intro

‘Ik luisterde op een avond naar Naima van John Coltrane, in de free-style versie op Life in Paris, toen ik me afvroeg of ik, op dezelfde manier improviserend, een gedicht zou kunnen schrijven.’ Dit was het uitgangspunt voor Robert Ankers verrassende reeks ‘gemraad slasser d.d.t. / free style’, waarmee deze Tirade opent.

Verder in dit nummer nieuwe gedichten van: Eva Gerlach, Maayken Koolen, Anton Korteweg en Alfred Schaffer.

‘Wat deed mijn vader die ochtend in zijn kantoor? Mijn optimale antwoord bestaat uit een collage van flarden.’

Drie schrijvers graven in hun geheugen naar herinneringen aan een gruwelijke gebeurtenis uit hun kindertijd. Kees Verheul gaat na wat er waar is van de verhalen en beelden in zijn hoofd over een groot bombardement op Hengelo in oktober 1944, en tracht op die manier zijn vader rechtvaardig te portretteren; Wim Hofman beschrijft in een lang verhalend gedicht hoe hij als kind in de jaren vijftig een Duitse helm met een kogelgat vindt in de Zeeuwse duinen. En Harrie Geelen vertelt hoe een vervallen, adellijk landhuis en zijn tirannieke, gekgeworden laatste bewoner definitief te gronde gaan na een Engels bombardement.

Ook in dit nummer: twee verhalen over schuldgevoel en rouwverwerking, door Vincent Overeem en Jeroen Thijssen.

Jan Siebelink, ten slotte, beschrijft in ‘De ideale bibliotheek’ hoe hij toevallig één nacht doorbracht tussen de boekencollectie van Johan Polak en hoe hij, tijdens deze nacht, meerdere malen Mallarmé’s befaamde l’Apres midi d’une faune, in de uiterst zeldzame editie geïllustreerd door Claude Monet, in zijn eigen handen heeft gehouden. ‘Polak heeft mijn misdaad ontdekt. Hij heeft mij ernstig berispt, maar mij zijn vriendschap niet opgezegd.’

 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.407 Nr.408 Nr.409 Nr.410 Nr.411
 
intro
 
 
408/intro