intro

L.H. Wiener schrijft in ‘Dagboeken: Max de Jongs en nog een' onder meer: ‘Een schrijver heeft een bepaald image, of hij wil of niet, of hij er nu aan werkt of niet; soms zelfs heeft een schrijver een heel ander image dan dat waarvoor hij zoveel poses aanneemt en waarvoor hij zoveel moeite doet en leugens verkoopt. Neem bijvoorbeeld Adriaan Morriën. Die heeft een gedicht geschreven: Het Gebruik Van Een Wandspiegel (De Gids 1, 1968), waarin hij een ik-figuur laat masturberen. Ik kan dat niet goed hebben van Morriën; ik vond het vies bij hem, zo is zijn image nu eenmaal. Bij W.F. Hermans zou ik nieuwsgierig zijn of hij misschien een geheel afwijkende techniek had. En G.K. van het Reve kan ik mij haast niet anders voorstellen.

            C. Buddingh' heeft ook een image. Dat van de absolute burgerman. Kompleet met konfektiepak, lelijke tanden en allerlei oninteressante ziektetjes.'

 

Deze tirade van Wiener naar aanleiding van de dagboeknotities van C. Buddingh', gepubliceerd onder andere in Tirade 136,137,140 en 141, sloot hij af met de mededeling dat hij zijn bijdrage drie jaar eerder al naar Van Oorschot gestuurd had. Diens reactie destijds (zie nummer 137) werd ook opgenomen, net als een onderschrift van ‘de redactie'. Daarin staat: ‘L.H. Wiener is verontwaardigd. Hij is boos. Dat mag hij wezen. Ik lees de "praatjes" van Buddingh' altijd met het allergrootste genoegen.' En: ‘wat de komma achter Buddingh' betekent: ach, Wiener-melange of Wiener-schnitzel hebben immers ook niets te maken met de voortreffelijkheid van sommige verhalen van L.H. Wiener.'

            Die had namelijk geschreven: ‘ik denk dat die komma aanduidt dat er iets is weggelaten aan zijn naam. Iets dat het daglicht niet kan velen?'

 

< 1960 < 1970 <1980 < 1990 < 2000 < 2010 < 2020
 
1970 1971 1972 1977 1978 1979
 
Nr.164 Nr.166
 
intro / inhoud
 
 
166/intro