intro

Poëzie moet klotsen, doet ze dat niet dan kun je haar net zo goed bij het grof vuil flikkeren. Zo ongeveer vat Rutger H. Cornets de Groot de poëzieopvattingen van Ilja Leonard Pfeijffer samen, in een vlammend essay dat korte metten maakt met het machtsspel dat deze dichter en criticus speelt met zijn lezer. In zijn essay ‘Alleen de literatuur kan ons nog redden’ schrijft Jan-Hendrik Bakker over ‘de burn-out van het humanisme’ die spreekt uit het werk van Houellebecq. Johanneke van Slooten schrijft over de poëzie van Mallarmé en René Char in het werk van Pierre Boulez; Bert Nienhuis maakte schitterende foto’s van (de handen van) Boulez.

Gialt Lekkerkerker huurt het slome paard Roestana om zijn beoogde maar nog onwillige geliefde Mireille mee te kunnen nemen op tochtjes door het bos: een nieuw verhaal van D. Hooijer. Hedda Martens portretteert drie iemanden: iemand die zich nooit meer wil verontschuldigen, iemand die zich oefent in welsprekendheid en iemand met een duizelingwekkend rekenvermogen.

Verder veel poëzie: nagelaten gedichten van Hendrik van Teylingen en nieuw werk van Willem van Toorn, Ad Zuiderent, Harrie Geelen en Hester Knibbe.

 

< 1960 < 1970 < 1980 < 1990 < 2000 <2010 < 2020
 
2001 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009
 
Nr.402 Nr.403 Nr.404 Nr.405 Nr.406
 
intro
 
 
402/intro