intro

In dit speciale Boekenweeknummer krijgt het thema humor een eigen en eigenwijze vorm:


J .J. Voskuil vertelt droogkomisch over zijn Groningse jaren.
Tonnus Oosterhoff vindt: ‘Humor heb je of heb je niet.’
Bij Anne Vegter hangen ‘wonderen slap van de lach over tafel’.
Carl Friedman vertelt over een kolonel met ‘een jas die een grap is’
Wim Raven en Frits van der Mey laten zien wat er te lachen valt in bijbel en koran.
Nico Dros tovert glimlachjes op het gezicht van zijn ‘maltentig voddebaaltje.’
Karel van het Reve schildert een hilarisch zelfportret.
Arjan Peters vraagt zich af of hij bij het woord ‘stokbrood’ moet gaan schateren.
Arjen Duinker laat vingers tintelen en ogen verdwalen.
Bij Wim Hofman heeft het hanglampje een scheve glimlach.
Esther Gerritsen ziet een grote kale man in een rolstoel luid hardop lachen.
Peggy Verzett schrijft zinnen ‘met tandjes in het land.’
D. Hooijer vraagt zich af: ‘hoe kan u nou lachen na zo iets ergs?’

En tussendoor valt er volop te glunderen, gniffelen en grinniken om de tekeningen van Harrie Geelen.

De Groningse jaren die Voskuil in deze bijdrage beschrijft, zijn feitelijk de jaren tussen Bij nader inzien en Het Bureau. Voskuil was leraar op een Kweekschool. Hij schrijft: "Je wordt als leraar gedwongen tot een pose. Bij een uitvoering zit je aan een aparte tafel. Ik heb het land aan uitvoeringen, maar voor leerlingen is zoiets alleen maar te begrijpen als je zou zeggen dat je daar te oud voor bent. De omgang met mensen die jonger zijn, maakt oud. Wat anderen jong blijven noemen, is kinderachtig zijn, zoals H. (leraar geschiedenis), die tijdens mijn eerste les mijn klas vermaakte met het trekken van gekke gezichten achter het bovenraam in de deur, het soort grapjes dat hem immens populair maakt."

Dit nummer is uitverkocht.

 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.417 Nr.418 Nr.419 Nr.420 Nr.421
 
intro
 
 
417/intro