënt, dat het achter elkaar zetten van zinnen nog geen roman maakt, zoveel is u al snel duidelijk. Het eerste waartoe u zichzelf dwingt, en wat u het moeilijkst vindt, is een kat kat noemen. Wat een peulenschil lijkt, een vanzelfsprekendheid zelfs, maar iemand met poëtische pretenties, een lyrische neiging om om de hete brij heen te draaien, moet zich daarvoor geweld aandoen. Die kat, je wringt je in bochten om allerlei benamingen voor haar te bedenken, ten minste, zolang niemand op het idee komt om op te merken: maar waarom hebt u dat niet eerder gezegd, u hebt het over een kat, of heb ik het mis?

Een verhaal vertellen veronderstelt een intrige, of iets wat daarop lijkt, waardoor de lezer zijn lectuur niet al te snel zal staken, personages die een ontwikkeling doormaken in een gegeven tijdsbestek, in een bepaalde ruimte, die een burgerlijke staat zullen hebben, een functie, gevoelens, belevenissen, figuren die je zult trachten zo levensecht mogelijk neer te zetten, zodat diezelfde lezer over de woorden beschikt om ze voor zich te zien, en dus veronderstelt het een aantal talenten die u niet komen aanwaaien anders zou u zich de vraag nooit hebben gesteld: u zou romans hebben geschreven, zonder er een drama van te maken. Dus leert u om vat te krijgen op de realiteit, om de illusie van leven te wekken. Niet iets wat vanzelf gaat, maar wat u verplicht tot stijloefeningen, om een wat stijve pols los te maken, want door uw fascinatie voor de literatuur is uw benadering van het schrijven uiterst krampachtig.

Duizend jaar Franse literatuur, die litanie van grote auteurs, als even zovele mijlpalen die imposanter zijn dan koningen, genoeg om de aspirant-schrijver te intimideren die, bijgevolg, een stijve, precieuze taal gaat hanteren, de neiging heeft om te overdrijven, het te zwaar aan te zetten, of juist om, door zich voor te doen als zogenaamde Rimbaud-adept, die loodzware erfenis overboord te gooien en zich een rigoureus modernistische discours aan te meten, te breken met de heersende canons. Immers, de grote angst is deze: de boot van de moderniteit te missen, als een niet-levensvatbaar auteur te boek te staan, dat wil zeggen als een bleke epigoon van de voorlopers, een ijverige imitator, zonder nieuwe inbreng. Want kun je de literatuurgeschiedenis betreden als je, al achterom kijkend, genoegen neemt met het maken van nieuwe wijn in oude zakken? Als dat laatste het geval is, hoe is het dan mogelijk om, op basis van oude recepten, het genre te vernieuwen?

Want verhalen, die worden verteld sinds de nacht der tijden. En altijd dezelfde: mensen die elkaar liefhebben, elkaar naar het leven staan, sterven. Dat is het wel zo ongeveer. En ik zou op dat duizendmaal afgegraasde terrein een nieuw licht kunnen werpen? Laten we daarvan uitgaan, en de lachers negeren.

Nu dient zich de keuze van het onderwerp aan. Wat dat betreft, twee opties: louter fictie (Het geheimzinnige eiland, bijvoorbeeld) of het autobiografisch getinte verhaal (Op zoek naar de verloren tijd, ter bepaling van de gedachten). Wat zal beslissend zijn voor de keuze?

Voor u die uw vader onverwacht hebt verloren, op een tweede kerstdag, wordt het antwoord geleidelijk aan onontkoombaar; uw aarzeling is maar schijn. Het blijkt dat u nooit in staat bent geweest te praten over die gebeurtenis die een zware last heeft betekend in uw verdere leven. Dus die roman, die zou daar misschien de gelegenheid toe bieden, nietwaar? U zult tijd nodig hebben. Ik heb er tien jaar voor nodig gehad. Maar zo lukt het iemand om als hij zevenendertig is een eerste roman te publiceren, De velden van eer. Daarna liggen de kaarten anders. U hebt lezers, u wordt bestudeerd, u krijgt aandacht. U hebt het geluk `schrijver’ te kunnen vermelden in uw paspoort. Daarna staat u er niet langer helemaal alleen voor.


1 reactie >
 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.427 Nr.428 Nr.429 Nr.430 Nr.431
 
intro / voorproeven / meesterwerken / vertaaldiscussie / reactie Halbo Kool / van Finland tot Japan / besprekingen / Rouaud